Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2918

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
200.279.973_01 en 200.282.617_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking en wraking van de wrakingskamer. Verzoeker niet-ontvankelijk/verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Wrakingskamer

Wrakingsnrs. : 200.279.973/01 en 200.282.617/01

Parketnr. : 20-000451-13

Uitspraak : 14 september 2020

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van een wrakingsverzoek van het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch

in de strafzaak met parketnummer 20-000451-13 van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1957,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

hierna te noemen: ‘verzoeker’,

strekkende tot wraking van primair mr. J.T.F.M. van Krieken, mr. F.P.E. Wiemans en mr. B. Stapert, respectievelijk voorzitter en raadsheren in de meervoudige strafkamer van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, subsidiair mr. J.T.F.M. van Krieken, hierna gezamenlijk te noemen: ‘het hof’ of ‘de raadsheren’.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij het team strafrecht van het hof is onder parketnummer 20-000451-13 een procedure aanhangig waarbij verzoeker betrokken is.

1.2.

Het wrakingsverzoek van verzoeker is ter griffie van dit hof ontvangen op 25 juni 2020.

1.3.

Mr. van Krieken heeft schriftelijk verklaard niet in de wraking te berusten.

1.4.

Bij brief van 19 augustus 2020 heeft de advocaat-generaal een schriftelijke reactie aan de wrakingskamer toegezonden, welke voorafgaand aan de zitting in kopie is toegezonden aan verzoeker.

1.5.

De wrakingskamer heeft het verzoek ter openbare zitting op 31 augustus 2020 behandeld. Op die zitting zijn verschenen en gehoord:

  • -

    verzoeker;

  • -

    mr. Van Krieken;

  • -

    mr. Wiemans;

  • -

    mr. Stapert;

  • -

    mr. H.C.J.M. de Goede, advocaat-generaal.

1.6.

Verzoeker heeft bij aanvang van de zitting van 31 augustus 2020 een verzoek tot wraking van de wrakingskamer gedaan en daarbij een schriftelijk verzoek gedateerd 31 augustus 2020, met bijlagen, aan de wrakingskamer overgelegd. Dat verzoek is ter zitting buiten behandeling gesteld door de wrakingskamer (zie hierna onder 2).

1.7.

Daarnaast heeft verzoeker tijdens de zitting ter onderbouwing van zijn wrakingsverzoek nadere stukken ingediend.

1.8.

Tijdens de zitting hebben de raadsheren verklaard niet in het wrakingsverzoek te willen berusten.

1.9.

Na de mondelinge behandeling heeft de voorzitter het onderzoek gesloten en medegedeeld dat de wrakingskamer binnen veertien dagen in het openbaar uitspraak zal doen.

2 Het verzoek tot wraking van de wrakingskamer (200.282.617/01)

Het standpunt van verzoeker

2.1.

Onmiddellijk na het openen van de zitting heeft verzoeker de wrakingskamer gewraakt. Verzoeker heeft – kort samengevat – aangevoerd dat volgens hem uit de door hem ontvangen mail van [naam] , werkzaam bij het hof, van 2 juli 2020 blijkt dat verzoeker zijn strafzaak wil uitstellen door een wrakingsverzoek te hebben ingediend. Dit is volgens verzoeker suggestief. Volgens verzoeker heeft de wrakingskamer

[naam] opgedragen voornoemd bericht te versturen.

Het requisitoir van de advocaat-generaal

2.2.

De advocaat-generaal heeft – kort samengevat – aangevoerd dat verzoeker bedoelde mail van [naam] nagenoeg twee maanden geleden heeft ontvangen. De wet schrijft voor dat een wrakingsverzoek op korte termijn, dan wel zo snel mogelijk nadat het feit zich voor heeft gedaan, moet worden ingediend. Dat is niet gebeurd. Het verzoek dient daarom niet-ontvankelijk te worden verklaard. Mocht het verzoek wel ontvankelijk worden geacht, dan zijn er geen redenen of omstandigheden aangevoerd waaruit blijkt dat er sprake is van partijdigheid, om welke reden het verzoek ongegrond is.

De beoordeling van het wrakingsverzoek

2.3.

De wrakingskamer heeft – na een schorsing voor beraad – tijdens de zitting mondeling uitspraak gedaan aangaande het verzoek tot wraking van de wrakingskamer. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat het tegen haar gerichte verzoek te laat is ingediend én slechts als doel kan hebben alsnog een verdaging van de behandeling van het wrakingsverzoek van verzoeker te bewerkstelligen. Het middel van wraking is daarvoor niet bedoeld en het verzoek is daarmee kennelijk ongegrond, terwijl het tevens kennelijk ontijdig is ingediend. Verzoeker heeft met zijn tegen de wrakingskamer het wrakingsmiddel dan ook duidelijk oneigenlijk gebruikt. Om die reden heeft de wrakingskamer het verzoek buiten behandeling gesteld.

3 Het verzoek tot wraking van de raadsheren (200.279.973/01)

Het standpunt van verzoeker

3.1.

Verzoeker legt aan zijn verzoek tot wraking – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Verzoeker heeft voorafgaand aan de zitting in zijn strafzaak een aanhoudingsverzoek gedaan. Dit is door de voorzitter van de behandelend strafkamer, mr. Van Krieken, afgewezen. Aangezien de voorzitter hierin een keuze heeft gemaakt is hij partijdig te achten. Verzoeker voert voorts aan geen advocaat te hebben in zijn strafrechtelijke procedure, die wel te willen en daar ook recht op te hebben. Verzoeker wil dat de procedure die hierover loopt bij de Raad van Discipline wordt afgewacht. Daarnaast heeft de oudste raadsheer tijdens de mondelinge behandeling van de strafzaak op enig moment er blijk van gegeven dat hij de verbalisanten zelf heeft afgezegd, terwijl verzoeker stelt dit zelf te hebben gedaan.

De reactie op het wrakingsverzoek van de raadsheren

3.2.

De raadsheren menen dat het wrakingsverzoek dient te worden afgewezen. Mr. van Krieken voert aan dat hij als voorzitter de beslissing mag nemen of een aanhoudingsverzoek op voorhand al dan niet wordt verleend. Mr. van Krieken heeft dit uitstel niet verleend en verzoeker gewezen op de mogelijkheid dit verzoek te herhalen tijdens de zitting van zijn strafzaak. Gelet op het voorgaande zijn de overige twee raadsheren hierdoor geen partij in dit geding.

3.3.

Mr. Wiemans voert aan dat, voor zover hij tot de gewraakte raadsheren behoort, hij niet in de wraking berust en dat het aan de voorzitter is om te beslissen over een aanhoudingsverzoek voorafgaand aan de zitting. Tevens is verzoeker gewezen op de mogelijkheid dit verzoek te herhalen op zitting.

3.4.

Mr. Stapert heeft zich aangesloten bij hetgeen mr. Wiemans heeft aangevoerd en berust eveneens niet in de wraking.

Het requisitoir van de advocaat-generaal

3.5.

Het Openbaar Ministerie heeft bij monde van de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld geen aanleiding te zien tot wraking van de voorzitter van de meervoudige strafkamer die de zaak behandelt van verzoeker. De voorzitter heeft op het verzoek tot aanhouding van verzoeker van 3 juni 2020 op 19 juni 2020 geantwoord dat het afdoen van de zaak thans dient te prevaleren en hij het aanhoudingsverzoek niet op voorhand zal honoreren, maar dat het de verdachte vrij staat zijn verzoek bij aanvang van de zitting te herhalen. Daarbij heeft de voorzitter vermeld dat ook een rol speelt dat er andermaal een beroep zal moeten worden gedaan op de getuigen om te verschijnen, hetgeen niet als doorslaggevend argument wordt gebruikt.

3.6.

De advocaat-generaal ziet geen feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en adviseert de wrakingskamer het wrakingsverzoek af te wijzen. Ook als het verzoek zich zou richten tot de overige leden van het hof kan dit niet tot succesvolle wraking leiden.

4 De beoordeling van het wrakingsverzoek

4.1.

De wrakingskamer neemt, onder verwijzing naar de arresten van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:2018:1413 en ECLI:NL:HR:2018:1770), voor de beoordeling van het wrakingsverzoek het volgende tot uitgangspunt.

4.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van rechterlijke onpartijdigheid in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM en artikel 14, eerste lid IVBPR, dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een procespartij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

4.3.

Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering voorziet in de mogelijkheid dat op verzoek van de verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een zaak behandelen, wordt gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Ook bij de beoordeling van een dergelijk verzoek dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn en dat slechts als zich een uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte of het Openbaar Ministerie een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte of het Openbaar Ministerie dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, dit vermoeden moet wijken.

4.4.

Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt met zich dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel tegen dergelijke beslissingen. De wrakingskamer komt dan ook geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak. Wat betreft de motivering van de (tussen)beslissing geldt evenzeer dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich er tegen verzet dat die motivering grond kan vormen voor wraking, ook indien het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders indien de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.

4.5.

Tegen deze achtergrond overweegt de wrakingskamer als volgt.

4.6.

De wrakingskamer stelt vast dat door mr. Van Krieken op 19 juni 2020 een mail naar verzoeker is gestuurd met de volgende tekst:

Geachte heer [verzoeker] ,

Bij aanhoudingsverzoeken moet [ik] als voorzitter van de behandelende strafkamer een belangenafweging maken. Uw belang bij aanhouding is daarbij een van de te wegen factoren. Aan de andere kant staat het belang van een voortvarende rechtspleging en de belangen van eventuele andere procesdeelnemers. Als ik het goed begrepen heb (hetgeen kennelijk niet steeds het geval is) is de situatie zo dat er een (nieuwe) (derde) toevoeging is verleend.

Ik ben van oordeel dat we nu op een punt zijn aangekomen dat het belang van het nu afdoen van de zaak dient te prevaleren. Daarbij speelt een rol dat we nu andermaal een beroep doen op de getuigen om te verschijnen.

Ik zal uw aanhoudingsverzoek dus niet honoreren en niet nu al bepalen dat de zaak zal worden aangehouden. Zoals u weet staat het u vrij uw verzoek bij aanvang van de zitting te herhalen.

Met vriendelijke groet,

Mr. J.T.F.M. (…) van Krieken’’

4.7.

De wrakingskamer stelt vast dat de beslissing van de voorzitter tot afwijzing van het verzoek tot aanhouding van de strafzaak is aan te merken als een procesbeslissing, die als zodanig in beginsel geen grond kan vormen voor wraking. De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de inhoudelijke juistheid van de afwijzende beslissing. De motivering van de gegeven beslissing voldoet ook niet aan de onder 4.4 genoemde maatstaf, inhoudend (kortweg) dat die beslissing als niet anders dan als blijk van vooringenomenheid kan worden verstaan.

4.8.

Nu het wrakingsverzoek enkel is gebaseerd op de beslissing op het uitstelverzoek door de voorzitter van de wrakingskamer, waarbij mr. Wiemans en mr. Stapert niet betrokken zijn, leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek tegen mrs. Wiemans en Stapert. Al hetgeen verzoeker tijdens de zitting overigens heeft aangevoerd voor zover dat betrekking heeft op de kamer is ontijdig en overigens ongegrond.

4.9.

De door verzoeker jegens mr. Van Krieken aangevoerde bezwaren zoals hiervoor weergegeven, moeten, gelet op wat onder 4.7 is overwogen, worden verworpen.

4.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat het wrakingsverzoek niet-ontvankelijk wordt verklaard voor zover dat is gericht tegen mr. Wiemans en mr. Stapert en dat het verzoek voor het overige wordt afgewezen.

5 De beslissing

Het hof:

ten aanzien van het wrakingsverzoek gericht tegen de wrakingskamer (200.282.617/01)

-verklaart verzoeker niet-ontvankelijk;

ten aanzien van het wrakingsverzoek gericht tegen mrs. Wiemans en Stapert (200.279.973/01)

- verklaart verzoeker niet ontvankelijk;

ten aanzien van het wrakingsverzoek gericht tegen mr. Van Krieken: (200.279.973/01)

- wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat de behandeling van de strafzaak met parketnummer 20-000451-13 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek;

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoeker, het Openbaar Ministerie en de raadsheren van wie wraking was verzocht.

Deze beslissing is gegeven op 14 september 2020 door mr. J.W. van Rijkom, voorzitter,

mr. O.G.H. Milar en mr. drs. P.C. van der Vegt, bijgestaan door de griffier.

De griffier is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.