Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2932

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
29-09-2020
Zaaknummer
200.280.697_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

bekrachtiging verlenging ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 24 september 2020

Zaaknummer : 200.280.697/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/357292 / JE RK 20-525

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. F. Putmans-de Kok,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

de gecertificeerde instelling,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] ) en [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).

Als belanghebbende wordt aangemerkt: [de vader] (hierna te noemen: de vader).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend: de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] , hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 mei 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juli 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en - opnieuw rechtdoende - te bepalen dat het verzoek tot het verlengen van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt afgewezen, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 14 augustus 2020, heeft de GI gesteld dat de gronden voor een ondertoezichtstelling nog steeds aanwezig zijn.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Putmans - de Kok;

  • -

    mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] namens de GI.

2.3.1.

De vader en de raad zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

[minderjarige 2] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 15 mei 2020;

  • -

    de brieven met bijlagen van de GI d.d. 18 augustus 2020;

  • -

    de brief met bijlage van de GI d.d. 20 augustus 2020;

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels ontbonden huwelijk tussen de moeder en de vader zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

De moeder heeft nog twee kinderen uit een latere relatie, [minderjarige 3] en [minderjarige 4] , die eveneens bij de moeder wonen.

3.2.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan sinds 29 mei 2019 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 29 mei 2021.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat de zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de afgelopen periode onvoldoende zijn teruggedrongen en dat de ondertoezichtstelling in het belang van de kinderen noodzakelijk blijft. Verder is ten onrechte overwogen dat de moeder de kinderen blijft belasten met zaken die niet bij hun leeftijd horen, waardoor ze in een loyaliteitsconflict zitten en dat, indien de moeder niet samenwerkt met de jeugdzorgwerker en de vader, het proces van contactherstel zal stagneren en de moeder hierdoor niet in het belang van de kinderen handelt.

De moeder houdt zich goed aan de afspraken met Anacare en Oro. Uit de tussentijdse evaluatie komt een positief beeld naar voren.

Door de inzet van de hulpverlening lukt het de moeder om de rust in huis te bewaren en is er een positieve verandering teweeggebracht. Er hebben geen incidenten meer plaatsgevonden tussen de moeder en [minderjarige 1] en er is meer rust en structuur binnen het gezin. [minderjarige 1] heeft inmiddels een vertrouwenspersoon vanuit Oro.

Het gezin heeft baat bij de hulpverlening, maar hulpverlening kan ook binnen het vrijwillige kader worden gecontinueerd. Er komt nu twee keer per week een hulpverlener van Anacare langs die in het gezin meekijkt en die ook met de kinderen praat.

De samenwerking met de gezinsvoogd verloopt niet goed, maar dit betekent niet dat de moeder niet wil samenwerken. De moeder geeft echter wel haar mening en zij wil betrokken worden bij besluiten in plaats van achteraf geïnformeerd te worden. Zij erkent dat zij ook een eigen aandeel in de situatie heeft. Er worden door de gezinsvoogd echter veel fouten gemaakt en zij heeft haar zaken niet op orde.

De moeder heeft destijds zelf met de gemeente om een ondertoezichtstelling verzocht, omdat de contacten met beide vaders van haar kinderen niet goed verliepen.

De moeder wil graag terug naar de situatie waarin de hulpverlening vanuit de gemeente tot stand werd gebracht. Zij heeft er vertrouwen in dat de gemeente in staat is om alle hulp die binnen het gezin noodzakelijk is te organiseren.

De moeder stelt de belangen van de kinderen voorop. Zij belast de kinderen niet met volwassen zaken, maar zij zijn wel op een leeftijd dat zij dingen begrijpen. Zij heeft het contact tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader ook nooit in de weg gestaan. De vader heeft echter zelf te kennen gegeven geen contact te wensen. Nadat er meerdere incidenten hebben plaatsgevonden, geven de kinderen zelf ook aan dat zij niet naar de vader willen gaan. Dit hangt samen met de nieuwe partner van de vader. Deze partner heeft [minderjarige 2] meerdere keren naar huis gestuurd, waardoor hij zich door de vader afgewezen voelt en waardoor hij beschadigd is geraakt. Er is nu al anderhalf jaar geen contact.

3.6.

De GI voert - kort samengevat - het volgende aan.

De zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn onvoldoende weggenomen. Weliswaar is er de afgelopen periode meer rust in het gezin gezien, maar vanwege de coronasituatie waren er minder dagelijkse stressfactoren aanwezig.

Het is beperkt mogelijk om aan de gestelde doelen te werken. Er zijn slechts kleine stapjes door de moeder gezet. Zij is bovendien niet in staat om naar haar eigen aandeel te kijken.

De moeder blijft gebeurtenissen uit het verleden aandragen en zij blijft haar ongenoegen over de jeugdzorgwerker uiten, ondanks verschillende interventies. Er wordt getracht om uit te leggen welke belangen aan een besluit ten grondslag liggen, maar de moeder blijft aangeven dat zij zich niet gehoord voelt. De strijd hierover met de jeugdzorgwerker staat centraal, waardoor het proces niet verder kan en er geen zicht komt op wat er bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zelf speelt. De verwachting bestaat dat de inzet van een andere jeugdzorgwerker tot hetzelfde patroon zal leiden.

De kinderen keren zich van de hulpverlening af. De moeder praat in het bijzijn van de kinderen met de hulpverlening over wat de kinderen vinden of zeggen over de vader.

Er zijn zorgen of er bij de moeder sprake is van een verstandelijke beperking en/of persoonlijke problematiek. De hulpverlening verloopt stroef en er is nauwelijks vooruitgang zichtbaar. De GI zou graag zien dat er een capaciteitenonderzoek bij de moeder gaat plaatsvinden, zodat er meer duidelijkheid komt of de moeder wordt overvraagd of dat er sprake is van weerstand. Er kan dan beter worden aangesloten bij de (on)mogelijkheden van de moeder.

Er is een plan gereed om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te vertellen dat zij geen oorzaak zijn van het onvermogen van de vader om hen te zien. De GI wil aan de kinderen duidelijk maken dat de vader bij hen betrokken is en dat hij wil werken aan contactherstel in de toekomst.

De samenwerking met de moeder is nodig zodat de kinderen emotionele toestemming ervaren om het contact met de vader aan te gaan. De moeder dient de verantwoordelijkheid voor het contactherstel niet bij de kinderen en de vader te leggen.

3.7.

Het hof overweegt het volgende.

3.7.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

  1. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

  2. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.7.2.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.7.3.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen afweging en waardering overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:260 juncto 1:255 BW.

3.7.4.

De maatregel van ondertoezichtstelling is onder meer noodzakelijk, nu de conflicten en problemen rondom het op gang brengen van een contactregeling tussen de vader en de minderjarigen zodanig belastend zijn voor de minderjarigen dat zij een ernstige bedreiging opleveren voor hun geestelijke ontwikkeling en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald.

3.7.5.

De moeder staat er alleen voor in de zorg over vier kinderen, waarbij er bij twee van de kinderen sprake is van ernstige kindeigen problematiek. Bij [minderjarige 1] is er sprake van autisme en een verstandelijke beperking. Bij [minderjarige 4] is er sprake van een hartafwijking.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] kennen beiden een belast verleden, waarbij zij meerdere keren zijn verhuisd en waarbij zij nog steeds te maken hebben met de ex-partnerproblematiek tussen de moeder en de vader en tussen de moeder en de vader van [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Hierdoor zijn er ook zorgen over [minderjarige 2] , die een gesloten, kwetsbare jongen is en die al meerdere keren is teleurgesteld in de contacten met zijn vader.

3.7.6.

Alhoewel uit de verslagen van Anacare is gebleken dat er enige positieve ontwikkelingen zijn, is verder uit de stukken en hetgeen ter mondeling is verklaard gebleken dat er ook nog veel zorgen zijn, waardoor de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog niet is weggenomen.

De moeder blijft teruggrijpen op zaken uit het verleden, waardoor zij onvoldoende in staat is om zich te richten op de behoeften van de kinderen. Daarnaast blijft zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] belasten met volwassen zaken en laat zij zich tegenover de hulpverlening in het bijzijn van de kinderen negatief over de vader(s) uit. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben nog steeds last van loyaliteitsproblematiek en staan niet open voor hulpverlening, terwijl de doelstelling om het contact met de vader te herstellen nog steeds aan de orde is. Daarbij is het van groot belang in verband met hun identiteitsontwikkeling, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meekrijgen dat de vader hen niet afwijst en dat zij geen aandeel hebben in de situatie die is ontstaan.

Het is voor Anacare nog niet duidelijk geworden in hoeverre de moeder voldoende leerbaar is om een onbelaste opvoedsituatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te realiseren en voor hen in voldoende mate (emotioneel) beschikbaar te zijn.

Er moet onderzocht worden of de draagkracht en draaglast van de moeder kan worden verbeterd en er dient nog meer zicht te komen op de thuissituatie. Hiervoor acht het hof het van belang dat de moeder de samenwerking met de jeugdzorgwerker aangaat en dat zij zich verbindt aan de doelen die moeten worden behaald om de ontwikkelingsbedreigingen bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weg te nemen. Het is daarbij tevens van belang dat de moeder niet blijft teruggrijpen op vermeende fouten van de jeugdzorgwerker of vermeende onwaarheden die in de stukken staan en dat zij zich gaat richten op de vraag welke problematiek er bij de kinderen speelt. De moeder zal hierin een stukje psycho-educatie dienen te krijgen waarbij het haar duidelijk wordt wat haar aandeel is in de ontstane situatie en hoe zij de kinderen in emotioneel opzicht beter kan ondersteunen. De regie vanuit de jeugdzorgwerker is hierbij onmisbaar.

Voor zover de moeder heeft aangevoerd dat de hulpverlening vanuit het vrijwillige kader kan worden voortgezet kan deze grief niet slagen, nu reeds is gebleken dat er binnen het vrijwillige kader onvoldoende mogelijkheden zijn om het contactherstel tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de vader tot stand te brengen. Het hof heeft er bovendien onvoldoende vertrouwen in dat de samenwerking tussen de moeder en de gemeente beter zal verlopen dan de samenwerking met de jeugdzorgwerker, waardoor het risico dat de moeder afhaakt te groot is.

3.7.7.

Op grond van het voorgaande worden [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds in hun ontwikkeling bedreigd en acht het hof een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van een jaar noodzakelijk om deze ontwikkelingsbedreiging af te wenden.

3.8.

Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 27 mei 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.C.E. Ackermans-Wijn en H.J. Witkamp en is door mr. J.C.E. Ackermans-Wijn op 24 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.