Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2905

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
200.269.421_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:7425
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Letselschade. Kosten van rechtsbijstand door letselschadejurist. Overeenkomst tussentijds beëindigd. Aanspraak op grond van overeenkomst op deel van slotuitkering die slachtoffer daarna van verzekeraar heeft ontvangen. Redelijk loon als bedoeld in art. 7:411 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 411
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0667
JA 2020/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.269.421/01

arrest van 22 september 2020

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap] ,

handelend onder de naam [bedrijf] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. B. Wernik te Haarlem,

op het bij exploot van dagvaarding van 1 november 2019 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 6 februari 2019 en 14 augustus 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7106084 \ CV EXPL 18-4952)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van grieven met wijziging van eis en zeven producties

  • -

    de memorie van antwoord

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

3.1.

[geïntimeerde] is op 3 januari 2011 en op 26 februari 2011 betrokken geweest bij een verkeersongeval. Zij heeft [appellante] verzocht om haar rechtsbijstand te verlenen bij het verkrijgen van schadevergoeding. Op 13 juni 2013 hebben partijen een overeenkomst ondertekend die daarop betrekking heeft. De overeenkomst luidt onder meer als volgt:

5. Het rechtstreeks aan de aansprakelijke wederpartij/verzekeraar declareren van door

opdrachtneemster in opdracht en voor rekening van opdrachtgever gemaakte

buitengerechtelijke kosten (BGK) via op naam van opdrachtgever gestelde

declaraties, een en ander op grond van art. 6:96 BW. Deze kosten vangen aan op het

moment van het eerste telefonische of schriftelijke contact tussen opdrachtgever en

opdrachtneemster en zijn gebaseerd op het door opdrachtneemster gehanteerde

standaarduurtarief van € 300,00 en 6% kantoorkosten, verschotten en BTW.

6. Bovenop de door opdrachtgever aan opdrachtneemster verschuldigde

buitengerechtelijke kosten is opdrachtgever aan opdrachtneemster verschuldigd een

succes fee van 50% plus BTW van de door de aansprakelijke wederpartij aan

opdrachtgever betaalde schadeuitkeringen. Deze wordt niet berekend over de

betaalde BGK of met de onder punt 5 genoemde BGK verrekend of daarop in

mindering gebracht.

7. Door ondertekening verklaart opdrachtgever zijn potentiële BGK-claim op de

aansprakelijke wederpartij reeds nu voor alsdan aan opdrachtneemster te cederen.

8. Bovengenoemde financiële afspraken worden gemaakt onder de opschortende

voorwaarde van erkenning van aansprakelijkheid en betaling van schadevergoeding

door de aansprakelijke wederpartij. Indien de aansprakelijke wederpartij niets

betaalt, is opdrachtgever aan opdrachtneemster niets verschuldigd, behoudens

andere schriftelijke afspraken. Indien opdrachtgever de overeenkomst vóór

afwikkeling van de letselschadezaak opzegt, behoudt opdrachtneemster zich het

recht voor de openstaande declaraties BGK en de hierdoor misgelopen succes fee op

opdrachtgever te verhalen.

3.2.

In 2015 heeft mr. Wernik de behandeling van de zaak van [appellante] overgenomen. Bij brief van 18 augustus 2015 heeft hij daarvan mededeling aan [appellante] gedaan.

3.3.

Bij e-mail van 22 juni 2016 heeft [appellante] jegens [geïntimeerde] aanspraak gemaakt op een vergoeding ('succes fee') van vijftig procent over een slotuitkering van € 35.000,00, vermeerderd met btw. Bij brief van dezelfde datum heeft zij [geïntimeerde] een factuur verzonden voor een honorarium van € 17.500,00, vermeerderd met € 3.675,00 aan btw. Bij brief van 10 november 2016 heeft [appellante] aan [geïntimeerde] een factuur verzonden voor een honorarium van € 15.000,00, vermeerderd met € 3.150,00 aan btw, omdat de slotuitkering € 30.000,00 bedroeg.

3.4.

Bij arrest van 8 mei 2018 heeft dit hof tussen partijen uitspraak gedaan in het hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 15 september 2016. [appellante] vorderde in die procedure een vergoeding voor het deel van de buitengerechtelijke kosten over de periode tot het moment waarop mr. Wernik de behandeling van de zaak heeft overgenomen, dat de verzekeraar niet wilde betalen, alsmede een honorarium van 50 procent, met btw, over voorschotten tot een bedrag van € 4.000,00, die [geïntimeerde] van de verzekeraar had ontvangen. In het arrest heeft het hof vastgesteld dat de overeenkomst van 13 juni 2013 niet was vernietigd wegens dwaling of misbruik van omstandigheden, en dat de overeenkomst niet was ontbonden (rov. 3.7 en 3.12.2). De vordering tot het betalen van een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten heeft het hof niet toewijsbaar geoordeeld. De vordering tot het betalen van het honorarium van € 2.420,00 (inclusief btw) heeft het hof toegewezen.

4 De procedure in eerste aanleg

4.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de vergoeding van € 18.150,00 inclusief btw, die [appellante] bij factuur van 10 november 2016 aan [geïntimeerde] in rekening heeft gebracht, vermeerderd met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

4.2.

Aan de vorderingen heeft [appellante] art. 8 van de overeenkomst van 13 juni 2013 ten grondslag gelegd. [geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. De stellingen en verweren van partijen komen hierna aan de orde, voor zover in hoger beroep van belang

4.3.

Bij tussenvonnis van 6 februari 2019 heeft de kantonrechter partijen de gelegenheid gegeven om zich erover uit te laten of art. 8 van de overeenkomst een onredelijk bezwarend beding is.

4.4.

In het eindvonnis van 14 augustus 2019 heeft de kantonrechter samengevat overwogen dat art. 8 van de overeenkomst een onredelijk bezwarend beding is en dat dit beding wordt vernietigd, en dat [appellante] geen redelijk loon of andere vergoeding toekomt.

De vorderingen van [appellante] zijn afgewezen.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1.

[appellante] heeft in hoger beroep tien grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van zowel het tussenvonnis als het eindvonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen. Daarnaast heeft zij bij wijze van wijziging van eis subsidiair gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om aan haar € 9.075,00 te betalen, met wettelijke rente, althans een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon als bedoeld in art. 7:411 lid 2, althans lid 1, BW.

5.2.

Uit de memorie van grieven blijkt dat het hoger beroep is gericht tegen het tussenvonnis en het eindvonnis.

5.3.

Het hof ziet aanleiding om eerst na te gaan hoe art. 8 van de overeenkomst moet worden bezien in het licht van het bepaalde in art. 7:408 lid 3 en art. 7:411 BW. Uitgangspunt daarbij is dat [geïntimeerde] de overeenkomst tussen partijen in 2015 rechtsgeldig heeft opgezegd.

5.4.

Voor zover [geïntimeerde] in dit verband een beroep heeft willen doen op het oordeel dat de kantonrechter over art. 8 van de overeenkomst heeft gegeven in het vonnis dat op

15 september 2016 tussen partijen is uitgesproken (zie hiervoor onder 3.4, en rov. 4.5 van dat vonnis), geldt dat dit oordeel geen gezag van gewijsde heeft. Het hof heeft immers in het arrest van 8 mei 2018 overwogen dat [appellante] in die procedure geen betaling vorderde op grond van art. 8 van de overeenkomst. De redenering op grond waarvan de kantonrechter een deel van de vordering van [appellante] had afgewezen, kon daarom geen stand houden (rov. 3.11.3). Hieruit blijkt tevens dat [appellante] niet ten tweede male procedeert over dezelfde vergoeding.

5.5.

Art. 7:408 BW luidt, voor zover hier van belang:

1. De opdrachtgever kan te allen tijde de overeenkomst opzeggen.

(…)

3. Een natuurlijk persoon die een opdracht heeft verstrekt anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf, is, onverminderd artikel 406, ter zake van een opzegging geen schadevergoeding verschuldigd.

Art. 7:411 BW luidt:

1. Indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor zij is verleend, is verstreken, en de verschuldigdheid van loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, heeft de opdrachtnemer recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. Bij de bepaling hiervan wordt onder meer rekening gehouden met de reeds door de opdrachtnemer verrichte werkzaamheden, het voordeel dat de opdrachtgever daarvan heeft, en de grond waarop de overeenkomst is geëindigd.

2. In het in lid 1 bedoelde geval heeft de opdrachtnemer slechts recht op het volle loon, indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is. Op het bedrag van het loon worden de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige beëindiging voortvloeien, in mindering gebracht.

5.6.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis aangenomen dat, kort gezegd, het bepaalde in art. 8 in strijd is met (de geest van) art. 7:408 lid 1 en art. 7:411 BW (rov. 4.10) en om die reden voorshands geoordeeld dat het een onredelijk bezwarend beding betreft. [geïntimeerde] heeft in haar akte van 6 maart 2019 vervolgens verklaard dat zij haar beroep op de door de kantonrechter genoemde gronden bevestigt. Uit die verklaring kan redelijkerwijs worden opgemaakt dat [geïntimeerde] een beroep heeft willen doen op de vernietigbaarheid van art. 8. In hoger beroep heeft zij dit bevestigd (memorie van antwoord nrs. 17 en 20).

5.7.

[appellante] heeft bij grief 5 echter aangevoerd dat de misgelopen vergoeding als bedoeld in art. 8 niet het karakter heeft van een schadevergoeding wegens het opzeggen van de overeenkomst, maar een beloning voor verrichte inspanningen, die in belangrijke mate ertoe hebben bijgedragen dat de slotuitkering is verkregen. [appellante] maakt hierbij een vergelijking met de courtage van een makelaar. [appellante] stelt verder dat zij alleen aanspraak op de vergoeding maakt, omdat de slotuitkering in belangrijke mate door haar is bewerkstelligd.

Bij de grieven 8 en 9 heeft [appellante] naar voren gebracht dat de vergoeding het karakter van loon heeft en te vergelijken is met het redelijk loon in de zin van art. 7:411 BW.

5.8.

De uitleg die [appellante] hiermee aan art. 8 geeft, houdt in wezen in dat zij haar aanspraak beperkt tot het redelijk loon als bedoeld in art. 7:411 BW. Het redelijk loon is volgens haar in dit geval primair het volle loon, gelet op de omstandigheid dat de slotuitkering in belangrijke mate door haar inspanningen is verkregen (vgl. HR 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4481). [appellante] bepleit hiermee, zo begrijpt het hof, dat haar aanspraak uit hoofde van art. 8 in overeenstemming, en niet in strijd is met het bepaalde in art. 7:411 lid 2 BW. [appellante] legt dus met haar grieven aan het hof allereerst de vraag voor of de omstandigheden van het geval meebrengen dat de betaling van het volle loon redelijk is, in het geval het einde van de overeenkomst aan [geïntimeerde] is toe te rekenen.

5.9.

Het loon waarop [appellante] volgens de overeenkomst aanspraak heeft, bestaat uit twee elementen. [appellante] komt in de eerste plaats een vergoeding toe voor de aan de zaak bestede tijd als buitengerechtelijke kosten. Daarnaast is er een aanspraak op een deel van de uitkeringen die de verzekeraar aan [geïntimeerde] doet. [appellante] is al beloond voor de tijd die zij aan de zaak heeft besteed tot het moment van het opzeggen van de overeenkomst. Zij heeft immers haar honorarium op basis van een uurtarief als buitengerechtelijke kosten bij de verzekeraar in rekening kunnen brengen, voor zover deze kosten redelijk waren (dubbele redelijkheidstoets). Daarin ligt besloten dat zij voor deze tijdsbesteding reeds een redelijk loon heeft ontvangen. Voor zover niet alle uren die [appellante] aan de behandeling van de zaak heeft besteed, tegen het door haar gewenste uurtarief zijn vergoed (grief 6), betekent dit niet dat zij geen redelijke beloning heeft ontvangen, maar moet het bij gebreke van aanwijzing voor het tegendeel ervoor worden gehouden dat zij een vergoeding voor haar inspanningen verlangde, die niet redelijk is bevonden. Naast de redelijke beloning voor de gewerkte uren, heeft [appellante] nog een vergoeding ontvangen van € 2.420,00 inclusief btw over de voorschotten die ten tijde van het bestaan van de overeenkomst aan [geïntimeerde] zijn uitgekeerd.

5.10.

De stelling van [appellante] dat daarboven nog het volle loon van 50 procent over de slotuitkering redelijk is, doet zij steunen op de omstandigheid dat de slotuitkering in belangrijke mate door haar inspanningen is bewerkstelligd. Het was aan [appellante] om concrete feiten of omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat de slotuitkering inderdaad in belangrijke mate door haar inspanningen is bewerkstelligd, zoals zij stelt, omdat zij een beroep doet op de rechtsgevolgen daarvan. Enige aanwijzing dat dit het geval is geweest, is er niet. Het tijdsverloop tussen het opzeggen van de overeenkomst en het bereiken van overeenstemming over de slotuitkering (kennelijk meer dan een jaar, zie de akte van [appellante] van 6 maart 2019 nr. 9) wijst er niet op. De stukken die [appellante] heeft overgelegd, evenmin. De stukken betreffen immers voornamelijk beschouwingen van artsen over het letsel van [geïntimeerde] . Wat [appellante] zelf feitelijk heeft gedaan, is niet concreet gemaakt. Evenmin heeft [appellante] concreet aangegeven wat de stand van zaken was op het moment dat [geïntimeerde] de overeenkomst opzegde. [appellante] heeft ook verder geen concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht, die een aanwijzing voor de juistheid van haar stelling geven. In wezen is het aan de kant van [appellante] gebleven bij niet méér dan een telkens herhaalde bewering. Daarmee heeft [appellante] haar stelling niet voldoende toegelicht. Onder deze omstandigheden behoefde [geïntimeerde] haar verweer op dit punt niet verder toe te lichten dan zij heeft gedaan.

Bij gebreke van concrete feiten of omstandigheden komt [appellante] ook niet toe aan het leveren van bewijs van haar stelling.

5.11.

De slotsom is dat hetgeen [appellante] heeft aangevoerd, onvoldoende is voor het toewijzen van haar primaire vordering uit hoofde van art. 8 van de overeenkomst.

5.12.

De subsidiaire vordering betreft een loon van 25 procent van de slotuitkering. Ook deze vordering steunt op de stelling dat de slotuitkering in belangrijke mate is bewerkstelligd door de inspanningen van [appellante] . Gelet op hetgeen het hof hiervoor onder 5.10 heeft overwogen, is de subsidiaire vordering evenmin toewijsbaar.

5.13.

De meer subsidiaire vordering houdt in dat het hof de hoogte van het redelijk loon uit hoofde van art. 7:411 BW vaststelt. Voor de omstandigheden voor het bepalen van dit redelijk loon, verwijst [appellante] weer naar de stelling dat de slotuitkering voor een belangrijk deel aan haar inspanningen is te danken. Andere omstandigheden die maken dat [appellante]

- naast de reeds ontvangen beloningen - nog een redelijk loon toekomt, zijn niet naar voren gebracht. Het hof verwijst ook in dit verband naar hetgeen hiervoor onder 5.10 is overwogen. Daaruit volgt dat de meer subsidiaire vordering deelt in het lot van de primaire en subsidiaire vorderingen.

5.14.

De slotsom is dat de grieven niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen kunnen leiden. Het hof behoeft dus de overige stellingen en verweren van partijen niet meer te beoordelen, en behoeft dus geen antwoord te geven op de vraag of art. 8 van de overeenkomst een algemene voorwaarde is en of het een vernietigbaar beding betreft, en evenmin of het einde van de overeenkomst aan [geïntimeerde] is toe te rekenen. Het hof zal de bestreden vonnissen bekrachtigen.

5.15.

Het hof heeft [appellante] in het ongelijk gesteld. De proceskosten komen om die reden ten laste van [appellante] . Het in aanmerking te nemen liquidatietarief is tarief III, omdat de geldswaarde van de vorderingen van [appellante] , de gevorderde rente daarbij inbegrepen, hoger is dan € 20.000,00, maar minder dan € 40.000,00. Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [geïntimeerde] als volgt vast:

- griffierecht € 324,00

- salaris advocaat € 1.391,00 (1 punt, tarief III)

totaal € 1.715,00

6 De uitspraak

Het hof:

6.1.

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

6.2.

veroordeelt [appellante] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op

€ 1.715,00.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.J.J. Los, P.W.A. van Geloven en M.M. Truijens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2020.

griffier rolraadsheer