Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3097

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
29-10-2020
Zaaknummer
20-000254-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met cassatie. Verdachte is ter zake van 'openlijk in vereniging plegen van geweld tegen goederen' veroordeeld tot werkstraf voor de duur van 20 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000254-20

Uitspraak : 30 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 21 januari 2020 in de strafzaak met parketnummer 02-239148-19 tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

wonende te [adres 1].

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte vrijgesproken van het plegen van ‘openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen’.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, te dien aanzien opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 20 uren te vervangen door 10 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof in tegenstelling tot de kinderrechter tot een bewezenverklaring komt.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 5 oktober 2019 te Oosterhout met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Veerseweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een voertuig (bestelauto), welk geweld bestond uit het slaan en/of stompen en/of stoten en/of trappen, waarbij hij, verdachte, opzettelijk een bestelauto ([kenteken 2]) heeft vernield;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 5 oktober 2019 te Oosterhout met een ander, op de openbare weg, de Veerseweg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een voertuig (bestelauto), welk geweld bestond uit het slaan en trappen;

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar pagina’s van het proces-verbaal openlijke geweldpleging, documentcode PL2000-2019239066 van de eenheid Zeeland-West-Brabant district de Baronie, Basisteam Markdal, gesloten 10 oktober 2019 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 72).

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2019 (pagina 5-6), inhoudende het relaas – zakelijk weergeven – van [verbalisant 1]:

(pagina 5)

Op zaterdag 5 oktober, omstreeks 18.45 uur, was ik, verbalisant, in uniform gekleed en belast met incidentafhandeling in dienst met collega [verbalisant 2]. Wij kregen de melding dat er zojuist een vernieling had plaats gevonden aan een auto in de Wiekslag te Oosterhout en dat de daders waren weggereden in een zwarte Audi met het [kenteken 1]

. Aangezien wij eerder op locatie [adres 1] waren geweest, voor de aanhouding buiten heterdaad van [broer verdachte], die overigens niet thuis was, en hier zijn vader spraken, genaamd [vader verdachte], en wij wisten dat [vader verdachte] deze zwarte Audi tenaamgesteld heeft staan, hadden wij direct beeld van hoe de auto eruit zag en wie er gebruik van zou kunnen maken. Toen wij namelijk het pand [adres 1] verlieten, zagen wij dit voertuig rechts naast de woning staan.

Wij reden richting centrum en zagen dat dit voertuig naar het politiebureau reed en parkeerde. Wij zagen de ons ambtshalve bekende [vader verdachte] uit het voertuig stappen. Ik heb [vader verdachte] uitgelegd dat hij mogelijk verdacht werd van vernieling, dat we aan het vaststellen waren of er daadwerkelijk vernielingen waren aangericht en of de eigenaar als benadeelde dan ook aangifte zou willen doen en dat hij in die gevallen als verdachte aangehouden zou worden.

Ik hoorde dat [vader verdachte] bij die persoon het voertuigportier had geopend en die persoon

daarbij weg was gereden. Ik hoorde dat [vader verdachte] zei: ‘Ik sloeg tegen zijn spiegel’.

(pagina 6)

Ook hoorde ik, verbalisant, dat [vader verdachte] zei dat zijn zoon van 14 bij het incident aanwezig was en dat hij die opdracht had gegeven naar zijn moeder te gaan. Vervolgens kregen wij over de portofoon, van de collega’s die ter plaatse bij het vernielde voertuig stonden, te horen dat er deuken in de auto zaten en dat de spiegel eraf en/of kapot was en dat de eigenaar aangifte wenste te doen. Hierop heb ik, met collega [verbalisant 2], [vader verdachte] te 19.15 uur aangehouden als verdachte ter zake vernieling en openlijke geweldpleging.

2. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 5 oktober 2019 (pagina 7-19), inhoudende het relaas – zakelijk weergeven – van verbalisant R. van Zundert:

(pagina 7)

Om zaterdag 5 oktober 2019 omstreeks 18.50 uur hoorde ik de centralist van de meldkamer een melding uitgeven op de [adres 2] te Oosterhout NB, aldaar zou door twee personen op een bestelbus zijn geslagen, vervolgens in een personenauto zijn gestapt en zijn weggereden richting het centrum van Oosterhout NB. De twee personen zouden zijn ingestapt in een personenauto van het merk Audi, voorzien van het [kenteken 1]. De centralist van de meldkamer gaf door dat het kenteken op naam stond van [vader verdachte], geboren op [geboortedatum] en wonende aan de [adres 1].

(pagina 8)

Op de [adres 3] te Oosterhout NB troffen wij de ons ambtshalve bekende [aangever] aan in

zijn voertuig, te weten een bestelauto, van het merk Citroën, type Berlingo, blauw van kleur en voorzien van het kenteken [kenteken 2]. Wij zijn met [aangever] in gesprek gegaan en hebben hem gevraagd wat er was voorgevallen. Hij gaf aan dat hij op de [adres 2] te Oosterhout NB reed en ter hoogte van de [adres 4] te Oosterhout NB werd klem gereden door de bestuurder van een personenauto. In deze personenauto zaten twee inzittenden, deze stapten vervolgens uit en begonnen in te slaan op de bestelauto van [aangever]. Vervolgens is [aangever] weggereden en heeft uiteindelijk de politie gebeld om te melden wat er was gebeurd. Eén van de inzittenden herkende [aangever] als [vader verdachte]. De personenauto, waarvan de bestuurder [aangever] heeft klem gereden, was een donkerkleurige Audi.

De schade die was toegebracht aan de bestelauto van [aangever] betrof een kapotte rechter buitenspiegel. Ik zag dat het glas van de spiegel los in de spiegelkap zat en dat deze niet meer terug te monteren was. Tevens was het mechanisme om de spiegel af te stellen kapot. Daarnaast werden er door [aangever] twee deuken in de rechterzijde van de bestelauto aangewezen. Eén van de deuken zat net na het bijrijdersportier, naast de deurgreep, op heuphoogte. De andere deuk zat boven het rechter achterwiel, ook op heuphoogte, naar dan net wat hoger dan de andere deuk. Ik heb deze twee deuken en de schade aan de rechter buitenspiegel zelf waargenomen. Ik zag dat de twee deuken recent moesten zijn aangebracht. Dit zag ik doordat er over de gehele auto een laagje stof dan wel zand zat. Dit laagje stof dan wel zand was op de plaats van de twee deuken weg.

3. Het proces-verbaal van aangifte met bijlagen d.d. 5 oktober 2019 (pagina 20-30), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [aangever]:

(pagina 20)

Ik doe aangifte van openlijke geweldpleging tegen goederen. Ik ben eigenaar van een bestelauto van het merk Citroën, type Berlingo, blauw van kleur en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 2].

Op zaterdag 5 oktober 2019 omstreeks 18.40 uur reed ik als bestuurder in mijn bestelauto over de [adres 2] te Oosterhout NB, komende vanuit de richting van het centrum van Oosterhout NB. Net voordat ik linksaf de [adres 4] in kon rijden, werd ik klem gereden door de bestuurder van een andere personenauto. De personenauto was van het merk Audi en was donkerblauw van kleur. Ik zag dat er in de personenauto twee inzittenden zaten. Toen ik was klem gereden door de bestuurder van de personenauto, zijn de twee inzittenden uit de personenauto gestapt. De inzittenden van de personenauto waren mannen, de ene man was jonger dan de andere man. De oudere man herkende ik als [vader verdachte].

Ik zag dat de twee mannen op mij en mijn auto kwamen afgerend. Toen ik de twee mannen op mij af zag komen rennen, keerde ik de auto en wilde ik vervolgens wegrijden. Echter, de mannen begonnen op mijn auto in te slaan. Ik hoorde en zag dat de mannen op de rechterzijde van mijn auto sloegen en ik zag dat er tegen de rechter buitenspiegel van mijn bestelauto werd geslagen.

(pagina 21)

Ik kan [vader verdachte] omschrijven als tussen de 45 en 48 jaar oud.

De andere man kan ik als volgt omschrijven:

— Ongeveer 1.75 meter lang

— Mogelijk brildragend

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 5 oktober 2019 (pagina 31-32), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [getuige]:

(pagina 31)

Op zaterdag 5 oktober 2019, omstreeks 18.40 uur reed ik in mijn auto de [adres 2] op in Oosterhout. Ik zag twee voertuigen op de weg staan. Ik zag een blauwe bestelauto, met een buitenlandse man als bestuurder, de auto stond met zijn voorzijde in de richting van het centrum. Ik zag dat het tweede voertuig of een Audi of een Volkswagen met kenteken [kenteken 1] was en dat deze met zijn voorzijde in de richting de kinderboerderij stond. Ik zag dat twee mannen aan de bijrijderskant van de bestelauto stonden. Ik zag dat beide personen op de autoruit stonden te slaan en beiden hebben tegen het voertuig en de ruit getrapt. Ik weet 100 procent dat beiden tegen het voertuig hebben getrapt en geslagen.

De jongste persoon kan ik als volgt beschrijven:

Buitenlandse jongen

Donker haar

Niet heel dik gezicht. De oudere man had een voller gezicht.

Donkere bril vierkante glazen. Dik monteur.

Leeftijd 16/17 jaar.

5. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2019 te 10.30 uur (pagina 39-42), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van verdachte [vader verdachte]:

(pagina 41)

O: Er is een getuige die heeft gezien dat er twee mannen (een jonge en een oudere) op het voertuig aan het slaan en schoppen waren. Daarnaast ben jij herkend door de aangever van de vernieling en jouw kenteken is genoteerd.

V: Wat kun je hier over vertellen?

A: Ik ben naar de auto toegestapt. Ik heb tegen mijn zoon, [verdachte], gezegd: “ga weg terug naar de auto”.

6. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 6 oktober 2019 te 17.55 uur (pagina 47-48), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van verdachte [vader verdachte]:

(pagina 47)

V: vraag verbalisant

A: antwoord verdachte

0: opmerking verbalisant

(pagina 48)

V: Draagt jouw zoon ook wel eens contactlenzen?

A: Contactlenzen niet. Hij draagt alleen een bril bij het lezen. Die foto op de pasfoto is een oude foto. Het is niet voor het kijken.

7. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 6 oktober 2019 (pagina 67), inhoudende het relaas – zakelijk weergeven – van [verbalisant 3]:

Ik, [verbalisant 3], vroeg aan [verbalisant 1] of hij wist dat de zoon van [vader verdachte] bij het incident betrokken was. Ik hoorde [verbalisant 1] zeggen dat hij van [vader verdachte] gehoord had dat zijn zoon van 14 bij het incident betrokken was en dat hij zijn zoon naar huis had gestuurd. Dit had [verbalisant 1] ook zo in het eerdere proces-verbaal van zaterdag 5 oktober 2019 opgeschreven.

8. Het proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 7 oktober 2019 (pagina 68), inhoudende het relaas – zakelijk weergeven – van [verbalisant 3]:

Op zondag 6 oktober 2019 is [verdachte] aangehouden en ter vaststelling van zijn identiteit is er, op zondag 6 oktober 2019 om 10:27 uur, een foto gemaakt van het paspoort met [paspoortnummer]. Op het paspoort, afgegeven op 8 december 2016, staat [verdachte] op de pasfoto met een donkere bril met vierkante glazen en een dik montuur, zoals [getuige] omschrijft.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft betoogd dat in het procesdossier onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn die de conclusie kunnen wettigen dat de verdachte betrokken is geweest bij de openlijke geweldpleging, zodat vrijspraak moet volgen. Verdachte heeft steeds ontkend en ook de vader van verdachte heeft verklaard dat zijn zoon, verdachte, er niets mee te maken had. Aangever en getuige hebben verschillend verklaard over de leeftijd van de tweede persoon. Zo heeft aangever het over een man van 20 jaar en de getuige over een jongeman van 16/17 jaar oud. Verdachte was ten tijde van het tenlastegelegde feit 14 jaar oud. Verdachte kan in geen geval vergeleken worden met iemand van 20 jaar oud. Voorts heeft de getuige een vrij algemeen signalement gegeven waarin verdachte niet past. Verdachte draagt wel eens een bril, maar het staat niet vast dat verdachte de betreffende dag een bril droeg. De enige verklaring die in het dossier zit die naar verdachte wijst is de warrige verklaring van [vader verdachte]. De verdediging twijfelt aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. Bij de politie heeft de vader namelijk verklaard dat hij helemaal gedraaid is in zijn hoofd, hij vergeetachtig is en voorts ook ziek is. Uit alles blijkt dat het geheugen van de vader niet goed werkt. Op de verklaring van de vader kan niet de gehele bewezenverklaring rusten waardoor vrijspraak dient te volgen.

Het hof overweegt dienaangaande.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat op 5 oktober 2019 omstreeks 18.40 uur door twee mannen de bestelauto van [aangever] wordt belaagd. Uit zowel de verklaring van [aangever] en [getuige] volgt dat twee mannen betrokken zijn geweest bij de openlijke geweldpleging. Een van de mannen is een oudere man welke door [aangever] is herkend als [vader verdachte], de vader van verdachte. [vader verdachte] heeft zelf gezegd dat zijn 14-jarige zoon aanwezig was bij het feit. Tijdens het verhoor heeft [vader verdachte] verklaard dat hij tegen zijn zoon [verdachte] heeft gezegd dat hij terug naar de auto moest.

Het hof heeft geen reden om de voor het bewijs gebruikte verklaring van [vader verdachte] als onbetrouwbaar aan te merken. [vader verdachte] heeft verklaard dat zijn zoon, [verdachte], bij hem was. Bovendien heeft [vader verdachte] tegen [verbalisant 1] gezegd dat zijn zoon van 14 bij het incident aanwezig was. Het hof ziet ook geen reden om aan het proces-verbaal van het verhoor van [vader verdachte] te twijfelen. Ondanks het feit dat [vader verdachte] het proces-verbaal niet heeft ondertekend is er sprake van een ambtsedig opgemaakt proces-verbaal. [vader verdachte] heeft zijn verklaring doorgelezen en verklaarde daarin te volharden (proces-verbaal pag. 42).

Dat de signalementen van aangever en [getuige] met betrekking tot de leeftijd van de jongere dader van elkaar afwijken, brengt het hof niet tot een ander oordeel. Het schatten van leeftijden is vaak lastig en vooral in een situatie zoals waar [aangever] zich in bevond. Voor het overige past verdachte in het door aangever en [aangever] gegeven signalement.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging door samen met zijn vader op de openbare weg tegen de bestelbus van [aangever] te slaan en te schoppen. Hij heeft door zijn handelen blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendom en hij heeft schade en overlast veroorzaakt voor [aangever]. Dergelijk gedrag in de publieke ruimte brengt voorts maatschappelijke gevoelens van onveiligheid teweeg.

Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 juli 2020 is verdachte niet eerder veroordeeld ter zake van strafbare feiten. Voorts heeft het hof acht geslagen op het advies van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 9 januari 2020. Ondanks dat de Raad voor de Kinderbescherming zorgen heeft in verband met het feit dat verdachtes huisgenoten in aanraking zijn gekomen met de politie, is verdachte nog niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Verdachte is op de juiste weg bezig en wil graag met school verder.

Het hof acht, alle omstandigheden afwegende, oplegging van een werkstraf voor de duur van 20 uur te vervangen door 10 dagen jeugddetentie met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 77a, 77g, 77h, 77m, 77n en 141 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Aldus gewezen door:

mr. F.C.J.E. Meeuwis, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 30 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.