Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2903

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
22-09-2020
Datum publicatie
24-09-2020
Zaaknummer
200.262.816_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2019:1866
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

huur woonwagenstandplaats, bodemverontreiniging, geen tekortkoming, onrechtmatige daad of gebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.262.816/01

arrest van 22 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. P.J.A. van de Laar te Eindhoven,

tegen

1 de publiekrechtelijke rechtspersoon Gemeente Waalre,
gevestigd te Waalre,

2. de stichting Woonstichting 'thuis,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als de [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. W.J. Aardema te Heerenveen,

op het bij exploten van dagvaarding van 8 juli 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 juni 2019, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser en de gemeente en [geïntimeerden] .

1. Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummers C/01/338186/HA ZA 18-615 en 7644119 19-3084)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar het vonnis in incident van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch (met eerst vermeld zaaknummer) en het tussenvonnis van 18 april 2019 en voormeld eindvonnis (met het tweede zaaknummer).

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met productie;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte van [appellant] met producties;

  • -

    de antwoordakte van de [geïntimeerden] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[appellant] huurt sinds 1988 de woonwagenstandplaats met berging aan de [standplaats] te [plaats] . [appellant] huurde eerst van de gemeente en sinds 2 oktober 1995 van ’thuis, met toevoeging op 7 juni 2000 van een ten noorden gelegen aanvullend gedeelte van het perceel.

3.1.2.

[appellant] en ’thuis hebben met ingang van 1 juni 2000 een schriftelijke huurovereenkomst gesloten. Hierin staat onder meer het volgende opgenomen:

Artikel 1.

Verhuurster verhuurt aan huurder, die in huur aanneemt:

De woonwagenstandplaats met berging, gelegen aan de [standplaats] hierna te noemen “het gehuurde”.

Het gehuurde is bestemd om te worden gebruikt als standplaats voor één woonwagen. (…)

Artikel 5.

De huurder verklaart het gehuurde in goede staat van onderhoud te hebben ontvangen en aanvaard. (…)

Artikel 6.

(…)

Verhuurster zal alle zichtbare en onzichtbare gebreken, die het gebruik van het verhuurder belemmeren, opheffen, ook al kende zij deze niet bij aanvang van de huur.

(…)

Artikel 7.

1. Huurder zal het gehuurde als een goed huurder en overeenkomstig de daaraan bij overeenkomst gegeven bestemming gebruiken. (…)

` 4. Zonder schriftelijke toestemming van verhuurster mag het gehuurde niet van aard of bestemming worden veranderd, mag niets van het gehuurde worden afgebroken of gewijzigd en mogen op het gehuurde geen gebouwen of getimmerten van welke aard ook of andere werken worden gesticht.”

3.1.3.

In opdracht van de gemeente is door de aan SRE Milieudienst verbonden [ingenieur] opgesteld het rapport ‘Orienterend en nader bodemonderzoek Woonwagenlocatie [locatie] te [plaats] ’ van 16 november 2009.

Op het perceel van [appellant] hebben daarvoor boringen plaatsgevonden met de volgende resultaten:

boring 09: 0,3 - 0,8 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper

0,8 - 1,1 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper

boring 10 : 0,5 - 1,0 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper

1,0 - 1,4 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper

boring 23 : 0,4 - 0,9 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper

boring 24 : geen verontreiniging

boring 113 : 1,2 - 1,4 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper

boring 118 : geen verontreiniging

boring 119 : 0,6 - 0,8 m-mv sterk verhoogd gehalte met koper.

3.1.4.

De gemeente heeft ook opdracht gegeven voor het door de aan SRE Milieudienst verbonden [ingenieur] opgestelde rapport ‘Risicobeoordeling stortplaats [naam stortplaats] ’ van 16 september 2010. Hierin staat onder andere opgenomen:

“(…) Op een groot deel van de locatie [standplaats] is de bodem van circa 0,5 tot 1,4 m-mv. sterk verontreinigd met koper. Het grondwater op deze locatie is niet verontreinigd met koper. De aangetroffen verontreiniging in de ondergrond hangt samen met het feit dat in het verleden op deze locatie een brandplaats voor elektrakabels aanwezig is geweest. Het betreffende terrein is in een later stadium opgehoogd in verband met de aanleg van standplaats [standplaats] . De verontreiniging maakt deel uit van een veel groter geval van bodemverontreiniging. Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat er voor het terrein van de van [standplaats] en het terrein ten noorden van deze standplaats formeel sprake is van een saneringsnoodzaak op basis van de Wet bodembescherming.

(…)

Op basis van de aangetroffen deklaagdikte kan gesteld dat er bij het huidig gebruik stortplaats geen sprake is van humane risico’s door contact met het stortmateriaal. Voor de plaatselijk aangetroffen sterke (punt)verontreinigingen in de deklaag is geen sprake van humane risico’s gezien de omvang van deze verontreinigingen. Voor de aangetroffen koperverontreiniging (ernstig geval) bij standplaats [standplaats] zijn geen humane risico’s aanwezig omdat deze locatie voorzien is van een gesloten klinkerverharding. (…)”

3.1.5.

Eind 2012/begin 2013 heeft [appellant] kennis genomen van het Ontwerp bestemmingsplan Woonwagencentrum [naam bestemmingsplan] . Daarin staat onder meer:

Bodem

Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe juridische functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Een legalisering is juridisch gezien een nieuwe functie daar de huidige feitelijke functie nog niet volledig juridisch is vastgelegd. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico’s voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie.

Ter plaatse van het woonwagencentrum zijn diverse bodemonderzoeken en risico

beoordelingen uitgevoerd. Ten aanzien van het gebruik van de locatie kunnen uit deze onderzoeken de volgende conclusies getrokken worden.

(…) Ter plaatse Van [standplaats] is in het verleden een autosloperij gevestigd geweest. Deze locatie is niet gelegen op de stortlocatie. In de boven en ondergrond is een sterke verontreiniging met koper aanwezig en lichte verontreinigingen met zware metalen en minerale olie. Het grondwater is matig verontreinigd met per en licht verontreinigd met barium en zink.

Indien het huidige feitelijke gebruik, namelijk het wonen in niet in de grond gefundeerde woonwagens, niet verandert, zijn er mits de bestrating gesloten blijft geen beperkingen ten aanzien van het gebruik binnen de woonbestemming. Hierover heeft overleg plaatsgevonden met de provincie die bovenstaande onderschrijft. (…)”

3.1.6 ’

thuis heeft [appellant] op 18 maart 2014 een informatiebrief gestuurd over toestemming en vergunningen. Hierin staat onder meer:

“De afgelopen periode hebben er veel activiteiten plaatsgevonden op en rondom uw standplaats en op het woonwagencentrum als geheel. (…) Door de (gedeeltelijke) sloop van de loodsen ontstaat een nieuwe situatie waarover wij u middels deze brief willen informeren. (...) Als u in de toekomst op uw standplaats iets wil bouwen of veranderen aan bestaande gebouwen, moet u daarvoor altijd toestemming vragen aan woonstichting ’thuis. (…) Voor het bouwen of aanpassen van bouwwerken op uw standplaats moet u ook altijd een vergunning aanvragen bij de gemeente Waalre. (…) Omdat het woonwagencentrum zich deels op een oude stortlocatie bevindt, is de kans groot dat de grond onder uw standplaats verontreinigd is. De verontreiniging is nauwkeurig in kaart gebracht en er zijn strenge overheidsregels over wat wel en niet mag op verontreinigde grond. Sloopwerkzaamheden of bouwwerkzaamheden (indien vergund) zijn enkel toegestaan tot aan het maaiveld. Er mogen geen werkzaamheden in de grond plaatsvinden. Begane grondvloeren, bestrating en fundering dienen gehandhaafd te blijven. Werkzaamheden uitvoeren in de grond (beneden maaiveld) is verboden zonder dat hiervoor een melding is ingediend bij de Provincie Noord-Brabant. (…)”

3.1.7.

[appellant] heeft op 25 maart 2014 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het legaliseren van een woonwagen en drie bijgebouwen op het perceel [standplaats] . De gemeente heeft de omgevingsvergunning verleend op 15 mei 2014. In de begeleidende brief staat opgenomen:

Grondwerkzaamheden

Vanwege het mogelijke risico voor de volksgezondheid door de aanwezige bodemvervuiling en de vuilstort is het verboden om bebouwing in de bodem te funderen, uitgezonderd de reeds ten tijde van de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan aanwezige fundering, alsmede om graafwerkzaamheden of andere werkzaamheden waarbij de bodem geroerd wordt uit te voeren. De verharding binnen het bestemmingsgebied dient volledig in stand gehouden te worden”

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] , voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

a. een verklaring voor recht dat de [geïntimeerden] aan hem heeft of hebben verhuurd en in gebruik afgestaan een perceel grond aan de [standplaats] in [plaats] dat was en is verontreinigd met de stoffen als precies in de dagvaarding in eerste aanleg staan omschreven;

b. een verklaring voor recht dat de [geïntimeerden] zich schuldig heeft of hebben gemaakt aan toerekenbare tekortkoming, althans onrechtmatige daad,

c. te bepalen dat de [geïntimeerden] wordt geboden om de grond van perceel [standplaats] in [plaats] binnen drie maanden na de uitspraak datum schoon te maken en te ontdoen van zware metalen, PAK’s, PCB’s, minerale olie, xylenen en naftaleen en het grondwater schoon te maken middels het verwijderen van PER, barium en zink op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag;

d. te bepalen dat de schade nader zal worden opgemaakt bij staat en zal worden vereffend

volgens de wet;

e. een proceskostenveroordeling voor beide instanties.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [appellant] samengevat het volgende ten grondslag gelegd. Hij huurt, aanvankelijk van de gemeente en nu van ’thuis, een perceel aan de

[standplaats] in [plaats] . Uit onderzoeken die de gemeente heeft laten verrichten blijkt dat de bodem verontreinigd is. De [geïntimeerden] zijn als verhuurders gehouden om schone grond aan hem te verhuren. Zij hebben zich schuldig gemaakt aan toerekenbare tekortkoming of onrechtmatige daad, dan wel het gehuurde voldoet niet aan het gestelde in art. 7: 203 BW of het heeft een gebrek, omdat er geen schone grond is verhuurd. De artikelen 7:204 BW en 6 lid 4 van de huurovereenkomst verplichten de [geïntimeerden] om de gebreken te verhelpen en de grond schoon te maken. [appellant] en zijn dochters hebben medische klachten gekregen als gevolg van de verontreinigde grond.

3.2.3.

De [geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het eindvonnis heeft de kantonrechter samengevat het volgende overwogen:

- Van verjaring is geen sprake. Voor een vordering tot vergoeding van schade wegens verontreiniging (van bodem) geldt in beginsel een verjaringstermijn van 30 jaar. Ook als wordt uitgegaan van een termijn van vijf jaar, gaat het beroep op verjaring niet op. In de brief van de gemeente van 15 mei 2014 waarbij [appellant] is geïnformeerd op zijn aanvraag voor een omgevingsvergunning, schrijft de gemeente over bodemverontreiniging onder de standplaats van [appellant] . Dat [appellant] op een eerder moment op de hoogte was van de bodemverontreiniging, zoals art. 3:310 BW eist voor het ingaan van de verjaringstermijn, is niet gesteld of gebleken. [appellant] heeft de gemeente bij brief van 18 oktober 2017 aansprakelijk gesteld en is daarmee ruimschoots binnen de termijn van vijf jaar gebleven. (rov. 3.1)

- De vordering gebaseerd op toerekenbare tekortkoming omdat de [geïntimeerden] geen schone grond aan hem verhuren, slaagt niet. In de huurovereenkomst is niet vastgelegd dat verhuurder schone grond aan huurder zal verhuren. Maar ook al zou [appellant] een beroep op artikel 6 lid 4 van de huurovereenkomst hebben gedaan dat er, kort gezegd, op neer komt dat verhuurder alle zichtbare en onzichtbare gebreken die het gebruik van het gehuurde belemmeren, ook al kende zij die niet voor aanvang van de huur, zal opheffen, gaat dat niet op, omdat de locatie is voorzien van een deklaag van tenminste 30 centimeter en een gesloten klinkerverharding en [appellant] de grond niet in mag. (rov. 3.2)

- Ook is geen sprake van onrechtmatige daad. [appellant] heeft niet aangetoond dat de gestelde gezondheidsklachten zijn/worden veroorzaakt door de met koper verontreinigde bodem onder zijn standplaats. Bovendien kan niet worden uitgesloten dat de door [appellant] gestelde gezondheidsklachten zijn terug te voeren op door hem verrichte werkzaamheden op een stukje (ten noorden van het oorspronkelijke perceel gelegen) grond dat hij illegaal in gebruik heeft genomen. (rov. 3.3)

De kantonrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen. In de kern zien de grieven op het volgende:

- de afwezigheid van schone grond (grief I);

- de humane risico’s (grief II) en

- illegaal in gebruik genomen hebben van grond (grief III).

De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4.1.

Voordat aan de grieven wordt toegekomen, zal het hof eerst de verweren van verjaring en rechtswerking bespreken. Het hof overweegt met de kantonrechter en op dezelfde gronden dat van verjaring geen sprake is. Voor het kunnen aannemen van rechtswerking is te weinig gesteld, terwijl vaste jurisprudentie is dat hieraan hoge eisen moeten worden gesteld. Beide verweren treffen dus geen doel.

3.4.2.

Bij de behandeling van de grieven staan de artikelen 7: 201 en 203 BW centraal. Daarin wordt bepaald, dat huur de overeenkomst is waarbij de ene partij, de verhuurder, zich verbindt aan de andere partij, de huurder, een zaak of een gedeelte daarvan in gebruik te verstrekken en de huurder zich verbindt tot een tegenprestatie. Verder is de verhuurder verplicht de zaak ter beschikking van de huurder te stellen en te laten voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is.

De parlementaire geschiedenis bij deze artikelen zegt onder meer het volgende: “(…) In de woorden ‘in gebruik verstrekken’ ligt niet besloten dat voor huur een in onbeperkt gebruik geven nodig is. Zo kan huur van een muur voor reclame doeleinden worden beschouwd als huur van de betreffende onroerende zaak strekkend tot een beperkt gebruik daarvan. Art. 203 zegt dan ook dat de verhuurder de zaak aan de huurder ter beschikking moet stellen ‘voor zover dat voor het overeengekomen gebruik noodzakelijk is’. (…) Anders dan art. 7A:1586 brengt het artikel tot uiting dat niet elke huurovereenkomst verplicht tot aflevering - d.w.z. tot het verschaffen van de feitelijke macht over de zaak - en dat beslissend is dat de huurder een zodanige beschikking over zaak krijgt dat hij er het overeengekomen gebruik van kan hebben.” (MvT, Kamerstukken II 1997/98, 26 089, nr. 3, p. 10-11 en 13)

3.4.3.

Het hof overweegt dat partijen een huurovereenkomst hebben gesloten voor een woonwagenstandplaats met berging. Daarbij is overeengekomen dat het gehuurde bestemd is om te worden gebruikt als standplaats voor één woonwagen. Ook is daarbij bepaald dat er niets veranderd mag worden aan het gehuurde (art. 7 lid 4 van de overeenkomst). Uit deze overeenkomst leidt het hof af dat sprake is van huur voor een beperkt gebruik van de onroerende zaak. Zowel de gemeente als ’thuis hebben [appellant] een zodanige beschikking gegeven over de onroerende zaak dat hij er het overeengekomen gebruik - standplaats voor één woonwagen - van kan hebben. [appellant] heeft de standplaats in gebruik voor zijn woonwagen. De aangetroffen koperverontreiniging heeft geen invloed op dit gebruik en levert ook geen humane risico’s op. Het hof baseert zich hierbij ten eerste op het bodemonderzoek uit 2009 waarbij op het perceel van [appellant] boringen hebben plaatsgevonden. Uit de resultaten blijkt dat vanaf 0,3 tot 1,4 m-mv onder de oppervlakte een sterk verhoogd gehalte met koper is aangetroffen. (zie rov. 3.1.3) Ten tweede baseert het hof zich op het rapport uit 2010 dat de gemeente heeft laten opstellen om de risico’s van het huidige gebruik van de standplaatsen te beoordelen. In dit rapport staat (zie rov. 3.1.4): “Voor de aangetroffen koperverontreiniging (ernstig geval) bij standplaats [standplaats] zijn geen humane risico’s aanwezig omdat deze locatie voorzien is van een gesloten klinkerverharding. (…)” Zowel ’thuis als de gemeente (bij brieven van 18 maart en 15 mei 2014, zie rov. 3.1.6 en 3.1.7) hebben [appellant] in herinnering gebracht dat er geen wijzigingen aan het gehuurde mogen plaatsvinden en hebben daarbij gewaarschuwd voor de in de grond aanwezige verontreiniging.

Het hof trekt dan ook de conclusie dat de standplaats voldoet aan het overeengekomen (beperkte) gebruik van de grond en dat er geen sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst of een gebrek aan de verhuurde standplaats. Er is geen plicht voor de verhuurder om schone grond ter beschikking te stellen en ook bestaat er geen recht op schone grond voor [appellant] . Het hof volgt [appellant] dus niet in zijn stelling dat humane risico’s alleen beoordeeld kunnen worden door medici. Verder heeft hij zijn stelling dat hij gezondheidsklachten heeft ten gevolge van de vervuiling of daarvoor een risico loopt – ondanks de overweging van de kantonrechter daarover – onvoldoende onderbouwd. Hetzelfde geldt voor zijn stelling dat de klinkerverharding niet gesloten is, omdat de stenen of klinkers daarvoor met beton verbonden zouden moeten zijn.

3.4.4.

Verder is het hof niet gebleken van onrechtmatig handelen door de [geïntimeerden] . Of [appellant] illegaal grond in gebruik heeft gehad, is niet relevant, gelet op voorgaande overwegingen. Dit betekent dat alle grieven falen. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en is ook niet ter zake dienend, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Conclusie en afwikkeling

3.5.1.

Omdat de grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

3.5.2.

Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep, zoals gevorderd inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente en uitvoerbaar bij voorraad.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis van 20 juni 2019;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de [geïntimeerden] op € 741,-- aan griffierecht en op € 1.611,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, H.K.N. Vos en P.S. Kamminga en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 22 september 2020.

griffier rolraadsheer