Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2815

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
10-09-2020
Datum publicatie
14-09-2020
Zaaknummer
200.271.355_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag, hoofdverblijf, zorgregeling, (voorwaardelijk) verzoek vervangende toestemming inschrijving school, verzoek benoeming bijzondere curator, afwijzing verzoek onderzoek ex artikel 810a Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 10 september 2020

Zaaknummer: 200.271.355/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/336010 / FA RK 18-3332_3

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. I.L. Ortelee te Houten,

tegen

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. C.A.M.J. de Wit te Schijndel.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 september 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 december 2019, heeft de vader verzocht voormelde beschikking te vernietigen, althans voor zover getroffen door de aangevoerde grieven en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

- bij wijze van voorlopige voorzieningen:

a. voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: een deskundigenonderzoek ex artikel 810a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe te staan, waarin de kinderen worden onderzocht, de situatie bij de vader en de moeder wordt onderzocht en een ouderschapsonderzoek plaatsvindt en te bepalen dat de kosten daarvan ex artikel 810a lid 3 Rv ten laste van ’s Rijks kas komen, op basis van de hiervoor opgeworpen vragen;

b. te bepalen dat de kinderen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder zullen verblijven, zoals partijen hebben afgesproken en de kinderen het schooljaar op hun respectievelijke scholen in [woonplaats vader] kunnen afmaken, zoals afgesproken en de moeder in eigen persoon aan de kinderen heeft verteld, totdat een definitief oordeel op basis van een deskundigenonderzoek mogelijk is;

- in hoger beroep:
bij wege van zelfstandig verzoek:

c. voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad: een deskundigenonderzoek ex artikel 810a Rv toe te staan, waarin de kinderen worden onderzocht, de situatie bij de vader en de moeder wordt onderzocht en een ouderschapsonderzoek plaatsvindt en te bepalen dat de kosten daarvan ex artikel 810a lid 3 Rv ten laste van ’s Rijks kas komen, voor zover dat nog niet is opgestart na het verzoek voorlopige voorziening;

en gebaseerd op de berichten van de in te schakelen deskundige:

d. primair te bepalen dat de vader voortaan het eenhoofdig gezag heeft over [minderjarige 2] en [minderjarige 1] , subsidiair, dat het ouderlijk gezag in stand blijft;

e. te bepalen dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de vader hebben en de zorgregeling er als volgt uitziet: een 50/50 verdeling waarin zij de ene week bij de vader verblijven en de andere week bij de moeder, subsidiair dat de kinderen om het weekend van vrijdag na school tot maandag na school bij de moeder verblijven;

f. vervangende toestemming te verlenen tot voortzetting van de leergangen van beide jongens op de huidige scholen in [woonplaats vader] tot het einde van het schooljaar;

g. een bijzondere curator te benoemen.

2.2.

Tevens is de vader bij appeldagvaarding van 7 januari 2020 in hoger beroep gekomen van het vonnis in kort geding van de rechtbank Oost-Brabant van 12 december 2019 (zaaknummer C/01/353166 / KG ZA 19-740). Het hoger beroep tegen dat vonnis is administratief geboekt onder nummer 200.272.669/01.

Deze zaak is naar de rol van 28 juli 2020 verwezen voor royement door partijen en op genoemde datum doorgehaald.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2020, heeft de moeder verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep dan wel dit hoger beroep ongegrond te verklaren en af te wijzen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Ortelee;

- de moeder, bijgestaan door mr. De Wit;

- Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.4.2.

Het hof heeft de hierna te noemen minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 21 juli 2020. Ook [minderjarige 2] heeft, hoewel daartoe niet uitdrukkelijk in de gelegenheid gesteld door het hof, op die brief (kort) zijn mening weergegeven.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlagen van de GI d.d. 13 juli 2020;

- de tijdens de mondelinge behandeling van het hof door de advocaat van de vader overgelegde en voorgedragen pleitnotitie.

3 De beoordeling

3.1.

De ouders zijn met elkaar gehuwd geweest.

Uit het huwelijk van partijen zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] (hierna tezamen: de kinderen) geboren.

De ouders zijn belast met het gezamenlijk ouderlijk gezag over de kinderen.

3.2.

Bij beschikking van 15 februari 2012 heeft de rechtbank Breda tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 26 maart 2012 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.3.

De ouders hebben op 2 januari 2012 een ouderschapsplan ondertekend, dat aan de echtscheidingsbeschikking is gehecht. Hierin is onder meer bepaald dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben.

Feitelijk verbleven de kinderen vanaf april 2018 tot eind 2019 bij de vader.

In het gezin van de vader en zijn nieuwe partner (mw. [nieuwe partner van de vader] ), wonen nog twee kinderen: [minderjarige 3] (geboren op [geboortedatum] 2010) en [minderjarige 4] (geboren op [geboortedatum] 2017).

3.3.

De kinderen van de ouders staan sinds 28 augustus 2018 onder toezicht van de GI. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 28 augustus 2021.

3.4.

De vader heeft in eerste aanleg verzocht het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en hem met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten. Bij aanvullend verzoek heeft de vader vervangende toestemming verzocht om de kinderen (als gastleerlingen) in te schrijven op basisschool [basisschool 1] in [woonplaats vader] .

3.5.

Bij beschikking van 28 augustus 2018 heeft de rechtbank, kort weergegeven en voor zover van belang:

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad, de vader vervangende toestemming verleend om de kinderen met ingang van 28 augustus 2018 in te schrijven als gastleerlingen op basisschool [basisschool 1] te [woonplaats vader] ;

  • -

    de beslissingen op de verzoeken betreffende het gezag en het hoofdverblijf aangehouden.

3.6.

Bij beschikking van 25 september 2018 heeft de rechtbank, kort weergegeven en voor zover van belang:

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de kinderen voorlopig hun hoofdverblijf bij de vader zullen hebben;

  • -

    de definitieve beslissingen op de verzoeken betreffende het gezag en het hoofdverblijf aangehouden, in afwachting van nadere informatie van de GI over het verloop van de ondertoezichtstelling, de stand van zaken en haar bevindingen.

3.7.

Bij de bestreden beschikking van 23 september 2019 heeft de rechtbank alle verzoeken van de vader (betreffende het gezag, het hoofdverblijf van de kinderen en de inschrijving van de kinderen c.q. voortzetting van het schooljaar op de basisschool in [woonplaats vader] ) afgewezen en de proceskosten tussen partijen gecompenseerd aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.7.1.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 12 december 2019 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant – kort weergegeven – de vader veroordeeld om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis zijn onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verhuizing van de kinderen naar het adres van de moeder en aan de inschrijving van [minderjarige 1] op het [college] College te Uden en de inschrijving van [minderjarige 2] op basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] , alsmede tot afgifte van de identiteitsbewijzen van de kinderen aan de moeder over te gaan, een en ander op straffe van verbeurte van dwangsommen. Daarbij is de moeder gemachtigd om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstellingen.

3.8.

De vader kan zich met de beslissing van 23 september 2019 niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De vader voert - kort samengevat - het volgende aan.

De kinderen zijn destijds met spoed bij de vader en zijn nieuwe partner geplaatst. Het was de insteek van alle betrokkenen (met uitzondering van de moeder, omdat met haar geen communicatie mogelijk was) dat de plaatsing van de kinderen bij de vader een tijdelijke maatregel zou zijn. Het doel was vanaf het begin dat de kinderen uiteindelijk weer terug bij de moeder zouden worden geplaatst. De vader denkt er nog steeds zo over.

De voorwaarde die Veilig Thuis stelde was dat de kinderen niet eerder teruggaan naar de moeder dan dat zij uitbehandeld is en naar de mening van deskundigen (Novadic, Ons Welzijn en Veilig Thuis) weer in staat is voor de kinderen te zorgen. De vader is er, gezien het gedrag van de moeder en geruchten die de vader hoort, van overtuigd dat de moeder nog altijd alcohol- en/of drugsverslaafd is en met ‘verkeerde’ vrienden omgaat. De partner van de moeder is drugsverslaafd en mag zijn kinderen alleen onder toezicht zien. De vader is er niet van overtuigd dat de moeder het behandeltraject bij Novadic met succes heeft afgerond. Er ligt alleen een onduidelijk, niet ondertekend briefje van Novadic. Er is nu ook te weinig toezicht in (de situatie bij) de moeder, in de vorm van intensieve hulpverlening door ervaren professionals, om kunnen vaststellen dat de opvoedsituatie daar veilig is.

De GI heeft na het uitspreken van de ondertoezichtstelling de veiligheid van de kinderen in de thuissituatie bij de vader in twijfel getrokken. Ten onrechte is zijn gezinssituatie onder een vergrootglas gelegd. De vader heeft geen hulp en ondersteuning van de GI gekregen bij het aanpassen aan de nieuwe gezinssituatie. De vader staat open voor hulpverlening, maar alleen als hij verwacht daar echt iets aan te hebben.

In deze procedure is de moeder de wederpartij, niet de GI. De mening van de GI kan niet worden meegewogen in het oordeel van het hof. Hoewel bij aanvang van de ondertoezichtstelling er geen raadsrapport lag, heeft de GI nimmer de behoefte gehad daarna alsnog een (raads)onderzoek te gelasten ten behoeve van de besluitvorming, terwijl het advies van Veilig Thuis door de GI werd genegeerd. Alleen met een 810a Rv-onderzoek is de vader in staat zicht te krijgen op de situatie bij de moeder. De vader heeft in het beroepschrift onderzoeksvragen geformuleerd. Pas na het onderzoek zal duidelijk worden of de terugkeer van de kinderen naar de moeder als veilig kan worden beschouwd en welke beslissing in het belang van de kinderen is.

De vader wil nog steeds met het eenhoofdig gezag worden belast, omdat de indoctrinatie van de kinderen door de moeder niet in hun belang is.

In kort geding ging het met name over de schoolgang, maar ondanks het vonnis in kort geding, hebben de kinderen het schooljaar in [woonplaats vader] afgemaakt. De moeder heeft dus niets met het vonnis gedaan.

Nu de kinderen klem en verloren dreigen te raken tussen de ouders, is het nodig voor de kinderen een bijzondere curator te benoemen, die de belangen van de kinderen in aanmerking zal nemen.

3.10.

De moeder voert - kort samengevat - het volgende aan.

Het advies van Veilig Thuis is achterhaald door de bevindingen van de gezinsvoogd in het kader van de ondertoezichtstelling. De moeder is al anderhalf jaar clean. Enige tijd na de behandeling zijn er nog acute urinecontroles geweest: de moeder werd daarvoor ’s-ochtends onverwacht opgehaald. Er is veel hulpverlening in het gezin betrokken: eenmaal per week komt een medewerking van De Combinatie Jeugdzorg langs. De moeder werkt ook weer. De partner van de moeder is niet drugsverslaafd. Hij werkt hard en is juist een stabiele factor in het leven van de moeder. Hij ziet zijn kinderen onder begeleiding vanwege de vechtscheiding tussen hem en zijn ex-partner, waar hulpverlening op is ingezet.
De moeder heeft er, ondanks het vonnis in kort geding, mee ingestemd dat de kinderen hun schooljaar op de basisschool in [woonplaats vader] zouden afmaken, omdat dit beter was voor de kinderen. Van de moeder kan echter niet verwacht worden de kinderen nóg een schooljaar naar [woonplaats vader] te brengen. [minderjarige 1] is alsnog, na plaatsing op een wachtlijst, aangenomen op de middelbare school in Uden . Hij is blij dat hij daar het nieuwe schooljaar kan starten, omdat hij bij vrienden van zijn oude basisschool in de klas komt.

Het is terecht dat de GI zich heeft mogen uitlaten over de verzoeken van de vader in eerste aanleg, ook al was de moeder de wederpartij. De raad en de GI zijn betrokken bij het gezin en zij kunnen daarom het hof adviseren over de voorliggende verzoeken; een deskundigenonderzoek is niet nodig. Niet is voldaan aan de wettelijke criteria voor de benoeming van een bijzondere curator.

De vader is niet-ontvankelijk voor zover het zijn verzoeken tot vaststelling van een co-ouderschapsregeling en de benoeming van een bijzondere curator betreft, nu deze verzoeken voor het eerst in hoger beroep zijn gedaan. De moeder kan instemmen met een zorgregeling waarbij de kinderen eens in de veertien dagen bij de vader verblijven, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. De moeder kan ook instemmen met een extra contactmoment doordeweeks, maar dan moet de vader de kinderen halen en brengen.

De moeder en de kinderen hebben nu vooral behoefte aan rust en duidelijkheid. Het gaat goed met de moeder en met de kinderen. De vader zou moeten koesteren wat goed gaat én zich wat meer moeten richten op zijn eigen situatie, waarover (ook) de nodige zorgen zijn.

3.11.

De GI heeft tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende naar voren gebracht.

De kinderen hebben weer van school moeten wisselen, maar nu is er duidelijkheid over waar zij het komende jaar naar school kunnen gaan.

Over de situatie bij beide ouders zijn er zorgen, maar het verschil is dat de moeder open staat voor hulpverlening, terwijl dat bij de vader wordt gemist. Het is moeilijk een gesprek met de vader te voeren, omdat de emoties snel hoog oplopen. Deze ervaring heeft de GI al lange tijd met de vader. Dit gebeurt ook tussen de vader en de moeder; de kinderen zitten daartussen klem. De kinderen worden belast met stressvolle situaties en ruzies tussen de ouders. Hier moet de gezinsvoogd mee aan de slag.

De GI ziet de meerwaarde van een nader onderzoek niet. Er zijn meerdere pogingen gedaan om begeleiding bij de vader thuis in te zetten. De vader heeft dit tegengehouden omdat hij daar niet voor openstond. In augustus zal Krachtig Thuis bij de vader starten; gezinsbegeleiding die zich kan richten op de communicatie tussen de ouders. Een onderzoek zet alleen maar druk op de kinderen, terwijl zij nu juist rust nodig hebben.

De GI staat achter het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder. De moeder heeft haar behandeltraject bij Novadic Kentron positief afgesloten en de gezinsvoogd en de hulpverlening hebben geen signalen meer gezien van drugsgebruik. Bij de moeder is veel hulpverlening betrokken die zicht heeft op en kan observeren in de thuissituatie: er is een voldoende beeld om aan te nemen dat de moeder geen drugs meer gebruikt. De zorgen díe er zijn, hebben betrekking op de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen, in verband met de problemen in de ouderrelatie waarmee zij belast worden.

In april 2018 was de situatie bij de moeder heel zorgelijk en was er een acute noodzaak de kinderen uit huis te plaatsen. De vader heeft toen zijn verantwoordelijkheid genomen. De start van de ondertoezichtstelling verliep moeizaam, omdat er geen raadsonderzoek aan ten grondslag lag. De situaties bij beide ouders dienden na de start van de ondertoezichtstelling te worden beoordeeld. Dat voelde voor de vader wellicht alsof zijn gezin onder een vergrootglas werd gehouden, maar de GI moest wel iets doen met de zorgen die er waren.

Er is naar een vorm van samenwerking gezocht bij de thuisplaatsing van de kinderen bij de moeder, maar er kwam alleen maar meer onrust. De ouders hebben een beslissing nodig die hen duidelijkheid en rust geeft, zodat de ouders zich kunnen richten op de relatie met de kinderen en de kinderen geen wisselingen meer hoeven meemaken en zelf ook rust ervaren.

Naar aanleiding van de ernstige bedreiging door de vader van de gezinsvoogd worden intern de nodige ‘acties uitgezet’; intussen zijn er geen fysieke besprekingen tussen de vader en de gezinsvoogd. De vader kan wel contact opnemen met de GI, maar fysieke gesprekken vinden voorlopig niet plaats om de veiligheid van de eigen medewerkers te kunnen waarborgen.

3.12.

De raad adviseert de bestreden beschikking te bekrachtigen. Er is dringend rust nodig en het zou goed zijn als de strijdbijl begraven kon worden. De kinderen zijn erbij gebaat als zij van beide ouders mogen houden. Dat moeten beide ouders gaan inzien.

De raad adviseert de situatie te laten zoals deze nu is. De kinderen vinden het fijn dat zij terug konden keren naar hun oude school(vrienden) en clubjes. Voor de kinderen is het prettig als duidelijk wordt dat zij hier ook mogen blijven.

De raad ziet geen enkele aanleiding voor een (raads)onderzoek en acht dit ook niet in het belang van de kinderen. Er is rust nodig en dat krijgen de kinderen niet als zij weer ‘door de mangel’ worden gehaald. Er is veel hulpverlening aanwezig in de thuissituatie bij de moeder. Zij heeft, naast haar werk en het huishouden, al veel op haar bordje. Voor de kinderen is een dergelijk onderzoek niet helpend. De raad adviseert eerst te observeren hoe het gaat als de situatie wat stabieler is.

De strijd tussen de ouders die destijds aanleiding was voor het uitspreken van de ondertoezichtstelling, heeft zich nu verplaatst van vader richting de GI. De kinderen zijn daardoor nog altijd niet geholpen. Het is jammer dat de communicatie tussen de ouders nog steeds zo moeizaam verloopt. Daar moet verandering in komen, maar een onderzoek helpt daar niet bij.

3.13.

Het hof overweegt het volgende.

Deskundigenonderzoek

3.13.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de vader zijn verzoek om bij wijze van voorlopige voorziening het deskundigenonderzoek te gelasten, ingetrokken. Dit verzoekt behoeft derhalve geen inhoudelijke behandeling meer.

De vader verzoekt, zo is tijdens de mondelinge behandeling toegelicht, primair een deskundigenonderzoek te gelasten, omdat, wanneer daaruit blijkt dat de zorgen van de vader niet terecht zijn, hij kan instemmen met het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder.

Vader beoogt met het onderzoek vast te kunnen stellen dat de moeder inderdaad, zoals zij zelf stelt en waarvan de GI en betrokken hulpverlening vanuit gaan, ‘clean’ is en dat de thuissituatie bij de moeder voor de kinderen veilig genoeg is.

Indien en voor zover uit het onderzoek blijkt dat de moeder, zoals hij vermoedt, niet ‘clean’ is en/of anderszins niet in staat is de kinderen een veilige opvoedomgeving te bieden, handhaaft de vader zijn verzoek om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen en hem vervangende toestemming te verlenen om de kinderen op een school in [woonplaats vader] in te schrijven, alsmede hem met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten.

3.13.2.

Het verzoek van de vader om een (deskundigen)onderzoek te gelasten wordt door het hof begrepen als een verzoek ex artikel 810a lid 2 Rv. Dit onderzoek kan worden gelast als dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Voor zover de vader met zijn verzoek beoogt een breed onderzoek te laten plaatsvinden, om te kunnen vaststellen of er überhaupt contra-indicaties zijn voor bepaling van het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder, dient dit verzoek te worden afgewezen. Een 810a Rv onderzoek wordt gelast om onderzoek te doen naar concrete zorgen c.q. een concrete feitelijke aanleiding, te stellen door de partij die om dit onderzoek vraagt. De vader heeft onvoldoende concrete omstandigheden aangevoerd en concrete onderzoeksvragen geformuleerd om aan te nemen dat beantwoording van deze vragen mede tot de beslissing van de zaak kan leiden.

Het (primaire) verzoek van de vader zal derhalve reeds op grond van het voorgaande worden afgewezen.

3.13.3.

Overigens acht het hof het met de GI en de raad in strijd met de belangen van de kinderen om hen op dit moment te onderwerpen aan een onderzoek. Zoals het hof hierna ook overweegt hebben de kinderen op dit moment, na alle wisselingen en onrust, en gezien de ouderproblematiek waarin zij klem zitten, vooral duidelijkheid en rust nodig.

Een nader onderzoek zou het gezin van de moeder, waar de kinderen deel van uitmaken, nog meer belasten en onduidelijkheid met zich brengen omdat een definitieve beslissing van het hof over het gezag en het hoofdverblijf van de kinderen aangehouden zou moeten worden.

Ook het voorgaande is op zichzelf voldoende grond om het verzoek van de vader af te wijzen.

3.13.4.

Het hof gaat derhalve over tot de inhoudelijke beoordeling van de verzoeken van de vader.

Het hof begrijpt dat de vader subsidiair – namelijk indien het verzoek om een onderzoek te gelasten wordt afgewezen – verzoekt met het eenhoofdig gezag belast te worden, alsmede het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen.

Het hof begint met een bespreking van het meest verstrekkende verzoek, zijnde het verzoek om hem met het eenhoofdig gezag over de kinderen te belasten.

Gezag

3.13.5.

Het hof stelt vast dat de moeder en de vader na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen zijn blijven uitoefenen.

3.13.6.

Ingevolge artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of een van hen het gezamenlijk gezag beëindigen indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter bepaalt dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

3.13.7.

Gezamenlijke uitoefening van het gezag vereist dat de ouders het mogelijk maken dat beslissingen over de verzorging en opvoeding van het kind tot stand komen op een wijze die niet belastend is voor het kind en zijn veiligheid niet in gevaar brengt. In het geval ouders niet (meer) samenleven en moeizaam of niet communiceren is het van belang dat, waar nodig, de verzorgende ouder die beslissingen kan nemen die voor het dagelijkse leven en de veiligheid van (spoedeisend) belang zijn voor het kind en dat de niet-verzorgende ouder deze beslissingen niet blokkeert. Ook is het van belang dat ouders die niet in staat zijn de strijd met elkaar te staken, tenminste in staat zijn het kind buiten die strijd te houden. Indien bovengenoemde omstandigheden aanwezig zijn, ligt gezamenlijk gezag in de rede, tenzij andere redenen eenhoofdig gezag noodzakelijk maken.

3.13.8.

Het hof is van oordeel dat, nog afgezien van het feit dat de vader deze grief ter zake het gezag niet of nauwelijks heeft geconcretiseerd, het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden is gegeven. Er is geen sprake van feiten of omstandigheden aan de zijde van de moeder die in het belang van de kinderen ertoe nopen om haar gezag te beëindigen. Het toekennen van het eenhoofdig gezag aan de vader, zoals hij heeft verzocht, zal bovendien enkel bijdragen aan het verharden van de strijd tussen ouders en wordt niet in het belang van de kinderen geacht. Voorts biedt het toekennen van eenhoofdig gezag geen oplossing voor de onderlinge problemen en het onderlinge wantrouwen tussen de ouders. Weliswaar is de onderlinge communicatie tussen de ouders niet goed, maar tijdens de mondelinge behandeling van het hof is gebleken dat Krachtig Thuis, de organisatie die sinds kort in beide gezinssituaties betrokken is, aan de oudercommunicatie en de relatie op ouderniveau kan werken. Uit de door de GI overgelegde verslagen met betrekking tot de ondertoezichtstelling, overgelegd bij brief van 13 juli 2020, en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het hof namens de GI is verklaard, maakt het hof op dat het aanpakken van de problemen tussen de ouders (inmiddels) prioriteit heeft. Er is nu geen grond om het eenhoofdig gezag aan de vader toe te kennen.

Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking, voor zover het betreft de afwijzing van het verzoek van de vader om met het eenhoofdig gezag belast te worden, moet worden bekrachtigd.

Hoofverblijf en school

3.13.9.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.13.10.

Het hof stelt vast dat na het ontstaan van de crisissituatie bij de moeder in april 2018, toen werd onderkend dat bij haar sprake was van verslavingsproblematiek, de moeder met succes een behandeltraject heeft doorlopen gericht op haar persoonlijke problematiek. De moeder heeft het traject bij Novadic Kentron, dat is gestart kort na de uithuisplaatsing van de kinderen, positief en voortijdig afgerond. Vervolgens is doorlopend hulpverlening ingezet en betrokken geweest bij de moeder, gericht op de aanpak van de persoonlijke problematiek van de moeder én het bieden van opvoedondersteuning in de thuissituatie bij de moeder (Pantein, Novadic Kentron, De Combinatie Jeugdzorg, Krachtig Thuis). Deze intensief betrokken hulpverlening, noch de GI heeft sindsdien signalen gezien van drugsgebruik door de moeder.

De moeder is abstinent en heeft haar verslaving onder controle. Het hof baseert dit oordeel op de inhoud van de stukken, aangevuld en ondersteund door de verklaringen van de GI, de raad en de moeder tijdens de mondelinge behandeling van het hof.

3.13.11.

Weliswaar is de vader er niet van overtuigd dat de moeder daadwerkelijk met succes is behandeld voor haar verslavingsproblematiek, maar de vader heeft nagelaten om, tegenover de onderbouwde en gemotiveerde uiteenzetting van alle aanwijzingen die er zijn dat het wél goed gaat met de moeder, concreet te maken waarop zijn zorgen zijn gebaseerd. De enkele verwijzing naar geruchten en de opmerking dat de partner van de moeder ‘niet deugt’ zijn volstrekt onvoldoende.

3.13.12.

Overigens neemt het vorenstaande niet weg dat er wel zorgen zijn over de omgeving waarin de kinderen opgroeien, zowel bij de moeder als bij de vader, omdat zij belast worden met de problematiek op ouderniveau. Er is veel ruzie tussen de ouders en de kinderen krijgen hier veel van mee. Hier moet verandering in komen, omdat het zeer schadelijk is voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen om op te groeien in een situatie waarin zij van hun ouders onvoldoende toestemming krijgen om van de andere ouder te houden en daar onbelast en leuk contact mee te hebben. De regie van de gezinsvoogd is hard nodig om de juiste hulpverlening in te zetten en te behouden, gericht op deze ex-partnerproblematiek. Zoals hiervoor al is overwogen, is deze hulpverlening recent gestart (Krachtig Thuis).

3.13.13.

Hoewel de GI als gevolg van de partnerstrijd ernstige zorgen heeft over (de situatie bij) beide ouders, is het grote en cruciale verschil tussen hen dat de moeder open staat voor hulpverlening en de vader niet.

De moeder was in staat hulpvragen te formuleren in het kader van de terugkeer van de jongens, waarop passende begeleiding is ingezet. De moeder laat in het kader van die hulpverlening een zekere groei zien. Er is ook overigens een goede samenwerking tussen de moeder en de GI, zo blijkt uit de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling van het hof is aangevoerd.

De vader staat zeer kritisch tegenover hulpverlening en begeleiding. Bovendien is sprake van een moeizame samenwerking met de GI, omdat gesprekken met de vader snel hoog oplopen en momenteel zelfs geen fysieke besprekingen tussen de vader en de GI mogelijk zijn, omdat de vader de gezinsvoogd heeft bedreigd.

3.13.14.

Het hof heeft tijdens de mondelinge behandeling begrepen dat [minderjarige 2] kon terugkeren naar zijn oude basisschool in [woonplaats moeder] ( [basisschool 2] ) en dat [minderjarige 1] alsnog ingeschreven kon worden op het [college] College. De kinderen hebben zelf laten weten dat zij geen verandering willen van de huidige situatie.

Het is in het belang van de kinderen dat er rust ontstaat in hun (thuis)situatie, dat zij weten waar zij aan toe zijn en dat er geen wisselingen meer plaatsvinden.

3.13.15.

Al het voorgaande maakt dat het hof van oordeel is dat de kinderen het hoofdverblijf bij de moeder dienen te hebben. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking derhalve het verzoek van de vader om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te bepalen, terecht afgewezen.

3.13.16.

De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zijn verzoek om te bepalen dat – kort gezegd – de kinderen het schooljaar in [woonplaats vader] kunnen afmaken, (inmiddels) aldus dient te worden uitgelegd dat de vader verzoekt hem vervangende toestemming te verlenen om beide kinderen in te schrijven op een school in [woonplaats vader] voor het schooljaar 2020/2021, indien en voor zover het hoofdverblijf van de kinderen bij de vader wordt bepaald.

De vader heeft zijn verzoek omtrent het hoofdverblijf van de kinderen dusdanig gewijzigd, dat het strikt genomen een geheel nieuw verzoek is geworden, dat niet meer kan worden gedaan in een dusdanig late fase van de procedure (tegen het eind van de mondelinge behandeling in hoger beroep). Mede gezien de beslissing van het hof over het hoofdverblijf van de kinderen, laat het hof het verzoek van de vader omtrent de inschrijving van de kinderen op een school in [woonplaats vader] onbesproken. Het hof zal de bestreden beschikking op dit punt bekrachtigen.

Zorgregeling en bijzondere curator

3.13.17.

Het verzoek van de vader om een 50/50 zorgregeling vast te stellen (co-ouderschap), dat hij blijkens zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling ook heeft gedaan voor zover het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder wordt bepaald, is voor het eerst in hoger beroep gedaan. Dat geldt ook voor zijn verzoek om een bijzondere curator te benoemen.

De moeder heeft zich hiertegen verzet in haar verweerschrift en tijdens de mondelinge behandeling van het hof. Op de vraag van het hof aan de vader om op dat bezwaar te reageren, heeft de vader verklaard dat hij zich op dit punt refereert aan het oordeel van het hof.

3.13.18.

Nog afgezien van de vraag of de vader in deze fase van de procedure zijn verzoek nog kon aanvullen/wijzigen, oordeelt hof dat het niet in het belang van kinderen is om op dit moment een andere zorgregeling vast te stellen, gezien de nodige rust voor de kinderen in de huidige situatie en de (recente) start van de nieuwe hulpverleningstrajecten. Het hof verwijst naar al hetgeen hiervoor is overwogen en geoordeeld.

3.13.19.

Artikel 1:250 BW bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, benoemt de rechtbank, dan wel, indien het een aangelegenheid inzake het vermogen van de minderjarige betreft, de kantonrechter, of, indien de zaak reeds aanhangig is, de desbetreffende rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

3.13.20.

Het hof overweegt dat de vader de benoeming van een bijzondere curator met name van belang acht om de kinderen een stem te geven in deze procedure. Wat de mening van de kinderen volgens hem is, heeft hij echter niet concreet gemaakt.

Het nut en de noodzaak van de benoeming van een bijzondere curator voor de kinderen heeft de vader derhalve onvoldoende onderbouwd en is ook overigens het hof niet gebleken.

Het verzoek van de vader daartoe zal derhalve worden afgewezen.

3.14.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en voor het overige als volgt beslissen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 23 september 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van

deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.M.C. Dumoulin, C.N.M. Antens en M.I. Peereboom-Van Drunick en is op 10 september 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. M.J. van Laarhoven in tegenwoordigheid van de griffier.