Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2923

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2020
Datum publicatie
28-09-2020
Zaaknummer
200.264.757_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:484
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

beperkt raadsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 24 september 2020

Zaaknummer: 200.264.757/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/256676 / FA RK 18-4103

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

thans wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. W.G.M.M. van Montfort,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. R.A. Wijnands.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging: [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 22 mei 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 augustus 2020, heeft de moeder het hof verzocht (zo begrijpt het hof) voormelde beschikking gedeeltelijk te vernietigen en te beslissen dat het gezamenlijk gezag van de ouders wordt gewijzigd en dat het gezag over [minderjarige] alleen aan de moeder toekomt, kosten rechtens.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 oktober 2019, heeft de vader het hof verzocht het verzoek van de moeder om haar alleen te belasten met het ouderlijk gezag over [minderjarige] af te wijzen, onder bekrachtiging van de bestreden beschikking en de proceskosten te compenseren.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Van Montfort;

-de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De vader en zijn advocaat zijn, met bericht van verhindering van 28 juli 2020, niet tijdens de mondelinge behandeling verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het V8 formulier van de advocaat van de vader van 28 juli 2020.

2.5.

Na de mondelinge behandeling is op verzoek van het hof ingekomen een brief van mr. Van Montfort van 20 augustus 2020 met als bijlage het verzoekschrift in eerste aanleg van de kant van de moeder d.d. 1 november 2018 in de zaak C/03/256676/ FA RK 18-4103 .

3 De beoordeling

3.1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] geboren [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ). De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] . [minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

3.2.

De moeder heeft op 1 november 2018 een verzoekschrift ingediend tot wijziging in de uitoefening van het ouderlijk gezag. Zij heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat zij voortaan alleen het ouderlijk gezag zal uitoefenen over [minderjarige] .

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de moeder om eenhoofdig gezag afgewezen.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De moeder voert in haar beroepschrift - kort samengevat – het volgende aan. De relatie tussen haar en de vader is ernstig verstoord, waardoor er onvoldoende basis is voor gezamenlijk ouderlijk gezag. Deze omstandigheden zijn ontstaan na de beslissing over het gezamenlijk ouderlijk gezag.

De vader heeft in anderhalf jaar tijd nauwelijks contact met [minderjarige] gehad en heeft vrijwel geen moeite gedaan om daar iets aan te veranderen. Zo heeft hij op de verjaardag van [minderjarige] niets van zich laten horen en is hij slechts één keer bij de moeder langs geweest.
De moeder maakt zich zorgen dat de vader [minderjarige] verwaarloost en hij niet voor [minderjarige] kan zorgen zoals het hoort. [minderjarige] weet niet wie zijn vader is.

er bestaat een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zal raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. Een wijziging van het gezag is in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. De ouders kunnen geen gezamenlijke beslissingen nemen die voor [minderjarige] belangrijk zijn. Een uitgeklede vorm van gezag is niet geïndiceerd. Verder is er geen reden om aan te nemen dat de vader op de achtergrond raakt door een eenhoofdig gezag van de moeder.

3.6.

De vader voert in zijn verweerschrift - kort samengevat – het volgende aan. De moeder doet er alles aan om hem buitenspel te zetten. De moeder verwijst naar gedateerde gegevens die in het kader van het onderzoek inzake de eerder geldende ondertoezichtstelling zijn vastgesteld. De vader heeft sindsdien een persoonlijke groei doorgemaakt.

Hoewel de vader erkent dat de onderlinge relatie is verstoord, meent hij dat er geen reden bestaat om tot een wijziging van het gezamenlijk gezag te komen.

De ouders hebben dit gezag destijds tijdens hun relatie zelf geregeld.

De moeder heeft ook in hoger beroep geen enkel steekhoudend argument gesteld om haar beroep te onderbouwen. Verder heeft de moeder haar beroep op het criterium, dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem over verloren zou raken tussen beide ouder, niet toegelicht.

De vader benadrukt dat het de moeder was die ten tijde van de ondertoezichstelling van [minderjarige] geen afspraken wenste te maken met de vader in de vorm van een ouderschapsplan.

[minderjarige] heeft recht op een ongestoord contact met beide ouders en beide ouders dienen dit te faciliteren. Ook stond de moeder niet open voor het door de rechtbank voorgestelde Uniform Hulpaanbod. Tot slot informeert de moeder hem onvoldoende over [minderjarige] .

3.7.

De raad heeft desgevraagd ter mondelinge behandeling van het hof verklaard dat de raad in opdracht van de rechtbank een raadsonderzoek heeft gedaan en - kort gezegd - een BOR 2 traject heeft geadviseerd. De raad begrijpt dat dit traject niet is opgestart omdat er van de kant van (één van de) ouders geen medewerking is verleend aan dit traject. Uit de stukken van de raad volgt ook dat de moeder de vader het liefst wil ‘uitgummen’.

De raad acht het van belang dat er op korte termijn statusvoorlichting plaatsvindt zodat [minderjarige] weet wie zijn vader is en dat er omgang tussen de vader en [minderjarige] tot stand komt.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader sinds 22 november 2017 gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] uitoefenen.

3.8.2.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.8.3.

Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden, temeer nu gebleken is dat de vader is verhuisd en de moeder niet op de hoogte is van zijn nieuwe (email)adres, en er geen enkel contact tussen vader en kind tot stand is gekomen ondanks het door de raad geadviseerde BOR 2 traject.

3.8.4.

Daarbij komt dat de vader (althans zo komt het het hof voor) zich terugtrekt.

Nadat hij aanvankelijk een verweerschrift had ingediend in de onderhavige zaak heeft zijn advocaat bij het V8-formulier van 28 juli 2020 namens hem bericht dat de vader wil stoppen met de juridische strijd rondom [minderjarige] , omdat hij er psychisch aan onderdoor gaat.

Dit was voor de vader (en zijn advocaat) de reden om niet te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling van het hof in de onderhavige zaak. Tevens heeft de vader in dat bericht verklaard geen verder verweer meer te voeren.

3.8.5.

Het hof acht zich nog onvoldoende voorgelicht en vindt het nodig dat er een (beperkt) raadsonderzoek zal plaatsvinden. Het hof legt de volgende vragen voor aan de raad:

  • -

    Wat is thans vaders visie en wat zijn zijn wensen en plannen ten aanzien van zijn relatie met [minderjarige] ?

  • -

    Op welke manier zou de vader invulling willen geven aan zijn ouderlijk gezag ten aanzien van [minderjarige] ?

  • -

    Welke andere overwegingen zijn van belang met het oog op een beslissing ten aanzien van het verzoek van de moeder tot het vaststellen van eenhoofdig gezag?

  • -

    Wat is het advies van de raad ten aanzien van de voorliggende gezagskwestie?

3.8.6.

Het hof zal de verdere behandeling van de zaak aanhouden tot pro forma 17 december 2020, teneinde de resultaten van het (beperkte) raadsonderzoek en het advies van de raad af te wachten. Partijen zullen vervolgens door het hof in de gelegenheid worden gesteld binnen twee weken schriftelijk te reageren op het rapport en het advies van de raad.

4 De beslissing

Het hof:

verzoekt de raad een onderzoek in te stellen conform hetgeen hiervoor onder rechts-overweging 3.8.5. is overwogen;

verzoekt de raad tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen, waarna partijen in de gelegenheid zijn om hierop binnen twee weken schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 17 december 2020.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.A.R.M. van Leuven, M.L.F.J. Schyns en is op 24 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.