Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2894

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
200.281.503_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wsnp-zaak: bekrachtiging in hoger beroep van een verlenging van de termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 17 september 2020

Zaaknummer : 200.281.503/01

Zaaknummer eerste aanleg : [zaaknummer] R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. A.M.A. Bouwens te Urmond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg (zittingsplaats Maastricht) van 28 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 augustus 2020, heeft [appellant] verzocht voormeld vonnis tot verlenging looptijd te vernietigen dan wel te wijzigen en te bepalen dat:

[appellant] in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet is tekortgeschoten en, indien er sprake is van een tekortkoming, deze niet aan de schuldenaar kan worden toegerekend, dan wel ingeval van een toerekenbare tekortkoming, te bepalen dat de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, buiten beschouwing blijft.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 september 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Bouwens;

- mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder;

- de heer [beschermingsbewindvoerder] , hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 16 juli 2020;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 21 augustus 2020;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 4 september 2020.

- het ter zitting door de beschermingsbewindvoerder overgelegd budgetplan.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep is de beschermingsbewindvoerder in de gelegenheid gesteld, van welke gelegenheid hij ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over het verloop van de schuldsaneringsregeling te geven.

3.2.

Bij vonnis van 18 juli 2017 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 349a lid 1 Fw

bepaald dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt voortgezet, de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling gewijzigd en vastgesteld op vier en een half jaar of zoveel korter als nodig is om de nieuwe schulden te betalen, derhalve tot maximaal 18 januari 2022;

Daarbij is o.m. als volgt overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat de saniet, gelet op het vorenstaande, nog een kans dient te krijgen. Zij merkt op dat de saniet zich tijdens de resterende looptijd stipt dient te houden aan de afdracht van het bewindvoerdersalaris en het betalen van de nieuwe schulden. De rechtbank houdt rekening met de mogelijkheid dat er een nieuwe eindafrekening komt voordat de nu openstaande nieuwe schulden zijn betaald. De rechtbank legt daarom aan de saniet de verplichting op dat er geen nieuwe schulden mogen ontstaan, behoudens de nieuwe schuld in verband met de eindafrekening gas/water/licht van volgend jaar.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

De financiën van [appellant] worden beheerd door een beschermingsbewindvoerder.

[appellant] geeft aan dat er zaken zijn mis gelopen tijdens het bewind en de looptijd van de schuldsaneringsregeling, zoals het niet tijdig aanvragen van een uitkering na ziekte en einde van de arbeidsovereenkomst waardoor hij inkomen is misgelopen. Dit heeft een tekort in het financieel budget opgeleverd, echter een en ander is inmiddels volledig hersteld. Desalniettemin is het budget van [appellant] gering en is er maandelijks weinig ruimte voor een reservering.

[appellant] is van mening dat hij zich onder alle omstandigheden goed heeft gehouden aan de verplichtingen voortvloeiende uit de wettelijke schuldsaneringsregeling en dat de schuld aan [onderneming] hem niet kan worden toegerekend dan wel, als deze aan hem kan worden toegerekend, deze schuld gezien de bijzondere aard of geringe betekenis buiten

beschouwing dient te worden gelaten.

3.4.1.

[appellant] doet er alles aan om op de nieuwe schuld(en) af te lossen. Hij heeft gewezen op de ook in eerste aanleg aan de orde zijnde ‘vicieuze cirkel’ ten aanzien van de kosten voor gas, water en licht in verband met de elk jaar terugkerende nabetalingsverplichting. Er is een betalingsregeling getroffen met [onderneming] . Hij lost maandelijks € 75,00 af op de nieuwe schuld(en) en zo mogelijk meer. Om dit te kunnen waarmaken leeft [appellant] sober. [appellant] beschikt maandelijks over een bedrag van

€ 180,00 aan leefgeld. Volgend jaar zal een gelijke situatie bestaan, alleen heeft [appellant] dan een hogere nieuwe schuld bij [onderneming] (als gevolg van de jaarafrekening 2019 en 2020). De reden hiervan is dat het salaris van de bewindvoerder (ter hoogte van € 55,- per maand) dusdanig drukt op het budget van [appellant] in verhouding tot de recente maandelijkse boedelafdrachten van € 3,08, dat hij de huidige betalingsregeling met [onderneming] niet meer kan nakomen. Hij kan dan immers nog maar € 20,00 per maand aflossen op de schuld en wordt dan volgend jaar in mei 2021 hoogstwaarschijnlijk opnieuw geconfronteerd met een vordering. De vraag is hierbij ook of [onderneming] genoegen zal nemen met een maandelijkse aflossing van € 20,00. Dit maakt dat als gevolg van de verlenging van de looptijd van de schuldsaneringsregeling [appellant] in een slechtere financiële situatie zal worden gebracht.

3.4.2.

Het voelt voor [appellant] dan ook tegenstrijdig dat de rechtbank wel volgend jaar met desbetreffende situatie rekening wil houden, echter niet dit jaar. Dit terwijl er geen andere

redenen dan de nieuwe schuld zijn (waarvoor reeds een betalingsregeling is getroffen en

maandelijks op wordt afgelost door de beschermingsbewindvoerder) om de

schuldsaneringsregeling te verlengen en de vordering naar zijn mening (mede gelet op de

aard) niet aan hem kan worden toegerekend.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

In het budgetplan kan niet worden gereserveerd. Zelfs het salaris voor de bewindvoerder is niet mogelijk. Alleen het vakantiegeld kan worden ingezet. Met betrekking tot de toerekenbare tekortkoming wordt gesteld dat [appellant] er niets aan kan doen dat er een nieuwe schuld is ontstaan. De ziekmelding heeft hij wel gemeld bij de beschermingsbewindvoerder. Vanwege zijn medische omstandigheden heeft [appellant] een auto nodig. Daarnaast doet hij ook nog vrijwilligerswerk. Er wordt nu € 50,-- per maand aan [onderneming] betaald. Gelet op het inkomen en de lasten blijft er nauwelijks iets over. Dat de beschermingsbewindvoerder stelt dat er € 75,-- per maand kan worden afgelost is nieuw voor [appellant] . Hij heeft geen overzicht en alles is onduidelijk voor hem. Het zou dus mogelijk zijn, maar de niet-toerekenbaarheid blijft bestaan. Daarom wordt het hoger beroep gehandhaafd. [appellant] heeft wel gebeld met [onderneming] en een email gestuurd om zijn beklag te doen over de stookkosten, maar dat heeft tot niets geleid.

3.6.

De bewindvoerder heeft in haar brief van 21 augustus 2020 - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

“De nieuwe schulden zijn ontstaan in de periode augustus 2018 — oktober 2018, doordat meneer niet heeft doorgegeven dat zijn contract was afgelopen en de uitkering UWV hierdoor niet werd aangepast. UWV wilde dit niet meer met terugwerkende kracht aanpassen. In juni 2020 is er nog een achterstand in betalingen van € 1742,62. Daarin is de nieuwe afrekening energie van € 851,67 nog niet in meegenomen. Op 3 augustus wordt gesteld dat de openstaande vordering nog maar € 1079,53 bedraagt, dan heeft schuldenaar een behoorlijk bedrag weten af te lossen. Bv weerspreekt dan ook dat schuldenaar niet in staat is de vergoeding van de bewindvoerder te vergoeden. Bewindvoerder blijft dan ook bij haar mening dat meneer de schulden eerst moet aflossen eer de schone lei kan worden uitgesproken, te meer omdat meneer herhaaldelijk heeft laten weten te willen

stoppen met beschermingsbewind, zodra hij de schone lei heeft ontvangen.”

3.7.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd.

De informatie rond de ziekmelding, het niet tijdig aanvragen van een uitkering na ziekte en het einde van de arbeidsovereenkomst van [appellant] is destijds niet op tijd ontvangen. Dit handelen en de gevolgen ervan zijn [appellant] toe te rekenen. Het gaat ook niet om een gering bedrag aan nieuwe schulden. Buiten beschouwing laten is geen optie. Er kan nu eenmaal geen schone lei worden verleend zolang er nog een vordering op grond van een nieuwe schuld openstaat. Ik handhaaf mijn standpunt als in mijn brief aan het hof van 21 augustus 2020.

3.8.

De heer [beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder, heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd.

Er is niet nagedacht om de kwestie rond de stookkosten voor te leggen aan de huurcommissie. In 2018 zijn de achterstanden ontstaan. Er is hard gewerkt om de achterstanden in te lopen. Aanvankelijk was de aflossingscapaciteit € 50,-- per maand. Op basis van het huidige overgelegd budgetplan kan € 75,-- per maand worden afgelost als er tenminste niets vreemds gebeurt. In het budgetplan is het salaris bewindvoerder meegenomen. Op dit moment bedraagt de schuld € 979,--. De schuld is teruggelopen door het vakantiegeld in te zetten.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3..2. Het hof stelt voorop dat geen grief is opgeworpen tegen het oordeel van de rechtbank dat er een nieuwe schuld aan [onderneming] is ontstaan. Uitgangspunt is dat geen schone lei kan worden verleend zolang de tijdens de looptijd van de schuldsaneringsregeling ontstane nieuwe schuld voor het verstrijken van de termijn niet in zijn geheel is voldaan.

Het hof is vanwege het hebben laten ontstaan van een nieuwe schuld met de rechtbank van oordeel dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen onvoldoende is nagekomen. Het ontstaan van deze nieuwe schuld kan hem worden toegerekend omdat hij de informatie omtrent het verlies van zijn baan niet (tijdig genoeg) heeft verstrekt aan de juiste personen/het UWV waardoor te laat een uitkering is verstrekt. Wegens het daardoor ontstane tekort aan inkomen kon niet worden gereserveerd om de nabetaling te doen.

3.9.3.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichting. Het hof ziet -nu het een nieuwe schuld betreft en gelet op de aanzienlijke hoogte van het bedrag ervan- geen aanleiding om op de voet van artikel 354 lid 2 Fw te bepalen dat deze tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de beschermingsbewindvoerder gesteld dat thans een vordering openstaat van € 997,--, welk bedrag op basis van het meest recente budgetplan kan worden afgelost met € 75,-- per maand. Dat zou betekenen dat de vordering binnen ongeveer 13 maanden in zijn geheel zou kunnen zijn ingelopen. Nu de rechtbank de termijn van de toepassing van de schuldsaneringsregeling van [appellant] heeft verlengd met 16 maanden of zoveel korter als de nieuwe schuld zal zijn ingelopen zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, J. Bartelds en J.M.H. Schoenmakers en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.