Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:3031

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
24-03-2021
Zaaknummer
20-000055-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000055-19

Uitspraak : 22 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 28 december 2018, parketnummer 02-821360-17 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf, parketnummer 02-162178-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht ter zake van – kort gezegd – diefstal met braak door twee of meer verenigde personen (feit 1), medeplegen van opzetheling (feit 2, subsidiair) en diefstal met braak (feit 3) veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd 2 jaren en met aftrek van voorarrest en met als bijzondere voorwaarden toezicht door de reclassering, het volgen van dagbesteding en het meewerken aan een ambulante behandeling bij Fivoor te Breda. Ook is een beslissing genomen op de vordering van [benadeelde partij] . Voorts heeft de rechtbank de tenuitvoerlegging gelast van een voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 20 uren, subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie (in de zaak met parketnummer 02-162178-16).

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, zal vernietigen en opnieuw rechtdoende,

  • -

    conform de rechtbank het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor – onder toepassing van het jeugdstrafrecht - zal veroordelen tot jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de bijzondere voorwaarden dat de verdachte onder toezicht wordt gesteld van Reclassering Nederland, dagbesteding zal volgen en zal meewerken aan diagnostiek en ambulante begeleiding;

  • -

    de vordering van [benadeelde partij] gedeeltelijk zal toewijzen tot een bedrag ter hoogte van € 208,00 te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Wetboek van Strafrecht en dat de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor het overige;

  • -

    de verdachte zal veroordelen in de proceskosten die de benadeelde partij ter zake van de zitting heeft gemaakt, te weten een bedrag ter hoogte van € 217,60;

  • -

    de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf zal toewijzen.

Namens verdachte is:

  • -

    vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder feit 1 en 2 primair en subsidiair tenlastegelegde;

  • -

    subsidiair (voorwaardelijk) verzocht de deskundige Pouwels (NFI) opdracht te geven DNA-onderzoek te laten doen op activiteitenniveau;

  • -

    ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof;

  • -

    een strafmaatverweer gevoerd en is verzocht rekening te houden met de omstandigheden zoals genoemd in de overgelegde pleitaantekeningen;

  • -

    verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf af te wijzen;

  • -

    verweer gevoerd ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij] .

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 16 november 2017 te Zundert tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 58, althans een (groot) aantal jassen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [betrokkene] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen jassen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of inklimming;

2.
hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 13 november 2017 tot en met 14 november 2017 te Zundert tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto (Volkswagen Polo, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking en/of inklimming en/of valse sleutel;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 13 november 2017 tot en met 16 november 2017 te Zundert, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten een personenauto (Volkswagen, Polo, kenteken [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.
hij op of omstreeks 01 mei 2018 te Hazeldonk, althans in de gemeente Breda, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan La Place Hazeldonk en/of H&H BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen geld onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.
hij op 16 november 2017 te Zundert tezamen en in vereniging met anderen, 52 jassen, die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [betrokkene] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

2 subsidiair.
hij in de periode van 13 november 2017 tot en met 16 november 2017 te Zundert, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto (Volkswagen, Polo, kenteken [kenteken] ) voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededaders ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.
hij op 1 mei 2018 te Hazeldonk een hoeveelheid geld dat aan een ander dan aan verdachte toebehoorde, te weten aan La Place Hazeldonk en/of H&H BV, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Bespreking van de verweren

Ten aanzien van de feiten onder 1 en 2 subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. Weliswaar is er DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen op de airbag van de Volkswagen Polo die gebruikt is bij de ramkraak, maar de verdediging heeft een alternatief scenario aangedragen, namelijk dat het DNA-materiaal van de verdachte op de airbag van de Volkswagen Polo is gekomen door contaminatie. De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij misschien bij iemand in de auto heeft gezeten waarbij die airbag al eerder is afgegaan en waardoor de verdachte DNA-materiaal heeft achtergelaten. Tevens heeft verdachte verklaard dat hij vaker in witte auto’s heeft gezeten. Niet zeker is dat verdachte op het moment van de ramkraak in deze witte auto heeft gezeten. Voorts is door de verdediging het (herhaalde) verzoek gedaan om door deskundige Pouwels van het NFI DNA-onderzoek te laten uitvoeren op activiteitenniveau, omdat hieruit de onschuld van de verdachte kan blijken.

Daarnaast voert de verdediging aan dat verklaring van [medeverdachte] , bij de politie afgelegd, niet betrouwbaar is. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij een afspraak had met ene “ [voornaam verdachte] ” omdat deze zijn Mercedes Vito had geleend en dat die “ [voornaam verdachte] ” het [telefoonnummer] in gebruik had. Dit nummer is, ondanks uitvoerig onderzoek, niet herleidbaar naar de verdachte. Bovendien kwamen er allerlei labels uit de zakken van [medeverdachte] die overeenkwamen met de labels van de gestolen jassen. De raadsman acht het aannemelijk dat [medeverdachte] in zijn verklaring heeft gelogen. Hij is aanvullend bij de raadsheer-commissaris gehoord en heeft toen verklaard, nadat hem de foto's van verdachte zijn getoond, dat hij de persoon op de foto's nooit heeft gezien.

De verdediging is dan ook van mening dat verdachte van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten vrijgesproken dient te worden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat het DNA-materiaal AALF5405N#01 dat is aangetroffen op de airbag van de Volkswagen Polo die is gebruikt bij de ramkraak een match oplevert met het DNA van de verdachte. Het gaat daarbij om een mengprofiel van minimaal drie personen, onder wie [verdachte] , waarbij is vermeld dat het verkregen DNA-profiel circa 53 miljoen keer waarschijnlijker is wanneer hypothese 1 (de bemonstering bevat DNA van [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen) waar is dan wanneer hypothese 2 (de bemonstering bevalt DNA van drie willekeurige onbekende personen) waar is.

Het alternatieve scenario dat door de verdediging is geschetst, betreft naar het oordeel van het hof een louter hypothetische stelling en is onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling van de verdachte dat hij misschien in een auto heeft gezeten waarbij de airbag eerder is afgegaan en dat hij wel vaker in een witte auto heeft gezeten, levert naar het oordeel van het hof nog geen begin van aannemelijkheid op.

Daarbij hecht het hof belang aan de verklaring van deskundige Pouwels, afgelegd tijdens de terechtzitting in eerste aanleg op 17 december 2018, dat uit studies blijkt dat indien van personen DNA-materiaal op airbags wordt aangetroffen, deze personen ten tijde van het uitklappen van de airbag ook in de auto aanwezig zijn geweest. De politie heeft de bij de ramkraak gebruikte auto op de plaats delict aangetroffen met een uitgeklapte airbag en de plek waar het DNA-materiaal van de verdachte is aangetroffen is zeer specifiek. Daarbij acht het hof het niet van belang of de verdachte de bestuurder van de auto is geweest. Dat kan ook een ander zijn geweest, omdat er een DNA-mengprofiel is aangetroffen van minimaal drie personen, maar het hof leidt hieruit af dat de verdachte in ieder geval een van de inzittenden van die auto is geweest ten tijde van de ramkraak.

Er is naar het oordeel van het hof geen noodzaak om nader onderzoek te laten verrichten naar het DNA-materiaal op activiteitenniveau. Het verzoek van de verdediging om opdracht te geven aan deskundige Pouwels om een dergelijk onderzoek te laten uitvoeren wordt derhalve afgewezen.

Ten aanzien van de betrouwbaarheid van [medeverdachte] overweegt het hof dat [medeverdachte] bij de politie heeft verklaard dat hij geen belang ziet voor zichzelf om bij anderen te achterhalen wat de achternaam is van de door hem genoemde [voornaam verdachte] (pagina 116 van het procesdossier). Bij de raadsheer-commissaris heeft [medeverdachte] vervolgens verklaard dat hij de man die hem wordt getoond op twee foto’s (zijnde foto’s van de verdachte) niet herkent.

Het hof leidt hieruit af dat [medeverdachte] kennelijk wil voorkomen dat de identiteit van de verdachte wordt onthuld, terwijl de door hem gegeven beschrijving van “ [voornaam verdachte] uit [plaats] ” zodanig specifiek is en overeenkomt met het signalement van de verdachte. Aan deze [voornaam verdachte] heeft [medeverdachte] de Mercedes Vito bus uitgeleend, waarin op 17 november 2017 omstreeks 00.30 uur jassen werden aangetroffen die op 16 november 2017 rond 03.55 uur waren ontvreemd en waarvan [medeverdachte] kledinglabels in zijn zak had. De man van wie DNA is aangetroffen blijkt verdachte te zijn, ook een [voornaam verdachte] en ook uit [plaats] .

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde overweegt het hof als volgt.

Het hof stelt op grond van de bewijsmiddelen en het hiervoor overwogene vast dat de verdachte tijdens de ramkraak een van de inzittenden is geweest van de gestolen Volkswagen Polo. Naar het oordeel van het hof is het een feit van algemene bekendheid dat bij ramkraken voertuigen worden gebruikt die niet op rechtmatige wijze zijn verkregen. Het hof is van oordeel dat alle daders en dus ook de verdachte wist dat de bij de ramkraak gebruikte auto gestolen in elk geval van misdrijf afkomstig was, te meer daar een van de personen die uit de auto stapten een helm droeg.

De verweren worden verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van opzetheling.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met anderen plegen van een zogenaamde ramkraak, medeplegen van opzetheling en een bedrijfsinbraak.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in het bijzonder gelet op:
- de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in
het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke
feiten worden opgelegd;

- de omstandigheid dat met name het onder 1 bewezen verklaarde een ernstig en maatschappelijk verstorend feit is, dat niet alleen grote materiële schade en overlast, maar ook angst en gevoelens van onveiligheid in het bijzonder voor omwonenden met zich brengt;

- de omstandigheid dat en de mate waarin door de bewezen verklaarde feiten onder 1 en 3 materiële schade teweeg is gebracht aan de eigenaren van het weggenomene dan wel voor de verzekeraars;

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie
    d.d. 3 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte voor de onderhavige feiten eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van een vermogensdelict en ook daarna met politie en justitie in aanraking is geweest;

  • -

    het rapport van Reclassering Nederland d.d. 21 september 2018, onder meer inhoudende dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat, er bij verdachte sprake is van lage intellectuele vermogens, PDDNOS en ADHD en dat hij sterk beïnvloedbaar is en niet in staat is om de gevolgen van zijn handelen en gedrag in te schatten of te overzien; om die reden wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen met toezicht door de volwassenreclassering in verband met het kunnen bieden van een strakker kader, duidelijkheid en structuur.

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Gelet op het reclasseringsrapport hiervoor genoemd acht het hof het, evenals de rechtbank, de advocaat-generaal en kennelijk ook de raadsman, geboden om toepassing te geven aan het bepaalde van artikel 77c Sr en een straf op te leggen op grond van het jeugdstrafrecht.

Op grond van het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De door de rechtbank opgelegde straf acht het hof passend en geboden.

Met oplegging van een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten. Gelet op de inhoud van het reclasseringsrapport d.d. 21 september 2018 acht het hof het van belang dat als bijzondere voorwaarde reclasseringscontact wordt opgelegd, met de bepaling dat de verdachte gedurende de proeftijd een dagbesteding zal hebben.

Het hof zal, anders dan de rechtbank, niet als bijzondere voorwaarde opnemen dat verdachte zal meewerken aan een ambulante behandeling bij Fivoor te Breda. Daarvoor ontbreekt het het hof aan voldoende recente informatie over de persoon van verdachte.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, is vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het door

verdachte begane misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang en de wet.

Vordering van [benadeelde partij]

heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.936,38, te vermeerderen met de wettelijke rente, bestaande uit materiële schade. Tevens is aan proceskosten gevorderd een bedrag van € 217,60 (reis- en verzuimkosten). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 208,00, bestaande uit twee verzuimde werkdagen, met proceskostenveroordeling tot een bedrag van € 217,60. Voor het overige is de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, met verwijzing naar de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering.

De vordering is door de verdediging betwist.

Het hof is van oordeel dat de onderhavige vordering van de benadeelde partij niet afdoende met bewijsstukken is onderbouwd. Er is geen aanleiding tot aanhouding van de behandeling, nu een dergelijke aanhouding naar het oordeel van het hof in dit geval een onevenredige belasting van het strafgeding zou vormen. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat een belangrijk doel van de strafrechtspleging is dat zaken efficiënt en tijdig worden afgedaan.

De benadeelde partij kan daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 dagen jeugddetentie, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 11 november 2016 onder parketnummer 02-162178-16. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.

Het hof is ten aanzien van de vordering tot tenuitvoerlegging van oordeel dat, nu gebleken is dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten schuldig heeft gemaakt, de tenuitvoerlegging van de gehele voorwaardelijk opgelegde werkstraf dient te worden gelast.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36b, 36d, 47, 63, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Wijst af het voorwaardelijk verzoek van de raadsman van de verdachte tot nader onderzoek door het NFI.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 subsidiair en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2 subsidiair en 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

  • -

    dat de veroordeelde verplicht is zich te melden bij Reclassering Nederland (Adviesunit 1 Zuid-West telefoonnummer 088-8041302) binnen 5 dagen na onherroepelijk worden van deze uitspraak;

  • -

    dat veroordeelde zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens de reclassering, uit te voeren door de Reclassering Nederland;

  • -

    dat de veroordeelde gedurende de proeftijd een dagbesteding zal volgen.

Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

gemanipuleerde sleutel (pagina 6 proces-verbaal politie BVH 2017276341).

Vordering van [benadeelde partij]

Verklaart [benadeelde partij] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kinderrechter in de rechtbank Breda van 11 november 2016, parketnummer 02-162178-16, te weten van een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 20 (twintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 10 (tien) dagen jeugddetentie.

Aldus gewezen door:

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. J.F. Dekking en mr. F.C.J.E. Meeuwis, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. L.J.M.M. Dielesen, griffier,

en op 22 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.