Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2967

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
29-09-2020
Datum publicatie
01-10-2020
Zaaknummer
200.201.837_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:11258
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:2707
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2014:3201
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:1398
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:3170
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervolg op tussenarrest hof 12 november 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:4153

bewijs niet geslaagd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.201.837/01

arrest van 29 september 2020

in de zaak van

1 [appellante 1]

,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

2. [appellante 2]

,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. [appellante 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

4. [appellante 4]
gewoond hebbende te [woonplaats] ,

appellanten in principaal hoger beroep,

geïntimeerden in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk aan te duiden als [appellanten] en afzonderlijk als respectievelijk [de C.V.] , [de VOF] , [appellante 3] en [appellante 4] ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo te Middelharnis,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellant in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.J.R. Albicher te Roosendaal,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 12 november 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/12/85879 / HA ZA 12-263 gewezen vonnissen van 13 november 2013, 2 april 2014 (hersteld bij vonnis van 14 mei 2014) en 27 januari 2016 (hersteld bij vonnis van 20 april 2016).

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 12 november 2019;

  • -

    het proces-verbaal van de enquête van 27 januari 2020;

  • -

    het proces-verbaal van de contra-enquête van 2 juni 2020;

  • -

    de memorie na enquête van [geïntimeerde] ;

  • -

    de antwoordmemorie na enquête van [appellanten]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

2.1.

Voor de verdere beoordeling zijn de volgende overwegingen van het hof in genoemd tussenarrest van belang.

In dit hoger beroep ligt uitsluitend ter beoordeling voor de beslissing van de rechtbank ten aanzien van de vordering van [geïntimeerde] onder I, voor zover de rechtbank daarbij voor recht heeft verklaard dat met de waardevermeerdering van de landbouwgrond aan de [adres] te [plaats] ten bedrage van € 415.283,00 rekening wordt gehouden bij het opstellen van de slotbalans (hof: van de C.V.) tegen 21 mei 2009 (rov. 3.8., tweede alinea).

[geïntimeerde] beroept zich op het rechtsgevolg van de door hem voorgestane uitleg van de akte (hof: Akte van commanditaire vennootschap), zodat op hem de stelplicht en, zo nodig, de bewijslast rusten (rov. 3.13.). Alleen de akte zelf met haar bepalingen kan in de uitleg van het hof niet, ook niet als die bepalingen in onderling verband worden bezien, dwingend bewijs bieden voor een recht voor [geïntimeerde] als vennoot op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond (rov. 3.14, laatste zin).

Waar alleen die akte zelf aldus geen dwingend bewijs voor de stelling van [geïntimeerde] biedt, dient aan de hand van de Haviltex-maatstaf te worden beoordeeld of de uitleg die [geïntimeerde] aan die akte geeft rechtens de juiste is, of die van [appellanten] de juiste is, of dat een andere uitleg aan de orde is (rov. 3.15., eerste zin). Het ontbreekt het hof op dit moment aan toereikende vaststaande feiten en omstandigheden om met inachtneming van de Haviltex-maatstaf de uitleg van [geïntimeerde] te kunnen onderschrijven. Waar [geïntimeerde] een gespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan, wordt hij overeenkomstig zijn aanbod toegelaten feiten en omstandigheden te bewijzen die het oordeel rechtvaardigen dat partijen bij de C.V.-akte zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond (rov. 3.20., laatste twee zinnen).

2.2.

[geïntimeerde] heeft in het kader van de bewijslevering zichzelf als getuige laten horen. [appellanten] hebben in het kader van de bewijslevering [appellante 3] en [accountant] als getuige laten horen. [geïntimeerde] concludeert in zijn memorie na enquête dat hij in het bewijs is geslaagd. [appellanten] concluderen in hun memorie na enquête het tegendeel.

2.3.1.

De verklaring van [geïntimeerde] luidt blijkens het proces-verbaal als volgt:

"Ik heb voor het tekenen van de akte een gesprek gehad met [naam] van [accountantskantoor] daar was niemand anders bij. [accountant] was ook accountant bij [accountantskantoor] , die heeft de akte opgesteld met moeder en dochter. Hij was ook de accountant van moeder en dochter. Ik zag in de tekst van de akte dat moeder een grote vergoeding kreeg, 9% rendement. Ik vond dat buitenproportie. Dat paste niet bij de waarde als vergoeding voor de grond. Ik vroeg aan [naam] waarom moet dat zo hoog zijn. Hij zei mij dat ik zou meedelen in de waarde van de grond. [naam] heeft geen bespreking met moeder en dochter gehad want [accountant] was hun accountant. Bij het tekenen van de akte waren de dochter en ik aanwezig. Ik heb toen besproken dat de meerwaarde van de grond de winst moet zijn waarin je deelt. Je kon weinig winst maken met de C.V. gelet op de hoge kosten.

Op de vragen van mr. Albicher [de advocaat van [geïntimeerde] , hof] antwoordt [geïntimeerde] :

We hebben met z’n drieën over een concept akte gesproken, daarbij is besproken dat ik bij uittreden zou meedelen in de waarde van de grond. Er is met mij niet besproken dat de aanleiding voor de C.V. constructie is dat moeder ernstig ziek was en vanwege fiscale motieven de gronden aan dochter gunstig wilde overdoen. Dat moeder ernstig ziek was, dat was mij ook niet bekend. Ik kan mij niet herinneren dat er door de accountant ook over stille reserves is gesproken.

Op de vragen van mr. Bijloo [de advocaat van [appellanten] , hof] antwoordt [geïntimeerde] :

In 2007 beteelde de broer van [appellante 3] de gronden. Ik weet de grondprijzen van 2000 tot 2004 niet, dat zal ik moeten nakijken.”

2.3.2.

De verklaring van [appellante 3] luidt blijkens het proces-verbaal als volgt:

“Er is nooit een gesprek geweest over de akte waarbij zowel moeder, [geïntimeerde] en ik aanwezig waren. Er is een bespreking geweest met de heer [accountant] van [accountantskantoor] waar moeder en ik aanwezig waren. Moeder voerde het woord, het ging tenslotte om haar gronden. Moeder zei dat ze ongeneeslijk ziek was en dat ze wilde dat de grond aan mij werd overgedaan. In het gesprek is advies aan heer Maas gevraagd over hoe dat te doen. Moeder gaf aan dat ze niet wilde dat [geïntimeerde] enig recht zou hebben, daar was moeder altijd heel duidelijk in. Volgens de heer [accountant] zou een C.V. het beste zijn. Daar zouden [geïntimeerde] en ik ook in zitten omdat hij boer was en ik fotograaf. Tijdens het gesprek is ook besproken dat de opbrengst of het verlies van de geteelde gewassen verdeeld zou worden. Verder is er niet over de gronden gesproken. Mijn moeder heeft een concept akte gekregen. [geïntimeerde] heeft nooit een concept gehad. Moeder heeft de akte ondertekend. Ze heeft die aan mij meegegeven zodat ik de akte thuis met [geïntimeerde] kon tekenen. Tijdens het tekenen hebben [geïntimeerde] en ik besproken dat [geïntimeerde] het werk zou doen en ik de administratie en dat we de opbrengst van de te telen gewassen zouden delen. Ook hebben we besproken dat de C.V. er toe diende om de grond aan mij over te doen.

[geïntimeerde] huurde al eerder gronden van andere boeren. Hij heeft meermaals de bedragen genoemd die hij daarvoor betaalde. Daarop hebben we de vergoeding van moeder gebaseerd. Mijn moeder deed het woord. Het kan niet anders dan dat zij die bedragen aan de heer [accountant] heeft genoemd. Er is bij het tekenen niet tussen [geïntimeerde] en mij besproken dat de meerwaarde van de grond winst moet zijn waarin je deelt.

Op vragen van mr. Bijloo [de advocaat van [appellanten], hof] antwoord ik:

Er is nooit afgesproken dat [geïntimeerde] zou meedelen in de waarde van de grond. Er zijn meerdere besprekingen geweest bij [accountantskantoor] waar moeder, de heer [accountant] en ik aanwezig waren. Noch moeder, noch de heer [accountant] , noch ik hebben een concept akte aan [geïntimeerde] verstrekt.”

De verklaring van [accountant] luidt blijkens het proces-verbaal als volgt:

“Ik was in 2006 en 2007 bij [accountantskantoor] werkzaam. Ik weet dat er een aantal besprekingen is geweest met mevrouw [appellante 3] en haar moeder. Ik heb alleen met hen overleg gehad over de akte. Er is eerst een concept gemaakt. Daar zijn nog wat aanpassingen in geweest. Daarna is de akte definitief gemaakt. Ik weet niet meer welke aanpassingen er zijn gemaakt. Ik weet niet meer met welke vraag moeder bij mij kwam. Nu u zegt dat moeder advies vroeg weet ik weer dat de gronden in de familie moesten blijven. Ik weet niet wat ik daarover heb besproken. Ik weet niet waar de rentevergoeding voor moeder op was gebaseerd. Ik weet wel dat het een hoge vergoeding was.

Op vragen van mr. Bijloo [de advocaat van [appellanten], hof] antwoord ik:

De vermogens van mevrouw [appellante 3] en moeder moesten ten opzichte van [geïntimeerde] gescheiden blijven.”

2.4.

Het hof staat voor de beantwoording van de vraag of [geïntimeerde] heeft bewezen dat partijen bij de C.V.-akte zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond.

2.5.

[geïntimeerde] is een partijgetuige als bedoeld in artikel 164 lid 1 Rv. Artikel 164 lid 1 Rv laat de partijgetuigenverklaring als bewijsmiddel toe. Die verklaring heeft in beginsel, zoals andere getuigenverklaringen, vrije bewijskracht zodat de rechter overeenkomstig artikel 152 lid 2 Rv in beginsel vrij is in de waardering van die verklaring. Daarop brengt het bepaalde in artikel 164 lid 2 Rv in zoverre een beperking aan dat, met betrekking tot de feiten die dienen te worden bewezen door de partij die de verklaring heeft afgelegd - [geïntimeerde] -, aan die verklaring slechts bewijs ten voordele van die partij kan worden ontleend, indien aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken (HR 13 april 2001, NJ 2002, 391). Dit brengt mee dat de rechter ter beantwoording van de vraag of een partij in het door haar te leveren bewijs geslaagd is, alle voorhanden bewijsmiddelen met inbegrip van de getuigenverklaring van die partij zelf, in zijn bewijswaardering dient te betrekken, doch dat hij zijn oordeel dat het bewijs is geleverd niet uitsluitend op die verklaring mag baseren (HR 31 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU7933).

2.6.

Het hof overweegt dat bij de bewijswaardering, naast voormelde getuigenverklaringen, ook worden betrokken de C.V.-akte - waarvan de relevante bepalingen al in het tussenarrest zijn vermeld - en de schriftelijke beëdigde verklaring van [appellante 4] van 7 juni 2016, afgelegd bij de notaris mr. [notaris] (productie 18 bij MvG).

2.7.

De verklaring van [appellante 4] luidt - voor zover van belang - als volgt.

“(…)

Het was altijd de bedoeling en haar wens [van [appellante 4] , de moeder (de verklaring is opgenomen in de derde persoon enkelvoud), hof] om het perceel, gelegen bij de boerderij van haar ouders aan [appellante 3] [ [appellante 3] , hof] over te dragen en dat op een fiscaal zo vriendelijk mogelijke wijze. Haar voornoemde zoon had de boerderij van de ouders van haar man toebedeeld gekregen. In de notariële overdracht was volgens haar ook opgenomen dat het nooit in de gemeenschap van haar zoon en diens echtgenote zou vallen maar dat het bij de familie [familienaam] moet blijven. In de loop van tweeduizend zeven heeft zij hiervoor [accountantskantoor] te [plaats] (hierna ook te noemen: “ [accountantskantoor] ”) om advies gevraagd. Zij heeft toen gesproken met de heer [accountant] en zij heeft toen aan de heer [accountant] gevraagd wat zij het beste kon doen om het perceel, wat op dat moment nog in pacht was bij haar voornoemde zoon, op fiscaal aantrekkelijke wijze aan [appellante 3] zou kunnen overdragen. Zij heeft toen [accountantskantoor] er op gewezen dat [appellante 3] met [geïntimeerde] onder huwelijkse voorwaarden was gehuwd en dat de vermogens van [appellante 3] en [geïntimeerde] strikt gescheiden moesten blijven. Om die reden heeft zij destijds bijvoorbeeld de gebouwen alleen aan [appellante 3] in erfpacht uitgegeven en niet aan [geïntimeerde] . Wijlen haar echtgenoot en zij hebben in hun testamenten vastgelegd dat alles wat haar kinderen erven buiten iedere gemeenschap dient te vallen. Hiervan was [accountant] volkomen op de hoogte omdat hij ook de afwikkeling van het testament van haar echtgenoot heeft verricht. (…)

[accountantskantoor] adviseerde vervolgens de oprichting van de cv met haar als commandiet en haar voornoemde dochter, [appellante 3] en [geïntimeerde] als beherende vennoten. De heer [accountant] gaf vervolgens aan dat de cv-constructie de beste optie was om het perceel uiteindelijk fiscaal zo vriendelijk mogelijk aan haar voornoemde dochter, [appellante 3] , over te dragen. Met een andere constructie zou de fiscus niet kunnen instemmen. Dit gaf [accountant] meerdere keren mondeling aan haar aan. Meerdere keren heeft zij in de zomer van het jaar tweeduizend zeven het kantoor van [accountantskantoor] bezocht en uitdrukkelijk te kennen gegeven dat zij [geïntimeerde] er niet in wilde. [accountant] hield vol dat het niet anders kon, omdat haar voornoemde dochter, [appellante 3] , fotograaf

was én geen landbouwschool had doorlopen zodat er dan geen andere fiscaal vriendelijke mogelijkheden voor haar waren. Hierdoor moest volgens [accountant] de heer [geïntimeerde] er bij; welke gevolgen dat dit met zich mee kon brengen werd niet tegen haar gezegd. (…)

Er is volgens haar nooit over gesproken dat [geïntimeerde] op enig moment aanspraak zou kunnen

maken op een eventuele waardevermeerdering van het perceel. Er is volgens haar in zijn algemeenheid niet door [accountantskantoor] gesproken over de vraag wat er moest gebeuren met een eventuele waardevermeerdering van het bedrijf en van de bedrijfsmiddelen die waren ingebracht. Er is volgens haar ook niet van het verdelen van waardevermeerdering uitgegaan omdat het in de jaarverslaggeving op dezelfde waarde is blijven staan, en niet jaarlijks is aangepast. (…)

Volgens haar heeft [accountantskantoor] zelf gekozen voor een constructie en zelf invulling gegeven aan het contract wat volgens [accountantskantoor] de inhoud van het contract moest zijn. Er is volgens haar nooit gesproken over waardemutaties van het ingebrachte perceel en dat [geïntimeerde] daar aanspraak op kon maken. (…)

dat na de inwerkingtreding van de cv nooit is gesproken over economische inbreng van het perceel in de cv. (…)

dat pas eind tweeduizend elf [geïntimeerde] voor het eerst aanspraak heeft gemaakt op de vermeende waardevermeerdering van het perceel. (…)”

2.8.

Het hof overweegt dat het hier gaat om de uitleg van een C.V-akte aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het hof herhaalt dat bij een beoordeling van een contractsbepaling aan de hand van de Haviltex-maatstaf van belang is welke betekenis de contractspartijen, gelet op onder andere hun verklaringen en gedragingen, over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepaling(en) mochten toekennen en wat zij over die betekenis redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, terwijl daarbij tevens de maatschappelijke positie en rechtskennis van partijen van belang is.

2.9.

Het hof maakt uit de gedingstukken en de getuigenverhoren op dat partijen agrariërs zijn of - dat geldt voor [appellante 3] - uit een agrarische familie komen, zonder bijzondere kennis van het fiscaal recht en het vermogensrecht.

Uit de verklaring van [appellante 4] maakt het hof op dat [appellante 4] diverse malen advies over juridische aangelegenheden aan [accountantskantoor] (hierna: [accountantskantoor] ) heeft gevraagd en dat [accountantskantoor] diverse juridische diensten heeft verleend.

Zowel [appellante 4] en [appellante 3] , als [geïntimeerde] verklaren dat [accountant] van [accountantskantoor] de C.V.-akte met [appellante 4] en [appellante 3] heeft opgesteld. Dat is gebeurd na een vraag om advies van [appellante 4] , zo volgt uit haar verklaring.

Volgens de verklaringen van [appellante 4] en [appellante 3] is er geen gesprek geweest over de inhoud van de C.V.-akte waarbij alle drie de contractspartijen aanwezig waren.

De verklaring van partijgetuige [geïntimeerde] op een vraag van zijn advocaat, inhoudende dat partijen met z’n drieën over een concept akte hebben gesproken en dat daarbij is besproken dat [geïntimeerde] bij uittreden zou meedelen in de waarde van de grond, wordt niet gesteund door enig ander bewijsmiddel, zodat het hof aan die verklaring voorbij gaat.

Uit de getuigenverklaringen van alle partijen blijkt voorts niet van enige verklaring van [appellante 4] of [appellante 3] over de betekenis van de bepalingen over de inbreng van gronden en over het aandeel van een vennoot bij uittreden die aan [geïntimeerde] ter kennis is gekomen, of andersom.

Dat geldt ook voor de verklaring van [geïntimeerde] , inhoudende dat bij het tekenen van de akte [appellante 3] en [geïntimeerde] aanwezig waren en dat [geïntimeerde] toen heeft besproken dat de meerwaarde van de grond de winst moet zijn waarin je deelt. [geïntimeerde] heeft immers niet verklaard wat de reactie van [appellante 3] daarop was. Overigens geldt ook voor deze verklaring van [geïntimeerde] dat deze geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel.

Dit alles brengt mee dat het hof geen verklaringen van een partij ter beschikking staan die grond zouden kunnen bieden voor het oordeel dat partijen over en weer redelijkerwijs artikel 5 in verbinding met artikel 13 van de C.V.-akte aldus moesten begrijpen dat [geïntimeerde] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond.

De gedragingen van partijen die het hof bij de beoordeling ter beschikking staan duiden er ook niet op dat partijen over en weer redelijkerwijs artikel 5 in verbinding met artikel 13 van de C.V.-akte aldus moesten begrijpen dat [geïntimeerde] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond. Partijen hebben na het ondertekenen van de C.V.-akte bij het vaststellen van de jaarrekening van de C.V., nadat die was opgesteld door [accountantskantoor] , geen waardestijging van het perceel grond in de jaarrekening laten opnemen, hetgeen wel in de rede had gelegen als zij van oordeel waren dat die op grond van de C.V.-akte van belang was in het geval van uittreden van een vennoot. [geïntimeerde] heeft blijkens de verklaring van [appellante 4] na zijn uittreden in 2009 tot in 2011 geen aanspraak gemaakt op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond. Ook dit gedrag biedt geen steun aan de uitleg van de C.V.-akte zoals [geïntimeerde] die voorstaat.

2.10.

De conclusie van het hof is dat de beschikbare bewijsmiddelen, te weten de akte met haar bepalingen, in onderling verband bezien, en de verklaringen van [appellante 4] , [appellante 3] , [geïntimeerde] en [accountant] , niet het van [geïntimeerde] verlangde bewijs bieden. Het hof kan daarom de uitleg die [geïntimeerde] aan de akte geeft, inhoudende dat [geïntimeerde] bij zijn uittreden recht heeft op een aandeel in de waardestijging van het perceel grond, niet onderschrijven.

2.11.

Het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat, indien [geïntimeerde] niet slaagt in het bewijs, zijn vordering onder I, voor zover in hoger beroep aan de orde, alsnog zal worden afgewezen, waarna de rechtbank op de overige vorderingen van partijen zal hebben te beslissen (rov. 3.21., laatste alinea). Dit is gelet op vorenstaande beoordeling het geval. Het principaal hoger beroep van [appellanten] slaagt. Het incidenteel hoger beroep van [geïntimeerde] slaagt niet.

2.12.

Het hof zal de bestreden vonnissen, voor zover in (principaal) hoger beroep aangevochten op de grond dat de rechtbank een onjuiste uitleg aan de akte heeft gegeven, vernietigen en de vordering van [geïntimeerde] (in conventie) onder I alsnog afwijzen, voor zover de rechtbank daarbij voor recht heeft verklaard dat met de waardevermeerdering van de landbouwgrond aan de [adres] te [plaats] ten bedrage van € 415.283,00 rekening wordt gehouden bij het opstellen van de slotbalans tegen 21 mei 2009. Het hof herhaalt dat het vonnis van de rechtbank van 27 januari 2016 (hersteld bij vonnis van 20 april 2016) inhoudende de beslissing over de vordering I van [geïntimeerde] voor het overige en over de vordering II en IIa van [geïntimeerde] inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan. De overige vorderingen van partijen (in conventie en in reconventie) waarover de rechtbank (nog) geen eindbeslissing heeft gegeven, liggen niet voor in dit hoger beroep, zodat het hof daarover dan ook geen zal beslissingen zal geven.

2.13.

[geïntimeerde] wordt in het principaal en incidenteel hoger beroep in het ongelijk gesteld en heeft daarom de proceskosten van [appellanten] te betalen. Deze kosten worden begroot op:

- in principaal hoger beroep: € 77,75 aan dagvaardingskosten, € 718,00 aan griffierecht, € 2.685,00 aan salaris advocaat (memorie van grieven 1 punt, enquête aan zijde [geïntimeerde] ½ punt, contra-enquête ½ punt, memorie na enquête ½ punt maal tarief II van € 1.074,00 per punt voor vorderingen van onbepaalde waarde zoals een verklaring voor recht);

- in incidenteel hoger beroep: € 537,00 aan salaris advocaat (memorie van antwoord 1 punt, maal ½ vanwege de samenhang met het principaal hoger beroep).

De door [appellanten] gevorderde wettelijke rente over deze bedragen en de gevorderde nakosten worden ook toegewezen, zoals in de beslissing hierna wordt weergegeven.

Over de proceskosten in eerste aanleg is geen beslissing te geven omdat de rechtbank nog niet op alle vorderingen van [geïntimeerde] en van [appellanten] heeft beslist.

3 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

verklaart [de VOF] niet-ontvankelijk in het hoger beroep;

vernietigt de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/12/85879 / HA ZA 12-263 gewezen vonnissen van 13 november 2013, 2 april 2014 (hersteld bij vonnis van 14 mei 2014) en 27 januari 2016 (hersteld bij vonnis van 20 april 2016, voor zover in hoger beroep aangevochten;

in zoverre opnieuw recht doende:

in conventie

wijst de vordering van [geïntimeerde] onder I af voor zover deze inhoudt te verklaren voor recht dat met de waardevermeerdering ad € 636.562,50, althans de waardevermeerdering als de rechtbank in goede justitie zal vaststellen, van de litigieuze landbouwgrond, gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie [sectieletter] [sectienummer] groot 18 hectare 45 are en 70 centiare, rekening zal worden gehouden bij het opstellen van de slotbalans van de commanditaire vennootschap per 21 mei 2009 overeenkomstig het bepaalde in de akte van commanditaire vennootschap [appellante 1] - [geïntimeerde] C.V.;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellanten] in principaal hoger beroep op € 77,75 aan dagvaardingskosten, op € 718,00 aan griffierecht en op € 2.685,00 aan salaris advocaat, en in incidenteel hoger beroep op € 537,00 aan salaris advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [geïntimeerde] in de nakosten, begroot op € 157,00 indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,00 vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.W.A. van Geloven, G.J. Vossestein en J.G.A. Struycken en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 29 september 2020.

griffier rolraadsheer