Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2963

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-09-2020
Datum publicatie
15-02-2021
Zaaknummer
20-002675-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met ingesteld cassatieberoep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002675-19

Uitspraak : 16 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Maastricht, van 23 augustus 2019 in de strafzaak met parketnummer 03-131389-19 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1981,

met ter terechtzitting in hoger beroep opgegeven woonadres:
[adres verdachte] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd’, zoals primair aan de verdachte ten laste is gelegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de politierechter de vordering van [benadeelde partij 1] toegewezen tot een bedrag van € 79,43, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. [benadeelde partij 2] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De raadsman van de verdachte heeft primair integrale vrijspraak bepleit van de primair tenlastegelegde diefstallen van (elektrische) fietsen door twee of meer verenigde personen, dan wel de subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid daaraan. Ten aanzien van de meer subsidiair, impliciet primair, tenlastegelegde opzetheling van die fietsen heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Ten aanzien van de meer subsidiair, impliciet subsidiair, tenlastegelegde schuldheling van de in de Volvo aangetroffen elektrische fiets is geen verweer gevoerd. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging – naar het hof begrijpt – geconcludeerd dat de benadeelde partijen daarin, in verband met de bepleite vrijspraak, niet kunnen worden ontvangen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op één of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 27 mei 2019 tot en met 28 mei 2019 te Eindhoven en/of Someren en/of Asten en/of Gemert en/of Nuenen en/of Panningen, althans in de provincie Noord-Brabant en/of Limburg, althans in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen meerdere (elektrische) fietsen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 2] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [benadeelde partij 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] , in elk geval aan (een) ander(en) dan aan verdachte en/of zijn mededader(s);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


één of meer onbekend gebleven personen, in of omstreeks de periode van 27 mei 2019 tot en met 28 mei 2019 te Eindhoven en/of Someren en/of Asten en/of Gemert en/of Nuenen en/of Panningen, althans in de provincie Noord-Brabant en/of Limburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met elkaar, althans alleen, (elektrische) fietsen, in elk geval enig goed, die/dat geheel of ten dele aan een ander dan aan die onbekend gebleven perso(o)n(en) toebehoorden, te weten aan [benadeelde partij 2] en/of [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] en/of [betrokkene 5] en/of [benadeelde partij 1] en/of [betrokkene 6] en/of [betrokkene 7] en/of [betrokkene 8] en/of [betrokkene 9] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 27 mei 2019 tot en met 28 mei 2019 te Eindhoven en/of Someren en/of Asten en/of Gemert en/of Nuenen en/of Panningen, althans in de provincie Noord-Brabant en/of Limburg, althans in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- zorg te dragen voor het vervoer naar (de omgeving van) de plaats(en) des misdrijfs en/of naar de plaats des overdracht/overladen van de weggenomen fiets(en) en/of
- op de uitkijk te staan (bij de plaats des overdrachts/het overladen);

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 mei 2019 te Sevenum, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed(eren), te weten een/meerdere (elektrische) fiets(en), heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dat/die goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair en subsidiair tenlastegelegde feiten

Op woensdag 29 mei 2019 omstreeks 00.05 uur kreeg de politie een melding van een fietsendiefstal door twee personen op de Raadhuisstraat te Panningen. Nabij de plaats van de diefstal werd een personenauto van het merk Volvo V70 met een Pools of Bulgaars kenteken gezien. Kort daarop om 00.19 uur troffen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een Volvo V70 met Pools kenteken aan op de parkeerplaats bij McDonald’s te Sevenum. Deze Volvo stond geparkeerd naast een witte bedrijfsbus met Pools kenteken. Ter plaatse aangekomen bleken twee personen het bos te zijn ingevlucht. De verdachte is na enige tijd aangehouden. Hij verklaarde samen met ene [medeverdachte] met de Volvo V70 te hebben rondgereden.

In de Volvo V70 lag onder een deken een fiets.

In de bedrijfsbus werden negen fietsen in de laadruimte aangetroffen. Al deze fietsen bleken van diefstal afkomstig te zijn. De fietsen zijn gestolen in het tijdsbestek van 27 mei 2019 te 15.00 uur tot 28 mei 2019 te 15.30 uur, in diverse plaatsen in de Peel. De fiets die in de Volvo V70 werd aangetroffen is op 28 mei 2019 tussen ongeveer 15.20 uur en 15.30 uur gestolen in Panningen (vide aangifte [betrokkene 7] namens [betrokkene 8] , dossierpagina’s 102 e.v.).

De verdachte heeft verklaard dat hij op verzoek van voornoemde [medeverdachte] in de avond van 28 mei 2019 als chauffeur van de Volvo V70 is opgetreden om samen met die [medeverdachte] een door laatstgenoemde gekochte fiets bij een particulier in Panningen op te halen. Daartoe zijn zij tussen 19.45 en 20.00 uur weggereden uit Roermond, in de richting van Eindhoven. De verdachte heeft steeds op aanwijzingen van [medeverdachte] de weg vervolgd. Onderweg zijn zij twee maal voor ongeveer 10 minuten gestopt, volgens de verdachte omdat [medeverdachte] zich niet lekker voelde. De verdachte bleef steeds in de auto zitten. Omstreeks middernacht kwamen de verdachte en [medeverdachte] in Panningen aan. [medeverdachte] ging toen weg om de fiets te halen en kwam even later opgewekt aangefietst, omdat hij de fiets voor een goede prijs zou hebben gekocht. [medeverdachte] heeft vervolgens de fiets, zonder de aangeboden hulp van de verdachte, in de bagageruimte van de Volvo V70 geplaatst. De verdachte zag dat de achterbank was ingeklapt en dat het een elektrische fiets betrof. Vervolgens zijn zij weggereden in de richting van Maasbree, waarna zij na ongeveer 15 minuten op de parkeerplaats bij McDonald’s te Sevenum arriveerden. Toen [medeverdachte] riep: ‘Rennen, rennen, politie!’, is de verdachte ‘instinctief’ ook het bos in gerend.

Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat het bewijs ervoor tekortschiet om in rechte vast te kunnen stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij de diefstal van de in de tenlastelegging genoemde negen fietsen die in de witte bestelbus met Pools kenteken zijn aangetroffen. De enkele omstandigheid dat de verdachte, samen met ene [medeverdachte] , met de Volvo V70 in de nabijheid van dat busje heeft geparkeerd en dat zij wegrenden toen de politie arriveerde, is onvoldoende om die conclusie te kunnen wettigen.

Hoewel voormelde gang van zaken zonder meer de nodige vragen oproept over de betrokkenheid van de verdachte bij de diefstal van de in Panningen gestolen fiets van [betrokkene 8] (welke fiets in de Volvo V70 is aangetroffen), is hier – anders dan door het Openbaar Ministerie ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep is aangevoerd – geen sprake van een situatie waarin de verdachte bij gebreke van een door hem gegeven aannemelijke verklaring als dader van de diefstal van die fiets kan worden aangemerkt indien de tijdspanne tussen de diefstal en het aantreffen van de fiets in de nabijheid van de verdachte erg kort is. De gestolen fiets die in de Volvo V70 is aangetroffen, is namelijk eerder die dag in Panningen gestolen, namelijk tussen ongeveer 15.20 uur en 15.30 uur. Niet is gebleken dat die fiets vervolgens op 29 mei 2019 omstreeks 00.00 uur aan de Raadhuisstraat te Panningen is opgehaald, waarover [getuige 1] heeft verklaard.
De omstandigheid dat [getuige 1] in de buurt een Volvo V70 met Poolse of Bulgaarse kentekenplaten heeft zien wegrijden maakt dat niet anders, temeer niet nu de door [getuige 1] geziene auto niet per se dezelfde auto hoeft te zijn als de auto die later op de parkeerplaats te Sevenum is aangetroffen. Aldus is er eveneens onvoldoende bewijs om te kunnen oordelen dat de verdachte degene is geweest die de in de Volvo V70 aangetroffen fiets, al dan niet in vereniging met een of meer anderen, heeft gestolen. Ook is niet gebleken dat die fiets vervolgens door de dader(s) van de diefstal van die fiets op 28 mei 2019 tussen 15.20 en 15.30 uur na de diefstal is geplaatst in de fietsenstalling aan de Raadhuisstraat (met de bedoeling de fiets later op te (laten) halen) en de verdachte vervolgens betrokken is geweest bij het ophalen van die fiets op 29 mei 2019 rond 00.00 uur.

Evenmin kan wettig en overtuigend worden bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest bij de door een of meer anderen gepleegde fietsendiefstallen, door zorg te dragen voor het vervoer van die fietsen en/of op de uitkijk te staan. Daarvoor is mede vereist dat de verdachte wist dat [medeverdachte] en/of een ander zich de betreffende fiets(en) – in het bijzonder de in de Volvo V70 aangetroffen fiets – wederrechtelijk zou(den) toe-eigenen en daarmee opzet had op het gronddelict, doch uit de bewijsmiddelen volgt dat op geen enkele wijze.


Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof de verdachte zal vrijspreken van hetgeen primair en subsidiair aan hem ten laste is gelegd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 mei 2019 te Sevenum, een goed, te weten een elektrische fiets, heeft voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dat goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder overweegt het hof dat het bewijs voor opzetheling, dan wel schuldheling, van de in de bestelbus aangetroffen (elektrische) fiets(en) tekort schiet, nu er geen bewijs is dat de verdachte die fietsen heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling, zoals meer subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd, is vereist dat de verdachte op het moment van het verwerven of voorhanden krijgen van de fiets wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Het hof is van oordeel dat, op basis van het hiervoor beschreven handelen van de verdachte en de omstandigheden waaronder de verdachte de elektrische fiets in de Volvo V70 voorhanden kreeg, niet kan worden geconcludeerd dat de verdachte wist – ook niet in voorwaardelijke zin – dat de fiets van misdrijf afkomstig was. Mitsdien zal de verdachte van de tenlastegelegde opzetheling worden vrijgesproken.

Wel is naar het oordeel van het hof sprake van schuldheling van de elektrische fiets. In een situatie als de onderhavige, waarin een vage kennis in de avond de verdachte verzoekt om met hem bij een particulier een fiets op te halen in het nabijgelegen Panningen, er vervolgens maar liefst ongeveer vier uren wordt rondgereden zonder kennelijk doel terwijl [medeverdachte] zich niet lekker zou voelen en de verdachte niet mocht meehelpen met het inladen van de fiets, rust op de verdachte een bijzondere onderzoeksplicht ten aanzien van de herkomst van die elektrische fiets.
Dit geldt des te meer nu de overdracht van die fiets in het onderhavige geval op een ongebruikelijk tijdstip, namelijk rond middernacht, heeft plaatsgevonden. Bovendien was de verdachte zich daar kennelijk van bewust, aangezien hij ten overstaan van het hof heeft verklaard dat hij het een ‘raar tijdstip’ vond om een fiets op te halen. Verdachte had gezien dat de fiets een accu had en hij dacht dan ook dat het een elektrische fiets was. Het betreft voorts een dure, elektrische fiets die vrij nieuw was (uit 2018) die kennelijk onder een deken vervoerd moest worden. Door desondanks bij degene die hem heeft verzocht de fiets mee te gaan ophalen geen enkele verdere navraag te doen naar de herkomst en prijs van die fiets, is de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de fiets in de Volvo V70 in ernstige mate tekortgeschoten in zijn onder genoemde omstandigheden geldende onderzoeksplicht, hetgeen meebrengt dat de verdachte met de voor schuldheling vereiste aanmerkelijke onvoorzichtigheid heeft gehandeld.

Resumerend acht het hof op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de meer subsidiair tenlastegelegde schuldheling van de in de Volvo aangetroffen elektrische fiets heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde van het meer subsidiair tenlastegelegde wordt als volgt gekwalificeerd:

schuldheling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan schuldheling van een fiets. De verdachte is opgetreden als chauffeur voor een kennis en heeft samen met hem rond middernacht een elektrische fiets opgehaald in Panningen. Toen hij die fiets in de auto voorhanden kreeg, had hij gelet op de gegeven omstandigheden redelijkerwijs moeten vermoeden dat het een gestolen elektrische fiets betrof. Door te handelen zoals bewezen is verklaard heeft hij de door de diefstal gecreëerde onrechtmatige vermogensrechtelijke toestand in stand gehouden. De verdachte heeft zich daar geen enkele rekenschap van gegeven, hetgeen hem door het hof wordt aangerekend.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 juli 2020, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder in Nederland onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij werkzaam is in het magazijn van een supermarktketen, hij een dochter heeft, als gevolg van het voorarrest in deze zaak schulden heeft opgelopen omdat zijn huurlasten doorliepen en dat hij nog steeds moeite heeft met lopen doordat hij is gebeten door een politiehond voorafgaand aan zijn aanhouding in deze zaak.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een geldboete ter hoogte van € 350,00 subsidiair 7 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht overeenkomstig de maatstraf van € 50,00 per in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van deze geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben in eerste aanleg beiden een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding van respectievelijk een bedrag van € 79,43 en € 532,07, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet telkens – kort gezegd – op schade als gevolg van de diefstal van een elektrische fiets.

De politierechter heeft de vordering van [benadeelde partij 1] bij het vonnis waarvan beroep integraal toegewezen en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2019 tot aan de dag der algehele voldoening. [benadeelde partij 2] is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot schadevergoeding.

De vordering van [benadeelde partij 1] duurt, nu zij integraal is toegewezen, van rechtswege voort in hoger beroep. [benadeelde partij 2] heeft schriftelijk te kennen gegeven de vordering in hoger beroep te handhaven, met dien verstande dat de vordering met een bedrag van € 50,00 wordt verlaagd in verband met een retour ontvangen onbeschadigde fietstas.

Nu de verdachte zal worden vrijgesproken van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn en hem derhalve geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kunnen de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voornoemd niet in hun vorderingen worden ontvangen. Mitsdien zal het hof beide benadeelde partijen daarin niet-ontvankelijk verklaren, met veroordeling van de benadeelde partijen in de proceskosten aan de zijde van de verdachte, tot op heden begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 417bis van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het meer subsidiair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 350,00 (driehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 (zeven) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde geldboete in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van € 50,00 per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding;

verwijst de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voornoemd in de door verdachte gemaakte kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. J. Platschorre en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. lic. J.N. van Veen, griffier,

en op 16 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Bosch voornoemd is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.