Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:286

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-01-2020
Datum publicatie
12-02-2020
Zaaknummer
200.263.257_01 en 200.263.259_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdiencapaciteit, jusvergelijking, art. 1:100 (nieuw) BW, draagplicht schulden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.263.257/01 en 200.263.259/01

zaaknummer rechtbank : C/1/330806 / FA RK 18-700

beschikking van de meervoudige kamer van 30 januari 2020

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. G.V. van Campen te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.A.M.L. van Osch te 's-Hertogenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 25 april 2019, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 juli 2019, aangevuld bij brief van zijn advocaat van 28 november 2019, heeft de man verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden, de bestreden beschikking voor wat betreft de onderdelen waartegen grieven zijn gericht, te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  1. het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man gehouden is aan haar een bijdrage te betalen in haar levensonderhoud alsnog af te wijzen;

  2. te bepalen dat de vrouw gehouden is de te veel door haar ontvangen partneralimentatie aan de man terug te betalen;

  3. te verklaren voor recht dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor zover hij meer aan de SPH voldoet dan 50% van de schuld op de peildatum;

  4. de vrouw te veroordelen binnen 14 dagen na de beschikking van dit hof aan de man te betalen een bedrag van € 6.331,73 in verband met de aflossingen op de hypotheek;

  5. te bepalen dat de door de man aan de vrouw verschuldigde gebruiksvergoeding in totaal € 240,44 bedraagt.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 september 2019, heeft de vrouw verzocht de grieven van de man te verwerpen als zijnde onjuist en ongegrond.

Tevens heeft de vrouw hierbij incidenteel appel ingesteld en verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van gronden, de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de onderdelen waartegen de grieven van de vrouw zijn gericht, en opnieuw rechtdoende:

  1. de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw vast te stellen op € 6.540,97 netto per maand;

  2. in de draagkrachtberekening van de man rekening te houden met een bedrag aan aflossing hypotheek van € 306,-- (en niet met € 612,--) en in de draagkrachtberekening van de vrouw met een last van € 306,-- ter zake aflossing hypotheek;

  3. bij de verdeling van de saldi van de bankrekeningen uit te gaan van een afwijkende peildatum voor de omvang en waardering van de bankrekeningen, te weten 1 november 2017;

  4. de man te veroordelen om op grond van art. 1:164 BW aan de gemeenschap te vergoeden een bedrag van € 14.000,--;

  5. de bestreden beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Kosten rechtens.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met één productie, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2019, heeft de man verzocht de grieven van de vrouw af te wijzen, als zijnde ongegrond en onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 december 2019. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Campen;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Van Osch.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 29 januari 2019;

  • -

    de brief met producties 32 tot en met 48 van de advocaat van de man d.d. 28 november 2019;

  • -

    de brief met producties 42 en 43 van de advocaat van de vrouw d.d. 29 november 2019;

  • -

    de brief met productie 44 van de advocaat van de vrouw d.d. 5 december 2019;

  • -

    de brief met een productieoverzicht van de advocaat van de man d.d. 9 december 2019.

Voornoemde brieven (met bijlage) van de advocaat van de vrouw d.d. 5 december 2019 en van de advocaat van de man d.d. 9 december 2019 zijn ingekomen buiten de in het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn.

Partijen hebben hiertegen over en weer geen bezwaar gemaakt. Gelet op het feit dat deze stukken kort en eenvoudig te doorgronden zijn, heeft het hof beslist dat deze stukken worden toegelaten.

3 De feiten

3.1.

Partijen zijn op 6 april 1990, in algehele gemeenschap van goederen, gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

- [kind 1] , geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ;

- [kind 2] , geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ;

- [kind 3] , geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] .

De kinderen zijn thans (jong)meerderjarig en wonen zelfstandig.

3.2.

Het verzoekschrift tot echtscheiding is op 9 februari 2018 door de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch ontvangen.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van 25 april 2019 heeft de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 29 mei 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

- bepaald dat de man als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 2.526,-- per maand aan de vrouw dient te betalen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (29 mei 2019);

- vastgesteld dat de tussen partijen bestaande gemeenschap zal worden verdeeld zoals overwogen onder rov. 2.6.5 van die beschikking;

- bepaald dat de man aan de vrouw een gebruiksvergoeding is verschuldigd zoals overwogen onder rov. 2.7 van die beschikking;

4.2.

Partijen kunnen zich met deze beslissingen niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

4.3.

De grieven van de man zien op:

(1) de partneralimentatie;

(2) de schuld aan SPH;

(3) de gebruiksvergoeding.

De grieven van de vrouw zien op:

(1) de partneralimentatie;

(2) de verdeling van de banksaldi.

Het hof zal de grieven per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

5.1.

De vrouw stelt dat de rechtbank de bestreden beschikking ten onrechte niet uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. Zij verzoekt het hof (gelet op haar verzoek in het incidenteel appel onder 5.) dit alsnog te doen. De man voert verweer.

5.2.

De vrouw heeft geen belang meer bij haar verzoek nu het hof in deze beschikking, zal beslissen op de grieven en aanvullende verzoeken partijen, en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad zal worden verklaard.

Partneralimentatie

Hoogte van de behoefte vrouw (grief 1 van de man, grief I van de man)

5.3.

De behoefte van de vrouw ad € 3.858,-- netto per maand is in hoger beroep in geschil. De rechtbank heeft het hiervoor genoemde bedrag becijferd aan de hand van de door de vrouw in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst.

5.4.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op de gemotiveerde verweren die de man heeft aangevoerd naar aanleiding van een aantal posten op de behoeftelijst van de vrouw. Volgens de man bedraagt de netto huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw na correctie € 3.236,53 per maand. De uitgaven die partijen tijdens het huwelijk gewoon waren te doen is lager dan het bedrag dat de vrouw op haar behoeftelijst heeft genoemd. De man heeft de toepasselijkheid van de hof-norm betwist omdat partijen tijdens het huwelijk relatief sober leefden. Zij besteedden met name veel geld aan de kinderen.

Subsidiair stelt de man dat op het netto besteedbaar gezinsinkomen van € 10.313,-- de kosten van de kinderen van € 1.444,07 (punt 4 van het verweerschrift in incidenteel appel en de toelichting op productie 42 in de brief van de advocaat van de man d.d. 28 november 2019) in mindering moeten worden gebracht, zodat een netto besteedbaar gezinsinkomen resteert van € 9.168,93 per maand en een huwelijksgerelateerde behoefte van € 5.501,36 netto per maand.

5.5.

De vrouw stelt dat primair moet worden uitgegaan van de hof-norm. Gelet op het netto besteedbaar gezinsinkomen van € 10.313,-- bedraagt de huwelijkse gerelateerde behoefte € 6.188,-- (in 2017) netto per maand.

Subsidiair stelt de vrouw dat moet worden uitgegaan van de door haar in eerste aanleg overgelegde behoeftelijst. De door de rechtbank aangebrachte matigingen zijn volgens de vrouw niet terecht. De kosten op de behoeftelijst betreft de kosten die zij op dat moment had, waarbij zij moest rondkomen van een lager bedrag en aldus niet in staat was te leven conform de welvaart van partijen tijdens het huwelijk. Alsdan bedraagt de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw € 4.895,71 netto per maand.

5.6.

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald.

Aldus kan door de vrouw, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, voor de berekening van haar behoefte niet worden volstaan met het enkel uitgaan van 60% van het gezamenlijk gezinsinkomen dat partijen aan het einde van het huwelijk verdienden. De vrouw heeft in eerste aanleg echter ook een behoeftelijst overgelegd waarop haar behoefte is vermeld. Het hof zal de behoeftelijst beoordelen en daarbij mede betrekken wat partijen ten tijde van het huwelijk ter beschikking stond.

De vrouw heeft haar behoefte becijferd op € 4.896,-- netto per maand.

De man heeft kritiek op de door de vrouw ten aanzien van de volgende posten opgevoerde bedragen;

- kosten huisvesting: onderhoud huis, onderhoud tuin, servicekosten en overige (abonnement onderhoud cv-ketel);

- huishouden: eten en drinken, kleine huishoudelijk uitgaven en kosten huisdieren;

- kleding en verzorging: kleding/schoenen, kapper, persoonlijke verzorging en overige (sauna, sporten);

- vervoer: brandstof auto, kosten fiets en overig;

- vrije tijd: vakantie, dagje weg, uit eten/bioscoop/theater.

De man meent telkens ten aanzien van deze posten dat met lagere bedragen dan door de vrouw gesteld kan worden volstaan. Het hof komt evenwel de behoeftelijst van de vrouw voor wat betreft huisvesting, huishouden en vervoer niet bovenmatig voor. Het hof overweegt daarbij dat de welstand tijdens het huwelijk moet in acht worden genomen, waarbij tevens kan worden gelet op het inkomen dat partijen tijdens het huwelijk ter beschikking stond. Tussen partijen is niet in geschil dat het netto besteedbaar gezinsinkomen € 10.313,-- per maand bedroeg. De man heeft aangevoerd dat de kosten van de kinderen € 1.444,07 bedroegen – welk bedrag de vrouw niet heeft betwist - zodat de huwelijkse gerelateerde behoefte volgens de hofnorm € 5.501,36 (in 2017) bedraagt.

Het hof ziet wel aanleiding om op de posten ‘vrije tijd’ en ‘kleding en verzorging’ een correctie toe te passen. De man heeft immers aangevoerd, hetgeen de vrouw onvoldoende heeft weersproken, dat partijen tijdens hun huwelijk sober hebben geleefd. De vrouw heeft onder het kopje ‘vrije tijd’ aan kosten voor vakantie, dagje weg en uit eten/bioscoop/theater een bedrag van € 1.000,-- per maand opgevoerd. Volgens de man dient rekening te worden gehouden met een bedrag van € 500,-- per maand. Het hof zal, gelet op wat partijen ieder naar voren hebben gebracht, rekening houden met een gemiddeld bedrag van € 750,--.

Onder het kopje ‘kleding en verzorging’ heeft de vrouw aan kosten voor kleding/schoenen, kapper, persoonlijke verzorging en overige (sauna, sporten) een bedrag van € 420,-- per maand opgevoerd. Volgens de man moet worden uitgegaan van een bedrag van € 130,-- per maand. Daarbij heeft de man in het bijzonder bezwaar gemaakt tegen de posten kleding/schoenen (partijen gaven daarvoor veel minder uit tijdens het huwelijk) en sauna/sport (de vrouw ontvangt een vergoeding van haar werkgever voor fitness). Het hof zal deze post in redelijkheid beperken tot een bedrag van € 300,-- per maand.

Aldus becijfert het hof de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op € 4.276,-- netto per maand (in 2017). Geïndexeerd bedraagt deze behoefte in 2019 € 4.427,-- netto per maand.

Behoeftigheid

5.7.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen ermee ingestemd dat van een netto besteedbaar inkomen van de vrouw van € 2.472,-- per maand kan worden uitgegaan.

5.8.

Gelet op het voren overwogene becijfert het hof de aanvullende behoefte van de vrouw aldus op € 1.955,-- netto per maand of wel € 4.070,-- bruto per maand.

Draagkracht van de man (grief 1 van de man, grief 2 van de vrouw)

5.9.

De man stelt dat zijn draagkracht niet toereikend is om enige alimentatie te betalen. De vrouw betwist dat.

5.10.

Bij het bepalen van de draagkracht van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens.

5.11.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een inkomen van € 125.000,-- bruto per jaar, nu dit het inkomen is waarvan is uitgegaan voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van de man.

5.12.

De man komt op tegen voornoemd oordeel en voert ter toelichting op zijn grief het volgende aan.

Dat de arbeidsongeschiktheidsverzekering een bedrag verzekert van € 125.000,-- betekent niet dat dit ook de verdiencapaciteit van de man is. De man is huisarts. Hij kan, gelet op zijn leeftijd, niet meer toetreden tot een maatschap. Daarbij komt dat toetreding tot een maatschap (aanzienlijk) vermogen nodig is, wat de man niet heeft. Door het concurrentiebeding zijn de mogelijkheden van de man in de regio beperkt. Werken in loondienst is evenmin een optie. Gezien zijn leeftijd wordt de man niet aangenomen. Als hij wel wordt aangenomen dan moet hij genoegen nemen met een veel lager inkomen (gemiddeld bruto € 5.093,-- per maand). De man heeft geen andere optie dan als (zelfstandig) waarnemend huisarts te werken. De maximaal te behalen omzet bedraagt € 116.000,-- per jaar, indien wordt uitgegaan van de fictie dat zijn uren 100% declarabel zijn. De man heeft fysiek en psychische beperkingen en is als gevolg daarvan de laatste jaren van het huwelijk parttime gaan werken. De man heeft inmiddels ook een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering.

De man stelt zich op het standpunt dat uitgegaan moet worden van zijn feitelijke inkomen. Dat feitelijke inkomen moet op korte termijn worden aangevuld met een arbeidsongeschiktheidsverzekering nu de man opnieuw (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt is geraakt. Het inkomen van de man bedroeg in 2019 € 67.137,-- en in zal in 2020 € 65.052,-- bedragen (producties 43 en 44 bij de brief van de advocaat van de man van 28 november 2019).

5.13.

De vrouw voert verweer. Zij brengt het volgende naar voren.

Er is thans een schreeuwend tekort aan huisartsen. Bewijs van de stelling van de man dat hij niet meer kan toetreden tot een maatschap ontbreekt. Het werken als huisarts in loondienst is zeker wel een optie en de inkomsten daarvan zijn goed. De inkomsten van een huisarts in loondienst bij een gezondheidscentrum bedraagt bruto € 118.897,-- en voor een huisarts in loondienst € 105.669,-. De man kan ook in een andere regio gaan werken. Daarbij komt dat zijn concurrentiebeding eindigt op 17 november 2020. De man heeft zich verzekerd voor een netto winst uit onderneming van € 100.000,--. Dat de man zijn verzekerd inkomen in 2019 omlaag heeft gebracht komt voor zijn rekening en risico. Volgens de vrouw stelt de man alles in het werk om zijn verdiencapaciteit zo laag mogelijk te laten zijn.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat moet worden uitgegaan van het door de rechtbank gehanteerde inkomen van € 125.000,-- bruto per jaar.

5.14.

Het hof overweegt als volgt.

Gelet op de leeftijd van de man (hij is thans 58 jaar oud) en het ontbreken van vermogen dat (gelet op de leeftijd van de man) niet meer kan worden terugverdiend is het naar het oordeel van het hof niet redelijk om van de man te verlangen dat hij toetreedt tot een maatschap. Van de man mag wel worden verlangd dat hij zich, gelet op zijn onderhoudsverplichting tegenover de vrouw, tot het uiterste inspant om zoveel mogelijk inkomen te genereren. De vrouw heeft aangevoerd dat de man meer inkomen kan genereren in loondienst dan als zelfstandige. De vrouw heeft ter onderbouwing van die stelling als productie 33 bij het verweerschrift tevens houdend incidenteel appel een aantal vacatures overgelegd voor huisartsen in loondienst. Op deze uitdraaien van websites valt slechts in een enkel geval het salaris te lezen. Het gaat dan om salarissen van € 5.500 en € 5.026,-- per maand. Ook uit de door de man productie (26 bij het beroepschrift) blijkt een dergelijk salaris. Ter zitting heeft de man aangegeven dat over oktober en november 2019 een bedrag van € 6.000,-- per maand is gefactureerd aan waarnemingen. Dat de man in loondienst meer zou kunnen verdienen heeft de vrouw gelet hierop dan ook niet aangetoond. Het hof zal rekening houden met een inkomen van € 6.000,-- ( bruto) per maand ofwel € 72.000,-- per jaar.

De grief van de man slaagt.

De volgende redelijk te achten premie inkomensvoorziening wordt in aanmerking genomen:

€ 565,- premie arbeidsongeschiktheidsverzekering;

De man heeft recht op de zelfstandigenaftrek en de MKB-winstvrijstelling.

5.15.

De man is alleenstaand. Bij het berekenen van de draagkracht houdt het hof rekening met de volgende heffingskortingen: algemene heffingskorting, arbeidskorting.

5.16.

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.17.

De woonlasten van de man bedragen per maand:

De rechtbank heeft rekening gehouden met een bedrag van € 612,-- aan aflossing hypotheek.

De vrouw komt op tegen voornoemd oordeel van de rechtbank. Volgens de vrouw moet slechts met de helft van € 612,-- rekening worden gehouden, nu de vrouw de andere helft moet voldoen.

De man voert verweer. Hij brengt het volgende naar voren. De vrouw heeft erkend dat aan de zijde van de man € 612,-- aan aflossing moet worden meegenomen. De man betaalt deze ook feitelijk. Partijen zijn het er over eens dat de vrouw de helft van de aflossingen aan de man moet terugbetalen. De vordering moet eerst worden voldaan bij levering van de woning. De kosten drukken derhalve nu niet op de vrouw. Als de gebruiksvergoeding pas bij verkoop van de woning verrekend wordt en daarom niet in de draagkrachtberekening wordt meegenomen, dan geldt dat ook voor de schuld die de vrouw aan de man heeft.

Als productie 43 bij de brief van zijn advocaat van 28 november 2019) heeft de man een draagkrachtberekening overgelegd waarin hij aangeeft dat de hypotheekrente € 1.536,-- per maand bedraagt en de aflossing € 680,-- per maand.

Het hof overweegt als volgt.

Nu de vrouw gehouden is de helft van de door de man voldane aflossingen aan de man terug te betalen, houdt het hof tot 15 november 2019 rekening met een aflossing van € 340,-- per maand. Indien het hof rekening zou houden met het volledig bedrag, zou dat immers betekenen dat de vrouw twee maal (mee)betaalt.

Het hof houdt tot 15 november 2019 voorts rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 1.536,- aan hypotheekrente;

€ 95,- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Met ingang van 15 november 2019 houdt het hof rekening met de huur van € 1.060,-- per maand (productie 37 bij de brief van de advocaat van de man van 28 november 2019). De hypotheekrente en aflossing komen met ingang van 15 november 2019 te vervallen.

Bij de woonlasten wordt rekening gehouden met een fiscaal voordeel in verband met de aftrekbaarheid van de betaalde hypotheekrente van € 1.536,- per maand onder bijtelling van (de helft van) het eigenwoningforfait op jaarbasis, afgeleid van de WOZ-waarde van € 467.000,-- .

5.18.

Het hof houdt voorts rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

€ 152,-- aan basispremie ZVW en aan aanvullende premie;

€ 32,- aan verplicht eigen risico;

minus € 35,- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

5.19.

Ten aanzien van de door de man opgevoerde maandlast voor na te noemen schulden stelt het hof voorop dat in beginsel alle schulden van de man van invloed zijn op diens draagkracht. Wel kan er reden zijn aan bepaalde schulden geen of minder gewicht toe te kennen, bijvoorbeeld als schulden na vaststelling van de onderhoudsplicht nodeloos zijn aangegaan of de onderhoudsplichtige de mogelijkheid heeft zich van een schuld te bevrijden of een regeling te treffen.

Schuld Stichting Pensioenfonds Huisartsen (hierna: SPH)

De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de schuld van de man van in totaal € 28.145,-- aan achterstallige pensioenpremie aan SPH.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met deze schuld. Van vermogen aan de zijde van de man is nauwelijks sprake. Tegenover de bedragen op de derdengeldenrekening stonden aanzienlijke schulden. Volgens de Hoge Raad moet met alle schulden rekening worden gehouden. De afbetalingen kunnen niet worden afgetrokken. De man heeft een betalingsregeling getroffen van € 500,-- per maand.

De vrouw voert verweer. Zij brengt het volgende naar voren.

De man heeft een bedrag van € 47.500,-- bij familie gestald. Hij heeft niet aangetoond dat dit bedrag geheel is opgesoupeerd. In 2017 en 2018 zijn de premies als schuld opgenomen in de jaarrekening, maar niet betaald. De man heeft aldus geprofiteerd van een niet gedane uitgave en fiscale aftrek. De man had in 2018 vermogen zodat de noodzaak voor het aangaan van de schuld ontbrak. De rechtbank heeft terecht geen rekening gehouden met de schuld.

Het hof overweegt als volgt.

Uit de verkoop van de echtelijke woning hebben partijen ieder een bedrag van € 25.660,74 ontvangen.

Uit productie 30 bij het beroepschrift blijkt dat per 1 juli 2019 de schuld € 18.305,10 bedroeg

Gelet op het geldbedrag dat de man ter beschikking stond vanwege de verkoop van de woning zal het hof bij de berekening van de draagkracht van de man geen rekening houden met deze schuld. De man heeft onvoldoende uitgelegd waarom het in die situatie nodig was de schuld aan SPH te laten oplopen tot € 18.305,10, in het bijzonder waarom hij de verkoopopbrengst van de woning daarvoor niet heeft aangewend of kunnen aanwenden. Weliswaar heeft de man het bedrag niet eerder dan op 15 november 2019 ontvangen, terwijl zijn onderhoudsverplichting op 29 mei 2019 reeds is aangevangen, maar dat verklaart niet waarom de schuld thans nog steeds niet is ingelost als hiervoor bedoeld, terwijl eveneens is gebleken dat de man nog geen partneralimentatie aan de vrouw heeft voldaan.

Advocaatkosten

De rechtbank heeft geen rekening gehouden met de door de man opgevoerde advocaatkosten voor een bedrag van € 114,-- per maand omdat de man deze kosten niet heeft onderbouwd en zij alleen onder bijzondere omstandigheden – die niet zijn aangevoerd – in aanmerking worden genomen.

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de advocaatkosten. De man heeft hoge kosten gehad. De vrouw ook, maar zij kan de kosten die zien op partneralimentatie aftrekken. De man is door zijn reserves heen. De man stelt dat het redelijk is om gedurende een jaar met een bedrag van € 114,-- per maand rekening te houden.

De vrouw voert verweer. Zij brengt het volgende naar voren. Alle facturen zijn betaald, zodat van een schuld geen sprake is. Voor zover er nieuwe nota’s zijn, moet de man aantonen dat hij deze niet kan voldoen. Volgens de vrouw moet met de advocaatkosten geen rekening worden gehouden.

Het hof overweegt als volgt.

De expertgroep Alimentatie beschouwt advocaatkosten in het kader van een familierechtelijke procedure in het algemeen niet als een noodzakelijke last die voorrang heeft boven de onderhoudsverplichting. Indien aantoonbare advocaatkosten zijn gemaakt en er geen liquide middelen zijn of binnen afzienbare termijn te verwachten zijn, beveelt de Expertgroep aan rekening te houden met een bedrag voor noodzakelijke en redelijke kosten voor rechtshulp van maximaal € 114,-- gedurende ten hoogste een jaar.

De man heeft de door hem overgelegde facturen reeds voldaan, zoals de vrouw heeft aangevoerd en door de man niet is betwist. Kennelijk heeft de man voldoende liquide middelen gehad om de advocaatkosten te voldoen. In het kader van de draagkracht van de man zal dan ook geen rekening worden gehouden met advocaatkosten.

Tenslotte houdt het hof – evenals de rechtbank – rekening met de kosten die de man maakt voor [kind 3] van € 300,--.

5.20.

Nu het de vaststelling van de draagkracht van de man voor partneralimentatie betreft, houdt het hof rekening met de norm voor een alleenstaande en het door de Expertgroep Alimentatienormen aanbevolen draagkrachtpercentage van 60.

Draagkracht vrouw (grief 1 van de man)

5.21.

Aan de zijde van de vrouw houdt het hof rekening met een bruto jaarloon van € 39.191,-- bij Reinier van Arkel en € 4.278,-- bij Stichting Amarant Groep. Voorts houdt het hof rekening met een pensioenpremie van in totaal € 3.270,--. Het hof heeft deze gegevens overgenomen uit de besteden beschikking, rov. 2.4.

De rechtbank heeft rekening gehouden met een huur van € 1.250,-- per maand.

De man stelt in hoger beroep dat een correctie dient plaats te vinden voor een onredelijke woonlast. Volgens de man moet rekening worden gehouden met een huur van € 560,-- per maand.

De vrouw voert verweer. Zij brengt naar voren dat zij in overleg met de man uit de echtelijke woning is gegaan en in overleg met de man de huidige woning heeft gehuurd. Het is voor de vrouw niet mogelijk haar woonlasten te beperken. Zij komt gelet op haar inkomen niet in aanmerking voor een sociale huurwoning; het aanbod van huurwoningen is gering en zij kan geen woning kopen gelet op de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening van de echtelijke woning.

Het hof overweegt als volgt.

Nu tussen partijen overleg is geweest over het gebruik van de echtelijke woning en dit erin heeft geresulteerd dat de vrouw uit de echtelijke woning is gegaan en in overleg met de man voor de huur van haar huidige woning heeft gekozen, komt het hof de huurprijs niet onredelijk voor. Daarbij komt dat, zoals ook al door de vrouw is gesteld en door de man niet is betwist, zij niet in aanmerking komt voor een sociale huurwoning en het aanbod aan huurwoningen beperkt is. Aldus houdt het hof rekening met een huur van € 1.250,-- per maand. Daarnaast houdt het hof rekening met de premie ziektekostenverzekering van € 121,-- per maand, het eigen risico ziektekosten van € 32,-- per maand en een bijdrage aan [kind 3] van € 150,-- per maand.

Jusvergelijking bij vaststelling partneralimentatie

5.22.

De man stelt dat de vrouw bij toekenning van partneralimentatie in een betere financiële positie komt dan hij/meer vrij te besteden overhoudt. Het hof ziet daarom aanleiding een zogenaamde jusvergelijking te maken. Daarbij houdt het hof aan de zijde van de vrouw rekening met de norm voor een alleenstaande en het daarbij behorende draagkrachtpercentage van 60, omdat en de hiervoor vermelde financiële gegevens.

Uit deze berekening blijkt dat de vrouw bij een door de man te betalen partneralimentatie ter hoogte van de draagkracht van de man niet meer vrij te besteden overhoudt dan de man.

5.23.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden heeft de man draagkracht voor een partneralimentatie van:

- € 722,-- per maand in de periode van 29 mei tot 15 november 2019;

- € 1.063,-- per maand in de periode van 15 november 2019 tot 1 januari 2020;

- € 753,-- per maand met ingang van 1 januari 2020.

Terugbetaling

5.24.

De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw teveel betaalde partneralimentatie moet terugbetalen. De vrouw heeft aangevoerd dat de man niet heeft betaald, hetgeen door de man niet wordt betwist. Nu de man niet heeft betaald, kan van terugbetaling geen sprake zijn. Het verzoek van de man wordt dan ook afgewezen.

Verdeling huwelijksgemeenschap

Schuld aan SPH (aanvullend verzoek van de man)

5.25.

De man stelt zich op het standpunt dat als bij de berekening van zijn draagkracht in het kader van de partneralimentatie geen rekening wordt gehouden met de schuld aan SPH, bij de verdeling rekening moet worden gehouden met de hoogte van de schuld op de peildatum. De man verzoekt voor recht te verklaren dat hij regres heeft op de vrouw als hij meer dan 50% van de schuld voldoet.

5.26.

De vrouw voert verweer. Zij brengt het volgende naar voren. De man formuleert een nieuw verzoek dat niet eerder in de procedure aan de orde is geweest. Dat is in strijdt met art. 347 Rv. Subsidiair stelt de vrouw zich op het standpunt dat de man moedwillig heeft nagelaten de premies SPH te voldoen, terwijl hij deze wel in zijn jaarrekening heeft openomen. De vrouw mocht er op vertrouwen dat de man de premies had voldaan. De schuld dient dan ook geheel voor rekening van de man te komen.

5.27.

Het hof overweegt als volgt.

De man is ontvankelijk in zijn verzoek. Ook in hoger beroep kan voor het eerst een nieuw verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 Rv worden gedaan (HR 23 februari 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0201). Een beslissing ten aanzien van de schuld aan SPH in het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap kan worden gekwalificeerd als een nevenvoorziening als bedoeld in art. 827 onder f Rv nu deze voldoende samenhangt vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging zal leiden.

De schuld aan SPH betreft een gemeenschapsschuld. Artikel 1:100 (nieuw) BW, dat hier van toepassing is gelet op HR 19 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:636) bepaalt in dit verband:

“1. De echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij huwelijkse voorwaarden.

2. Voor zover bij de ontbinding van de gemeenschap de goederen van de gemeenschap niet toereikend zijn om de schulden van de gemeenschap te voldoen, worden deze gedragen door beide echtgenoten ieder voor een gelijk deel, tenzij uit de eisen van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit.”

Dit brengt met zich dat beide partijen ieder in beginsel bij helft draagplichtig zijn voor de schuld. De vrouw heeft onvoldoende aangevoerd dat tot de conclusie kan leiden dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van de schulden, een andere draagplicht voortvloeit. De omstandigheid dat de man premies aan SPH onbetaald heeft gelaten en dat de vrouw - zoals zij stelt - dat niet wist en er op mocht vertrouwen dat de man de premies betaalde, is daartoe onvoldoende.

Het verzoek van de man, dat inhoudt dat het hof verklaart voor recht dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor zover hij meer aan de SPH voldoet dan 50% van de schuld op de peildatum, zal dan ook worden toegewezen.

Gebruiksvergoeding (grief 2 van de man)

5.28.

De man komt op tegen de beslissing van de rechtbank dat de man met ingang van 29 mei 2019 een gebruiksvergoeding voor de echtelijke woning verschuldigd is van 2% over de verkoopprijs van de woning. Van het aldus bepaalde bedrag is de man, nadat daarop de door hem betaalde hypotheekrente in mindering is gebracht, de helft aan de vrouw verschuldigd, aldus de rechtbank.

De man voert ter toelichting op zijn grief aan dat dat het onjuist is om voor de berekening van de gebruiksvergoeding 2% van de verkoopwaarde van de woning te nemen. Ook is niet duidelijk over welke periode de man de door hem betaalde hypotheekrente in mindering mag brengen. De man stelt zich op het standpunt dat de gebruiksvergoeding moet worden gebaseerd op 2% van de overwaarde van de woning.

5.29.

De vrouw voert verweer. Zij brengt het volgende naar voren.

De man interpreteert de gebruiksvergoeding als een compensatie voor het gemis aan rendement over haar helft van de overwaarde van de woning. De man gaat er aan voorbij dat partijen hebben afgesproken dat de man in de woning zou blijven wonen en de vrouw elders zou huren. De man moet de vrouw schadeloos stellen (art. 3:169 BW). De man onderneemt geen actie tot verkoop.

5.30.

Het hof overweegt als volgt.

Dat de man voor het gebruik van de echtelijke woning een gebruiksvergoeding verschuldigd is met ingang van 29 mei 2019 is tussen partijen niet in geschil. De woning is tijdens de procedure in hoger beroep verkocht en de levering van de woning aan de koper heeft op 15 november 2019 plaatsgevonden. Evenmin is in geschil dat de gebruiksvergoeding verschuldigd is tot de datum van levering van de woning.

In hoger beroep is slechts in geschil hoe de gebruiksvergoeding over de bedoelde periode (van 29 mei 2019 tot 15 november 2019) moet worden berekend. Daarbij overweegt het hof het navolgende.

Ingevolge artikel 1:165 Burgerlijk Wetboek (BW) kán de rechter voor het voortgezet gebruik van de echtelijke woning desgevraagd een vergoeding bepalen, bij het bepalen waarvan de eisen van de redelijkheid en de billijkheid een rol spelen en welke vergoeding eerst kan ingaan op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voor de hoogte van de vergoeding zoekt het hof aansluiting bij art. 3:169 BW. Art 3:169 BW strekt er onder meer toe de deelgenoot die het goed met uitsluiting van andere deelgenoten gebruikt, te verplichten de deelgenoot die daardoor verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding. De maatstaf die daarbij geldt, is die van de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen. Daarin ligt besloten dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

Het hof begroot de schade van de vrouw op de helft van 2% van de overwaarde van de woning. Immers, doordat de vrouw niet vrijelijk over haar aandeel in de woning kan beschikken (en dat vermogen dus niet kan inzetten voor de aanschaf van een woning of voor de huur van een woning) is zij genoodzaakt elders een hogere woonlast te accepteren. Voor die geleden schade dient de vrouw schadeloos te worden gesteld.

Als productie 47 bij de brief van de advocaat van de man van 28 november 2019 is de afrekening van de verkoop van de woning overgelegd. Daaruit volgt dat na aflossing van de hypothecaire geldlening bij Rabobank en voldoening van kosten een netto bedrag resulteert van € 51.321,48. Het hof beschouwt dit bedrag als de overwaarde op de woning.

Derhalve bedraagt de gebruiksvergoeding € 513,22 per jaar (2% van € 51.321,48 = € 1.026,43 / 2). De man is de gebruiksvergoeding verschuldigd over de periode 29 mei 2019 tot 15 november 2019. De man heeft berekend dat deze periode 171 dagen omvat. De door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding bedraagt alsdan € 240,44 (171/365 x € 513,22).

De man heeft als aanvullend verzoek in de brief van zijn advocaat van 28 november 2019 geformuleerd te bepalen dat de gebruiksvergoeding in totaal € 240,44 bedraagt, hetgeen het hof gelet op het voorgaande zal doen.

De grief van de man slaagt.

Door de man betaalde hypotheekrente (aanvullend verzoek van de man)

5.31.

De man heeft in de brief van zijn advocaat van 28 november 2019 een aanvullend verzoek geformuleerd. Nu de woning op 15 november 2019 aan de kopers is geleverd kan het bedrag van zijn vordering op de vrouw in verband met de door hem sinds 9 februari 2018 verrichte aflossingen op de hypotheekschuld wordt vastgesteld. De man heeft de totale aflossing vanaf 9 februari 2018 becijferd op € 12.663,45 en stelt dat de vrouw hem de helft, ofwel een bedrag van € 5.331,73 moet betalen.

5.32.

Het hof overweegt als volgt.

Uit rov. 2.6.5 van de bestreden beschikking blijkt dat partijen het erover eens zijn dat de vrouw gehouden is de man de helft van de door hem sinds 9 februari 2018 gedane aflossingen op de hypotheekschuld te voldoen. Tegen de door de man berekende aflossing heeft de vrouw geen verweer gevoerd. Evenmin heeft zij betwist dat zij de man de helft van de aflossing, derhalve een bedrag van € 5.331,73 verschuldigd is. Het hof zal bepalen dat de vrouw genoemd bedrag aan de man moet betalen binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking.

Bankrekeningen (grieven 3 en 5 van de vrouw)

5.33.

De vrouw komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de saldi op de bankrekeningen moeten worden verdeeld per 9 februari 2018, de datum van indiening van het verzoek tot echtscheiding. De vrouw voert ter toelichting op haar grief het volgende aan.

Partijen zijn een andere peildatum overeengekomen en hebben daar ook naar gehandeld. De vrouw wil dat de banksaldi verdeeld worden per 1 november 2017, zoals overeengekomen. De man heeft tussen 1 november 2017 en 9 februari 2018 de gemeenschap benadeeld met € 14.180,55 dan wel € 13.146,81. De vrouw zou bij de latere datum ernstig in haar financiële afspraken worden geschaad.

De vrouw stelt dat het saldo op 9 februari 2018 € 3.602,58 bedroeg. Er heeft in de periode vanaf 1 november 2017 tot 9 februari 2018 een grote daling plaatsgevonden terwijl de man een arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving van in totaal € 11.532,--.

5.34.

De man voert verweer. Hij brengt het volgende naar voren. De man ontkent dat partijen zijn overeengekomen dat de banksaldi per 1 november 2017 moeten worden verdeeld. Van de peildatum voor de samenstelling en omvang van de huwelijksgemeenschap kan bovendien niet worden afgeweken. De vrouw onderbouwt haar stelling dat sprake is van benadeling niet. Volgens de man is het geld opgegaan aan kosten van levensonderhoud van de vrouw en de kinderen, de kosten van de echtelijke woning en andere kosten.

5.35.

Het hof overweegt als volgt.

Ingevolge art. 1:99 lid 1 sub b BW wordt de huwelijksgemeenschap ontbonden op het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding. Voor het bepalen van de peildatum voor het vaststellen van de samenstelling en de omvang van de huwelijksgemeenschap kan van dit tijdstip niet worden afgeweken, ook niet op grond van de redelijkheid en billijkheid (HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2050).

De omvang van de bankrekeningen wordt bepaald door de hoogte van het saldo, zodat als peildatum 9 januari 2018 heeft te gelden voor zowel de omvang als de waarde daarvan.

De vrouw wordt dus niet gevolgd in haar standpunt dat van een andere peildatum dan 9 februari 2018 moet worden uitgegaan.

De vrouw beroept zich voorts (naar het hof begrijpt: subsidiair) op benadeling van de huwelijksgemeenschap. Art. 1:164 lid 1 BW bepaalt als volgt: “Indien een tussen echtgenoten bestaande gemeenschap van goederen door één van hen is benadeeld doordat hij na de aanvang van het geding of binnen zes maanden daarvóór lichtvaardig schulden heeft gemaakt, goederen der gemeenschap heeft verspild, of rechtshandelingen als bedoeld in artikel 88 van dit boek zonder de vereiste toestemming of beslissing van de rechtbank heeft verricht, is hij gehouden na de inschrijving van de beschikking waarbij de echtscheiding is uitgesproken, de aangerichte schade aan de gemeenschap te vergoeden.”

De vrouw heeft de door haar gestelde benadeling niet anders toegelicht dan aan te voeren dat de man in de periode van 1 november 2017 tot 9 februari 2018 een arbeidsongeschiktheidsverzekering ontving van € 11.532,--. De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist. De vrouw heeft naar het oordeel van het hof niet aan haar stelplicht voldaan terzake benadeling als bedoeld in art. 1:164 lid 1BW, zodat de grief van de vrouw faalt.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen (gedeeltelijk) vernietigen en beslissen als volgt.

6.2.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6.3.

Het hof heeft een berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man, de draagkracht van de vrouw en jusvergelijkingen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van elk van deze berekeningen is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant ('s-Hertogenbosch) van 25 april 2019, voor wat betreft de partneralimentatie en de gebruiksvergoeding en (in zoverre) opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud:

- € 722,-- per maand in de periode van 29 mei tot 15 november 2019;

- € 1.063,-- per maand in de periode van 15 november 2019 tot 1 januari 2020;

- € 753,-- per maand met ingang van 1 januari 2020.

zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man als gebruiksvergoeding aan de vrouw moet betalen een bedrag van in totaal € 240,44;

bepaalt dat de vrouw ter zake aflossingen op de hypothecaire geldlening, binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking, een bedrag van € 5.331,73 aan de man moet betalen;

verklaart voor recht dat de man een regresvordering heeft op de vrouw voor zover hij meer aan SPH heeft voldaan dan 50% van de schuld op de peildatum;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van Laarhoven, G.J. Vossestein en J‑W. Hermans, bijgestaan door mr. L. Kramer als griffier, en is op 30 januari 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.