Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2849

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
15-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
200.246.819_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:6231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet tijdig geklaagd. Toepassing Metaalunievoorwaarden 2014

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.246.819/01

arrest van 15 september 2020

in de zaak van

Anstelfood B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna: [appellante],

advocaat mr. M.J. Mookhram,

tegen

Aquasteam B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat mr. R.M. de Hair,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 september 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 juli 2018, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/239205 / HA ZA 17-424)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis van 4 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

De vaststaande feiten

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.2

Partijen hebben op 17 januari 2014 een overeenkomst gesloten waarbij [appellante] aan [geïntimeerde] opdracht heeft gegeven voor het inrichten in haar bedrijfspand van het totale ketelhuis en het realiseren van het leidingwerk met bijbehorende nutsvoorzieningen van en naar het ketelhuis en de diverse verbruikers in de productie. De overeenkomst bestaat uit twee delen, "Deel A) Ketelhuis" en "Deel B) Gebruikers", waarbij onder gebruikers worden verstaan verschillende apparaten, meer in het bijzonder 4 kookketels.

3.3

Op de overeenkomst zijn de Metaalunievoorwaarden van 1 januari 2014 van toepassing. Daarin zijn de volgende bepalingen opgenomen:

"Artikel 12: Oplevering van het werk

12.1

Het werk wordt als opgeleverd beschouwd in de volgende gevallen,

  1. (…)

  2. als het werk door opdrachtgever in gebruik is genomen. Neemt opdrachtgever een deel van het werk in gebruik dan wordt dat gedeelte als opgeleverd beschouwd;

  3. (…)

  4. (…)."

en

"Artikel 15: Klachtplicht

15.1.

Opdrachtgever kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, als hij hierover niet binnen veertien dagen nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken schriftelijk bij opdrachtnemer heeft geklaagd."

3.4

Op 4 mei 2015 heeft [medewerker appellante] (verder [medewerker appellante] ) namens [appellante] een email gestuurd aan [medewerker geintimeerde] (verder [medewerker geintimeerde] ) van [geïntimeerde] met, voor zover thans van belang, de volgende inhoud:

"Ten aanzien van de openstaande technische zaken sommeer ik:

(…)

7. Oplossen lekkages veiligheidsventielen stoomstraat

8. Oplossen lekkage veiligheidsventielen stoomketel

(…)"

3.5

Bij email van 12 juni 2015 heeft [medewerker appellante] , voor zover thans van belang, het volgende aan [medewerker geintimeerde] geschreven:

"Een aantal keren heb ik jullie verzocht een planning af te geven inzake de openstaande gebreken op de door jullie aangelegde installaties.

De gebreken hebben betrekking op:

(…)

4. Lekkages inzake overdrukbeveiligingen; stoomketel en kookstraat, tevens beschadiging vloer door agressief condensaat Gelieve kosteloos herstel. Hersteltermijn 3 weken.

(…)"

3.6

[medewerker geintimeerde] heeft op 28 juli 2015 een email gestuurd aan [medewerker appellante] waarin hij verslag heeft gedaan van zijn bedrijfsbezoek aan [appellante] op 27 juli 2015. In de email is onder meer het volgende vermeld:

"Restpunten:

Vervolgens worden de restpunten c.q. nog op te lossen punten een voor een besproken waarbij de besprekingsagenda opgesteld door [medewerker appellante] d.d. 23 juli 2015 als leidraad geldt:

1 Lekkende veiligheden

a. Kookstraat; 1 stuks (nieuw)

b. Stoomketel; 2 stuks (gereviseerd)

Oplossing

Veiligheden bleken na inspectie door [geïntimeerde] inderdaad te lekken. Stoomketel dient officieel in 2015 wederom Periodiek Herbeoordeelt te worden door een Notified Body (Bijv. Lloyds Reg. Ned.) Klant maakt momenteel de overweging om voor deze Herbeoordeling uitstel aan te vragen tot medio 2016. (Daar deze keuring elke 2 jaar dient plaats te vinden wordt eerst volgende keuring dan 2017)

Momenteel is er een emmertje geplaatst onder de lekleidingen. Deze oplossing is voorlopig voor eenieder acceptabel.

(Kosten technisch en productietechnisch)

Bij eerst volgende ketelkeuring (2015 of medio 2016) zullen veiligheden door [geïntimeerde] gedemonteerd, geïnspecteerd en indien nodig gereviseerd terug geplaatst worden.

(…)

6 Kookketel aansluiten (vierde)

Vierde kookketel wordt in onderling overleg aangepast en aangesloten zodra bovenstaande punten zijn gerealiseerd en aan alle financiële verplichtingen is voldaan."

3.7

In een email van 1 maart 2016 heeft [medewerker appellante] aan [medewerker geintimeerde] medegedeeld:

"We hebben aanzienlijk veel problemen met kookketel 2, er zijn diverse haarscheuren ontstaan in de stoommantel van deze kookketel, ik twijfel aan de weerstand in de condensaatretour."

3.8

Op 7 maart 2016 heeft [medewerker appellante] aan [medewerker geintimeerde] gemaild:

"Heden is weer een nieuwe scheur ontstaan in ketel 2! Zie foto's"

3.9

[medewerker appellante] en [medewerker geintimeerde] hebben op 8 en 9 maart 2016 een emailwisseling gevoerd met als onderwerp "regels voor condensaatleiding", waarin zij standpunten hebben uitgewisseld over de vraag hoe een distributiesysteem voor stoom moet worden ontworpen en de keuzes die daarin in dit geval zijn gemaakt.

3.10

Bij brief van 31 maart 2016 heeft [appellante] [geïntimeerde] in gebreke gesteld voor het niet leveren en installeren van een deugdelijk stoomnet.

3.11

In het proces-verbaal van de comparitie van partijen ten overstaan de rechter-commissaris van 16 maart 2018 zijn de volgende passages opgenomen:

"eisers
(…)
Medio 2015 zijn we gestart met pilotproducties van een dag per week. Ik constateerde toen lekkende veiligheden in de productieruimte. Bij e-mailbericht van 12 juni 2015 heb ik gedaagde daarover geïnformeerd. Ik stelde een bespreking voor en heb daartoe op 27/7/2015 een agenda gemaild. Het klopt dat beide mails niet in het dossier zitten. Gedaagde heeft niets gedaan aan de situatie. Volgens haar konden de lekkende veiligheden geen problemen opleveren. We moesten, gelet op het uit te voeren werk, de productie daarna wel opvoeren. Ongeveer een maand na de mail van 27 juli 2015 bleek dat de ketels scheurden. Het begon met één ketel.

(…)

Ik heb binnen een redelijke termijn geklaagd namelijk in augustus 2015. Ik zocht eerst in de

verkeerde richting namelijk bij de leverancier van de ketel. We hebben 1200 emailberichten

met gedaagde gewisseld. Ik bied aan de twee e-mails van 12 juni 2015 en 27 juli 2015 over

te leggen. (…)"

Het geschil in eerste aanleg

3.12

In de onderhavige procedure heeft [appellante] gevorderd te verklaren voor recht dat [geïntimeerde] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen tegenover [appellante] en dat [geïntimeerde] volledig aansprakelijk is voor de door [appellante] geleden schade. Daarnaast heeft [appellante] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van de door haar geleden schade, begroot op € 76.501,31, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente, dan wel de wettelijke rente en verder te vermeerderen met de kosten gemaakt ter vaststelling van de schade van € 3.396,47 en de kosten van de procedure.

3.13

In het eindvonnis van 4 juli 2018 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen en [appellante] in de proceskosten veroordeeld, omdat [appellante] niet binnen een redelijke termijn na ontdekking van het gebrek aan de kookketels hierover bij [geïntimeerde] heeft geklaagd.

Bespreking van de grieven

3.14

[appellante] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.15

Het hof zal de grieven 1 tot en met 3 gezamenlijk behandelen. Door middel van deze grieven heeft [appellante] betoogd dat zij wel degelijk tijdig heeft geklaagd na het ontdekken van scheurvorming in de ketels.

3.16

[appellante] heeft onder punt 10 van de dagvaarding in eerste aanleg aangevoerd dat begin februari 2016 in zeer korte tijd in één van de kookketels tot vier keer toe scheurvorming is ontstaan. Daarna heeft zij zich eerst tot de fabrikant van de ketels, Terlet, gericht en vervolgens op 1 maart 2016 tot [geïntimeerde] . [appellante] heeft daarbij verwezen naar emailcorrespondentie van 8 en 9 maart 2016 (productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg).

3.17

[geïntimeerde] heeft gesteld dat is gebleken dat de ketels al in augustus 2015 scheurvorming vertoonden en dat [appellante] daar pas in maart 2016 over heeft geklaagd.

3.18

Het hof stelt vast dat [medewerker appellante] ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft verklaard dat [appellante] medio 2015 is gestart met pilotproducties van een dag per week en dat hij naar aanleiding daarvan door middel van e-mails van 12 juni 2015 en 27 juli 2015 heeft geklaagd bij [geïntimeerde] over lekkende veiligheden in de productieruimte. Vervolgens moest [appellante] , gelet op het uit te voeren werk, de productie daarna opvoeren. Ongeveer een maand na de mail van 27 juli 2015 bleek dat de ketels scheurden, aldus nog steeds [medewerker appellante] .

3.19

In hoger beroep heeft [appellante] aangevoerd dat [medewerker appellante] zich heeft vergist. Naar het oordeel van het hof heeft [appellante] echter niet voldoende onderbouwd dat de verklaring van [medewerker appellante] op een vergissing berust. [appellante] heeft verwezen naar de emailwisseling van maart 2016 tussen [medewerker appellante] en [medewerker geintimeerde] , waarin [medewerker appellante] melding maakt van het ontstaan van scheuren in een kookketel in februari 2016, maar dat sluit niet uit dat er in augustus 2015 ook scheurvorming is opgetreden. [appellante] heeft bovendien, anders dan [geïntimeerde] , geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid de rechtbank te verzoeken het proces-verbaal met daarin de kennelijk onjuiste verklaring van [medewerker appellante] aan te passen. Voor het vervolg moet er daarom vanuit worden gegaan dat de ketels eind augustus 2015 al scheuren vertoonden.

3.20

Het hof stelt verder vast, nu [appellante] het door [medewerker geintimeerde] gemaakte bezoeksverslag van 28 juli 2015 niet gemotiveerd heeft betwist, dat [medewerker geintimeerde] op 27 juli 2015 een bezoek aan [appellante] heeft gebracht en dat daarbij afspraken zijn gemaakt en oplossingen zijn gevonden voor de door [appellante] bij e-mails van 4 mei 2015 en 12 juni 2015 geuite klachten. Daarmee mocht [geïntimeerde] ervan uitgaan dat alle tot dan toe bekende klachten waren opgelost. Nieuwe problemen met de installatie dienden daarom door [appellante] in overeenstemming met de Metaalunievoorwaarden opnieuw binnen veertien dagen te worden gemeld bij [geïntimeerde] . Dus ook de scheurvorming die in augustus 2015 is opgetreden.

Dat heeft [appellante] echter pas op 1 maart 2016 gedaan. De conclusie moet dan ook zijn dat [appellante] niet tijdig heeft geklaagd. Dat geldt ook wanneer [appellante] zou moeten worden gevolgd in haar stelling dat het scheuren van de ketels op zichzelf niet zozeer een gebrek is, maar meer een gevolg van onderliggende gebreken, nu [geïntimeerde] er, zoals gezegd, vanuit mocht gaan dat na het bezoek van [medewerker geintimeerde] aan [geïntimeerde] alle tot dan bekende problemen waren afgehandeld.

3.21

De grieven 1 tot en met 3 slagen dan ook niet.

3.22

Grief 4, die opkomt op tegen de veroordeling van [appellante] in de kosten van de procedure, heeft geen zelfstandige betekenis en hoeft om die reden niet verder te worden besproken.

Slotsom

3.23

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

3.24

Het hof zal [appellante] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op € 1.978,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.959,- (1 punt, tarief IV) aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met het nasalaris zoals nader in het dictum bepaald.

4 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Limburg van 4 juli 2018;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 1.978,- voor verschotten en € 1.959,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te vermeerderen met € 157,- voor nasalaris van de advocaat en nogmaals € 82,- indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. B.J.H. Hofstee, mr. O.E. Mulder en mr. S.E. Vlaanderen-Schüttenhelm en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 september 2020.