Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2851

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
200.252.117_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:774
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

samenlevers, onrechtmatige onttrekkingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2021/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

zaaknummer 200.252.117/01

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. I.M. van den Heuvel te Roosendaal,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. M.M.M. Heesmans te Roosendaal,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 3 maart 2020 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/346327/HA ZA 18-412 gewezen vonnis van 12 december 2018.

8 Het arrest d.d. 3 maart 2020

Bij (tussen)arrest van 3 maart 2020 heeft het hof (1) bepaald dat de vrouw binnen vier weken na heden, derhalve op 31 maart 2020, bij akte inzicht dient te geven in het saldoverloop van rekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [de vrouw] over de periode 1 januari 2013 tot 1 april 2018, (2) bepaald dat de vrouw, zo mogelijk met onderliggende bescheiden, bij akte binnen vier weken na heden, derhalve op 31 maart 2020, uitleg dient te geven over de overboekingen van [rekeningnummer 2] t.n.v. mw [de vrouw] en/of hr [de man] naar [rekeningnummer 5] t.n.v. [dochter] , (3) de zaak naar de rol van 31 maart 2020 verwezen voor het nemen van een akte door de vrouw met de hiervoor weergegeven doeleinden, (4) bepaald dat de man de gelegenheid heeft om binnen vier weken na het nemen van de akte door de vrouw, bij antwoordakte te reageren en (5) iedere verdere beslissing aangehouden.

9 Het verdere verloop van de procedure

9.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte van de zijde van de vrouw met producties 1 tot en met 11, ingekomen op 31 maart 2020;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van de man, ingekomen op 29 april 2020.

9.2.

De vraag die het hof in deze dient te beantwoorden, is of de vrouw zonder toestemming van de man gelden die aan hem toekwamen heeft gebruikt voor andere doeleinden dan de kosten van de huishouding.

9.3.

Het hof heeft in zijn tussenarrest d.d. 3 maart 2020 in dit verband reeds het volgende overwogen:

“6.9 Het hof stelt voorop dat vaststaat dat de vrouw beschikte over een volmacht ten aanzien van de rekeningen [rekeningnummer 2] , [rekeningnummer 3] en [spaarrekening] en dat zij, gelet op deze volmacht(en) mocht beschikken over de gelden op die rekeningen. Echter, mede in het licht van de samenlevingsovereenkomst die partijen zijn aangegaan en hetgeen partijen daarin zijn overeengekomen, moesten partijen er over en weer redelijkerwijs van uitgaan dat deze volmachten zich in de interne verhouding tussen partijen, slechts uitstrekten tot het bestrijden van de kosten van de gezamenlijke huishouding van partijen. Dat de vrouw daar zelf ook van uitging blijkt uit haar eigen stelling dat zij het geld steeds heeft gebruikt voor de kosten van de gezamenlijke huishouding.

Gelet op het voorgaande mocht de vrouw er in de interne verhouding tussen partijen dan ook niet van uit gaan dat deze volmachten óók gebruik mochten worden voor vermogensopbouw ten behoeve van haar zelf en/of haar kind(eren). Voor zover de vrouw het geld hiervoor wel heeft gebruikt is dan ook sprake van een onrechtmatige onttrekking.”

9.4.

De man voert aan dat aan de vermogensopbouw door de vrouw geen bedrag gemoeid is gelijk aan het totaalbedrag van de niet huishoudelijke kosten waarover de vrouw heeft beschikt. Het overgrote deel van de bedragen volgens de vordering van de man waarover de vrouw heeft beschikt, zijn geen uitgaven voor huishoudelijke kosten overeenkomstig de samenlevingsovereenkomst geweest, maar consumptieve uitgaven ten behoeve van de vrouw zelf zoals gespecificeerd in de brief d.d. 8 januari 2020.

Volgens de man dient onder de kosten van huishouding te worden verstaan “die kosten die vereist zijn om dagelijks samen te leven, dus woonlasten, boodschappen voor een redelijk bedrag voor voeding, gas water en licht, huistelefoon (…)”. Voor de vraag wat een redelijk bedrag voor voeding is, dient aansluiting gezocht te worden bij de Nibud-normen. Het verschil tussen de Nibud-norm en de daadwerkelijke uitgaven is zo groot, dat dit niet verklaard kan worden. Partijen leefden niet op grote voet en het is goed mogelijk dat bij de boodschappen niet alleen voedingsmiddelen zaten, maar ook drogisterij-artikelen dan wel andere non-foodartikelen.

9.5.

De vrouw verweert zich. De man stelt weliswaar dat de volmacht beperkt was tot de kosten van de huishouding, maar er is geen limitatieve opsomming van deze kosten opgenomen in het samenlevingscontract. Onder meer de vakanties werden ook betaald van de gezamenlijke rekening. De vrouw wijst verder nog op art. 3.5 van de samenlevingsovereenkomst, waarin staat vermeld: “Indien het inkomen niet toereikend is, is iedere partij gehouden naar evenredigheid van haar vermogen het tekort aan te vullen.” De vrouw had echter, in tegenstelling tot de man, geen vermogen.

De vrouw betwist ook dat gekeken dient te worden naar de Nibud-norm. Partijen leefden veel ruimer dan je op basis van die norm zou verwachten. Zo deden zij veel boodschappen bij speciaalzaken en het gaat niet aan om nu met terugwerkende kracht de Nibud-norm op de situatie van partijen toe te passen. De gelden die zijn besteed zijn aan beide partijen ten goede gekomen.

9.6.

Het hof is van oordeel dat de Nibud-normen niet leidend kunnen zijn nu uit artikel 3 en 4 van het samenlevingscontract niet kan worden afgeleid dat partijen redelijkerwijze de bedoeling hebben gehad dat de kosten van de huishouding daartoe dienen te worden beperkt. Deze bepalingen, in onderling verband bezien, dienen naar het oordeel van het hof , zoals ook de vrouw bepleit , aldus te worden uitgelegd dat partijen zijn uitgegaan van de kosten van huishouding in brede zin, waarbij aansluiting kan worden gezocht bij art. 1:84 BW. Het begrip ‘kosten der huishouding’ betreft dan ook de kosten die betrekking hebben op het ‘gemeenschappelijk belang’ (TM, Parl. Gesch. BW Boek 1, p. 242). Aangenomen wordt dat alle uitgaven die dienen tot het lichamelijk en geestelijk welzijn van de echtgenoten als kosten der huishouding kunnen worden aangemerkt. Tot de ‘kosten der huishouding’ moeten worden gerekend hetgeen in het huishouden wordt verteerd of verbruikt en ten behoeve van het draaiende houden van de huishouding wordt uitgegeven. Dat niet alle gelden die zijn besteed niet ook (mede) ten behoeve van de man zijn gekomen, is in zoverre dan ook niet relevant en maakt op zichzelf genomen niet dat daardoor geen sprake zou kunnen zijn van kosten van de huishouding.

9.7.

Voor zover de vrouw de volmachten echter óók heeft gebruikt om zonder toestemming van de man betalingen dan wel overboekingen te verrichten, anders dan ten behoeve van de kosten van de huishouding, is evenwel sprake van een onrechtmatige onttrekking. Om te beoordelen of hiervan sprake is, heeft het hof bepaald dat de vrouw bij akte inzicht dient te geven in het saldoverloop van rekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [de vrouw] over de periode 1 januari 2013 tot 1 april 2018 en voorts dat de vrouw, zo mogelijk met onderliggende bescheiden, bij akte uitleg dient te geven over de overboekingen van [rekeningnummer 2] t.n.v. mw [de vrouw] en/of hr [de man] naar [rekeningnummer 5] t.n.v. [dochter] . Het hof zal de door de vrouw overgelegde stukken en de reactie daarop van de man hieronder bespreken.

(1) Het saldoverloop van rekeningnummer [rekeningnummer 4] t.n.v. [de vrouw] over de periode 1 januari 2013 tot 1 april 2018

9.8.

De vrouw heeft in de punten 2 tot en met 13 van de door haar ingediende akte een toelichting gegeven op de mutaties die hebben plaatsgevonden van de en/of rekening van partijen (het hof begrijpt: [rekeningnummer 2] ) naar haar privérekening ( [rekeningnummer 4] )

9.9.

Het hof stelt vast dat deze overboekingen zijn in te delen in drie categorieën, te weten:

( a) een maandelijkse (structurele) overboeking;

( b) vakantiegeld, jaarlijks in de maand mei;

( c) overige overboekingen.

Het hof zal deze overboekingen hieronder puntsgewijs bespreken.

(a) maandelijkse (structurele) overboeking

De vrouw licht deze overboekingen als volgt toe. Partijen hadden een afspraak die inhield dat zij beiden maandelijks een bedrag van € 1.200,-- op de gezamenlijke bankrekening ( [rekeningnummer 2] ) inlegden. Het inkomen van de man werd op zijn eigen rekening gestort, vanwaar hij het afgesproken bedrag overmaakte naar de gezamenlijke bankrekening. Van de vrouw werd echter haar volledige WAO-uitkering op de gezamenlijke rekening gestort, welke uitkering hoger was dan € 1.200,-- per maand. Omdat de inleg van de vrouw ingevolge deze wijze hoger was dan de inleg van de man, hebben partijen afgesproken dat de vrouw maandelijks een bedrag naar haar eigen rekening zou overmaken om te kunnen sparen. Tot en met augustus 2013 bedroeg dit € 75,-- per maand en vanaf september 2013 bedroeg dit € 175,-- per maand. Deze overgemaakte gelden zijn afkomstig van de vrouw zelf, te weten van haar uitkering en de overboekingen betreffen derhalve geen gelden van de man.

Het hof stelt vast dat de man zich in de door hem ingediende antwoordakte niet verweerd heeft tegen het door de vrouw ter zake gestelde. Aldus gaat het hof ervan uit dat deze door de vrouw maandelijks overgeboekte gelden van de gezamenlijke rekening naar de privérekening van de vrouw niet onrechtmatig zijn onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen.

(b) vakantiegeld, jaarlijks in de maand mei

De vrouw stelt ten aanzien van de op 27 mei 2013 (€ 600,--), 23 mei 2014 (€ 900,--), 25 mei 2015 (€ 500,--), 24 mei 2016 (€ 800,--) en 23 mei 2017 (€ 750,--) verrichte overboekingen dat dit de overboekingen van het vakantiegeld van de vrouw betreffen. Partijen hadden de afspraak dat ieder zijn eigen vakantiegeld kon behouden. Ook hiervoor geldt dat deze gelden dus afkomstig zijn van de vrouw, te weten van haar uitkering. Deze overboekingen betreffen dus geen gelden van de man.

Het hof stelt vast dat de man zich in de door hem ingediende antwoordakte niet verweerd heeft tegen het door de vrouw ter zake gestelde. Aldus gaat het hof ervan uit dat deze gelden niet onrechtmatig zijn onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen.

(c) overige overboekingen

26 september 2014 (€ 100,--) en 23 februari 2018 (€ 100,--)

De vrouw stelt ten aanzien van deze overboekingen dat zij niet meer weet waarom deze bedragen zijn overgemaakt naar haar eigen rekening. Vermoedelijk heeft de vrouw iets voor partijen betaald.

Het hof stelt vast dat de man zich in de door hem ingediende antwoordakte niet verweerd heeft tegen het door de vrouw ter zake gestelde. Aldus gaat het hof ervan uit dat deze gelden niet onrechtmatig zijn onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen.

31 juli 2017 (€ 1.000,--)

De vrouw licht deze overboekingen als volgt toe. Partijen gingen samen met de dochter van de vrouw (hierna: [dochter] ), haar partner (hierna: [schoonzoon] ) en hun kinderen op vakantie naar Tenerife. De man zou deze vakantie betalen. [schoonzoon] heeft op 19 juli 2017 een bedrag van € 1.000,-- als bijdrage voor de vakantie overgemaakt naar de gezamenlijke rekening van partijen. Deze bijdrage mocht de vrouw van de man overboeken naar haar eigen rekening en zo geschiedde op 31 juli 2017.

De man erkent dat hij de vakantie naar Tenerife zou betalen. [dochter] en [schoonzoon] zouden een bedrag van € 1.000,-- bijdragen en dit bedrag is door [schoonzoon] overgemaakt naar de gezamenlijke rekening. De man betwist echter dat hij ermee heeft ingestemd dat de vrouw dit bedrag mocht overboeken naar haar eigen rekening.

Het hof overweegt als volgt. Zoals het hof in het tussenarrest van 3 maart 2020 heeft overwogen mocht de vrouw er in de interne verhouding tussen partijen niet van uit gaan dat de volmachten ter zake de bankrekeningen óók gebruik mochten worden voor vermogensopbouw ten behoeve van haar zelf en/of haar kind(eren). Voor zover de vrouw het geld hiervoor wel heeft gebruikt is dan ook sprake van een onrechtmatige onttrekking. De vrouw stelt weliswaar dat de man toestemming heeft gegeven maar de vrouw heeft dat, tegenover de betwisting door de man, niet onderbouwd.

Gelet op het gegeven dat, zoals de vrouw stelt, partijen maandelijks niet toekwamen met hun inleg op de gezamenlijke rekening en derhalve moesten interen op de spaarrekening van de man, alsook dat de extraatjes zoals vakanties van de spaarrekening van de man werden betaald, acht het hof het aannemelijk dat deze gelden, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig zijn onttrokken aan de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw aan de man een bedrag van € 1.000,-- te vergoeden.

7 augustus 2017 (€ 1.000,--)

De vrouw stelt dat het bedrag ad € 1.000,-- dat zij op 31 augustus 2017 naar haar rekening heeft overgeboekt, eveneens betrekking heeft op de vakantie naar Tenerife. De man wilde dat er ook geld op de rekening van de vrouw zou staan, voor het geval de bankpassen van de gezamenlijke rekening niet zouden werken. Vandaar dat de vrouw dit bedrag – op verzoek van de man – heeft overgemaakt naar haar eigen rekening, zodat partijen tijdens de vakantie te allen tijde over geld zouden beschikken.

De man betwist dat dit bedrag betrekking heeft op de vakantie naar Tenerife. Voorts betwist hij de stelling van de vrouw dat de man wilde dat er geld op de rekening van de vrouw zou staan voor het geval de bankpassen van de gezamenlijke rekening niet zouden werken.

Het hof overweegt ook ten aanzien van dit bedrag dat de vrouw niet duidelijk heeft gemaakt dat dit bedrag aan de kosten van de huishouding is besteed. De enkele stelling van de vrouw dat de man opdracht heeft gegeven tot overboeking van het bedrag van € 1000,-- naar de rekening van de vrouw, omdat hij wilde dat er ook geld op de rekening van de vrouw zou staan voor het geval de bankpassen van de gezamenlijke rekening niet zouden werken, is daartoe, gelet ook op de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat zo de stelling van de vrouw – dat dit bedrag naar de rekening van de vrouw is overgeboekt omdat de man zeker wilde weten dat partijen op vakantie over geld konden beschikken voor het geval de bankpassen van de gezamenlijke rekening niet zouden werken – al juist zou zijn, dit niet met zich brengt dat zij daarmee gerechtigd is dit bedrag ad € 1.000,-- te behouden.

Ook ten aanzien van dit bedrag geldt dan ook, onder verwijzing naar hetgeen het hof hiervoor ten aanzien van de overboeking d.d. 31 juli 2017 heeft overwogen, dat de vrouw dit bedrag ad € 1.000,-- aan de man dient te vergoeden.

22 september 2017 (€ 180,--)

De vrouw stelt dat deze overboeking een nabetaling van het UWV betreft. Deze nabetaling ad € 176,27 is op 22 september 2017 op de gezamenlijke rekening binnen gekomen. Het betrof derhalve inkomen van de vrouw, dat is overgemaakt naar haar privérekening.

Het hof stelt vast dat de man zich in de door hem ingediende antwoordakte niet verweerd heeft tegen het door de vrouw ter zake gestelde. Aldus gaat het hof ervan uit dat deze gelden niet onrechtmatig zijn onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen.

9.10.

De vrouw heeft in zijn algemeenheid nog opgemerkt dat er ook bedragen van haar privérekening ten goede zijn gekomen aan de man (€ 119,94, € 199,85, € 182,59 en € 90,97) en er ook een keer € 250,-- (19 januari 2017) van de privérekening van de vrouw naar de e/o rekening van partijen is overgeboekt. In een relatie vinden nu eenmaal over en weer mutaties plaats. Van onrechtmatige onttrekkingen dan wel vermogensopbouw, laat staan vermogensopbouw met vermogen van de man, is dan ook geen sprake (geweest).

9.11.

De man ontkent dat de door de vrouw genoemde bedragen aan hem ten goede zijn gekomen. Ten aanzien van het bedrag van € 250,-- stelt de man dat dit is meegeteld in het saldo van die rekening.

9.12.

Het hof overweegt dat het in zijn algemeenheid juist is dat in een relatie over en weer mutaties plaatsvinden. Zo de vrouw bedoeld heeft te stellen dat zij op haar beurt óók uitgaven voor de man ten laste van haar privérekening heeft voldaan, dan kan dit de vrouw echter – nog los van de vraag of het door de vrouw gestelde juist is – niet baten, nu dit niet meebrengt dat zij over dit bedrag mocht beschikken. De vrouw zou hooguit een tegenvordering kunnen instellen, doch heeft zulks nagelaten. Voor zover de vrouw zich beroept op verrekening, is dit in strijd met de zogenaamde twee-conclusie-regel. Aldus kan het door de vrouw gestelde haar niet baten.

(2) De overboekingen van [rekeningnummer 2] t.n.v. mw [de vrouw] en/of hr [de man] naar [rekeningnummer 5] t.n.v. [dochter]

9.13.

De vrouw geeft vanaf punt 14 van de door haar ingediende akte uitleg over de overboekingen die in de periode 1 januari 2013 tot 1 april 2018 hebben plaatsgevonden van de en/of rekening van partijen ( [rekeningnummer 2] ) naar de rekening van [dochter] ( [rekeningnummer 5] ). Het hof zal deze overboekingen en de uitleg van de vrouw, alsmede de reactie van de man in de antwoordakte, per overboeking bespreken.

20 januari 2015 (€ 1.300,--)

De vrouw licht deze overboeking als volgt toe. [dochter] had met haar gezin een seizoensplek voor de caravan op de camping in Renesse. Partijen maakten daar ook gebruik van en hebben derhalve een deel van de kosten voldaan.

Het hof stelt vast dat de man zich in de door hem ingediende antwoordakte niet verweerd heeft tegen het door de vrouw ter zake gestelde. Aldus gaat het hof ervan uit dat deze gelden niet onrechtmatig zijn onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen.

14 januari 2016 (€ 250,--)

De vrouw stelt ten aanzien van deze overboeking dat deze eveneens het gebruik van de caravan in Renesse betreft. De kosten lagen dit jaar een stuk lager, omdat partijen twee dagen per week oppasten op de kinderen van [dochter] en [dochter] en [schoonzoon] op deze manier iets terug wilden doen.

Het hof stelt vast dat de man zich in de door hem ingediende antwoordakte niet verweerd heeft tegen het door de vrouw ter zake gestelde. Aldus gaat het hof ervan uit dat deze gelden niet onrechtmatig zijn onttrokken aan de gezamenlijke rekening van partijen.

14 november 2016 (€ 65,--)

De vrouw licht deze overboeking als volgt toe. Partijen zijn met [dochter] en haar gezin op vakantie naar Texel geweest en aldaar hebben ze Ecomare bezocht. [dochter] heeft de entree voldaan en partijen hebben die vervolgens aan [dochter] terugbetaald.

De man stelt dat hij er niet mee akkoord is gegaan dat ook de toegangsprijs voor [dochter] en haar gezin door partijen werd voldaan. Hooguit is de toegangsprijs voor partijen (terug)betaald en dat zal ongeveer € 25,-- zijn geweest, aangezien de huidige toegangsprijs voor een volwassene € 13,75 per persoon bedraagt.

Het hof begrijpt de stelling van de man aldus dat hij van mening is dat er een bedrag van € 40,-- (€ 65,-- minus € 25,--) ten onrechte is overgemaakt van de gezamenlijke rekening van partijen naar de rekening van [dochter] . Gesteld noch gebleken is dat de vrouw toestemming van de man had voor betaling van dit bedrag, dat niet is besteed aan de kosten van de huishouding van de man en de vrouw.

Gelet op het gegeven dat, zoals de vrouw stelt, partijen maandelijks niet toekwamen met hun inleg op de gezamenlijke rekening en derhalve moesten interen op de spaarrekening van de man, alsook dat de extraatjes zoals vakanties van de spaarrekening van de man werden betaald, acht het hof het aannemelijk dat deze gelden, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig zijn onttrokken van de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw aan de man een bedrag van € 40,-- te vergoeden.

9 januari 2017 (€ 1.000,--) , 10 januari 2017 (€ 1.000,--) en 11 januari 2017 (€ 1.000,--)

De vrouw licht deze overboekingen van in totaal € 3.000,-- als volgt toe. [dochter] en haar gezin hadden de seizoensplek in Renesse voor de caravan in overleg met partijen geboekt. [dochter] had partijen laten weten dat zij in 2017 geen seizoensplek voor de caravan wilde reserveren. Partijen hebben dit besproken en aangegeven dat zij nog graag een laatste jaar met [dochter] en haar gezin de zomervakantie in Renesse wilde doorbrengen. Daarop is besloten de seizoensplek nog eenmaal te boeken. Deze kosten zijn door [dochter] voldaan en partijen hebben deze kosten op hun beurt aan [dochter] voldaan. Er gold één uitdrukkelijke voorwaarde, namelijk dat partijen veelvuldig gebruik zouden maken van de caravan, hetgeen ook is gebeurd.

De man betwist dat partijen hebben “besproken en aangegeven” dat zij in 2017 nog een laatste keer met [dochter] en haar gezin een vakantie wilden doorbrengen in Renesse. Partijen hebben nooit met [dochter] en haar gezin een vakantie in Renesse doorgebracht.

Het hof overweegt als volgt. De man betwist weliswaar dat partijen hebben besproken en aangegeven dat zij in 2017 nog een laatste keer met [dochter] en haar gezin een vakantie wilden doorbrengen in Renesse en de man stelt dat partijen nooit met [dochter] en haar gezin een vakantie in Renesse hebben doorgebracht, maar, los van wat daar van zij, de man betwist niet dat partijen in de zomer van 2017 veelvuldig gebruik hebben gemaakt van de caravan in Renesse. Gelet hierop, mede in het licht van het feit dat de man dat de man de overboekingen d.d. 20 januari 2015 (€ 1.300,--) en 14 januari 2016 (€ 250,--), welke overboekingen eveneens zien op het gebruik van de caravan op de camping in Renesse, niet heeft betwist, acht het hof het aannemelijk dat deze overboekingen zien op de kosten die gemoeid zijn met het (veelvuldig) gebruik van de caravan in Renesse.

28 februari 2017 (€ 25,--)

De vrouw weet niet meer waarom dit bedrag is overgeboekt naar [dochter] . Zij vermoedt dat [dochter] iets heeft voorgeschoten wat later is terugbetaald.

De man voert aan dat als de vrouw niet meer weet waarvoor de overboeking diende, kan worden aangenomen dat het niet om kosten van de huishouding is gegaan zoals bedoeld in de samenlevingsovereenkomst.

Het hof is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft aangetoond dat de overboeking is geschied in het kader van de kosten van de huishouding. Nu partijen, zoals de vrouw stelt zelf stelt, niet uitkwamen met de door hen op de gezamenlijke rekening gestorte inleg en derhalve inteerden op het vermogen van de man, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig is onttrokken van de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw de man dit bedrag ad € 25,-- te vergoeden.

13 maart 2017 (€ 100,--)

De vrouw licht deze overboeking als volgt toe. De vrouw vermoedt dat dit het verjaardagscadeau van partijen voor de zoon van [dochter] betreft, wat door [dochter] is voorgeschoten. Het was gebruikelijk om de kleinkinderen voor hun verjaardag een cadeau van ongeveer € 100,-- te geven.

De man betwist dat hij cadeaus aan de kleinkinderen heeft willen geven. Als de vrouw cadeaus van de gezamenlijke rekening heeft betaald, dan was zij daartoe niet bevoegd, aangezien het geen kosten van de huishouding betreft.

Het hof stelt vast dat de man niet betwist dat deze overboeking ziet op het verjaardagscadeau voor de zoon van [dochter] , maar dat hij enkel betwist dat de vrouw bevoegd was zulks van de gezamenlijke rekening te betalen, daar een dergelijk cadeau niet onder de kosten van de huishouding valt. Het hof is, anders dan de man, van oordeel dat een verjaardagscadeau voor een kleinkind in beginsel valt onder de kosten van de huishouding zoals hierboven omschreven in rov. 9.6. Dat de man, zoals hij stelt, helemaal geen cadeau heeft willen geven is voor de beoordeling of sprake is van “kosten van de huishouding” niet van belang. Het hof acht een verjaardagscadeau ad € 100,-- is ook niet dermate buitensporig, zodat niet is gebleken dat sprake is van een onrechtmatige onttrekking.

28 april 2017 (€ 50,--)

De vrouw weet niet meer waarom dit bedrag is overgeboekt naar [dochter] . Zij vermoedt dat [dochter] iets heeft voorgeschoten wat later is terugbetaald.

De man verweert zich. Als de vrouw niet meer weet waarvoor de overboeking diende, kan worden aangenomen dat het niet om kosten van de huishouding is gegaan zoals bedoeld in de samenlevingsovereenkomst.

Het hof is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft aangetoond dat de overboeking verband hield met de kosten van de gezamenlijke huishouding. Nu partijen, zoals de vrouw stelt zelf stelt, niet uitkwamen met de door hen op de gezamenlijke rekening gestorte inleg en derhalve inteerden op het vermogen van de man, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig is onttrokken van de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw de man dit bedrag ad € 50,-- te vergoeden.

16 mei 2017 (€ 200,--)

De vrouw vermoedt dat deze overboeking betrekking heeft op de schoenen die [dochter] voor haar kinderen had gekocht. Partijen wilden deze schoenen voor de kleinkinderen betalen; de kleinkinderen kregen wel vaker schoenen van partijen

De man verweert zich. Als de vrouw niet meer weet waarvoor de overboeking diende, kan worden aangenomen dat het niet om kosten van de huishouding is gegaan zoals bedoeld in de samenlevingsovereenkomst

Het hof is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft aangetoond dat er grond bestaat voor de overboeking. Nu partijen, zoals de vrouw zelf stelt, niet uitkwamen met de door hen op de gezamenlijke rekening gestorte inleg en derhalve inteerden op het vermogen van de man, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig is onttrokken van de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw de man dit bedrag ad € 200,-- te vergoeden.

24 mei 2017 (€ 125,--)

De vrouw vermoedt dat dit een terugbetaling betreft voor het verjaardagscadeau van de dochter van [dochter] , dat door [dochter] is gekocht.

De man verweert zich. Als de vrouw niet meer weet waarvoor de overboeking diende, kan worden aangenomen dat het niet om kosten van de huishouding is gegaan zoals bedoeld in de samenlevingsovereenkomst.

Het hof is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft aangetoond dat er grond bestaat voor de overboeking. Nu partijen, zoals de vrouw stelt zelf stelt, niet uitkwamen met de door hen op de gezamenlijke rekening gestorte inleg en derhalve inteerden op het vermogen van de man, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig is onttrokken van de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw de man dit bedrag ad € 125,-- te vergoeden.

3 juli 2017 (€ 18,--)

De vrouw vermoedt dat [dochter] voor partijen een boodschap heeft gedaan, die zij hebben terugbetaald.

De man verweert zich. Als de vrouw niet meer weet waarvoor de overboeking diende, kan worden aangenomen dat het niet om kosten van de huishouding is gegaan zoals bedoeld in de samenlevingsovereenkomst.

Het hof is van oordeel dat de vrouw, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft aangetoond dat er grond bestaat voor de overboeking. Nu partijen, zoals de vrouw stelt zelf stelt, niet uitkwamen met de door hen op de gezamenlijke rekening gestorte inleg en derhalve inteerden op het vermogen van de man, gaat het hof ervan uit dat dit bedrag, langs de weg van de gezamenlijke rekening van partijen, onrechtmatig is onttrokken van de spaarrekening van de man. Aldus dient de vrouw de man dit bedrag ad € 18,-- te vergoeden.

9.14.

De man stelt tot slot in de antwoordakte nog dat uit de door de vrouw overgelegde jaaroverzichten blijkt dat de vrouw in 2014 voor zichzelf een Oranje spaarrekening heeft geopend, waarvan het saldo eind 2017 € 5.155,80 bedroeg. Begin 2013 was het bedrag van dat krediet € - 1.196,94. In 2014 blijkt dit krediet volledig afgelost te zijn. Bij elkaar gaat het derhalve over € 5.155,80 + € 1.196,94 = € 6.352,74 waarvan, bij gebreke van de mogelijkheid dat uit eigen middelen te doen, aangenomen mag worden dat de vrouw het krediet heeft afgelost met gelden die zij heeft opgenomen van de e/o rekening of de betaalrekening van de man.

9.15.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw haar krediet heeft afgelost met gelden die zij heeft opgenomen van de e/o rekening of de bankrekening van de man, nu de man geen concrete onderbouwing heeft gegeven voor deze stelling. De enkele aanname van de man dat zulks is geschied op de door hem veronderstelde wijze, is daartoe onvoldoende.

9.16.

Gelet op al het vorenstaande, wordt niet meer toegekomen aan nadere bewijslevering.

De auto (KIA Sportage)

9.17.

Voorts ligt nog ter beoordeling voor de beslissing van de rechtbank ter zake de verdeling van de KIA. De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep de KIA aan de man toegedeeld en de waarde van de auto per peildatum bepaald op € 18.000,--, op grond waarvan de man gehouden is de helft hiervan (zijnde € 9.000,--) aan de vrouw te voldoen.

9.18.

De man licht de door hem ter zake opgeworpen grief als volgt toe. De rechtbank heeft, de feiten aanvullend en zonder dat over de aankoopnota van de auto op de comparitie was gesproken, overwogen dat de auto is verkocht aan de familie [de man] (“Fam. [de man] ”) en niet aan de man alleen. Echter, “Fam.” ziet in dit geval op de voorletters van de man, nog daargelaten dat er geen familie [de man] was. De man heeft in de Conclusie van Antwoord in reconventie uiteengezet waarom hij van mening is dat de auto door hem is aangebracht en waarom de auto niet valt onder het vermogen dat tussen partijen moet worden verdeeld. Hieruit blijkt dat de man stelt dat de auto weliswaar ingevolge art. 5 van de samenlevingsovereenkomst voor de onverdeelde helft aan de vrouw is gaan toebehoren, maar dat dit niet wil zeggen dat zij recht heeft op de helft van de (huidige) waarde. Ingevolge art. 9 van de samenlevingsovereenkomst zijn partijen immers verplicht eraan mee te werken dat aan iedere partij wordt toegedeeld en geleverd de goederen die hij/zij heeft aangebracht, wat betekent dat de auto dient te worden toegedeeld en geleverd aan de man. De vrouw heeft geen recht op de helft van de waarde, nu uit art. 9 lid 2 van de samenlevingsovereenkomst blijkt dat het overige gemeenschappelijke vermogen door partijen bij helfte zal worden verdeeld. Hieruit volgt derhalve dat dit niet ziet op de in art. 9 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst bedoelde goederen. De man biedt bewijs aan van zijn stellingen.

9.19.

De vrouw daarentegen stelt dat partijen de auto samen hebben uitgezocht en dat deze aan partijen gezamenlijk is geleverd. Volgens de vrouw dient “Fam. [de man] ” uitgelegd te worden als “familie [de man] ” en niet als “ [de man] ”. Op de factuur staat zelfs het emailadres van de vrouw vermeld. Nu de auto gezamenlijk eigendom is van partijen, dient deze te worden verdeeld. De grief van de man faalt aldus. De vrouw is voorts van mening dat de waarde van de auto dient te worden bepaald op € 20.000,--, zodat de man aan de vrouw geen € 9.000,--, maar € 10.000,-- dient te voldoen.

9.20.

Het hof stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de man de auto wenst te behouden. Wel is in geschil de waarde van de auto, welke waarde door de rechtbank per peildatum is vastgesteld op € 18.000,--. Het hof ziet evenwel, gelet op de stellingen van partijen over een weer, geen aanleiding om de waarde van de auto in redelijkheid op een ander bedrag vast te stellen dan de rechtbank heeft gedaan.

9.21.

Vervolgens wordt als volgt overwogen. Uit de voor dit geschilpunt relevante artikelen uit de samenlevingsovereenkomst blijkt het volgende:

“Artikel 5

De inboedel (in de zin van artikel 3.5 Burgerlijk Wetboek), aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding en auto ‘s en vervoermiddelen, zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren (...)

Artikel 9

1. Indien de overeenkomst eindigt in onderling overleg, door opzegging of het aangaan van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap, zijn partijen verplicht er aan mee te werken:

a. dat ieder in bezit gesteld wordt van zijn of haar privé-goederen;

b. dat aan iedere partij worden toebedeeld en geleverd de goederen die hij/zij

heeft aangebracht;

2. het overig gemeenschappelijk vermogen zal zo spoedig mogelijk door partijen bij helfte worden verdeeld. (...)

AANBRENGSTEN EN MEDE-EIGENDOM VAN INBOEDEL

Partijen hebben geruild en aan elkaar geleverd de onverdeelde helft in ieders inboedel. De geruilde inboedel die ieder van partijen vóór de hiervoor bedoelde levering bezat, is ongeveer evenveel waard en partijen stellen geen prijs op enige specificatie daarvan. In afwijking van het vorenstaande blijft ieder eigenaar van de kleding, sieraden of overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd of zullen vastleggen, dat zij privé-eigendom blijven van één van hen.”

Het hof is van oordeel dat gesteld noch gebleken is dat art. 5 van de samenlevingsovereenkomst zich beperkt tot goederen die tijdens de werkingsduur van deze overeenkomst zijn aangeschaft. Uit dit artikel, in onderling verband bezien met hetgeen onder het kopje “aanbrengsten en mede-eigendom van inboedel” is vermeld dient veeleer te worden afgeleid dat partijen redelijkerwijze de bedoeling hebben gehad dat de inboedel en de auto gemeenschappelijk zouden zijn, ongeacht de vraag of deze voor of na het aangaan van de samenlevingsovereenkomst zijn aangeschaft. De man heeft zijn andersluidende standpunt onvoldoende onderbouwd.

Gelet op het voorgaande kan het antwoord op de vraag of de auto is geleverd aan familie [de man] (partijen) dan wel aan [de man] (de man) in het midden blijven en behoeft hetgeen partijen verder hebben aangevoerd geen verdere bespreking meer. Aldus faalt deze grief.

9.22.

Voor zover de man heeft aangeboden zijn stellingen te bewijzen, gaat het hof, gelet op het voorgaande, waarin het hof heeft geoordeeld dat de man zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, hieraan voorbij.

9.23.

Gelet op al het vorenstaande, zal het hof het bestreden vonnis vernietigen voor zover de vordering in conventie van de man is afgewezen . De vrouw zal worden veroordeeld om de man een bedrag te betalen van in totaal € 2.458,--. De wettelijke rente over dit bedrag zal worden toegewezen als gevorderd, nu de vrouw zulks niet heeft weersproken.

9.24.

Het hof ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling zoals verzocht door partijen. Gelet op de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

10 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 12 december 2018, doch uitsluitend voor zover daarbij in dat vonnis onder 4.1 de vordering in conventie is afgewezen,

en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de vrouw tot betaling aan de man van een bedrag van € 2.458,--, zulks te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2018;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.J. van Laarhoven, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en J.W.P.N. Hermans en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 15 september 2020.

griffier rolraadsheer