Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2904

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
200.264.110_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming aannemingsovereenkomst. Vaste prijs of regiebasis?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.264.110/01

arrest van 22 september 2020

in de zaak van

[appellant] , handelend onder de naam [naam bedrijf],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.A.J. Emonds te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. C.M. van der Corput te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 september 2019 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, onder zaak- /rolnummer 7426395 18-11090 op 2 mei 2019 gewezen vonnis.

5 Het verdere verloop van de procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    voornoemd tussenarrest waarbij een comparitie na aanbrengen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 oktober 2019 en de voorafgaand daaraan door [appellant] overgelegde productie 11;

  • -

    de memorie van grieven met productie 12;

  • -

    de memorie van antwoord met producties 1 en 2;

  • -

    de akte inbreng producties 13 en 14 van [appellant] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In rov 2 heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grief I wordt deze vaststelling bestreden. Deze grief slaagt ten dele, maar dat leidt niet tot de vernietiging van het bestreden vonnis (zie rov. 6.4.). Het hof zal een nieuw overzicht geven van de onbetwiste feiten die in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

6.1.1.

Op 9 juli 2018 heeft tussen [appellant] en [geïntimeerde] een bespreking plaats gevonden in verband met een door [geïntimeerde] als hoofdaannemer aangenomen project bij het [naam project] in [plaats] . Op verzoek van [geïntimeerde] heeft [appellant] op 19 juli 2018 een offerte uitgebracht aan [geïntimeerde] voor het verrichten van timmerwerkzaamheden die [appellant] als onderaannemer van [geïntimeerde] zou kunnen uitvoeren. In deze offerte staat onder meer vermeld:

“ Hartelijk dank voor uw offerteaanvraag. De besproken werkzaamheden en/of leveringen kunnen wij u aanbieden voor de op deze offerte aangegeven prijs.

Omschrijving Aantal Prijs Totaal

Volgens afspraak het monteren van balken, multiplex 1,00 26.100,00 26.100,00
platen kruislinks aanbrengen en doorboren van HWA

[…]

Totaal excl. btw € 26.100,00”

6.1.2.

Na het uitbrengen van de offerte heeft tussen [appellant] en [geïntimeerde] overleg plaats gevonden, waarna [appellant] en [geïntimeerde] een aannemingsovereenkomst hebben gesloten voor het uitvoeren van de timmerwerkzaamheden. In deze aannemingsovereenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“Opdrachtgever draagt hierbij aan Opdrachtnemer op, conform afspraken met uw [appellant] d.d. 21-08-2018 een en ander conform bijgaande specificatie.

Overige uitvoering van de overeenkomst vindt plaats volgens de voorwaarden zoals omschreven in deze bevestiging en in de overige genoemde bijlagen. Deze bevestiging en de overige genoemde bijlagen vormen in een onlosmakelijk geheel tezamen deze overeenkomst.

Prijs, betaling en facturering

- De totaalprijs voor deze overeenkomst bedraagt € 26.500,- (zegge: zesentwintigduizendvijfhonderd euro), exclusief . btw

- Prijsvast: Tot einde werk

[…]

Bijlagen :
- Specificatie”

In de als bijlage bij deze overeenkomst gevoegde specificatie staat onder andere het volgende:


“Het aanbrengen van +/- 330 stuks balken en 550 stuks dakplaten

Gecalculeerd op 580 mu á € 45,- met verrekenbare bestede uren € 26.100”

6.1.3.

[appellant] heeft de afgesproken timmerwerkzaamheden in de periode van 10 tot en met 25 september van 2018 uitgevoerd. Naar aanleiding van deze werkzaamheden heeft hij op drie momenten facturen (d.d. 17 september 2018, 25 september 2018 en 1 oktober 2018) aan [geïntimeerde] gestuurd voor in totaal € 12.960,-. Deze facturen zijn door [geïntimeerde] voldaan. Na afronding van de werkzaamheden heeft [appellant] nog twee facturen gestuurd, één van € 500,= (onder de vermelding “termijn”), die door [geïntimeerde] is voldaan, en één van € 13.140,= (onder de vermelding “Werkzaamheden balklagen + beschietingen”), die [geïntimeerde] niet heeft voldaan.

6.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] gevorderd tot betaling van een bedrag van € 14.121,28 (de hoofdsom van € 13.140,- met de wettelijke handelsrente tot en met 5 december 2018 en buitengerechtelijke incassokosten van € 906,40), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 6 december 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen vonnis.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] gehouden is om al haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst (die blijken uit de door [appellant] gezonden facturen) na te komen, aangezien in die overeenkomst voor de overeengekomen werkzaamheden een vaste prijs van € 26.100,- is opgenomen.

6.2.3.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

6.2.4.

In het vonnis van 2 mei 2019 heeft de kantonrechter de vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van hem in de proceskosten.

6.3.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de volledige kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na betekening van het te wijzen arrest.

6.4.

Met de eerste grief heeft [appellant] betoogd dat de kantonrechter de feiten onjuist, dan wel onvolledig heeft vastgesteld. Ter toelichting hierop heeft [appellant] aangevoerd dat belangrijke feitelijke en juridische elementen buiten beschouwing zijn gelaten. Tevens heeft [appellant] zijn visie op de gang van zaken uitgebreid herhaald. Hieruit volgt evenwel niet dat de (summiere) uiteenzetting van de feiten door de kantonrechter onjuist is. Ook overigens is het hof niet gebleken van enige onjuistheid in de weergave van de feiten, zodat grief I faalt voor zover daarmee wordt geklaagd over een onjuiste vaststelling van de feiten door de kantonrechter. Wel slaagt grief I in zoverre dat de kantonrechter onder de feiten niet heeft vermeld dat door [appellant] eerst een offerte is uitgebracht voor de uit te voeren werkzaamheden. Het hof heeft een nieuw overzicht van de feiten gegeven. Het enkele feit dat de grief ten dele slaagt, leidt echter nog niet tot vernietiging van het bestreden vonnis.

6.5.

Uit de toelichting op elk van de grieven blijkt dat [appellant] in de kern opkomt tegen het oordeel van de kantonrechter dat [appellant] zijn stelling dat tussen partijen een vaste prijs voor de uit te voeren werkzaamheden was afgesproken, onvoldoende heeft onderbouwd.

6.6.

Het hof stelt voorop dat de betekenis van een beding in een aannemings-overeenkomst als de onderhavige moet worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen overeenkomstig de zin die zij daaraan in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mochten toekennen, hebben afgeleid en van wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Dit betreft de zogeheten Haviltex-maatstaf (HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635), die de kantonrechter ook tot uitgangspunt heeft genomen in het vonnis.

6.7.

Daarbij is van belang dat als hoofdregel conform het bepaalde in art. 150 Rv. geldt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten of rechten, de uitleg van een met de wederpartij gesloten overeenkomst daaronder begrepen, daarvan de bewijslast draagt. Aangezien [appellant] aanspraak maakt op betaling van een vaste aanneemsom, dient hij te bewijzen dat deze is overeengekomen. In dat kader is relevant dat [appellant] ter toelichting op de eerste grief heeft aangevoerd dat de werkzaamheden zijn gestart op basis van de uitgebrachte offerte, met daarin de vaste prijs van € 26.100,-, en dat op het moment van ondertekening van het contract 50% van de werkzaamheden al was voltooid. Evenzeer relevant is dat in de bij het contract gevoegde specificatie wordt vermeld ‘Gecalculeerd op 580 mu á € 45,- met verrekenbare bestede uren’, waarmee volgens [appellant] uitsluitend wordt gedoeld op de afspraak die partijen hadden gemaakt dat [geïntimeerde] eventueel eigen mensen zou kunnen inzetten ter bevordering van de vlotte voortgang van het werk, dit tegen een - op de in het contract vermelde vaste aannemingssom van € 26.100,- in mindering te brengen - vergoeding van € 45,- per uur. Door [geïntimeerde] zijn deze stellingen gemotiveerd betwist. [appellant] heeft in hoger beroep gespecificeerd getuigenbewijs aangeboden. Gelet op het bepaalde in art. 166 Rv zal het hof [appellant] tot dit bewijs toelaten, zoals hierna in het dictum is vermeld.

6.8.

Het hof houdt iedere verdere beslissing aan.

7 De uitspraak

Het hof:

laat [appellant] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat tussen partijen een aannemingsovereenkomst met een vaste aannemingssom van € 26.100,- is overeengekomen;

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A.C. van Campen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 6 oktober 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden oktober, november en december 2020;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [appellant] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2020.

griffier rolraadsheer