Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2844

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2020
Datum publicatie
22-09-2020
Zaaknummer
20/00032
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2019:5675, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 14, lid2 Wbr. Is er sprake van een woning (2% overdrachtsbelasting) of een niet-woning (6% overdrachtsbelasting)? De onroerende zaak is gebouwd en ontworpen als woning en in 1956 verbouwd tot hotel met restaurant. Het hof oordeelt dat de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging een niet-woning is en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 22-09-2020
V-N Vandaag 2020/2263
FutD 2020-2763
V-N 2020/62.15 met annotatie van Redactie
NTFR 2020/2751
NLF 2020/2092 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 20/00032

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de rechtbank) van 11 december 2019, nummer BRE 18/2280, in het geding tussen

belanghebbende,

en

De Inspecteur van de belastingdienst,

hierna: de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Belanghebbende heeft ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] op aangifte € 24.900 overdrachtsbelasting voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt en bij uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de verschuldigde overdrachtsbelasting verminderd tot € 18.900.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het hof heeft bepaald dat de zitting achterwege kan blijven. Geen van partijen heeft – na navraag door het hof – verklaard gebruik te willen maken van hun recht om op een zitting te worden gehoord. Het hof heeft partijen schriftelijk meegedeeld dat het onderzoek is gesloten.

2 Feiten

2.1.

Bij akte van levering van 3 juli 2017 heeft belanghebbende het recht van eigendom verkregen van het pand met aanhorigheden, ondergrond en tuin gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , kadastraal aangeduid als gemeente [woonplaats] , sectie […] , nummer [nummer] (hierna: de onroerende zaak). De koopsom bedraagt € 415.000.

2.2.

De onroerende zaak is in 1813 ontworpen en gebouwd als woning. De onroerende zaak is als woning in gebruik geweest tot 1936. Van 1936 tot 1956 is de onroerende zaak achtereenvolgens gebruikt als parochieel centrum, distributiekantoor en, wederom, als woning. In 1956 is de onroerende zaak verbouwd tot hotel met restaurant. Bij deze verbouwing is over de volledige lengte van de linker zijkant van het pand een aanbouw geplaatst. Ook is aan de achterzijde van de onroerende zaak over de volledige breedte van het pand een aanbouw geplaatst, waarvan een deel beperkt is tot begane grond en het overige deel bestaat uit twee verdiepingen. De aanbouw aan de achterzijde is onder andere gebruikt voor de realisatie van een spoelkeuken. Bij deze verbouwing zijn tevens op de begane grond muren verwijderd zodat op de begane grond twee restaurants, een entree met garderobe, een veranda, voornoemde spoelkeuken en meerdere toiletten zijn gecreëerd. Op de eerste en tweede verdieping zijn tijdens de verbouwing in 1956 twaalf hotelkamers gerealiseerd. De twaalf hotelkamers zijn in de jaren ’80 voorzien van badkamers. Nadien zijn deze hotelkamers vervangen. Een deel van die kamers is als woning in gebruik genomen. Daarnaast zijn zes kamers gebruikt in het kader van een Bed & Breakfast. Op enig moment is nog een kamer aan het woondeel toegevoegd. Ten tijde van de verkrijging van de onroerende zaak door belanghebbende waren er nog vijf kamers met elk een eigen toilet en badkamer en/of douche die worden gebruikt voor de exploitatie van een Bed & Breakfast. Het overige deel van de eerste verdieping is als woning in gebruik. De begane grond is nagenoeg ongewijzigd steeds als restaurant in gebruik gebleven.

2.3.

De gemeentelijke bestemming van de onroerende zaak staat in de WOZ-beschikking 2019 aangeduid als “niet-woning deels in gebruik als woning”. In de eigendomsregistratie van het kadaster staat als omschrijving “bedrijvigheid (industrie)”.

2.4.

Ter zake van de verkrijging van de onroerende zaak door belanghebbende is € 24.900 overdrachtsbelasting voldaan, uitgaande van het tarief van 6% voor niet-woningen. De voldoening op aangifte heeft op 26 juli 2017 plaatsgevonden. Daartegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. In de uitspraak op bezwaar is de inspecteur gedeeltelijk aan het bezwaar tegemoetgekomen. De als woning in gebruik zijnde ruimten die onderdeel uitmaken van de onroerende zaak zijn door de inspecteur als woning aangemerkt. Van de totale koopsom van € 415.000 heeft de inspecteur € 150.000 toegerekend aan dat deel. Het overige deel van de onroerende zaak (hierna: het hoteldeel) is door de inspecteur niet als woning aangemerkt. In de uitspraak op bezwaar heeft de inspecteur de verschuldigde overdrachtsbelasting daarom verminderd tot € 18.900.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of het hoteldeel van de onroerende zaak ten tijde van de verkrijging door belanghebbende een woning is in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (hierna: Wet BRV), zodat het verlaagde tarief van 2% van toepassing is.

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de overdrachtsbelasting tot € 8.300. De inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Op grond van artikel 14, lid 2, Wet BRV bedraagt de belasting voor de verkrijging van woningen twee procent.

4.2.

In de Wet BRV is geen definitie van het begrip woningen opgenomen. In de Memorie van Toelichting1 bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot artikel 14, lid 2, van de Wet BRV is, voor zover van belang, het volgende opgemerkt:

“Dit onderdeel regelt de verlaging van het tarief overdrachtsbelasting naar 2 procent voor de verkrijging van woningen of van rechten waaraan deze zijn onderworpen. Onder woningen wordt in dit kader verstaan onroerende zaken die op het moment van de juridische overdracht naar hun aard zijn bestemd voor bewoning. Als een onroerende zaak feitelijk wordt bewoond, maar naar zijn aard niet bestemd is voor bewoning, dan wordt deze onroerende zaak niet aangemerkt als woning. Bij twijfel of een onroerende zaak naar zijn aard bestemd is voor bewoning is mede van belang of de gemeente aan de onroerende zaak een woonbestemming heeft gegeven.

(…)

Als woning zijn in ieder geval niet aan te merken:

(…)

-hotels/pensions;

(…) ”.

4.3.

Uit de wetsgeschiedenis volgt dat sprake is van een ‘woning’ in de zin van artikel 14, lid 2, van de Wet BRV als de onroerende zaak op het moment van juridische overdracht naar zijn aard bestemd is voor bewoning.

4.4.

De Hoge Raad heeft in onder meer het arrest van 24 februari 20172 aan het begrip ‘woning’ nadere invulling gegeven. De beoordeling of de onroerende zaak ‘naar zijn aard voor bewoning bestemd is’ dient volgens de Hoge Raad te geschieden met toepassing van een zo objectief mogelijke maatstaf, dat wil zeggen een maatstaf die zoveel mogelijk aanknoopt bij de kenmerken van het bouwwerk zelf. Aanknopen bij de kenmerken van het bouwwerk zelf wordt bereikt door aansluiting te zoeken bij het doel waarvoor het oorspronkelijk is ontworpen en gebouwd. Indien dat doel bewoning is geweest maar het bouwwerk nadien is verbouwd om het geschikt te maken voor een andere vorm van gebruik, kan het alleen worden geacht zijn aard van woning te hebben behouden indien niet meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het weer voor bewoning geschikt te maken. Indien toepassing van deze regel niet leidt tot een duidelijke slotsom, komt mede betekenis toe aan de eisen of beperkingen die voor het (gebruik van het) bouwwerk voortvloeien uit publiekrechtelijke eisen.

4.5.

Niet in geschil is dat de onroerende zaak oorspronkelijk als woning is ontworpen en gebouwd. De inspecteur heeft betoogd dat de onroerende zaak op het moment van verkrijging geen woning betreft, omdat die naar zijn aard niet meer bestemd is voor bewoning door particulieren gezien de verbouwing tot hotel die in 1956 heeft plaatsgevonden. Daar komt bij, aldus de inspecteur, dat het niet mogelijk is om de onroerende zaak met beperkte middelen en aanpassingen weer geschikt te maken voor bewoning.

4.6.

Het hof is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de onroerende zaak door de verbouwing in 1956 de aard van woning heeft verloren. Anders dan belanghebbende betoogt zijn deze aanpassingen niet mineur te noemen. Na deze verbouwing is de onroerende zaak bestemd om dienst te doen als hotel/restaurant. De latere verbouwingen, waarbij badkamers zijn toegevoegd en het aantal kamers is verminderd tot zes (vijf), hebben geen wijziging gebracht in de aard van de onroerende zaak. Dat een deel van de kamers op de eerste verdieping wordt gebruikt als woning doet daaraan niet af en bovendien heeft de inspecteur daarmee, in de uitspraak op bezwaar, rekening gehouden door voor dat deel van de onroerende zaak het verlaagde tarief toe te passen.

Het hof is bovendien van oordeel dat er meer dan beperkte aanpassingen nodig zijn om het hoteldeel weer geschikt te maken voor bewoning. Een professionele (spoel)keuken en de sanitaire voorzieningen voor een restaurant zijn immers niet eenvoudig te wijzigen in dergelijke voorzieningen voor een woning. Ten overvloede merkt het hof nog op dat ook de gemeentelijke bestemming “niet-woning, deels in gebruik als woning” er op duidt dat de onroerende zaak de aard van woning heeft verloren.

4.7.

Belanghebbende beroept zich verder op het begrip “in wezen nieuwbouw” dat in de omzetbelasting wordt gehanteerd. Volgens belanghebbende wordt niet voldaan aan de vier daarvoor geldende criteria, zodat in 1956 of later geen sprake is van nieuwbouw met als gevolg dat het oorspronkelijke woonhuis haar functie als woonhuis heeft behouden. Of al dan niet is voldaan aan de vier criteria kan in het midden blijven omdat het hof, evenals de rechtbank, van oordeel is dat het begrip “in wezen nieuwbouw” hier niet toegepast kan worden. De Hoge Raad heeft in zijn arresten uit 2017 niet bij deze criteria aangesloten, terwijl dat in de daaraan voorafgaande conclusie (gemeenschappelijke bijlage) wel aan de orde is geweest. Ook als er niet “in wezen nieuwbouw” is, kan dus sprake zijn van aardverandering voor de overdrachtsbelasting.

4.8.

In hoger beroep verwijst belanghebbende nog naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant3 over een onbewoonbaar verklaarde woning die toch als woning kwalificeerde. Belanghebbende verbindt daaraan de conclusie dat het kennelijk niet zo gemakkelijk is om de oorspronkelijke bestemming als woonhuis te verliezen, zelfs al blijft er een bouwval over. Het hof gaat aan dit argument voorbij omdat belanghebbende uit het oog verliest dat deze onbewoonbaar verklaarde woning geen aardverandering heeft ondergaan. Van een vergelijkbare situatie is daarom geen sprake.

Tussenconclusie

4.9.

Het hoger beroep is ongegrond.

Ten aanzien van het griffierecht

4.10.

Het hof ziet geen aanleiding om het griffierecht te laten vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.11.

Het hof oordeelt dat er geen redenen zijn voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, L.B.M. Klein Tank en W.A. Sijberden, in tegenwoordigheid van P.A. Flutsch, als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 september 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Kamerstukken II, 2011-2012, 33003, nr. 3, blz. 115 en 116.

2 nr. 16/04101, ECLI:NL:HR:2017:295.

3 ECLI:NL:RBZWB:2019:1184, zie ook hof 20 februari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:651.