Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3069

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
06-10-2020
Datum publicatie
07-10-2020
Zaaknummer
200.239.509 en 200.240.039
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1483
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:241
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Informatieverplichting erfgenamen bij ouderlijke boedelverdeling naar oud recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0241
JERF 2020/326
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummers 200.239.509/01 en 200.240.039/01

arrest van 6 oktober 2020

in de ter rolle gevoegde zaken van

zaaknummer 200.239.509/01

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Polen),

appellant,

verder: [zoon 1] ,

advocaat: mr. M.M. van den Boomen te Herten,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [zoon 2] ,

mr. P.G.L. van Veghel te Asten,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 14 augustus 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch tussen partijen onder zaaknummer/rolnummer C/01/315410 / HA ZA 16-772 gewezen vonnis van 10 januari 2018.

en

zaaknummer 200.240.039/01

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

verder: moeder,

advocaat: mr. R. Teerink te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

verder: [zoon 2] ,

advocaat: mr. P.G.L. van Veghel te Asten,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 14 augustus 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch tussen partijen onder zaaknummer/rolnummer C/01/315410 / HA ZA 16-772 gewezen vonnis van 10 januari 2018.

5. Het verdere verloop van de procedures

zaaknummer 200.239.509/01

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 14 augustus 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 12 november 2018, tevens in de zaak met zaaknummer 200.240.039/01, waarbij geen minnelijke regeling het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven van [zoon 1] van 5 februari 2019 met producties;

  • -

    de memorie van antwoord van [zoon 2] van 23 april 2019 met een productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 14 augustus 2018 en de stukken van de eerste aanleg.

zaaknummer 200.240.039/01

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 14 augustus 2018;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen op 12 november 2018, tevens in de zaak met zaaknummer 200.239.509/01, waarbij geen minnelijke regeling het geschil is bereikt;

  • -

    de memorie van grieven van moeder van 5 februari 2019 met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord van [zoon 2] van 23 april 2019 met een productie.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken, de stukken vermeld in het tussenarrest van 14 augustus 2018 en de stukken van de eerste aanleg.

6 De verdere beoordeling

zaaknummers 200.239.509/01 en 200.240.039/01

6.1

In overweging 2. van het eindvonnis van 10 januari 2018 heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten tussen partijen vast, een en ander zoals hierna weergegeven.

  1. Moeder is in gemeenschap van goederen gehuwd geweest met de heer [naam vader] (verder: vader). Uit hun huwelijk zijn vijf kinderen geboren, waaronder [zoon 2] en [zoon 1] . Vader is op 27 juli 2012 overleden.

  2. [zoon 1] heeft in het verleden samen met zijn vader in maatschapsverband een agrarisch bedrijf gevoerd. In 1994 heeft [zoon 1] dit bedrijf overgenomen.

  3. In 2001 heeft [zoon 2] tegen [zoon 1] een procedure aanhangig gemaakt tot het verkrijgen van inzage in stukken over de beëindiging van de maatschap en de verdeling van het maatschapsvermogen. De rechtbank heeft de vordering van [zoon 2] bij vonnis van 4 september 2002 afgewezen; dit vonnis is bij arrest van dit hof van 16 december 2003 bekrachtigd.

  4. Vader heeft in zijn testament van 15 maart 2001 moeder benoemd tot executeur-testamentair. Verder heeft vader daarin aan moeder de keuze gelaten tussen twee regelingen: (1) een ouderlijke boedelverdeling en (2) een keuzelegaat en vruchtgebruik. Moeder heeft bij notariële akte van 26 maart 2013 voor regeling (1) gekozen. Op grond hiervan hebben de overige erfgenamen een niet-opeisbare vordering op moeder.

  5. Moeder, [zoon 2] en [zoon 1] zijn erfgenamen van vader, naast nog twee andere erfgenamen. [zoon 2] heeft de nalatenschap van vader beneficiair aanvaard en een beroep gedaan op zijn legitieme portie.

  6. Moeder heeft een boedelbeschrijving per 27 juli 2012 laten opstellen. Hierin is het erfdeel van elk der vijf erfgenamen berekend op een bedrag van € 9.238,59.

  7. Bij beschikking van 26 november 2013 heeft de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, notaris [notaris] benoemd tot vereffenaar van de nalatenschap van vader. Bij beschikking van 27 mei 2014 heeft de kantonrechter van die rechtbank het verslag van de vereffenaar, met als conclusie dat de vereffening feitelijk is geëindigd, aanvaard en het loon van de vereffenaar vastgesteld. Bij beschikking van 17 april 2015 heeft de rechtbank een daarop volgend verzoek van [zoon 2] tot benoeming van een rechter-commissaris afgewezen.

6.2

Bij dagvaarding van 26 oktober 2016 heeft [zoon 2] de onderhavige procedure tegen moeder en [zoon 1] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [zoon 2] dat in het verleden sprake kan zijn geweest van (verkapte) schenkingen van vader aan [zoon 1] , die op grond van artikel 4:67 BW van invloed zijn op de legitimaire massa. Vader heeft aan [zoon 1] een aanzienlijke lening verstrekt voor het opzetten van diens agrarisch bedrijf in Polen. Omdat hem geen informatie wordt verstrekt over de bedrijfsoverdracht van vader aan [zoon 1] en de financiële afwikkeling daarvan, vermoedt [zoon 2] dat daarbij sprake is geweest van schenkingen. Volgens [zoon 2] dienen moeder en [zoon 1] hem informatie en stukken te verschaffen om duidelijkheid te krijgen over de omvang van de nalatenschap van vader en over de legitimaire massa. Omdat zij daartoe niet bereid blijken te zijn, vorderde [zoon 2] in eerste aanleg in conventie veroordeling van moeder en [zoon 1] tot het verstrekken van afschriften van de gegevens met betrekking tot de gezamenlijke agrarische onderneming van vader en [zoon 1] , de maatschap en de beëindiging daarvan, de bedrijfsoverdracht, aangiften inkomstenbelasting en de lening(en) van vader aan [zoon 1] , als vermeld in punt 16 van de dagvaarding, op verbeurte van een dwangsom.

Moeder en [zoon 1] hebben afzonderlijk de vordering van [zoon 2] gemotiveerd bestreden en ieder voor zich geconcludeerd tot afwijzing ervan.

6.3

Moeder heeft een reconventionele vordering ingesteld. Zij stelt dat [zoon 2] een bedrag van € 20.000,= van vader en moeder heeft geleend tegen een rente van 4,5% per jaar, in maandelijkse termijnen te voldoen. Tot en met april 2012 is de rente betaald, daarna niet meer. Op 5 januari 2017 heeft moeder terugbetaling van het geleende bedrag met de overeengekomen rente verzocht. [zoon 2] heeft hieraan niet voldaan. Moeder vorderde daarom in reconventie betaling van het bedrag van € 20.000,= met de rente van 4,5% per jaar vanaf 1 mei 2012. [zoon 2] heeft het bestaan van deze vordering erkend, maar zich voor een deel daarvan beroepen op verrekening met kosten in verband met het opvragen van stukken.

6.4

Bij tussenvonnis van 1 maart 2017 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald, die op 12 juli 2017 heeft plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 10 januari 2018 heeft de rechtbank in conventie een beroep van [zoon 1] op het gezag van gewijsde van het arrest van dit hof van 16 december 2003, hiervoor in 6.1 onder 3) vermeld, verworpen en tot uitgangspunt genomen dat [zoon 2] er belang bij heeft dat de omvang van de legitimaire massa van de nalatenschap van vader thans wordt vastgesteld. De rechtbank heeft verder overwogen dat [zoon 2] zijn vordering heeft gebaseerd op artikel 843a lid 1 Rv, maar dat met aanvulling van de rechtsgronden op grond van artikel 25 Rv artikel 4:16 lid 4 BW voor toepassing in aanmerking komt, ook al is de ouderlijke boedelverdeling onder oud recht tot stand gekomen. Uit die bepaling vloeit naar het oordeel van de rechtbank het in artikel 843a lid 1 Rv vereiste rechtmatig belang voort. Op grond daarvan heeft de rechtbank moeder en [zoon 1] bevolen om inzage of afschriften te verstrekken, althans hun medewerking te verlenen aan de verstrekking daarvan door derden, van de volgende gegevens aan [zoon 2] :

  1. de jaarstukken van de agrarische onderneming van vader en [zoon 1] over de jaren 1993 t/m 1996,

  2. het maatschapscontract met betrekking tot de agrarische onderneming tussen vader (en moeder) en [zoon 1] ,

  3. alle relevante stukken die betrekking hebben op de bedrijfsoverdracht in 1995, te weten de beëindigingsovereenkomst, de verdelingsakte betreffende de maatschap, de accountantsverklaring en gegevens omtrent de financiële afwikkeling,

  4. e aangiften inkomstenbelasting van [zoon 1] , vader en moeder vanaf 1993 t/m 2012,

  5. nadere stukken waaruit de inhoud en de voorwaarden van de lening(en) van vader aan [zoon 1] blijken, alsmede het saldo van de thans nog openstaande lening(en) en de betaalde rente,

op verbeurte van een dwangsom, hoofdelijk, van € 500,= per dag met een maximum van € 30.000,=. De vordering van moeder in reconventie is geheel toegewezen. De proceskosten in conventie en in reconventie zijn tussen partijen gecompenseerd. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

6.5

Voor zover zijn vorderingen in conventie niet geheel zijn toegewezen, heeft [zoon 2] daartegen niet (incidenteel) geappelleerd, zodat in dit hoger beroep die vorderingen alleen aan de orde zijn, voor zover deze door de rechtbank zijn toegewezen.

zaaknummer 200.240.039/01

6.6

Tegen de toewijzing van de vordering van moeder in eerste aanleg in reconventie heeft [zoon 2] niet (incidenteel) geappelleerd, zodat in dit hoger beroep die vordering verder niet meer aan de orde is.

In hoger beroep heeft moeder haar eis vermeerderd met vorderingen inzake al dan niet verbeurde dwangsommen. Tegen deze eiswijziging heeft [zoon 2] geen processueel bezwaar aangevoerd. Ook het hof acht de eiswijziging ambtshalve niet ontoelaatbaar, zodat in het hierna volgende van de aldus vermeerderde eis zal worden uitgegaan.

In hoger beroep heeft [zoon 2] geconcludeerd tot bekrachtiging van het vonnis van 10 januari 2018 onder de vaststelling tot verbeurdverklaring van de dwangsom door moeder ten bedrage van € 30.000,=. Het hof neemt aan dat [zoon 2] hiermee reageert op de vermeerdering van eis van moeder en niet zelf een vermeerdering van eis heeft beoogd. In ieder geval heeft [zoon 2] niet in voldoende mate kenbaar gemaakt dat hij dat zou beogen.

zaaknummers 200.239.509/01 en 200.240.039/01

6.7

Moeder heeft in haar memorie van grieven tegen het eindvonnis van 10 januari 2018 twee grieven aangevoerd. De eerste grief betreft de gehele beoordeling door de rechtbank van de vordering van [zoon 2] in conventie en grief 2 de beslissing op de proceskosten in reconventie.

[zoon 1] heeft tegen het eindvonnis van 10 januari 2018 zeven grieven aangevoerd en daarmee het geschil in conventie in volle omvang aan het hof ter beoordeling voorgelegd.

[zoon 2] heeft de grieven van moeder en [zoon 1] in een gezamenlijke memorie van antwoord bestreden.

Partijen zijn in hoger beroep tevens uitvoerig ingegaan op hetgeen zich heeft voorgedaan naar aanleiding van het eindvonnis van 10 januari 2018, op de vraag in hoeverre (tijdig) aan dat vonnis is voldaan en op de vraag of in verband daarmee al dan niet dwangsommen zijn verbeurd.

6.8

[zoon 1] woont in Polen, zodat het geschil internationale aspecten heeft. De rechtbank is – gezien artikel 6g Rv, gezien de uitsluiting als vervat in artikel 1 lid 2 onder a Brussel-verordening EG/44/2201 en het eerst per 17 augustus 2015 van toepassing worden van de Erfrechtverordening EU/650/2012 blijkens artikelen 83 en 84 van genoemde verordening op vanaf laatst genoemde datum openvallende nalatenschappen - terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter. Tevens is de rechtbank gezien het per 1 januari 2012 in werking getreden artikel 10:149 leden 1 en 2 BW terecht uitgegaan van toepasselijkheid van Nederlands recht.

6.9

Voor zover zou zijn beoogd in dit hoger beroep tevens de verwerping van het ontvankelijkheidsverweer aan de orde te stellen, overweegt het hof het volgende. Dit verweer betreft het beroep op het gezag van gewijsde van het arrest van dit hof van 16 december 2003. Het hof heeft in dat arrest geen oordeel gegeven over de rechtsverhouding tussen partijen zoals deze thans, na het overlijden van vader in 2012 aan de orde is, maar over de toenmalige situatie. Het arrest van 16 december 2003 brengt daarom niet mee dat [zoon 2] in zijn vorderingen in de onderhavige procedure niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden. De rechtbank heeft het ontvankelijkheidsverweer dan ook terecht en op goede gronden verworpen.

6.10

In deze zaak is de kernvraag of moeder en [zoon 1] gehouden zijn [zoon 2] inzage/afschrift te verstrekken van de door hem genoemde stukken, dit in verband met de bepaling van zijn aandeel in de nalatenschap van vader. [zoon 2] heeft in eerste aanleg aan zijn vorderingen het bepaalde in artikel 843a Rv ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 4:16 lid 4 BW de vorderingen toegewezen, zoals hiervoor in 6.4 is weergegeven. Over deze grondslag overweegt het hof het volgende.

6.11

Artikel 4:16 lid 4 BW, dat op 1 januari 2003 als onderdeel van de nieuwe regeling van de wettelijke verdeling in werking is getreden, luidt als volgt:

De echtgenoot en ieder kind hebben jegens elkaar recht op inzage in en afschrift van alle bescheiden en andere gegevensdragers, die zij voor de vaststelling van hun aanspraken behoeven. De daartoe strekkende inlichtingen worden door hen desverzocht verstrekt. Zij zijn jegens elkaar gehouden tot medewerking aan de verstrekking van inlichtingen door derden.

Dit artikel is van toepassing op een wettelijke verdeling in de zin van artikel 4:13 BW. In de nalatenschap van vader is evenwel geen sprake van een wettelijke verdeling. De regeling waarvoor moeder op grond van de keuzemogelijkheid, die het testament van vader van 15 maart 2001 haar bood, heeft gekozen, behelst niet de wettelijke verdeling maar de ouderlijke boedelverdeling als bedoeld in artikel 4:1167 BW (oud) die na de invoering van de artikel 4:13 e.v. BW van kracht is gebleven (artikelen 79 en 127 Ow NBW). Voor die situatie bieden verschillende bepalingen een erfgenaam middelen om te bewerkstelligen dat een boedelbeschrijving wordt opgemaakt, dat hij informatie kan verkrijgen en dat hij inzage en afschrift van relevante stukken kan verkrijgen, ook van derden.

6.12

De bepaling waar [zoon 2] in eerste aanleg zijn vordering op heeft gebaseerd, is artikel 843a lid 1 Rv. Deze bepaling luidt als volgt:

Hij die daarbij rechtmatig belang heeft, kan op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Onder bescheiden worden mede verstaan: op een gegevensdrager aangebrachte gegevens.

De vraag is nu of in dit geval is voldaan aan de cumulatieve vereisten die deze bepaling stelt (rechtmatig belang, bepaalde bescheiden, rechtsbetrekking).

6.13

Het hof stelt vast dat moeder in haar memorie van grieven gemotiveerd heeft betoogd dat [zoon 2] alle beschikbare stukken (inmiddels) heeft ontvangen en dat zij daarmee aan haar informatieverplichtingen jegens hem heeft voldaan. Tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep heeft [zoon 2] dat ook erkend (memorie van grieven 24).

Het hof stelt vast dat ook [zoon 1] in diens memorie van grieven gemotiveerd heeft betoogd dat [zoon 2] alle beschikbare stukken (inmiddels) heeft ontvangen en dat hij daarmee aan zijn informatieverplichtingen jegens hem heeft voldaan. Tijdens de comparitie van partijen in hoger beroep heeft [zoon 2] dat ook erkend (memorie van grieven 9.17).

Door [zoon 2] is hier niet meer tegenovergesteld dan dat hij nog wil ontvangen “diverse financiële bescheiden, allerhande documenten, de stukken waarover moeder en [zoon 1] kunnen beschikken” (memorie van antwoord pagina 4). Daarmee heeft [zoon 2] in hoger beroep, gegeven de verstrekking van de gegevens als hierboven geschetst, niet langer voldaan aan het bepaalbaarheidsvereiste van artikel 843a lid 1 Rv.

6.14

Een legitimaris die tevens erfgenaam is, kan op grond van artikel 3:166 lid 3 BW aanspraak maken op informatie van de erfgenamen om te kunnen berekenen hoe groot zijn legitieme portie is. Op grond van artikel 4:78 BW geldt hetzelfde voor de legitimaris die niet tevens erfgenaam is. Deze informatieaanspraak verschilt niet wezenlijk van het bepaalde in artikel 4:16 lid 4 BW dat geldt bij een wettelijke verdeling van een nalatenschap.
In dit geval strandt een op de hierboven bedoelde informatieaanspraak ook in hoger beroep nog gebaseerde althans gehandhaafde vordering van [zoon 2] tegenover moeder en/of [zoon 1] evenwel op de omstandigheid dat zij de informatie die zij beschikbaar hebben reeds hebben verstrekt en dat niet is komen vast te staan dat zij daarnaast nog over informatie beschikken die voor [zoon 2] relevant is voor het doel waarvoor hij deze verlangt.

Kortom de rechtbank heeft terecht aan moeder en [zoon 1] opgedragen opening van zaken te geven maar dat is inmiddels geschied.
en moeder hebben terecht naar voren gebracht dat de rechtbank geen termijn heeft bepaald waarbinnen de opgesomde stukken moesten worden verstrekt. Het hof is van oordeel dat zij deze stukken ook zonder oplegging van een dwangsom aan [zoon 2] zouden hebben verstrekt. De advocaat van [zoon 1] heeft in een e-mail van 22 januari 2018, dus 12 dagen na het vonnis van de rechtbank, aan [adviseur] van [adviesbureau] (hierna: [adviseur] ) verzocht om (meer dan) de door de rechtbank genoemde stukken aan [zoon 2] te verstrekken. Deze e-mail is ook gestuurd naar de advocaat van [zoon 2] , met de woorden ‘Ik vertrouw mr. Noordhof [hof: destijds advocaat van [zoon 2] ] daarmee akkoord’ (mvg [zoon 2] prod. 19). [zoon 2] heeft niet weersproken dat [adviseur] (tenminste) de door de rechtbank opgedragen stukken op 27 februari 2018 aan hem heeft verstrekt.
Voor dwangsommen bestaat dan ook geen aanleiding (meer). De eerste grief van moeder en de grieven van [zoon 1] falen voor zover zij zien op de verplichting tot verstrekking van gegevens en slagen voor zover zij zien op de oplegging van dwangsommen.

6.15

De tweede grief van moeder, inzake de proceskosten in eerste aanleg in reconventie, wordt verworpen aangezien het hof op grond van artikel 237 lid 1 Rv, nu partijen familie in eerste respectievelijk tweede graad van elkaar zijn en het geschil de afwikkeling van een nalatenschap betreft, compensatie van kosten aangewezen acht. Dat geldt ook voor de proceskosten in hoger beroep.
Het vonnis van de rechtbank zal worden bekrachtigd onder aanvulling van rechtsgronden voor zover het de toewijzing van de informatieaanspraak en de beslissing aangaande de proceskosten (compensatie) betreft en worden vernietigd voor zover het de dwangsommen betreft.

6.16

Moeder heeft in hoger beroep haar eis vermeerderd met vorderingen inzake de verbeurte van dwangsommen en, onder meer, een verklaring voor recht gevorderd dat [zoon 2] onrechtmatig jegens haar handelt indien hij tot executie van het vonnis (inning van de dwangsommen) overgaat en hem te veroordelen tot betaling van de schade die moeder daardoor lijdt, nader op te maken bij staat.

6.17

Moeder heeft bij haar vermeerderde eis in reconventie – die uitgaat van toewijzing van de vordering waarop de dwangsom is gesteld - geen belang. Voor de goede orde tekent het hof hierbij aan dat in het geval dwangsommen zouden zijn verbeurd, dit [zoon 2] niet zou hebben gebaat aangezien in dat geval het beroep op verjaring van moeder opgaat: de verjaring is niet tijdig rechtsgeldig gestuit. Los daarvan ziet het hof in elk geval geen aanleiding (meer) zelf dwangsommen op te leggen althans de veroordeling daartoe in de gegeven omstandigheden in hoger beroep te handhaven. [zoon 1] en de moeder hebben inmiddels in voldoende mate hun medewerking verleend.

6.18

Aangezien partijen in familierechtelijke betrekking tot elkaar staan en het geschil de afwikkeling van een nalatenschap betreft, zullen de kosten van het hoger beroep tussen hen worden gecompenseerd, en wel aldus dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7 De uitspraak

Het hof:

zaaknummers 200.239.509/01 en 200.240.039/01

bekrachtigt het eindvonnis van 10 januari 2018, met uitzondering van de beslissing aangaande de dwangsommen, en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [zoon 2] aangaande de oplegging van dwangsommen af;

zaaknummer 200.239.509/01

compenseert de proceskosten tussen [zoon 1] en [zoon 2] in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

zaaknummer 200.240.039/01

compenseert de proceskosten tussen moeder en [zoon 2] in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, M.E. Smorenburg en L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 6 oktober 2020.

griffier rolraadsheer