Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2984

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2020
Datum publicatie
06-10-2020
Zaaknummer
19/00542
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:3637, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2011 is ingediend buiten de vijfjaarstermijn. Er is geen sprake van verschoonbare termijnoverschrijding. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-10-2020
V-N Vandaag 2020/2370
FutD 2020-2958
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 19/00542

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonend in [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 13 augustus 2019, nummer BRE 18/3486, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2011 opgelegd. Vervolgens heeft de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV voor hetzelfde jaar opgelegd.

1.2.

De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag 2011 afgewezen.

1.3.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.4.

De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de andere partij.

1.8.

De zitting heeft digitaal via beeldverbinding plaatsgevonden op 20 augustus 2020 in ‘s- Hertogenbosch. Daar hebben toen deelgenomen belanghebbende en zijn gemachtigde [gemachtigde] , verbonden aan [kantoornaam] te [kantoorplaats] , en namens de inspecteur, [inspecteur] .

1.9.

Belanghebbende heeft voor de zitting een pleitnota met een bijlage toegezonden aan het hof. De griffier heeft deze stukken doorgestuurd naar de inspecteur. De pleitnota wordt met instemming van partijen geacht ter zitting te zijn voorgelezen. De inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.10.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft voor het jaar 2011 een aangifte IB/PVV ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.774. Naar aanleiding van deze aangifte is aan hem op 21 juni 2014 de definitieve aanslag IB/PVV 2011 overeenkomstig de aangifte opgelegd. Bij brief van 23 februari 2015 heeft de inspecteur aan belanghebbende zijn voornemen kenbaar gemaakt om navorderingsaanslagen op te leggen voor, onder meer, het jaar 2011. Belanghebbende wordt door de inspecteur in de gelegenheid gesteld om te reageren vóór 16 maart 2015 indien belanghebbende het niet eens is met het voornemen van de inspecteur. Vervolgens is op 15 april 2015 aan belanghebbende een navorderingsaanslag IB/PVV 2011 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.311. Belanghebbende heeft tegen deze navorderingsaanslag geen bezwaar ingediend en deze navorderingsaanslag staat onherroepelijk vast.

2.2.

Tot de gedingstukken behoort een e-mail van 1 juli 2015 van belanghebbende aan [A] (hierna: [A] ). [A] is, zoals vermeld onder aan zijn e-mail van 17 juli 2015 (zie onder 2.4 hierna), Behandelaar Invordering MKB van de Belastingdienst. Zoals uit de e-mail blijkt heeft belanghebbende deze verzonden naar aanleiding van een inbeslagnameprocedure. Belanghebbende schrijft in zijn e-mail, voor zover van belang, tevens:

“Tenslotte wil ik niet onvermeld laten dat ik (indien nog mogelijk) een suppletieaangifte inkomen over de jaren 2010, 2011 en 2012 bij de belastingdienst zal doen zodat mijn inkomen met volgende bedragen naar beneden zal worden bijgesteld”

Hij vermeldt vervolgens de bedragen en schrijft daarna:

“Bij deze nogmaals het verzoek om de vorderingen (voorlopig) aan te houden en de nodige respijt te gunnen om tot daadwerkelijke suppletieaangiften alsmede boedelscheiding en afwikkeling met mijn aanstaande voormalige echtgenote en voormalig zakenpartner te komen.

(…)

Voor het geval u bijkomende of aanvullende informatie benodigd zijn onderstaand mijn contactgegevens vermeld. In de tussentijd verblijf ik met belangstelling uw reactie afwachtend.”

2.3.

Op 9 juli 2015 heeft belanghebbende nogmaals een e-mail aan [A] verzonden waarin staat:

“Onlangs liet ik u zoals gecommuniceerd, de beschikbare gegevens toekomen alsmede heb ik bijkomende informatie verstrekt welke u in de vorm van een bezwaar/verzoekschrift zou behandelen. Mag ik u verzoeken om mij te laten weten of dit tot het verzochte uitstel heeft geleid, temeer de tijd dringt.”

2.4.

[A] heeft belanghebbende op 17 juli 2015 een e-mail teruggestuurd waarin staat:

“Allereerst mijn excuses voor dit late antwoord, ik ben ermee bezig de competentie over te dragen naar het kantoor waaronder [plaats] ressorteert. Ik zal tevens verzoeken dat aldaar de behandeling en de beslissingen die daaruit voortvloeien worden genomen. Het gehele dossier wordt daarna doorgestuurd met uiteraard uw mail berichten bijgevoegd.”

2.5.

Met dagtekening 25 november 2017, door de inspecteur ontvangen op 29 november 2017, heeft belanghebbende een verzoek tot ambtshalve vermindering ingediend voor de jaren 2010 en 2011. In dit verzoek schrijft belanghebbende onder meer:

“Verleden week heb ik contact gezocht met uw dienst met de bedoeling om mijn situatie uit te leggen alsmede mijn wens om weer op een normale manier aan het economisch verkeer deel te nemen.

Tijdens het terugbelmoment van 18 november 2017 werd mij op de mogelijkheid gewezen om bezwaar aan te tekenen tegen eerder gedane belastingaanslagen. Weliswaar binnen de termijn van vijf jaar. Omdat ik hier geen weet van had, heb ik dit niet eerder gedaan en wil dit graag alsnog doen.”

Op 21 december 2017 heeft de inspecteur het verzoek afgewezen omdat het verzoek niet is gedaan binnen de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, onder a, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: de Uitvoeringsregeling).

2.6.

Belanghebbende heeft tegen de afwijzing op het verzoek om ambtshalve vermindering voor de jaren 2010 en 2011 met dagtekening 18 januari 2018 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaarschrift is door de inspecteur ontvangen op 22 januari 2018. Bij uitspraak op bezwaar van 24 april 2018 heeft de inspecteur het bezwaar voor het jaar 2011 afgewezen.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de inspecteur terecht het verzoek tot ambtshalve vermindering voor 2011 afgewezen?

2. Is in strijd gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur?

3.2.

Zoals reeds eerder door de rechtbank vastgesteld, naar aanleiding van hetgeen op zitting is voorgehouden, beperkt het geschil zich tot het jaar 2011. In de uitspraak op bezwaar is enkel het jaar 2011 aan de orde gekomen en daartegen is beroep ingesteld.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Het verzoek tot ambtshalve vermindering

4.1.

Voor ambtshalve verminderingen in de inkomstenbelasting geldt een bijzondere regeling.1 Hieruit vloeit voort dat de termijn voor het ambtshalve verminderen van een belastingaanslag afloopt vijf jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de belastingaanslag betrekking heeft.

4.2.

Voor het in geschil zijnde jaar 2011 betekent dit dat de termijn voor het indienen van een verzoek om ambtshalve vermindering is geëindigd op 31 december 2016.

4.3.

Een schriftelijk verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV in de zin van artikel 9.6. Wet IB 2001, is een verzoekschrift als bedoeld in artikel 60 Algemene wet inzake rijksbelastingen. Hierin is bepaald dat op een na afloop van de termijn ingediend verzoekschrift artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van overeenkomstige toepassing is.2

4.4.

Belanghebbende stelt dat hij binnen de termijn een ambtshalve verzoek heeft ingediend en verwijst daarbij naar zijn e-mail van 1 juli 2015 genoemd in 2.2. Deze e-mail zou in samenhang met de brief van belanghebbende, ontvangen door de inspecteur op 29 november 2017, als verzoek tot ambtshalve vermindering moeten worden opgevat.

4.5.

De inspecteur stelt dat belanghebbende te laat is met het verzoek tot ambtshalve vermindering, gelet op de vijfjaarstermijn en er geen omstandigheden zijn die kunnen leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. De inspecteur gaat daarbij uit van het verzoek door hem ontvangen op 29 november 2017.

4.6.

Het hof is van oordeel dat de brief ontvangen door de inspecteur op 29 november 2017 moet worden aangemerkt als een verzoek tot ambtshalve vermindering. In deze brief staat dat belanghebbende telefonisch op 18 november 2017 op de hoogte werd gesteld van de mogelijkheid bezwaar aan te tekenen tegen opgelegde IB-aanslagen binnen de vijfjaarstermijn, zie 2.5. Vervolgens geeft belanghebbende aan dat hij hiervan geen weet had, en daarom niet eerder kenbaar heeft gemaakt dat hij bezwaar heeft tegen de opgelegde aanslagen. Uit de e-mail van 1 juli 2015 volgt niet dat belanghebbende een verzoek doet tot ambtshalve vermindering. Integendeel, belanghebbende vraagt respijt aan de ontvanger om tot een nadere aangifte te komen. Dat belanghebbende met de e-mail in samenhang met de brief, ontvangen op 29 november 2017, heeft bedoeld een verzoek te doen tot ambtshalve vermindering acht het hof niet aannemelijk reeds omdat in de laatstgenoemde brief op geen enkele wijze een link is gelegd naar de e-mail. De omstandigheid dat belanghebbende geen weet zou hebben van de mogelijkheid tot indienen van een verzoek tot ambtshalve vermindering, komt voor rekening van belanghebbende en kan niet leiden tot een verschoonbare termijnoverschrijding. Dat heeft tot gevolg dat het verzoek door de inspecteur is ontvangen buiten de vijfjaarstermijn van artikel 45aa, onder a, van de Uitvoeringsregeling. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake. Het verzoek tot ambtshalve vermindering is dan ook terecht door de inspecteur afgewezen.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.7.

Belanghebbende stelt dat in strijd is gehandeld met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. In het geval er een toezegging wordt gedaan door de ontvanger mag belanghebbende ervan uitgaan dat deze toezegging wordt toegerekend aan het bevoegde orgaan, waarbij vanuit het burgerperspectief moet worden uitgegaan. Belanghebbende verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 20193 . Door [A] is toegezegd dat het dossier wordt overgedragen. Belanghebbende heeft in zijn e-mail van 9 juli 2015 aan [A] geschreven dat hij de beschikbare gegevens en de bijkomende informatie heeft verstrekt die [A] in de vorm van bezwaar/verzoekschrift zou behandelen, zie 2.3. Aangezien de e- mail van 1 juli 2015 niet als verzoek tot ambtshalve vermindering is behandeld, is het vertrouwensbeginsel geschonden. Verder voert belanghebbende aan dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden.

4.8.

Volgens de inspecteur is geen sprake van schending van het vertrouwensbeginsel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat aan de e-mail van 17 juli 2015 van de ontvanger niet het vertrouwen kan worden ontleend dat de e-mail van belanghebbende van 1 juli 2015 kan worden opgevat als een voldoende gemotiveerd verzoek tot ambtshalve vermindering. Bovendien is de e-mail van de ontvanger niet bindend voor de inspecteur, omdat de functies van de ontvanger en de inspecteur niet kunnen worden vereenzelvigd. Verder stelt de inspecteur dat het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel niet zijn geschonden. Bovendien voert belanghebbende geen feiten en omstandigheden aan ter onderbouwing van zijn stelling.

4.9.

Het hof overweegt met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel als volgt. Volgens vaste jurisprudentie kan sprake zijn van schending van een in rechte te beschermen vertrouwen als de inspecteur bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald (toezegging), maar ook als de belanghebbende redelijkerwijs mocht menen dat de inspecteur bewust en weloverwogen zijn standpunt heeft bepaald. Van schending van het vertrouwensbeginsel is in dit geval geen sprake. De ontvanger heeft geen toezegging gedaan dat het dossier wordt overgedragen aan de inspecteur in het kader van het beweerdelijke verzoek tot ambtshalve vermindering. Anders dan de rechtbank, in 2.13 laatste alinea, heeft overwogen blijkt uit de gedingstukken niet dat de ontvanger het dossier heeft doorgestuurd aan de inspecteur. Op de zitting heeft de inspecteur tevens verklaard dat er geen aanknopingspunten bekend zijn dat het dossier zou zijn doorgezonden aan de inspecteur. Evenmin heeft de ontvanger zich uitgesproken over de e-mail van 1 juli 2015, in die zin dat deze is aan te merken als een verzoek tot ambtshalve vermindering. Uit de mailwisseling met de ontvanger volgt dat belanghebbende correspondeert met de ontvanger over de inbeslagnameprocedure. Uit het verzoek tot ambtshalve vermindering, ontvangen door de inspecteur op 29 november 2017, volgt dat belanghebbende niet eerder dan tijdens een telefonisch gesprek op 18 november 2017 op de hoogte was dat een dergelijk verzoek kon worden gedaan. Daarom kan in dit geval geen sprake zijn van een in rechte te beschermen gewekt vertrouwen. De stelling van belanghebbende dat tevens het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden, is niet onderbouwd met feiten en omstandigheden, zodat het hof aan die stelling voorbij gaat.

4.10.

Aangezien het ambtshalve verzoek tot vermindering te laat is ingediend, heeft de inspecteur het verzoek terecht op die grond afgewezen. Het hof komt daardoor, evenals de inspecteur en de rechtbank, niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Tussenconclusie

4.11.

Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.12.

Het hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.13.

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van I.H.M. Fluitsma, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Art. 9.6. Wet IB 2001 in samenhang met art. 45aa van de Uitvoeringsregeling.

2 Zie HR 29 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1871.

3 ECLI:NL:RVS:2019:1694