Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2985

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
20/00013
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5343, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid bezwaar. De ontvangst van de aanslag kan worden betwijfeld, maar nadat alsnog kennis is genomen van de aanslag heeft de belastingadviseur niet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kon worden verlangd bezwaar gemaakt. Het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-10-2020
V-N Vandaag 2020/2359
FutD 2020-2957
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00013

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

hierna: belanghebbende

en het voorwaardelijk incidentele hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 21 november 2019, nummers BRE 18/4310 en BRE 18/4312, in het geding tussen

belanghebbende,

en

[A BVBA] ,

gevestigd te [vestigingsplaats 2] (België),

hierna: [A BVBA] ,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 3.049, en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur gehandhaafd.

1.2.

Aan [A BVBA] is voor het jaar 2013 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 58.160, en bij gelijktijdige beschikking belastingrente in rekening gebracht. De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de inspecteur gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de in 1.1 en [A BVBA] heeft tegen de in 1.2 vermelde uitspraken van de inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft, na gezamenlijke behandeling van deze beroepen en verenigd in één uitspraak, het beroep van [A BVBA] (zaaknummer 18/4310) gegrond verklaard en het beroep van belanghebbende (zaaknummer 18/4312) ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak (zaaknummer 18/4312) hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De inspecteur heeft tegen deze uitspraak (zaaknummer 18/4310) voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld bij het hof. Belanghebbende noch [A BVBA] heeft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep beantwoord.

1.6.

Met toestemming van partijen heeft het hof op grond van het bepaalde in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het hof komen vast te staan.

2.1.

Gemachtigde van belanghebbende [gemachtigde] , belastingadviseur en woonachtig in België, bezit 100% van de aandelen van de in België gevestigde vennootschap [A Holding BVBA] , welke vennootschap 100% aandeelhouder is van [A BVBA] . [A BVBA] is 100% aandeelhouder van [B BV] , welke vennootschap 100% aandeelhouder is van belanghebbende. [B] en belanghebbende zijn beide in Nederland gevestigd.

2.2.

Belanghebbende heeft met dagtekening 29 april 2015 de aangifte vennootschapsbelasting 2013 (hierna: de aangifte) ingediend. Het aangegeven belastbaar bedrag bedraagt -/- € 55.091. In de verlies- en winstrekening is een bedrag van € 58.140 van door [A BVBA] doorbelaste kosten opgenomen onder de benaming “honorarium van [A BVBA] ”.

2.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 25 juli 2017 belanghebbende een brief gestuurd dat hij gaat afwijken van de aangifte. Volgens de inspecteur is niet aannemelijk gemaakt dat in 2013 werkzaamheden vanuit [A BVBA] zijn verricht ten behoeve van belanghebbende. De inspecteur heeft het belastbaar bedrag van belanghebbende vastgesteld op (-/- € 55.091 + € 58.140 =) € 3.049. In deze brief is eveneens vermeld dat de aanslag binnen enkele weken zal volgen.

2.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 12 augustus 2017 de aanslag ten name van belanghebbende opgelegd en tevens belastingrente in rekening gebracht. Uit de adressering op betreffende aanslag volgt dat de aanslag is verstuurd naar het door belanghebbende opgegeven correspondentieadres [postbus] , [postcode] [vestigingsplaats 1] .

2.5.

Op 25 september 2017 heeft belanghebbende aan de inspecteur een e-mail gestuurd dat zij de aanslag nog niet heeft ontvangen en gevraagd wanneer zij deze aanslag kan verwachten.

2.6.

Op 26 september 2017 heeft de inspecteur belanghebbende per e-mail geantwoord dat betreffende aanslag is gedagtekend op 12 augustus 2017.Belanghebbende heeft op 26 september 2017 de inspecteur per e-mail verzocht een kopie van de aanslag toe te sturen.

2.7.

Op 27 september 2017 is het verzoek van belanghebbende door de inspecteur intern doorgezet en is een duplicaat van de aanslag aan belanghebbende verzonden.

2.8.

Met dagtekening 3 oktober 2017 is een betalingsherinnering met betrekking tot de aanslag aan belanghebbende verzonden.

2.9.

Belanghebbende heeft bij schrijven van 30 oktober 2017, door de inspecteur ontvangen op 2 november 2017, bezwaar gemaakt tegen de aanslag en verzocht om uitstel van betaling totdat onherroepelijk op het bezwaar is beslist.

2.10.

Met dagtekening 21 november 2017 is een aanmaning met betrekking tot de aanslag aan belanghebbende verzonden.

2.11.

Bij brief van 27 november 2017 heeft de inspecteur de ontvangst van het bezwaar op 2 november 2017 bevestigd. Omdat het bezwaar niet binnen de wettelijke termijn is ingediend is in deze brief belanghebbende de mogelijkheid geboden het bezwaar aan te vullen met redenen waardoor het bezwaar te laat is ingediend. Van deze geboden mogelijkheid is geen gebruik gemaakt.

2.12.

Bij uitspraak op bezwaar van 23 mei 2018 heeft de inspecteur het bezwaar van belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Het ingediende bezwaar heeft de inspecteur opgevat als een verzoek tot ambtshalve vermindering van de aanslag. Aan het verzoek tot ambtshalve vermindering is door de inspecteur niet tegemoet gekomen.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in haar bezwaar tegen de opgelegde aanslag vennootschapsbelasting 2013 en de beschikking belastingrente.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en de uitspraak op bezwaar en tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar alsmede - naar het hof verstaat - tot terugwijzing naar de inspecteur.

3.3.

De inspecteur concludeert primair tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank en subsidiair tot ongegrondverklaring van het beroep. In het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep concludeert de inspecteur tot ongegrondverklaring van het beroep (in de zaak met zaaknummer 18/4310).

4 Gronden

4.1.

Belanghebbende stelt de aanslag niet te hebben ontvangen en dat om deze reden redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat zij in verzuim is geweest. Bij de beoordeling van dit betoog stelt het hof het volgende voorop.

4.2.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift bedraagt op grond van artikel 6:7 Awb zes weken. Deze termijn vangt aan op de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van het afschrift van een voor bezwaar vatbare beschikking (artikel 22j, aanhef en letter a, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR)). Dit is anders indien de dag van dagtekening is gelegen voor de dag van de bekendmaking. In dat geval vangt de termijn voor het maken van bezwaar aan op de dag na de datum waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. In gevallen waarin besluiten zijn bekendgemaakt door toezending van een aanslagbiljet aan belanghebbende, kan in de regel ervan worden uitgegaan dat met de terpostbezorging van dat biljet de daarin vervatte besluiten zijn bekendgemaakt1. Indien de belanghebbende de verzending van het aanslagbiljet betwist, is het aan de inspecteur om die verzending aannemelijk te maken. Indien de belanghebbende, zoals in dit geval, stelt dat een schriftelijk besluit hem niet heeft bereikt, ligt in die stelling een betwisting van de verzending van dat besluit begrepen2.

4.3.

Gelet op het onder 4.2 genoemde rechtskader, rust op de inspecteur de last te bewijzen dat de aanslag is verzonden en dat verzending naar het juiste adres heeft plaatsgevonden. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanslag met dagtekening 12 augustus 2017 aan het juiste adres van belanghebbende is geadresseerd (zie 2.4). De inspecteur heeft met de overlegging - in eerste aanleg - van schriftelijke bewijsstukken van de verzendadministratie aannemelijk gemaakt dat de aanslag vóór de dagtekening daarvan is verzonden. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen de aanslag is aangevangen op 13 augustus 2017 en, met inachtneming van de Algemene termijnenwet, is geëindigd op 25 september 2017. Het bezwaarschrift is gedagtekend 30 oktober 2017 en op 2 november 2017 per post ontvangen door de inspecteur.

4.4.

Indien, zoals in deze zaak, vaststaat dat een schriftelijk besluit van de inspecteur op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt door terpostbezorging, de belanghebbende daartegen na afloop van de wettelijke termijn bezwaar maakt en ter rechtvaardiging van die termijnoverschrijding aanvoert dat hij dit besluit niet heeft ontvangen, is het volgende van belang.

4.5.

De verzending van een stuk per post rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van dit stuk op het daarop vermelde adres, aangezien per post verzonden stukken in de regel op dat adres worden bezorgd. Het ligt daarom op de weg van de belanghebbende die de ontvangst van een door de Belastingdienst verzonden stuk ontkent, om dit vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe is niet vereist dat hij aannemelijk maakt dat het stuk niet op dat adres is ontvangen of aangeboden. Wanneer de belanghebbende aldus een beroep doet op een verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van artikel 6:11 Awb, is het voldoende dat op grond van hetgeen hij aanvoert de ontvangst of de aanbieding van het besluit redelijkerwijs kan worden betwijfeld. Het verdient ter zake van de hiervoor bedoelde twijfel opmerking dat de rechter zodanige twijfel gerechtvaardigd kan achten op grond van naar zijn oordeel geloofwaardige ontkenning door belanghebbende dat het aanslagbiljet op zijn adres is ontvangen of aangeboden3. Het is dan ook niet zo dat de enkele stelling dat het aanslagbiljet nooit is ontvangen, niet kán leiden tot het verschoonbaar achten van een termijnoverschrijding 4. De eisen aan een ontkenning van ontvangst kunnen bovendien niet bijzonder hoog zijn, gelet op de moeilijkheden om (negatief) bewijs te leveren dat een poststuk niet is ontvangen.

4.6.

Naar het oordeel van het hof heeft belanghebbende met de - eerst in hoger beroep - overgelegde stukken, te weten de e-mailwisseling zoals vermeld in 2.5 t/m 2.7 en het duplicaat van de aanslag vennootschapsbelasting 2013, mede in het licht van het door de Hoge Raad (zie 4.5) ter zake van belang geachte kader, het bewijsvermoeden van ontvangst van de (oorspronkelijke) aanslag ontzenuwd. De ontvangst hiervan kan daarom redelijkerwijs worden betwijfeld.

4.7.

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring wegens termijnoverschrijding achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest (artikel 6:11 Awb). Wat na het vorenoverwogene rest, is het antwoord op de vraag of (de gemachtigde van) belanghebbende, nadat deze op 26 september 2017 heeft vernomen dat de aanslag is gedagtekend op 12 augustus 2017 en kort nadien een duplicaat van de aanslag heeft ontvangen, voldoende voortvarend heeft gehandeld door op 2 november 2017 bezwaar in te stellen. Daarvoor is beslissend of het bezwaarschrift is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Wat in concreto redelijkerwijs kan worden verlangd, hangt af van de omstandigheden van het geval. Uit de wordingsgeschiedenis van artikel 6:11 van de Awb kan worden afgeleid dat een belastingplichtige in ieder geval een termijn van twee tot drie weken moet worden gegund5, wat door de Hoge Raad is vertaald als een termijn van ten minste veertien dagen6.

4.8.

In het onderhavige geval heeft de professioneel gemachtigde, belastingadviseur, van belanghebbende meer dan vier weken nadat deze kennis heeft genomen van de aanslag vennootschapsbelasting 2013 het bezwaarschrift bij de inspecteur ingediend. Naar het oordeel van het hof heeft de gemachtigde van belanghebbende aldus handelende niet zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd bezwaar gemaakt tegen de betreffende aanslag vennootschapsbelasting.

4.9.

Gelet op het vorenoverwogene dient de vraag of belanghebbende ontvankelijk is in zijn bezwaar tegen de aanslag en de beschikking belastingrente ontkennend te worden beantwoord.

Tussenconclusie

4.10.

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd. Gelet op het voorgaande behoeft het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van de inspecteur geen behandeling.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond; en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 vgl. HR 5 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:A05063, rechtsoverweging 3.2

2 vgl. HR 5 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1102

3 vgl. HR 15 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ4416

4 vgl. HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5917

5 Kamerstukken II, vergaderjaar 1990-1991, 21221, nr. 6, blz. 7.

6 HR 22 maart 2010, nr. 09/00526, ECLI:NL:HR:2010:BL0078, BNB 2010/88, HR 22 maart 2002, nr. 36 933, ECLI:NL:HR:2002:AE0462, BNB 2002/186.