Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2879

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
16-07-2021
Zaaknummer
200.242.094_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:2097
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vaststelling zorgregeling in hoger beroep

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 17 september 2020

Zaaknummer: 200.242.094/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/323557/FA RK 17-3635

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te

[woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in (voorwaardelijk) incidenteel appel

,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. L.M. Bakker,

tegen

[de vader] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.C.M. Schaeken.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven als artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost-Nederland, vestiging [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking van 27 juni 2019

Bij die beschikking heeft het hof:

  • -

    de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 6 april 2018 bekrachtigd voor wat betreft de beslissing over het hoofdverblijf van de kinderen;

  • -

    voorlopig, in afwachting van het verloop hiervan, een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vastgesteld waarbij de moeder contact heeft met de kinderen en waarbij de duur, de frequentie, de vorm van dit contact en de voorwaarden waaronder dit plaatsvindt, door de GI worden bepaald;

  • -

    de GI verzocht voor de pro forma datum van 24 september 2019 het hof te informeren over het verloop hiervan.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft voorts kennis genomen van:

- de brief van de GI van 13 september 2019, ingekomen bij het hof op 17 september 2019, met daarbij diverse verslagen van de begeleide bezoeken;

- het V6-formulier van de advocaat van de vader van 2 oktober 2019, met bijlage, ingekomen bij het hof op diezelfde datum;

- het V6-formulier van de advocaat van de vader van 1 mei 2020, met bijlagen, ingekomen bij het hof op 20 mei 2020;

- de brief van de GI van 15 juni 2020, met bijlage, ingekomen bij het hof op 16 juni 2020;

- de brief van de advocaat van de vader van 2 juli 2020, ingekomen bij het hof op 6 juli 2020;

- het V6-formulier van 6 juli 2020, met bijlage, van de advocaat van de moeder, ingekomen bij het hof op diezelfde datum.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

7 De verdere beoordeling

7.1.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan. De moeder betreurt het dat zij zeer beperkt contact heeft met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De moeder zou heel graag zien dat de huidige regeling opgebouwd wordt naar een onbegeleide contactregeling waarbij de kinderen uiteindelijk eens in de veertien dagen een weekend bij de moeder verblijven. De moeder woont samen met haar partner die haar kan ondersteunen bij de verzorging van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Volgens de moeder zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de dupe van de strijd die de beide ouders voeren, ten gevolge waarvan de contacten tussen de moeder en de kinderen beperkt zijn. Er is hulpverlening nodig voor de kinderen, omdat zij tussen de ouders klem zitten. De moeder wil daar aan meewerken. De moeder heeft voorgesteld om de overdracht bij de contactmomenten door een derde te laten plaatsvinden, nu dit door de GI als belastend voor de kinderen is benoemd.

7.2.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan. Het is van belang dat er duidelijkheid komt met betrekking tot de contactregeling. De oudercommunicatie is zeer belast. De moeder heeft tot op heden geen inzicht gegeven in haar thuissituatie, zodat niet duidelijk is hoe de kinderen daar een weekend door zouden kunnen brengen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling bij het hof zijn verzoek aangepast in die zin dat hij wenst dat de kinderen gedurende 3 uur tweewekelijks contact met de moeder hebben. De vader heeft daarbij tevens aangegeven dat niet de duur van de contactmomenten zo zeer van belang is, maar wel dat de contacten voor de kinderen fijn verlopen.

7.3.

De GI voert - kort samengevat - het volgende aan. Ondanks dat de GI de regie heeft gekregen om de contacten tussen de kinderen en de moeder te organiseren heeft dit tot nu toe niet geleid tot een goede, veilige, onbelaste en onbegeleide contactregeling. De hulpverlening stagneert en de zorgen over het ontbreken van inzicht bij de moeder, het verloop van de omgang en de communicatie tussen de ouder blijven bestaan. De GI heeft niet de verwachting dat de moeder veranderingsmogelijkheden heeft voor wat betreft haar inzicht in de problematiek. De GI heeft daarom de vader geadviseerd een verzoek in te dienen tot verkrijging van het eenhoofdig gezag, met als voorwaarde dat het contact tussen de moeder en de kinderen in stand blijft. De GI kan de ondertoezichtstelling dan afsluiten.

7.4.

De raad voert - kort samengevat - het volgende aan. Het is van belang dat er duidelijkheid komt voor de kinderen en de ouders. Het is aan de GI om een plan op te stellen op welke wijze er gewerkt kan worden naar een uitbreiding van de contacten tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat deze uiteindelijk onbegeleid en wellicht met overnachting kunnen gaan plaatsvinden. De raad mist daarin het advies van de GI. Hoewel de raad verwacht dat de oudercommunicatie niet meer zal kunnen verbeteren, kunnen de ouders wel baat hebben bij psycho-educatie. De raad adviseert het hof een vinger aan de pols te houden.

7.5.

Het hof overweegt als volgt.

7.5.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253 a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

7.5.2.

Tussen partijen is in geschil op welke wijze de verdeling van zorg- en opvoedingstaken met betrekking tot [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dient te worden vastgesteld.

7.5.3.

Gebleken is dat de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] inmiddels geruime tijd contact met elkaar hebben via een begeleide regeling. Echter, uit de raadsrapportage van 23 februari 2018 blijkt reeds dat de moeder na een korte periode van hulpverlening in staat wordt geacht vrijelijk contact te hebben met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende iedere zaterdag van 09.00 uur tot 18.00 uur, en een gedeelte van de feestdagen en de vakanties. De raad heeft daarbij benadrukt dat er geen signalen zijn die de nabijheid van een professional in de vorm van omgangsbegeleiding rechtvaardigen. De raad heeft daarnaast professionele hulp geadviseerd, zoals een vertrouwenspersoon en een kies-traject voor de kinderen, ondersteuning voor de moeder en een traject om de communicatie tussen de ouders te verbeteren.

In de bestreden beschikking van 6 april 2018 heeft de rechtbank overwogen dat de raad een duidelijke opdracht ziet voor de GI om te komen tot onbegeleide omgangscontacten tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Ook heeft de rechtbank overwogen dat de begeleide omgangs-contacten eindig moeten zijn en dat hulpverlening nodig is in het traject naar onbegeleid contact voor de ouders zowel afzonderlijk als gezamenlijk en voor de kinderen. De rechtbank heeft vervolgens de contactregeling vastgesteld conform het advies van de raad. Nadat de moeder in hoger beroep is gekomen heeft het hof tijdens de mondelinge behandeling op 23 mei 2019 de ouders reeds voorgehouden dat zij zich, onder begeleiding van de GI, er voor in moeten zetten dat de contacten tussen de moeder en de kinderen, na afloop van de door de rechtbank vastgelegde voorlopige regeling, voortgezet worden. De regie is daarmee destijds aan de GI gegeven, zoals bevestigd in de (tussen)beschikking van het hof van 27 juni 2019.

Gebleken is dat er tot op heden geen onbegeleide contactmomenten hebben plaatsgevonden. Vóór de corona-maatregelen vond het contact tussen de moeder en de kinderen drie keer in de maand gedurende drie uur onder begeleiding plaats. Gedurende de corona-periode is de contactregeling niet doorgegaan, maar hebben de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wel wekelijks via beeldbellen, onder begeleiding, contact gehad. Met ingang van 20 juli 2020 is de contactregeling hervat (de moeder had de eerste keer gedurende één uur begeleid contact met [minderjarige 2] ). De moeder heeft onweersproken aangegeven dat de regeling opgebouwd zal moeten worden naar drie woensdagen in de maand gedurende drie uur, onder begeleiding. Verder is gebleken dat de GI de vader recentelijk heeft geadviseerd bij de rechtbank een verzoek tot eenhoofdig gezag in te dienen, zodat de ondertoezichtstelling uiteindelijk beëindigd kan worden. De GI ziet daarbij voor zich dat de verantwoordelijkheid voor de contactregeling bij de vader dient te komen liggen. Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling bij het hof heeft de GI desgevraagd aangegeven geen concreet plan voor ogen te hebben hoe de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de komende periode vormgegeven zou moeten worden.

Het hof acht in dit verband de door de GI bij brief van 15 juni 2020 overgelegde rapportage “evaluatie omgangsbegeleiding” van groot belang, waaruit blijkt dat CJG+ [CJG] van mening is dat het zinvol is om nogmaals aan de slag te gaan met de ouders om hen de schadelijke gevolgen van hun strijd te laten inzien en de focus te gaan leggen op wat de kinderen nodig hebben. Tijdens de ouderbegeleidingsgesprekken is de strijd tussen de ouders opgelaaid en wordt duidelijk in wat voor loyaliteitsconflict de kinderen zitten. Uit de rapportage volgt verder dat CJG+ [CJG] de zorg uitspreekt dat wanneer de ondertoezichtstelling zou stoppen, de verwachting is dat de omgang van de kinderen met hun moeder zeer snel zal stoppen.

7.5.4.

Noch uit de overgelegde stukken, noch uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling bij het hof naar voren is gekomen is gebleken dat continue begeleiding van de contacten tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is vanwege problematiek aan de zijde van de moeder. Naar het oordeel van het hof ligt de problematiek veeleer in de verstoorde verhouding tussen de ouders gezamenlijk. Dit betekent echter niet dat de contacten voortdurend begeleid hoeven plaats te vinden. Van belang is voorts dat er ook zorgen naar voren zijn gekomen over de situatie bij de vader in verband met het onbelast kunnen laten verlopen van de overdracht van de kinderen bij een contactmoment met de moeder. Om dit te verbeteren zou bijvoorbeeld, zoals de moeder voorstelt, een neutrale derde de overdracht over kunnen gaan nemen. Alles overziende is het hof met de raad van oordeel dat het op de weg van de GI ligt een concreet stappenplan te maken, dat te evalueren en te coördineren, zoals dat inmiddels meerdere keren aan de GI is voorgehouden. In verband met de nodige rust voor de kinderen en om hen de mogelijkheid te geven om ook op een woensdagmiddag regelmatig wat te kunnen afspreken bepaalt het hof de frequentie op éénmaal per twee weken begeleid contact met de moeder. Daarbij gaat het hof er vanuit dat de contacten tot 1 december 2020 i.v.m. de begeleiding door een professionele instelling op een woensdag zullen plaatsvinden. Omdat de moeder nu drie weken van de vier weken contact heeft, betekent dat een teruggang in de contacten. Het hof zal dan ook bepalen dat de contactregeling op relatief korte termijn (vanaf 1 december 2020) moet worden uitgebreid in uren waarbij ook moet worden gekeken naar een andere locatie, dan waar de moeder de kinderen nu treft, die voor alle kinderen de mogelijkheid biedt om op een prettige wijze (passend bij de leeftijd van de kinderen) de tijd met de moeder door te brengen. Daarnaast is het van groot belang dat de benodigde hulpverlening wordt ingezet voor de ouders en de kinderen zoals door de raad en CJG+ [CJG] is geadviseerd.

7.5.5.

Gelet op het voorgaande zal het hof de navolgende voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen, waarbij toegewerkt zal worden van een begeleide naar een onbegeleide contactregeling:

  • -

    de kinderen hebben tot 1 november 2020 minimaal eenmaal per twee weken gedurende drie uren begeleid contact met de moeder op een door de GI vast te stellen plaats en tijdstip;

  • -

    de kinderen hebben tot 1 december 2020 minimaal eenmaal per twee weken gedurende vier uren of meer begeleid contact met de moeder op een door de GI vast te stellen plaats en tijdstip;

  • -

    de kinderen hebben vanaf 1 januari 2021 elke week één dag per week op zaterdag, of in overleg een andere dag, van 09.00 uur tot 18.00 uur onbegeleid contact, op een door de GI in overleg met partijen te bepalen locatie, waarbij de overdracht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de vader naar de moeder en andersom plaatsvindt in aanwezigheid van een neutrale begeleider;

  • -

    de feestdagen worden door de GI in overleg met partijen evenredig verdeeld en tijdens de schoolvakanties ziet de moeder de kinderen naast de reguliere voorlopige contactregeling, één dag extra per week;

  • -

    de GI kan bovengenoemde regeling bijstellen als meer of minder contacten of (andere) begeleiding in het belang van de kinderen worden geacht.

7.5.6.

Het is van groot belang dat de GI onverwijld de benodigde hulpverlening opstart, inhoudende psycho-educatie voor de ouders (zoals door de raad op de mondelinge behandeling geadviseerd), een vertrouwenspersoon voor de kinderen, een Kies-traject voor de kinderen, individuele hulpverlening voor de ouders en zo mogelijk gezamenlijke hulpverlening voor de ouders ter verbetering van de communicatie (zoals volgt uit het raadsrapport van 23 februari 2018).

7.6.

Het voorgaande leidt er toe dat het hof de zaak zaal aanhouden voor een periode van zes maanden, in afwachting van het verloop van de opbouwende contactregeling en de hierboven beschreven zo spoedig mogelijk in te zetten hulpverlening.

8 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

stelt een voorlopige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast, waarbij de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gerechtigd zijn tot contact met elkaar:

  • -

    de kinderen hebben tot 1 november 2020 minimaal eenmaal per twee weken gedurende drie uren begeleid contact met de moeder op een door de GI vast te stellen plaats en tijdstip;

  • -

    de kinderen hebben tot 1 december 2020 minimaal eenmaal per twee weken gedurende vier uren of meer begeleid contact met de moeder op een door de GI vast te stellen plaats en tijdstip;

  • -

    de kinderen hebben vanaf 1 januari 2021 elke week één dag per week op zaterdag, of in overleg een andere dag, van 09.00 uur tot 18.00 uur onbegeleid contact, op een door de GI in overleg met partijen te bepalen locatie, waarbij de overdracht van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van de vader naar de moeder en andersom plaatsvindt in aanwezigheid van een neutrale begeleider;

  • -

    de feestdagen worden door de GI in overleg met partijen evenredig verdeeld en tijdens de schoolvakanties ziet de moeder de kinderen naast de reguliere voorlopige contactregeling, één dag extra per week;

  • -

    de GI kan bovengenoemde regeling bijstellen als meer of minder contacten of (andere) begeleiding in het belang van de kinderen worden geacht.

verzoekt de GI tijdig vóór de hierna te noemen pro forma datum rapport uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen, waarna de raadslieden van partijen worden verzocht binnen veertien dagen na ontvangst van de rapportage van de GI het hof te informeren over het verdere verloop van de zaak;

houdt iedere verdere beslissing aan tot PRO FORMA 17 maart 2021.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen, mr. E.M.C. Dumoulin, mr. H.M.A.W. Erven en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.