Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2998

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
09-10-2020
Zaaknummer
20-002567-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002567-18

Uitspraak : 16 september 2020

TEGENSPRAAK (art. 279 Sv)

Arrest van de economische kamer van het gerechtshof 's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 23 juli 2018 in de strafzaak met parketnummer 01-993913-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1962,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is verdachte ter zake van ‘medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,00 subsidiair 35 dagen hechtenis.

Namens verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Blijkens de akte rechtsmiddel d.d. 3 augustus 2018 is het hoger beroep namens verdachte onbeperkt ingesteld. Dit hoger beroep is later niet beperkt door een partiële intrekking.

De rechtbank heeft verdachte in eerste aanleg partieel vrijgesproken van het ten laste gelegde, namelijk voor wat betreft het uit de Gemeenschap uitvoeren en in de handel brengen van de stoffen als bedoeld onder de eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepjes. Het hof is van oordeel dat dit beschermde vrijspraken zijn.

Gelet op het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraken van het ten laste gelegde onder de hiervoor genoemde gedachtestreepjes.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft primair bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2013 tot en met 1 januari 2015 te Den Haag en/of Zoetermeer en/of Amstelveen en/of elders in Nederland als in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage van de Verordening 111/2005 van de Raad, te weten:

- 1,5 kilogram (althans een hoeveelheid) van een materiaal bevattende ergotamine tartrate,

zonder een door de bevoegde autoriteiten afgegeven uitvoervergunning, uit de Gemeenschap heeft uitgevoerd

en/of

als in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geregistreerde stoffen van categorie 1 van de bijlage van de Verordening 111/2005 van de Raad, te weten:

- 1,5 kilogram (althans een hoeveelheid) van een materiaal bevattende ergotamine tartrate,

zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in de handel heeft gebracht.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 juni 2014 tot en met 1 oktober 2014 in Nederland als in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een geregistreerde stof van categorie 1 van de bijlage van de Verordening 111/2005 van de Raad, te weten:

- 1,5 kilogram van een materiaal bevattende ergotamine tartrate,

zonder een door de bevoegde autoriteiten afgegeven uitvoervergunning, uit de Gemeenschap heeft uitgevoerd

en

als in de Gemeenschap gevestigde marktdeelnemer tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk een geregistreerde stof van categorie 1 van de bijlage van de Verordening 111/2005 van de Raad, te weten:

- 1,5 kilogram van een materiaal bevattende ergotamine tartrate,

zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning, in de handel heeft gebracht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

In de hierna volgende bewijsmiddelen wordt, voor zover niet anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s en/of bijlagen van het dossier van de Belastingdienst, Douane Groningen, Team POSS, dossiernummer 44111, sluitingsdatum 10 februari 2016, doorgenummerde dossierpagina’s 1 tot en met 22, met bijlagen 1 tot en met 41.

Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn, voor zover niet anders vermeld, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

1. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2016 (dossierpagina’s 1-22), voor zover inhoudende als relaas van verbalisant [verbalisant 1] :

(pagina 4)

Op 25 februari 2015 werd aan mij een proces-verbaal van ambtshandelingen gezonden door [verbalisant 2] . In voornoemd proces-verbaal las ik dat [verbalisant 2] van een Tsjechische collega een e-mailbericht heeft ontvangen over een levering van de stof ergotamine tartrate door de Tsjechische firma [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] . De levering zou hebben plaatsgevonden zonder dat het laatstgenoemde bedrijf in het bezit zou zijn van de vereiste vergunningen.

Ik heb een onderzoek ingesteld bij [bedrijf 2] en [bedrijf 3] . Tijdens dit onderzoek hoorde en las ik dat geen van de voornoemde vennootschappen in het bezit is van een activiteitenvergunning voor het voorhanden hebben van dan wel aangaan van transacties inzake categorie 1-stoffen als bedoeld in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. De stof ergotamine tartrate valt onder de categorie 1-stoffen als bedoeld in voornoemde wet en vereist bij het in de handel brengen en het bezit ervan een activiteitenvergunning.

Uit het onderzoek kwam naar voren dat [bedrijf 4] de door [bedrijf 1] in Tsjechië geproduceerde ergotamine tartrate heeft afgeleverd bij [bedrijf 2] te [plaatsnaam] . Middels ontvangen gelden van [bedrijf 3] heeft [bedrijf 2] deze levering aan [bedrijf 1] betaald. De ergotamine tartrate is vervolgens door [bedrijf 2] , in de persoon van [mededader 1] , aan een persoon genaamd [mededader 2] afgegeven te [plaatsnaam] .

(pagina 7)

Op 26 februari 2015 heb ik middels e-mailberichten van de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer informatie ontvangen waaruit blijkt dat aan [bedrijf 2] en [bedrijf 3] geen activiteitenvergunningen op het gebied van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën zijn verstrekt.

(pagina 9)

In het door de Kamer van Koophandel en Fabrieken gehouden handelsregister las ik dat de zoekterm [zoekterm 1] een uitworp gaf van de besloten vennootschap [bedrijf 2] , gevestigd te [plaatsnaam] . Tevens las ik dat [mededader 1] , geboren op [geboortedatum mededader 1] , als bestuurder van voornoemde vennootschap in het handelsregister staat ingeschreven. Tevens las ik dat deze vennootschap tot 17 september 2014 de statutaire naam [voormalige naam bedrijf 2] droeg.

(pagina 10)

In het door de Kamer van Koophandel en Fabrieken gehouden handelsregister las ik dat de zoekterm [zoekterm 2] een uitworp gaf van de besloten vennootschap [bedrijf 3] , gevestigd te [plaatsnaam] . Tevens las ik dat [verdachte] , geboren op [geboortedatum verdachte] , als bestuurder van voornoemde vennootschap in het handelsregister staat ingeschreven.

Op 26 februari 2015 heb ik de bij het door [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal van ambtshandelingen gevoegde bijlage [titel bijlage] gelezen. Hierin las ik dat door [bedrijf 1] een zending ergotamine tartrate is geleverd aan [bedrijf 2] . In een in de nota opgenomen tabel las ik dat er op 26 augustus 2014 sprake is geweest van een levering van 1,5 kilogram ergotamine tartrate.

Daarnaast las ik in de andere bijlagen bij het door [verbalisant 2] opgemaakte proces-verbaal van ambtshandelingen dat er door [bedrijf 1] een factuur is opgemaakt inzake levering van 1,5 kilogram ergotamine tartrate. Blijkens de factuur was [bedrijf 4] de koper en betrof [bedrijf 2] de eindconsument. Tevens las ik dat er door [bedrijf 4] een aankooporder is opgesteld voor de levering van 1,5 kilogram ergotamine tartrate door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] .

(pagina’s 14 en 15)

Nadat ik op 16 maart 2015 met [mededader 1] had gesproken, ontving ik 35 e-mailberichten van het e-mailadres [e-mailadres mededader 1] . Op 27 maart 2015 heb ik deze bescheiden en e-mailberichten doorgenomen. Ik las onder andere een eindgebruikersverklaring die was ondertekend door [mededader 2]1 van [bedrijf 5] te Dubai voor de afname van 1.500 gram ergotamine tartrate van [bedrijf 2] .

(pagina 16)

Naar aanleiding van het verhoor van [mededader 1] op 23 oktober 2015 ontving ik op 9 november 2015 drie e-mailberichten van deze [mededader 1] .

In het eerste e-mailbericht met bijlagen las ik in een pro forma-factuur van [bedrijf 4] , waaruit blijkt dat [bedrijf 2] is gefactureerd voor een bedrag van $ 100.000,00 voor de levering van 20 kilogram ergotamine tartrate in verband met een order die op 7 juli 2014 zou zijn geplaatst. Vervolgens las ik een factuur van [bedrijf 2] , waaruit blijkt dat [bedrijf 5] op 24 juni 2014 is gefactureerd voor een bedrag van € 100.000,00 voor de levering van 20 kilogram ergotamine tartrate. Daarnaast las ik een bijgevoegd ABN AMRO-document, waaruit blijkt dat [bedrijf 2] op 7 juli 2014 een bedrag van € 100.000,00 heeft ontvangen van [bedrijf 3] .

(pagina 17)

In één van de bijlagen van het tweede e-mailbericht las ik een airwaybill, waarin voor rekening van [bedrijf 5] op 10 september 2014 1,5 kilogram ergotamine tartrate zou zijn vervoerd van Dubai naar Caïro voor aflevering bij [bedrijf 6] , gevestigd te Caïro (Egypte).

Tevens las ik dat aan het derde e-mailbericht kopieën van POD’s waren bijgevoegd als bijlagen. In één van deze POD’s las ik dat [bedrijf 6] de ontvangst bevestigt van 1,5 kilogram ergotamine tartrate. In deze POD las ik dat dit goed is ontvangen van [bedrijf 5] .

2. Een uittreksel Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 3] d.d. 13 februari 2015 (bijlage 4), voor zover inhoudende:

Rechtspersoon

Rechtsvorm: Besloten Vennootschap

Statutaire naam: [bedrijf 3]

Bestuurders

Naam: [verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum verdachte]

Datum in functie: 28 december 2007

Titel: Algemeen directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

3. Een uittreksel Kamer van Koophandel betreffende [bedrijf 2] d.d. 26 februari 2015 (bijlage 2), voor zover inhoudende:

Rechtspersoon

Rechtsvorm: Besloten Vennootschap

Statutaire naam: [bedrijf 2]

Bestuurder

Naam: [mededader 1]

Geboortedatum: [geboortedatum mededader 1]

Datum in functie: 1 april 2002

Titel: Directeur

Bevoegdheid: Alleen/zelfstandig bevoegd

4. Een geschrift, te weten een factuur van [bedrijf 1] aan [bedrijf 4] d.d. 26 augustus 2014 (bijlage 4 bij bijlage 1, pagina 13-20), voor zover inhoudende:

[bedrijf 1]

[vestigingsadres bedrijf 1]

Czech Republic

Consignee/End Customer: Buyer:

[bedrijf 2] [bedrijf 4]

[vestigingsadres bedrijf 2 (deel 1)] [vestigingsadres bedrijf 4 (deel 1)]

[vestigingsadres bedrijf 2 (deel 2)] , Holland [vestigingsadres bedrijf 4 (deel 2)] , Holland

Tax Date: 26 August 2014

Your Order: E-mail 07/07/14

Part Description Quantity

Ergotamine tartrate 1.500 KG

5. Een geschrift, te weten een factuur van [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] d.d. 27 augustus 2014 (bijlage 11), voor zover inhoudende:

[bedrijf 4]

[vestigingsadres bedrijf 4 (deel 1)]

[vestigingsadres bedrijf 4 (deel 2)]

Sold to: Ship to:

[bedrijf 2]

[vestigingsadres bedrijf 2 (deel 1)]

[vestigingsadres bedrijf 2 (deel 2)]

Invoice Date: 27 August 2014

Buyer Reference: E-mail 07/07/14

Item Description Quantity

Ergotamine tartrate 1.500 KG

6. Een geschrift, te weten een afnemersverklaring van [bedrijf 5] d.d. 20 juli 2014 (bijlage 24), voor zover inhoudende:

Date: 20 July 2014

I, [bedrijf 5] , have ordered from [bedrijf 2] the following substance:

Description Quantity

Ergotamine tartrate 1.500 grams

[mededader 2] (director)

7. Een geschrift, te weten een vrachtbrief van [bedrijf 5] d.d. 10 september 2014 (bijlage 40, pagina 3-5), voor zover inhoudende:

10 September 2014

Shipper’s name and address:

[bedrijf 5]

[vestigingsadres bedrijf 5] U.A.E.

Consignee’s name and address:

[bedrijf 6]

[vestigingsadres bedrijf 6]

Cairo Egypt

Nature of Goods Gross Weight

Ergotamine tartrate 1.500 KG

8. Een geschrift, te weten een ontvangstbevestiging van [bedrijf 6] d.d. 15 september 2014 (bijlage 41, pagina 2-5), voor zover inhoudende:

We, [bedrijf 6] , hereby certify receipt of the following shipments in Cairo, Egypt, from Dubai from our supplier [bedrijf 5] : 1.5 KGS of ergotamine tartrate on the 15th of September 2014.

9. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 16 april 2015 (bijlage 29), voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 1] :

Ik ben de bestuurder van [bedrijf 2] en ik ben de bestuurder geweest van het voormalige [voormalige naam bedrijf 2] . Ik heb ergotamine tartrate gekocht bij [bedrijf 1] . Ik heb de betaling achteraf gedaan aan [bedrijf 1] . De eindgebruiker van de ergotamine tartrate is [bedrijf 6] . Met dat bedrijf heb ik zelf geen zaken gedaan.

Mij wordt gevraagd wat de rol van [bedrijf 3] is bij deze transactie. Ik zeg daarop dat [bedrijf 3] namens [bedrijf 5] de betaling heeft verzorgd. Ik ken de eigenaar van [bedrijf 3] . Zijn naam is [verdachte] . [mededader 2] is van [bedrijf 5] . Hij heeft de goederen bij mij afgehaald. Ik heb hem voor het eerst ontmoet in Caïro. Ik heb hem ook een keer ontmoet in Istanbul. Daar hebben ik, [verdachte] en [mededader 2] met elkaar afgesproken op de farmaceutische beurs CPHI Istanbul.

Van de bestelling van 20 kilogram ergotamine tartrate heb ik 1,5 kilogram ontvangen en betaald. De overige hoeveelheid van die bestelling is niet geleverd door stagnatie van de productie als gevolg van een slechte oogst van grondstoffen.

Mijn opdrachtgever is [mededader 2] van [bedrijf 5] uit Dubai. Ik treed op als een tussenpersoon voor dit bedrijf.

10. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 23 oktober 2015 (bijlage 30), voor zover inhoudende als verklaring van [mededader 1] :

Ik heb de ergotamine tartrate bij mij thuis in [plaatsnaam] ontvangen via een koeriersservice. Mij wordt gevraagd of ik kan uitleggen waarom en met welk doel ik de ergotamine tartrate heb ingekocht. In 2013 heb ik van [mededader 2] het verzoek gekregen om 1 kilogram ergotamine tartrate te leveren. Ik heb voornoemde [mededader 2] voor het eerst ontmoet op een bijeenkomst in Caïro die werd georganiseerd door [bedrijf 6] . [bedrijf 6] had op een gegeven moment problemen met de inkoop van ergotamine tartrate. [mededader 2] zou de oplossing voor dat probleem hebben door de inkoop van ergotamine tartrate via zijn onderneming [bedrijf 5] in Dubai te regelen.

Begin 2014 ben ik op een grote farmaceutische beurs in Istanbul, de CPHI, geweest. Ik ben samen met [verdachte] van [bedrijf 3] naar die beurs gegaan. Daar heb ik [verdachte] geïntroduceerd bij [mededader 2] . Wij zijn met elkaar in gesprek geraakt en wij hebben afspraken gemaakt omtrent een procedure om ergotamine tartrate van [bedrijf 1] naar [bedrijf 5] te krijgen. Uiteindelijk hebben [verdachte] , [mededader 2] en ik de volgende afspraak gemaakt: [mededader 2] stuurt mij per e-mail een verzoek om bepaalde stoffen te leveren. Ik bestelde die stoffen bij [bedrijf 1] en zorgde voor de betaling aan [bedrijf 1] . [mededader 2] betaalde aan [bedrijf 3] en ik ontving geld van [bedrijf 3] . Dit ging via de bank. Ik factureerde rechtstreeks aan [mededader 2] . Het feit dat de betalingen via [bedrijf 3] verliepen maakte onderdeel uit van de afspraken die [mededader 2] met [verdachte] heeft gemaakt. [bedrijf 3] betaalde mij dus namens [mededader 2] en mijn belang was met name het transport.

Voor de zendingen die zijn doorgegaan heeft [bedrijf 3] vooraf exact het bedrag op mijn rekening gestort dat ik factureerde aan [mededader 2] . De uitzondering hierop is een zending die betrekking had op een bestelling bij [bedrijf 1] van 20 kilogram ergotamine tartrate met een waarde van $ 100.000,00. Van deze bestelling is slechts anderhalve kilogram aan mij geleverd en door mij aan [bedrijf 1] betaald. Ik factureerde aan [mededader 2] hetzelfde bedrag, maar dan in euro’s. Het koersverschil was mijn marge. Het volledige bedrag van € 100.000,00 heeft [bedrijf 3] op mijn bankrekening gestort.

Ik heb geen andere overeenkomsten of zakelijke relaties met [verdachte] waarvoor hij mij bedragen schuldig zou zijn.

11. Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 februari 2016 (bijlage 33), voor zover inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 3] :

Wij hebben op 24 juni 2015 gesproken met [medewerker bedrijf 3] , zijnde de boekhouder van [bedrijf 3] . [medewerker bedrijf 3] verklaarde dat [verdachte] hem had verteld dat wij vragen zouden hebben over de boekhouding.

Ik, [verbalisant 1] , vroeg [medewerker bedrijf 3] naar de facturen van [bedrijf 2] . [medewerker bedrijf 3] verklaarde geen facturen van [bedrijf 2] te hebben. [medewerker bedrijf 3] verklaarde vervolgens dat [verdachte] geld krijgt vanuit Dubai (het hof begrijpt: [bedrijf 5] ) en dat hij, [medewerker bedrijf 3] , dit geld vervolgens overmaakt naar [bedrijf 2] . [medewerker bedrijf 3] verklaarde dat hij dit doet op verzoek van [verdachte] .

Op enig moment kwam [verdachte] het kantoor binnen. Hierop hebben wij het gesprek met [medewerker bedrijf 3] beëindigd. Ik, [verbalisant 1] , heb aan [verdachte] gevraagd of hij wilde meewerken. [verdachte] beantwoordde deze vraag bevestigend.

Ik, [verbalisant 1] , vroeg [verdachte] wat er gebeurt als er niet kan worden geleverd. [verdachte] verklaarde hierop dat [bedrijf 6] hier een claim aan hangt en dat hij hiervoor reeds een schadeclaim van hen heeft ontvangen.

12. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 11 januari 2016 (bijlage 36), voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Ik ben bestuurder van [bedrijf 3] . Ik ben de directeur van dat bedrijf. Ik ben onder andere betrokken bij het opmaken van de contracten. Voorts ben ik betrokken bij het leggen van contacten met afnemers en leveranciers.

Er is een order geplaatst voor de levering van ergotamine tartrate. Deze order is geplaatst bij [bedrijf 2] . Mij wordt voorgehouden dat ik een bedrag aan [bedrijf 2] heb betaald ter verkrijging van ergotamine tartrate en mij wordt gevraagd hoe ik deze betaling heb kunnen financieren. Ik heb die betaling gefinancierd met behulp van vooruitgeschoven geld van de partij die ons de opdracht heeft gegeven voor de bestelling van de ergotamine tartrate. Deze partij is [bedrijf 5] . Ik had een klant voor de bestelde ergotamine tartrate, te weten [bedrijf 6] .

Ik ben begin 2014 op een grote farmaceutische beurs in Istanbul, de CPHI, geweest. Ik heb daar gesproken met [mededader 1] en [mededader 2] en er zijn afspraken gemaakt. Het klopt dat [bedrijf 2] zorgde voor de betaling aan [bedrijf 1] . Het klopt ook dat [mededader 2] aan [bedrijf 3] betaalde en dat [bedrijf 2] geld ontving van [bedrijf 3] . Dat bedrijf betaalde [bedrijf 2] namens [mededader 2] .

Bewijsoverwegingen

Algemene overweging

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Verweren van de verdediging strekkende tot vrijspraak

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe is, op gronden als verwoord in de pleitnota, het navolgende aangevoerd.

1.In de eerste plaats heeft de verdediging bepleit dat het openbaar ministerie verdachte ten onrechte heeft aangemerkt als (mede)pleger van het ten laste gelegde. Volgens de verdediging is verdachte hooguit in zijn hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 3] betrokken geweest bij de litigieuze gedragingen en is van diens persoonlijke betrokkenheid daarbij niet gebleken, waardoor hij niet als (mede)pleger van het ten laste gelegde maar hooguit als feitelijk leidinggever van voornoemde rechtspersoon kan worden aangemerkt.

2.Voorts heeft de verdediging bepleit dat op grond van het voorhanden zijnde dossier niet kan worden bewezen dat verdachte wist dat [bedrijf 2] het van [bedrijf 3] verkregen geldbedrag zou aanwenden voor de betaling van een factuur die betrekking had op de levering van de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid ergotamine tartrate. Verdachte heeft verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat het door [bedrijf 3] betaalde geldbedrag van € 100.000,00 diende als vooruitbetaling voor toekomstige leveringen, die zouden plaatsvinden nadat [bedrijf 3] over de benodigde activiteitenvergunning zou beschikken. Gelet hierop kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met de geldende wetgeving heeft gehandeld, aldus de verdediging.

3.Tot slot heeft de verdediging bepleit dat de bijdrage van verdachte aan het ten laste gelegde, bestaande uit het (laten) doen van een betaling van € 100.000,00 aan [bedrijf 2] , niet van voldoende gewicht is geweest om het ten laste gelegde medeplegen bewezen te kunnen verklaren. Volgens de verdediging is de enkele omstandigheid dat [bedrijf 3] een geldbedrag van [bedrijf 5] ontving en dit geldbedrag vervolgens heeft doorbetaald aan [bedrijf 2] onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en één of meer anderen.

Bewijsoverweging ad 1

Het hof begrijpt dit onderdeel van het verweer van de verdediging aldus dat de verdediging heeft bepleit dat het openbaar ministerie verdachte had moeten vervolgen in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever van [bedrijf 3] en dat verdachte, nu het openbaar ministerie dit niet heeft gedaan en hem heeft vervolgd als (mede)pleger van het ten laste gelegde, dient te worden vrijgesproken van hetgeen aan hem ten laste is gelegd.

Naar het oordeel van het hof berust dit onderdeel van het verweer op een standpunt dat geen steun vindt in het recht. Het openbaar ministerie komt bij het nemen van de vervolgingsbeslissing op grond van het opportuniteitsbeginsel immers een zelfstandige beoordelingsbevoegdheid toe. Voorts blijkt uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad dat het openbaar ministerie de keuze heeft om een leidinggevende functionaris die ervan wordt verdachte persoonlijk de delictsbestanddelen te hebben vervuld ofwel ter zake van het (mede)plegen ofwel op de voet van artikel 51, tweede lid, onder 2, van het Wetboek van Strafrecht te vervolgen.2 Nu voornoemde situatie zich in de onderhavige zaak voordoet, is het hof van oordeel dat dit onderdeel van het verweer van de verdediging niet kan slagen.

Het hof verwerpt mitsdien dit onderdeel van het verweer.

Bewijsoverweging ad 2

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof – voor zover hier van belang – de navolgende feiten en omstandigheden af.

Het bedrijf [bedrijf 5] uit Dubai heeft in de persoon van [mededader 2] ergotamine tartrate besteld bij [bedrijf 2] . [bedrijf 2] heeft deze stof vervolgens besteld bij het Tsjechische bedrijf [bedrijf 1] , waarna de ergotamine tartrate via het Nederlandse bedrijf [bedrijf 4] aan [bedrijf 2] werd geleverd. Hierop werd voornoemde stof door [bedrijf 2] aan [bedrijf 5] geleverd. Tot slot heeft [bedrijf 5] de ergotamine tartrate geleverd aan de eindgebruiker ervan, zijnde het bedrijf [bedrijf 6] uit Egypte.

Verdachte was gedurende de ten laste gelegde pleegperiode directeur en bestuurder van het bedrijf [bedrijf 3] . Door [medewerker bedrijf 3] , de boekhouder van [bedrijf 3] , zijn enkele betalingen aan [bedrijf 2] gedaan, waaronder een betaling van € 100.000,00. [medewerker bedrijf 3] heeft hieromtrent verklaard dat hij geen facturen van deze betalingen heeft opgemaakt. Volgens [medewerker bedrijf 3] ontving verdachte geld van [bedrijf 5] en maakte hij, [medewerker bedrijf 3] , dit geld op verzoek van verdachte over aan [bedrijf 2] .

Verdachte heeft hieromtrent verklaard dat hij begin 2014 met [mededader 1] , zijnde de directeur van [bedrijf 2] , op een farmaceutische beurs in Istanbul is geweest en dat hij daar met de hiervoor genoemde [mededader 2] van [bedrijf 5] afspraken heeft gemaakt over de betalingen van de bestellingen van laatstgenoemd bedrijf bij [bedrijf 2] . Deze afspraken hielden in dat [bedrijf 5] de gedane bestellingen niet rechtstreeks aan [bedrijf 2] zou betalen, maar dat [bedrijf 3] dit namens [bedrijf 5] zou doen. Volgens verdachte betrof de door [bedrijf 3] gedane betaling van een bedrag van € 100.000,00 een vooruitbetaling voor toekomstige bestellingen van [bedrijf 5] en was dit geen betaling voor reeds geleverde stoffen.

Het hof hecht geen geloof aan de verklaring van verdachte, voor zover deze inhoudt dat de betaling door [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] van een bedrag van € 100.000,00 betrekking had op toekomstige bestellingen van [bedrijf 5] . Naar het oordeel van het hof bevat het dossier immers sterke aanwijzingen voor de stelling dat voornoemde betaling (mede) betrekking had op de in de tenlastelegging genoemde hoeveelheid ergotamine tartrate. Zo bevat het dossier een factuur van [bedrijf 2] d.d. 24 juni 2014, waaruit blijkt dat aan [bedrijf 5] een bedrag van € 100.000,00 in rekening is gebracht wegens een bestelling van 20 kilogram ergotamine tartrate (bijlage 39, pagina 3-4). Op 7 juli 2014 heeft [bedrijf 3] een bedrag van € 100.000,00 overgemaakt aan [bedrijf 2] (bijlage 34, pagina 56-138, alsmede bijlage 39, pagina 4-4). Hierbij zij opgemerkt dat [mededader 1] van [bedrijf 2] heeft verklaard dat hij de bestellingen van ergotamine tartrate telkens in Amerikaanse dollars aan [bedrijf 1] betaalde en dat hij deze kreeg terugbetaald in euro’s. Voornoemde [mededader 1] heeft voorts verklaard dat wegens productieproblemen slechts 1,5 kilogram van de bestelde 20 kilogram ergotamine tartrate door [bedrijf 1] aan [bedrijf 2] is geleverd. [bedrijf 2] heeft deze deellevering op 18 augustus 2014 betaald door een bedrag van $ 7.500,00 (= € 5.634,44) aan [bedrijf 1] over te maken (bijlage 26 in samenhang met bijlage 14A).

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de hiervoor genoemde betaling van een bedrag van € 100.000,00 door [bedrijf 3] aan [bedrijf 2] betrekking had op de bestelling van 20 kilogram ergotamine tartrate van [bedrijf 5] bij [bedrijf 2] . Van de hiervoor genoemde bestelde hoeveelheid is blijkens het dossier slechts 1,5 kilogram daadwerkelijk geleverd.

Voorts is het hof van oordeel dat op grond van het voorhanden zijnde dossier wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte wist dat het door [bedrijf 3] betaalde bedrag van

€ 100.000,00 door [bedrijf 2] zou worden aangewend voor de betaling van een factuur aan [bedrijf 1] die betrekking had op de levering van de hiervoor genoemde hoeveelheid ergotamine tartrate. Het hof wijst in dit verband in de eerste plaats op de tot het bewijs gebezigde verklaring die [mededader 1] op 23 oktober 2015 tegenover de Belastingdienst heeft afgelegd, onder meer inhoudende dat [bedrijf 3] een bedrag van € 100.000,00 aan [bedrijf 2] heeft betaald in verband met een bestelling die betrekking had op 20 kilogram ergotamine tartrate en dat van deze bestelling slechts 1,5 kilogram daadwerkelijk is geleverd. Voorts wijst het hof op de omstandigheid dat verdachte, toen hem door verbalisant [verbalisant 1] werd gevraagd wat er gebeurde indien een bestelling niet kon worden geleverd, heeft verklaard dat [bedrijf 6] , zijnde de eindgebruiker van de bestelde ergotamine tartrate, hier een claim aan hing en dat hij reeds een schadeclaim van voornoemd bedrijf had ontvangen in verband met niet geleverde goederen. Uit de overige inhoud van het dossier leidt het hof af dat deze verklaring van verdachte betrekking heeft op de hiervoor genoemde bestelling van 20 kilogram ergotamine tartrate, waarvan slechts 1,5 kilogram ook daadwerkelijk is geleverd. Voorts leidt het hof uit deze verklaring af dat verdachte wist dat het door [bedrijf 3] betaalde bedrag van € 100.000,00 betrekking had op voornoemde bestelling en niet een vooruitbetaling in verband met een toekomstige bestelling betrof.

Ergotamine tartrate is een stof die valt onder de zogenoemde categorie 1-stoffen als bedoeld in de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Voor het uitvoeren en in de handel brengen van deze stof is een activiteitenvergunning vereist. Uit het dossier blijkt dat verdachte en/of [bedrijf 3] niet over deze vergunning beschikte(n). Nu verdachte desondanks op de hiervoor omschreven wijze betrokken is geweest bij het uitvoeren en in de handel brengen van ergotamine tartrate kan naar het oordeel van het hof wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte opzettelijk in strijd met de geldende wetgeving heeft gehandeld.

Het hof verwerpt mitsdien dit onderdeel van het verweer.

Bewijsoverweging ad 3

Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen – in het bijzonder uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van verdachte en [mededader 1] – is gebleken dat verdachte, voornoemde [mededader 1] en [mededader 2] begin 2014 in Istanbul afspraken hebben gemaakt omtrent de betalingen van de bestellingen van ergotamine tartrate die [bedrijf 5] bij [bedrijf 2] deed. Hierbij werd afgesproken dat de betalingen van deze bestellingen zouden verlopen via [bedrijf 3] , waarbij [bedrijf 5] de betaling aan [bedrijf 3] deed en [bedrijf 3] ditzelfde bedrag vervolgens overmaakte aan [bedrijf 2] .

Voorts heeft het hof hiervoor (onder Bewijsoverweging ad 2) reeds vastgesteld dat [bedrijf 3] op 7 juli 2014 een bedrag van € 100.000,00 heeft overgemaakt aan [bedrijf 2] en dat deze betaling verband hield met de bestelling en levering van een hoeveelheid van 1,5 kilogram ergotamine tartrate, waarbij [bedrijf 5] de koper en [bedrijf 2] de verkoper was.

Het hof leidt uit het vorenstaande af dat verdachte betrokken is geweest bij het maken van de hiervoor genoemde afspraken en dat er (in opdracht van verdachte) door [bedrijf 3] een bedrag is overgemaakt aan [bedrijf 2] in verband met een bestelling van ergotamine tartrate door [bedrijf 5] die ermee gepaard ging dat deze stof uit de Gemeenschap werd uitgevoerd en in de handel werd gebracht.

Naar het oordeel van het hof heeft verdachte hiermee een onmiskenbare en essentiële bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde. Voorts is het hof van oordeel dat er door de gemaakte afspraken en de daardoor ontstane geldstroom sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn mededaders (te weten: [mededader 1] en [mededader 2] ), welke samenwerking in de kern heeft bestaan uit een gezamenlijke uitvoering. Het hof acht het ten laste gelegde medeplegen dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt mitsdien dit onderdeel van het verweer.

Ambtshalve bewijsoverweging omtrent het begrip ‘marktdeelnemer’

Onder marktdeelnemer als bedoeld in artikel 2 van de Verordening (EG) 111/2005 wordt begrepen elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die betrokken is bij de in- en uitvoer van geregistreerde stoffen of hiermee verband houdende intermediaire activiteiten.

Uit het vorenstaande blijkt dat verdachte op de hiervoor omschreven wijze betrokken is geweest bij het uitvoeren en in de handel brengen van een geregistreerde stof als bedoeld in artikel 2 van de Verordening (EG) 111/2005, te weten ergotamine tartrate. Naar het oordeel van het hof kan verdachte dan ook worden aangemerkt als marktdeelnemer als bedoeld in de hiervoor genoemde verordening.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij of krachtens artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht om de door de rechtbank opgelegde straf te matigen. Hierbij heeft de verdediging het hof verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en met de omstandigheid dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Het hof neemt bij het bepalen van de straf in het bijzonder het navolgende in aanmerking.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders opzettelijk schuldig gemaakt aan het uit de Gemeenschap uitvoeren en in de handel brengen van 1,5 kilogram van een materiaal bevattende ergotamine tartrate zonder over de daarvoor vereiste vergunning te beschikken. Daarmee heeft verdachte in strijd gehandeld met artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën. Ergotamine tartrate is een geregistreerde stof die slechts mag worden uitgevoerd en/of verhandeld door natuurlijke personen of rechtspersonen die in het bezit zijn van een door de bevoegde autoriteiten afgegeven vergunning. Deze vergunningsplicht is in het leven geroepen om de handel in drugsprecursoren te reguleren. De stof ergotamine tartrate, die in de farmaceutische industrie onder andere wordt gebruikt als geneesmiddel voor migraine en het verminderen van bloedingen na de geboorte, kan immers ook worden gebruikt voor de illegale productie van lyserginezuur en LSD. Hoewel in de onderhavige zaak geen aanwijzingen bestaan die doen vermoeden dat voornoemde stof werd verhandeld teneinde deze voor voornoemde illegale doeleinden te gebruiken, heeft verdachte zich door te handelen zoals thans bewezen is verklaard onttrokken aan regelgeving die is gemaakt in het belang van de bescherming van (onder meer) de volksgezondheid.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder ter zake van soortgelijke feiten is veroordeeld. Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Tot slot heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met de omstandigheid dat na het tijdstip waarop het bewezen verklaarde feit is begaan inmiddels geruime tijd (circa 6 jaren) is verstreken.

Redelijke termijn

Ten aanzien van de berechting binnen een redelijke termijn overweegt het hof het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In de onderhavige zaak is het hof gebleken dat de redelijke termijn zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is overschreden.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg overweegt het hof als volgt. Het vonnis van de rechtbank is niet gewezen binnen twee jaren nadat er jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie strafvervolging zou worden ingesteld, zijnde de dag waarop hij als verdachte is gehoord (te weten: 11 januari 2016). Nu de rechtbank eerst op 23 juli 2018 vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim zes maanden overschreden, terwijl dit niet aan verdachte valt toe te rekenen.

Ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep overweegt het hof als volgt. Namens verdachte is op 3 augustus 2018 hoger beroep ingesteld, terwijl het hof op 16 september 2020 – en derhalve niet binnen twee jaren na het instellen van hoger beroep – arrest wijst. De redelijke termijn in hoger beroep is hierdoor met ruim één maand overschreden, terwijl ook dit niet aan verdachte valt toe te rekenen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stelt het hof vast dat de redelijke termijn in de onderhavige zaak in totaal met circa acht maanden is overschreden en dat dit niet aan verdachte valt toe te rekenen. Er is dan ook sprake van een schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Zonder schending van de redelijke termijn zou een geldboete van € 2.500,00 subsidiair 35 dagen hechtenis naar het oordeel van het hof passend en geboden zijn geweest.

Nu de redelijke termijn is geschonden, zal het hof volstaan met het opleggen van een geldboete van € 2.000,00 subsidiair 30 dagen hechtenis. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op:

  • -

    de artikelen 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht,

  • -

    de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten,

  • -

    artikel 2 van de Wet voorkoming misbruik chemicaliën,

zoals deze ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraken ter zake van het ten laste gelegde onder de eerste, tweede, derde en vijfde gedachtestreepjes.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet in zoverre opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. K.J. van Dijk, voorzitter,

mr. O.M.J.J. van de Loo en mr. O.A.J.M. Lavrijssen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mrs. O.M.J.J. van de Loo en O.A.J.M. Lavrijssen zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 De voornaam van [mededader 2] wordt in het dossier zowel gespeld als [spellingswijze 1] als [spellingswijze 2] . Het hof hanteert in dit arrest de voornaam [spellingswijze 1] , gelet op bijlage 29 (pagina 11-11), zijnde een kopie van de paspoortgegevens van [mededader 2] en waarin de voornaam [spellingswijze 1] is opgenomen.

2 Het hof verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, waaronder het arrest HR 21 oktober 1986, ECLI:NL:HR:1986:AC9529.