Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2857

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
23-09-2020
Zaaknummer
200.277.792_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2020:1963
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

is opdrachtgever geld voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden verschuldigd of gaat het hier om een contractuele verplichting tot herstel?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.277.792/01

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

[appellant] , handelend onder de naam [riool- en dakservice],

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J. in 't Ven te Kerkrade,

tegen

[geïntimeerde] , handelend onder de naam [de firma] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

niet verschenen,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 april 2020 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 maart 2020, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 8059700 CV EXPL 19-6424)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep;

- het tegen [geïntimeerde] verleende verstek;

- de memorie van grieven met 3 producties.

2.2.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] heeft met de vennootschap onder firma [de V.O.F.] (hierna: “ [de V.O.F.] ”) eind 2018 een overeenkomst gesloten om dakdekkerswerkzaamheden te verrichten aan het plat dak van [de V.O.F.] te [plaats] . Voor het uitvoeren van deze werkzaamheden heeft [appellant] materialen besteld bij [geïntimeerde] . De werkzaamheden zijn verricht.

  2. [de V.O.F.] heeft nadien bij [appellant] geklaagd over diverse lekkages aan het dak. In opdracht van [appellant] heeft [geïntimeerde] in februari 2019 herstelwerkzaamheden aan het plat dak verricht.

  3. [geïntimeerde] heeft aan [appellant] een factuur, gedateerd 16 februari 2019, gezonden voor een bedrag van € 2.082,71 (incl. BTW). Op de factuur is vermeld:

Werk [plaats] herstelwerkzaamheden € 1.575,-

Dakleer € 103,50

Gasfles € 42,75

Subtotaal € 1.721,25

BTW € 361,46

Totaal € 2.082,71

[geïntimeerde] heeft aan [appellant] een tweede factuur, gedateerd 10 maart 2019, gezonden voor een bedrag van € 83,49 (incl. BTW). Op de factuur is dakleer vermeld.

De factuur van 10 maart 2019 is door [appellant] aan [geïntimeerde] betaald, die van 16 februari 2019 niet.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd dat de rechtbank [appellant] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, veroordeelt:

a. a) tot betaling van € 2.418,60, vermeerderd met de wettelijke handelsrente over € 2.166,20 vanaf 27 maart 2019, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening en

b) in de kosten van het geding, waaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.

3.2.2.

Aan de hoofdvordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, ten grondslag gelegd

dat hij in opdracht van [appellant] in februari 2019 (herstel)werkzaamheden heeft uitgevoerd aan het plat dak van de vestiging van [de V.O.F.] te [plaats] en uit hoofde van deze opdracht recht heeft op nakoming van de daartegenover staande betalingsverplichting.

[geïntimeerde] heeft een bedrag van € 324,93 aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd en dit deel van de vordering gebaseerd op art. 6:96 BW.

3.2.3.

[appellant] heeft verweer gevoerd, stellende dat er geen betalingsverplichting is ontstaan nu het hier ging om herstel van door [geïntimeerde] eerder verrichte werkzaamheden. Subsidiair heeft [appellant] de omvang van de door [geïntimeerde] in rekening gebrachte bedragen betwist en gesteld dat hij de schuld voor de eerste werkzaamheden heeft betaald.

3.2.4.

In het eindvonnis van 11 maart 2020 heeft de kantonrechter de vordering van [geïntimeerde] toegewezen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [appellant] zijn stellingen onvoldoende onderbouwd. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep twaalf grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] met veroordeling van hem in de kosten van beide instanties inclusief nakosten en vermeerderd met de wettelijke rente.

3.4.

Met de grieven is het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voorgelegd. Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde] na contact met dan wel in opdracht van [appellant] de herstelwerkzaamheden in februari 2019 heeft verricht maar de vraag is of dit contact dan wel deze opdracht te kwalificeren is als nieuwe opdracht (visie [geïntimeerde] ) of als de nakoming van een verplichting tot herstel, voortvloeiende uit werkzaamheden die [geïntimeerde] eerder, een eind 2018, in opdracht van [appellant] niet goed heeft verricht (visie [appellant] ). [geïntimeerde] heeft dit laatste betwist en [appellant] heeft deze stelling naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende onderbouwd.

3.5.

In hoger beroep onderbouwt [appellant] zijn stelling met het overleggen van schriftelijke verklaringen van zijn vader, de heer [vader van appellant] , van de vennoot van [de V.O.F.] , de heer [vennoot van de V.O.F.] en van de baliemedewerker van [de V.O.F.] , de heer [baliemedewerker] .

De heer K.F. [appellant] verklaart dat hij, samen met zijn zoon, eind 2018 in totaal € 2.250,--, contant aan [geïntimeerde] heeft betaald.

De heer [vennoot van de V.O.F.] verklaart dat [appellant] hem te kennen heeft gegeven dat een onderaannemer van hem de werkzaamheden aan het dak zou uitvoeren. [vennoot van de V.O.F.] had hiermee ingestemd. Het werk is door 2 mannen en 1 vrouw uitgevoerd. Kort daarna ontstonden er lekkages; begin februari 2019 hebben 2 arbeidskrachten gedurende een halve dag herstelwerkzaamheden uitgevoerd, aldus verklaart de heer [vennoot van de V.O.F.] .

De heer [baliemedewerker] verklaart gelijkluidend en voegt daaraan toe dat hij twee van de drie arbeidskrachten die aanvankelijk de werkzaamheden uitvoerden, kende: het waren [geïntimeerde] en diens vriendin. Hij verklaart voorts dat de herstelwerkzaamheden door twee personen werden uitgevoerd en dat dit werk hooguit een halve dag in beslag had genomen.

3.6.

Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] zijn verweer met het overleggen van deze verklaringen voldoende onderbouwd. Uit de verklaringen van de heren [vennoot van de V.O.F.] en [baliemedewerker] blijkt dat het (onder andere) [geïntimeerde] is geweest die eind 2018 de werkzaamheden aan het dak van [de V.O.F.] heeft verricht. Deze verklaringen zijn in hoger beroep niet betwist.

Het had op de weg van [geïntimeerde] gelegen om op deze verklaringen in te gaan teneinde zijn stelling dat het in zijn opdracht uitgevoerde herstelwerk niet zag op herstel van werkzaamheden die hijzelf had uitgevoerd, maar betrekking had op een nieuwe opdracht van [appellant] . Het had voorts op zijn weg gelegen om te verklaren hoe de op de factuur in rekening gebrachte 42 arbeidsuren zich verhouden tot de hiervoor aangehaalde verklaringen van en namens de hoofdopdrachtgever inhoudende dat het herstel door twee arbeidskrachten in een halve dag is uitgevoerd. Het enkele overleggen van een (kopie)factuur van [dakdekkersbedrijf] is daartoe onvoldoende. Deze factuur, die overigens drie dagen later is gedateerd dan de factuur van [geïntimeerde] aan [appellant] , maakt slechts melding van 42 manuren herstel

werkzaamheden in [plaats] maar in de omschrijving wordt daarbij geen adres vermeld.

Gezien de in hoger beroep gegeven (nadere) onderbouwing van het verweer en het gebrek aan nadere onderbouwing met bewijsaanbod in dit hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] , dient de vordering van [geïntimeerde] te worden afgewezen.

3.7.

Het hof concludeert dan ook dat de grieven slagen. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. Nu de hoofdvordering wordt afgewezen, ontvalt ook de grond aan de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten. [geïntimeerde] zal in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van:

  • -

    de eerste aanleg en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op de datum van het bestreden vonnis op € 360,00 aan salaris advocaat;

  • -

    het hoger beroep, en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] tot op heden op
    € 85,09 aan dagvaardingskosten, op € 332,00 aan griffierecht en op € 759,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak en het bedrag van € 157,-- binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak dan wel het bedrag van € 239,-- vermeerderd met explootkosten binnen veertien dagen na de dag van betekening moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, J.M.H. Schoenmakers en Chr. F. Kroes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2020.

griffier rolraadsheer