Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3094

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-09-2020
Datum publicatie
30-10-2020
Zaaknummer
20-000821-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000821-15

Uitspraak : 30 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 10 maart 2015 in de strafzaak met parketnummer 02-080904-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met aanvulling van de bewijsvoering en met uitzondering van de opgelegde straf. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft zich ten aanzien van een bewezenverklaring van het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat de politierechter heeft volstaan met aantekening van de uitspraak op een aan het dubbel van de dagvaarding gehecht stuk, maar het hof gebonden is aan het motiveringsvoorschrift van artikel 359 van het Wetboek van Strafvordering.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:


hij op of omstreeks 30 april 2013, in de gemeente Waalwijk (te Sprang-Capelle) (Tilburgseweg), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een voertuig, bedrijfsauto) heeft weggenomen een aantal (ketting-)zagen en/of een rugblazer, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder hun/zijn bereik hebben/heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 30 april 2013, in de gemeente Waalwijk (te Sprang-Capelle), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een aantal (ketting-)zagen en/of een rugblazer heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen van die (ketting-)zagen en/of die rugblazer wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 30 april 2013, in de gemeente Waalwijk (te Sprang-Capelle), tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

  • -

    uit een voertuig, bedrijfsauto een aantal kettingzagen, toebehorende aan [benadeelde] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak en

  • -

    een rugblazer, toebehorende aan [benadeelde] .

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het primair bewezenverklaarde levert op:

De voortgezette handeling van:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak

en

diefstal door twee of meer verenigde personen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van het bewezenverklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:

 de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

 de omstandigheid dat feiten als thans bewezen verklaard in het algemeen schade teweeg brengen aan eigenaars van de weggenomen goederen dan wel betrokken verzekeraars, alsmede de mate van overlast en ergernis die door dergelijke delicten worden veroorzaakt aan gedupeerden.

Het hof overweegt verder dat uit de voorhanden zijnde stukken volgt dat de politie in het voertuig waarin de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] werden aangetroffen een briefje heeft gevonden met daarop tien adressen. Volgens de medeverdachte [medeverdachte] had de verdachte een lijstje bij zich ‘van adressen die hij wilde afgaan’. Op het briefje stond onder meer het adres van [benadeelde] . Volgens de politie ging het bij het merendeel van de adressen op het briefje om hoveniersbedrijven of boomkwekerijen. Bij onderzoek aan het in de auto aangetroffen navigatiesysteem bleek dat bij de recente bestemmingen naast het adres van [benadeelde] te Sprang-Capelle een adres in Kaatsheuvel was ingevoerd. Dit adres stond ook op het briefje. Op dit adres is volgens Google een boomverzorgingsbedrijf gevestigd, aldus de politie.

Het hof ziet hierin een aanwijzing dat de verdachte en zijn medeverdachte op een strooptocht wilden gaan om meer (elektrisch) tuingereedschap te ontvreemden. Het is kennelijk aan het politieoptreden te danken dat die nacht niet meer goederen zijn buitgemaakt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 10 juli 2020, betrekking hebbende op de verdachte. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het bewezenverklaarde eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten, onder meer tot onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. Deze eerdere veroordelingen waren ten tijde van het bewezenverklaarde onherroepelijk. De veroordelingen hebben de verdachte er niet van weerhouden opnieuw een soortgelijk strafbaar feit te begaan. Het hof weegt deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf neemt het hof het landelijke oriëntatiepunt straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden, tot uitgangspunt. Gelet daarop zou voor diefstal uit een auto (niet zijnde ladingdiefstal), nu sprake is van recidive, een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken in beginsel passend zijn.

Met de advocaat-generaal en de verdediging heeft het hof geconstateerd dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM, nu in eerste aanleg de behandeling niet is afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn, die moet worden gerekend vanaf 30 april 2013, en het hof ook in hoger beroep niet binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld tot een einduitspraak is gekomen, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden aanwezig acht, die deze overschrijding rechtvaardigen. Gelet hierop, op de ouderdom van het bewezenverklaarde feit en op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken, acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken zoals door de advocaat-generaal is gevorderd in dit geval passend en geboden.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij [benadeelde] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 931,24. Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 75,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De verdediging heeft de vordering ter terechtzitting, voor zover nog aan de orde, in hoger beroep niet inhoudelijk betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 75,00. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2013, zijnde het moment waarop de schade is ontstaan, tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt (en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken), tot op heden begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 75,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 april 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 56, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 75,00 (vijfenzeventig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde] , ter zake van het primair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 75,00 (vijfenzeventig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 1 (één) dag. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 30 april 2013.

Aldus gewezen door:

mr. R.G.A. Beaujean, voorzitter,

mr. F.P.E. Wiemans en mr. J.B. van den Beld, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. S.J.F. Heirman, griffier,

en op 30 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.