Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2872

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
21-09-2020
Zaaknummer
200.243.475_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2047
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht WWZ.

Dringende reden; bewijswaardering, vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2019:2047

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2020-1131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 17 september 2020

Zaaknummer : 200.243.475/01

Zaaknummer eerste aanleg : 6694318

in de zaak in hoger beroep van:

[de werknemer] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

hierna aan te duiden als [de werknemer] ,

advocaat: mr. A. Schmidt,

tegen

[de werkgever] .,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster in principaal hoger beroep,

hierna aan te duiden als [de werkgever] ,

advocaat: mr. M.K. Terpstra,

als vervolg op de tussenbeschikking van 6 juni 2019.

5 Het verloop van de procedure

5.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de tussenbeschikking van 6 juni 2019;

  • -

    het proces-verbaal van getuigenverhoor van 10 oktober 2019;

  • -

    een akte overlegging producties van [de werkgever] (prod 11 t/m14) die bij gelegenheid van de voortzetting van het getuigenverhoor in het geding is gebracht;

  • -

    het proces-verbaal van voortzetting getuigenverhoor van 14 januari 2020;

  • -

    het proces-verbaal van contra-enquête van 13 maart 2020;

  • -

    de conclusie na enquête met producties van [de werkgever] , ingekomen ter griffie op 15 april 2020;

  • -

    de conclusie na enquête met producties van [de werknemer] , ingekomen ter griffie op 13 mei 2020.

5.2.

Het hof heeft daarna een datum voor beschikking bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken.

6 De verdere beoordeling

6.1.

Bij de tussenbeschikking is [de werkgever] toegelaten te bewijzen:

- dat [de werknemer] opdracht heeft gegeven aan werknemers van [de werkgever] om een auto van of voor
[derde] te spuiten zonder dat dit geregistreerd is;

- dat er geen facturen zijn opgesteld ter zake de aan deze auto verrichte werkzaamheden;

- dat daarbij op instructie van [de werknemer] materiaalverbruik niet is geregistreerd;

- dat daarbij materiaalverbruik niet is gefactureerd.

6.2.

[de werkgever] heeft zes getuigen doen horen en [de werknemer] heeft in contra-enquête twee getuigen doen horen.

6.3.

Het hof acht [de werkgever] geslaagd in het opgedragen bewijs en overweegt daartoe het volgende. Door de getuigen [werknemer 2] , voorbewerker bij [de werkgever] en [werknemer 1] , autospuiter bij [de werkgever] , zijn gedetailleerde getuigenverklaringen afgelegd.

Zo verklaart [werknemer 2] onder meer:

“U vraagt mij wat ik weet van een oude auto die te maken zou hebben met [derde] . Ik weet dat de auto in onderdelen is binnengekomen. Ik heb gezien dat [derde] de onderdelen naar binnen bracht het ging daarbij om onderdelen zoals een motorkap, spatborden, treeplanken en kofferdeksel. Dat zal in april/begin mei 2017 zijn geweest. Alle onderdelen zaten in de grondlak (ze waren wit). De onderdelen moesten zwart gespoten worden. Ik heb gezien dat [derde] de onderdelen in de spuitcabine van [de werkgever] zelf in de grondlak heeft gespoten daarna heeft [derde] de onderdelen weer meegenomen en ik denk dat hij ze thuis heeft geschuurd ik heb gezien dat hij de onderdelen weer heeft ingeladen. Na het schuren zijn de onderdelen teruggekomen. [derde] bracht ze terug om af te lakken dat aflakken is gebeurd in de spuitcabine van [de werkgever] ik heb gezien dat ze afgelakt werden door [werknemer 1] ik weet niet zeker of [derde] er bij was, maar ik denk het wel omdat hij erg betrokken was bij deze auto. Dat leidde ik af uit het feit dat hij vaker vertelde dat hij met dit project bezig was. U vraagt mij wat voor auto het was. Het was een MG. Dat heb ik niet kunnen zien omdat het typeplaatje niet op de auto zat. Ik leid dat af uit het feit dat [derde] altijd sprak over een MG.

Bij de onderdelen die [derde] bracht en die gespoten werden was ook de kale body van de auto. Nadat de auto-onderdelen zwart waren afgelakt heb ik ze fijn afgeschuurd zodat daarna de blanke lak erover gezet kon worden ik kreeg van de heer [de werknemer] de opdracht de auto te schuren ik kreeg daarbij geen werkorder. Het was een mondelinge opdracht van [de werknemer] om de MG tussen te schuren. Toen ik de auto schuurde stond [derde] te kijken bij de auto hij had het over zijn project en dat hij blij was dat hij al zo ver gekomen was.(…)”

[werknemer 1] verklaart onder meer:

“U vraagt mij wat ik me kan herinneren van de auto waarover ik een verklaring heb afgelegd.

Ik herinner me dat de koets en onderdelen op een aanhangwagen stonden en dat [derde] die aanhangwagen voor de rolpoort had gereden. Ik ken [derde] omdat hij regelmatig in de kantine kwam en een vriend van [de werknemer] was. Ik herinner me dat de koets op een speciaal onderstel is gezet. En ook de onderdelen zijn naar binnen gebracht. Ik herinner me dat geschuurd moest worden en ik heb zelf de koets en de onderdelen gedeeltelijk in de grondlak gezet, de 2K lak en daarna is hij nog twee keer in de blanke lak gegaan. (…) Ik herinner me specifiek dat het lakken op het einde van de dag moest gebeuren in verband met het houtwerk op de koets. Ik denk dat ik in totaal tien tot vijftien uur besteed heb aan dit project. Er zijn vier doorgangen geweest, daarmee bedoel ik dat de koets en onderdelen vier keer zijn gespoten. Ik herinner me ook dat ik zelf losse onderdelen heb opgehangen en dat mijn collega [werknemer 2] mee heeft geschuurd aan de koets zelf. Ik herinner me dat er een werkorder was. Dat is een A4 blad. Ik herinner me ook dat daar de naam van [derde] opstond. Normaal staat daar op ook de verrichte werkzaamheden, maar ik herinner me niet meer welke werkzaamheden op de werkorder stonden. Voor mij was het duidelijk dat ik koets en onderdelen moest spuiten. (…) De kleur werd handmatig op de werkorder geschreven. Ik kan me herinneren dat ik dat met een dikke viltstift heb gedaan. Ik heb niet gezien door wie de koets is opgehaald. Ik weet wel nog dat onderdelen langer zijn blijven liggen in verband met een verbouwing bij [derde] . Ik heb gezien dat hij later de onderdelen heeft opgehaald. Ik herinner me ook nog specifiek dat we een aparte kleur ‘AM-5’ hebben besteld voor deze werkzaamheden (…) De werkzaamheden zijn tussen januari en mei 2017 uitgevoerd. (…)

Hij [ [derde] , toevoeging hof] was ook trots op dit project. Hij heeft mij ook nog persoonlijk bedankt omdat ik deze auto heb gespoten. Ik schat dat 20 tot 25 liter lak is besteed aan dit project. Het was immers grondlak, zwarte lak en twee keer blanke lak. Bovendien moesten naast de koets veel onderdelen worden gespoten tot en met de benzinetank toe. De schatting is ook inclusief verharden en verdunnen van de lak. (…) Bij het lakken van onderdelen wordt ook relatief meer lak verbruikt omdat het om kleinere onderdelen gaat en niet één groot object. Er waren overigens ook grote onderdelen bij. [de werknemer] was op de hoogte van deze werkzaamheden. Ik kreeg van hem de werkorder en moest gewoon deze auto spuiten. [derde] heeft een eigen werkplaats achter het huis. Dat vertelde hij. Ik heb ook nog aan een zilvergrijze Volkswagen Polo gewerkt van [derde] . Die had een bumperschade. Ik heb samen met [derde] de kleur van de oldtimer uitgezocht. Hij wilde het diepste zwart hebben wat er was.”

6.4.

Het hof acht deze verklaringen, die in lijn zijn met de eerder in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen, zodanig gedetailleerd en overtuigend dat daarmee het bewijs is geleverd dat [de werknemer] opdracht heeft gegeven aan deze werknemers van [de werkgever] om een auto van of voor [derde] te spuiten. Anders dan [de werknemer] in de conclusie na enquête stelt was er voor de behandelend raadsheer-commissaris geen enkele aanwijzing dat sprake was van enige non-verbale communicatie tussen de getuige [werknemer 1] en diens werkgever op grond waarvan diens verklaring als onbetrouwbaar moet worden bestempeld. [de werknemer] heeft (met name in de conclusie na enquête) nog aangevoerd dat sprake kan zijn van een alternatief scenario in de zin dat de getuigen [werknemer 1] en [schademanager] hebben verklaard over een andere auto die in die periode ook zwart zou zijn gespoten, maar gelet op de gedetailleerde verklaringen van de getuigen verwerpt het hof die visie als onaannemelijk.

De door [de werknemer] zelf en [derde] afgelegde verklaringen acht het hof verder van onvoldoende gewicht om de gedetailleerde verklaringen van [werknemer 2] en [werknemer 1] te ontkrachten. [de werkgever] heeft verder gemotiveerd gesteld dat de werkzaamheden en het materiaalverbruik in verband met deze werkzaamheden niet zijn geregistreerd en gefactureerd. De getuigen [schademanager] en [naam] hebben daarover toelichtend verklaard. Ook uit de door [de werknemer] en [derde] afgelegde verklaringen (zij verklaren dat geen werkzaamheden aan of voor een auto van [derde] zijn verricht (anders dan de Volkswagen Polo waarover ook [werknemer 1] verklaart) moet worden afgeleid dat registratie van die werkzaamheden en het materiaalverbruik niet heeft plaatsgevonden en dat de betreffende werkzaamheden niet zijn gefactureerd.

6.5.

Op grond van het voorgaande staat voldoende vast dat sprake is van een dringende reden zoals door [de werkgever] aangevoerd. Onder 3.14 van de tussenbeschikking heeft het hof al overwogen dat indien de dringende reden komt vast te staan, [de werknemer] terecht op staande voet is ontslagen.

In de tussenbeschikking is ook overwogen dat de overige grieven van [de werknemer] in het principaal appel geen doel treffen. Dit betekent dat de bestreden beslissing zal worden bekrachtigd.

In het incidenteel appel is al beslist in het dictum van de tussenbeschikking, zodat daarover niet meer hoeft te worden beslist.

6.6.

[de werknemer] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel aan de zijde van [de werkgever] . Het gaat daarbij om € 726,-- aan betaald griffierecht, € 5.564,-- aan salaris advocaat en € 32,20 (betaalde getuigentaxe) en de hierna te vermelden nakosten.

7 De beslissing

Het hof:

op het principaal hoger beroep:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [de werknemer] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [de werkgever] op € 726,-- aan griffierecht, op € 32,20 aan getuigentaxe en op € 5.564,-- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking is voldaan aan de bij deze beschikking uitgesproken veroordelingen en betekening van deze beschikking heeft plaatsgevonden;

verklaart de beslissing ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. Rousseau, M. van Ham en A.J. van de Rakt en is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020.