Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2786

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
02-10-2020
Zaaknummer
20-003506-19
Formele relaties
Na terugverwijzing door: ECLI:NL:HR:2019:1460
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gepubliceerd in verband met cassatie. Verdachte is veroordeeld wegens medeplichtigheid aan een hennepkwekerij en medeplichtigheid van de diefstal van stroom. Het hof veroordeeld verdachte hiertoe tot een taakstraf voor de duur van 70 uur met aftrek van voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 311
Opiumwet 3
Opiumwet 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003506-19

Uitspraak : 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen, na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad in het arrest van 8 oktober 2019, nr. 18/02409, op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Roermond, van 11 mei 2017, parketnummer

03-661082-16 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en datum],

thans verblijvende te [adres].

Procesverloop

De rechtbank Limburg heeft bij verstekvonnis van 11 mei 2017, parketnummer

03-661082-16 verdachte ter zake van ‘medeplegen hennepteelt’ en ‘diefstal in vereniging door middel van verbreking’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek. Voorts is de vordering van de [benadeelde partij] toegewezen tot een bedrag van € 2.785,63 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015 tot aan de dag van de volledige voldoening.

Namens verdachte is op 15 augustus 2017 hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis.

Bij arrest van 23 mei 2018 (parketnummer 20-002589-17) heeft het hof het vonnis vernietigd en heeft, opnieuw rechtdoende verdachte ter zake van ‘hennepteelt’ en ‘diefstal door middel van verbreking’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uur subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest. De vordering benadeelde partij is toegewezen tot een bedrag van € 2.569,94 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015.

Namens verdachte is tegen dit arrest op 28 mei 2018 beroep in cassatie ingesteld.

Vervolgens heeft de Hoge Raad bij arrest van 8 oktober 2019, nr. 18/02409, voornoemd arrest van het hof vernietigd en de zaak teruggewezen naar het hof teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen, omdat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zonder meer kan worden afgeleid dat verdachte zelf opzettelijk hennepplanten heeft geteeld en voorts elektriciteit heeft ‘weggenomen’.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is – na terugwijzing van de zaak door de Hoge Raad – gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 19 augustus 2020.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de eerste rechter wordt vernietigd en het hof opnieuw rechtdoende verdachte zal vrijspreken het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde en zal bewezen verklaren hetgeen aan verdachte is tenlastegelegd onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair en verdachte hiervoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 70 uur te vervangen door 35 dagen hechtenis. Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen tot een bedrag van € 2.569,94 vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij dienen te worden afgewezen.

Namens verdachte is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde. Volgens de verdediging kan enkel het onder feit 1 subsidiair tenlastegelegde worden bewezen. De verdediging heeft verzocht om een geheel voorwaardelijke taakstraf, dan wel een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf op te leggen. Gelet op het vrijspraakverweer ten aanzien van feit 2 dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen. Bij een bewezenverklaring van feit 2 wordt verzocht het bedrag gelet op de dubbeltelling te matigen zoals ook het hof heeft gedaan en kan dus een bedrag van € 2.569,94 worden toegewezen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de Politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair
hij op of omstreeks 16 december 2015 te Weert tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [straat]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 215 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II;

1. subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 16 december 2015 te Weert met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad in een pand aan de [straat] een hoeveelheid hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte op of hij omstreeks 16 december 2015 te Weert, in elk geval in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

2. primair
hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2015 tot en met 16 december 2015 te Weert tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking;

2. subsidiair
een onbekend gebleven persoon in of omstreeks de periode van 24 juni 2015 tot en met 16 december 2015 te Weert tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft/hebben weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededaders en/of aan verdachte, waarbij die onbekend gebleven persoon en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen elektriciteit onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak/verbreking, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen een pand aan de [straat] voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

Vrijspraak van feit 1 primair en feit 2 primair

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging gekregen dat verdachte het onder 1 primair en 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken. Uit deze bewijsmiddelen blijkt naar het oordeel van het hof dat de rol en de handelingen van de verdachte als die van een medeplichtige moeten worden aangemerkt waarbij het hof nog verwijst naar zijn hieronder opgenomen bewijsoverwegingen (pagina 9).

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.subsidiair
onbekend gebleven personen op 16 december 2015 te Weert met elkaar, opzettelijk hebben geteeld in een pand aan de [straat] een groot aantal hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, bij het plegen van welk misdrijf verdachte op 16 december 2015 te Weert, opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven personen voornoemd pand voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;


2.subsidiair
een onbekend gebleven persoon in of omstreeks de periode van 24 juni 2015 tot en met 16 december 2015 te Weert tezamen en in vereniging met een of meer anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit geheel toebehorende aan [benadeelde partij], waarbij die onbekend gebleven persoon en zijn mededaders zich die weg te nemen elektriciteit onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking, bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk gelegenheid en middelen heeft verschaft en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven personen een pand aan de [straat] voor het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar pagina’s van het eindproces-verbaal van de hennepkwekerij [straat], documentcode PL2300-2015226247 van de eenheid Limburg district noord- en midden-Limburg basisteam Weert, gesloten 16 april 2016 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 104).

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten. Alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.

Het hof ontleent aan de inhoud van de navolgende bewijsmiddelen het bewijs dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan. Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 16 december 2015 (pg. 1-6), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1]:

(pagina 1)

Op het adres [straat] te Weert, staat de volgende persoon ingeschreven:

Achternaam : [verdachte];

Voornamen : [verdachte];

Geboren : [geboortedatum].

(pagina 2)

In voornoemde woning werd op 16 december 2015 binnengetreden.

Het bleek dat op genoemd adres een hennepkwekerij met planten aanwezig was.

Ik zag dat de hennepkwekerij zich op de 1e etage van het appartement bevond. Het betroffen 2 aparte ruimtes/kamers die beiden waren ingericht als hennepkwekerij.

Ik zag dat kweekruimte 1 zich bevond in de linker kamer. In totaal stonden er 115 hennepplanten.

Ik zag dat kweekruimte 2 zich bevond in de rechter kamer. In totaal stonden er 100 hennepplanten.

Ik constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten hennepplanten betroffen. Met hennep wordt bedoeld elk deel van de plant van het geslacht Cannabis (hennep), waaraan de hars niet is onttrokken, met uitzondering van de zaden. De bovenstaande hennep is vermeld op lijst II behorende bij de Opiumwet en verboden in artikel 3 en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet.

(pagina 3)

De stroomvoorziening van de hennepkwekerij is onderzocht door [aangever], fraude-inspecteur bij de netwerkbeheerder [benadeelde partij]. Hierbij werd geconstateerd dat de stroomvoorziening ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal werd afgenomen.

In een openstaande keukenlade werd een verzegeling van het bedrijf [benadeelde partij] aangetroffen.

(pagina 5)

In de woonkamer van het appartement werden 3 droogrekken, 1 cannacutter en een plastic boodschappenkrat aangetroffen waar verdroogde hennepresten in werden getroffen.

In de badkamer naast kweekruimte 2 werden lege jerrycans en kleinere flacons aangetroffen. Hierin hebben volgens de verpakkingssticker groeistofmiddelen gezeten voor de kweek van hennepplanten.

In een keukenlade werd een plastic tas met daarin 4 vervuilde knipschaartjes aangetroffen. Het is aannemelijk dat deze vervuilde knipschaartjes gebruikt zijn bij eerdere oogst(en) aangezien de hennepplanten die er op dit moment stonden nog niet oogstrijp waren.

2. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2015 (pg. 11), voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2]:

Op 16 december 2015, omstreeks 09.15 uur, bevond ik mij op de [straat] te Weert. Ik bevond mij aldaar omdat er informatie binnen was gekomen dat er mogelijk een hennepkwekerij aanwezig was op het adres [straat] te Weert. Met mij was de fraude-inspecteur van energiebedrijf [benadeelde partij].

De [straat] is een appartement in een appartementencomplex. Deze appartementen zijn voorzien van een verdeelkast appartement, echter zitten de meterkast en de zekeringen onder in een centrale ruimte. Wel is deze meterkast per appartement afzonderlijk aangesloten. Deze meterkast is dan ook afzonderlijk afgesloten middels een sleutel.

Normaliter heeft ieder appartement 1 fase aan stroom. De fraude-inspecteur deelde mij mede dat er twee extra fases waren geplaatst. Ik zag ook dat er 3 zekeringen geplaatst waren.

Vervolgens zag ik dat de fraude-inspecteur iedere fase afzonderlijk heeft gemeten. In totaal werd er over 3 fases 36 ampère aan stroom verbruikt op dat moment. Ik hoorde de fraude-inspecteur zeggen dat een huishouden in een appartement ongeveer 2 ampère verbruikt bij normaal gebruik.

3. Aangifte d.d. 18-12-2015 (pg. 20-25), voor zover inhoudende als verklaring van [aangever], namens [benadeelde partij]:

(pagina 22)

Ik ben als fraudespecialist in dienst van [benadeelde partij]. Ik doe aangifte van diefstal door middel van braak of verbreking.

Datum 16-12-2015 omstreeks 09: 16 uur

Adres [straat]

Naam: [verdachte]

Geboortedatum [geboortedatum]

De periode van 1 volledige hennepoogst is 70 dagen.

In dit geval zijn het 2 volledige hennepoogsten van 70 dagen en een deel van een hennepoogst van 35 dagen.

De diefstal is gepleegd in de periode van 24 juni 2015 t/m 16 december 2015.

(pagina 23)

Op 16 december 2015 was ik tezamen met politieambtenaren van de politie eenheid Limburg bij het pand [straat] te Weert.

Ik zag dat er aan de bovenzijde van de hoofdzekering(en) een illegale aansluiting was bijgeplaatst en aangesloten. Deze illegale aansluiting zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze illegale aansluiting werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

Deze illegale aansluiting was destijds bij het aansluiten van het pand op het elektriciteitsnet van [benadeelde partij] niet in opdracht van [benadeelde partij] geïnstalleerd.

Bij controle van de netcomponenten van [benadeelde partij] en de elektrische installatie in de meterkast van dat pand zag ik dat de verzegeling van de deksel van de stijgleidingskast verbroken was.

Ook zag ik dat er in de stijgleidingkast een illegale aansluiting was bijgeplaatst en aangesloten.

Deze illegale aansluiting zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter zodat alle elektriciteit die via deze illegale aansluiting werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd.

Uit bovenstaande bevindingen bleek dat met het aanbrengen van de illegale aansluiting er nadeel is ontstaan voor [benadeelde partij] door een niet geregistreerd elektriciteitsverbruik.

Bij het volgen van de illegale aansluiting zag ik dat deze uitkwam in een onderverdeling van elektriciteit van waaruit de aanwezige hennepkwekerijen ongemeten van elektriciteit werden voorzien.

Niemand had het recht of de toestemming om het zegel te verbreken en wijzigingen in de bedrading aan te brengen. Niemand is gerechtigd de elektra, zijnde eigendom van [benadeelde partij] op deze wijze weg te nemen en zich toe te eigenen.

(pagina 24)

Naar aanleiding van deze inventarisatie en het door [benadeelde partij] ingestelde onderzoek is door mij een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 27.048 kWh illegaal is afgenomen (weggenomen) ten behoeve van de hennepkwekerij en eventueel huishoudelijk gebruik.

4. Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 9 mei 2018.

In de ten laste gelegde periode was ik huurder van de woning op de [straat] te Weert. Ik heb die woning alleen gehuurd. Het geld dat ik bij me had, had ik gekregen om mijn post, schulden, huurachterstand en overige kosten te betalen. Dat heb ik gekregen van de personen die ik de hennepplantage heb laten bouwen, ik wil daar liever niet de namen van noemen, omdat ik niets heb om het te bewijzen en ik weet dat ik een groot probleem heb als ik ze noem. Ik word dan in elkaar geslagen of mijn woning wordt in brand gezet. (…)

De hennepkwekerij is door andere mannen in mijn woning opgebouwd. Ik gebruikte toen ook een heleboel drugs. Ik begon met blowen en later ben ik door problemen thuis ook nog aan de drank, cocaïne en GHB geraakt. Hierdoor kreeg ik schulden en kwam ik in contact met die mensen.

Ik hoefde met de hennep niets te doen, ik huurde alleen de woning. Ze hadden mensen die de planten kwamen verzorgen en die liet ik binnen. Ik vond het niet echt goed wat er gebeurde, maar ik had geen andere keus door de schulden.

De hennepkwekerij bevond zich in twee ruimtes. De achterste ruimte rechts hadden ze als eerste gebouwd en de afspraak was dat als er drie keer was geoogst, de schulden waren afbetaald. In die ruimte rechts is 1 keer geoogst. De volgende keer zou er een tweede oogst komen met een kamer erbij en dan was ik in één keer van mijn schulden af. De bouwers van de hennepkwekerij behoorden tot mijn schuldeisers. Met 3 oogsten zou ik klaar zijn met afbetalen. Eerst hielpen ze mij nog met andere dingen. Dus ik had schulden bij dezelfde mensen die mij 3600 euro contant gaven. Zij hadden er baat bij dat mijn huis zou blijven. (…)

Ik ben op de datum van inschrijving op de [straat] gaan wonen. Dat is vanaf medio februari 2014. Ze zijn niet meteen begonnen met de hennepkwekerij daar, dat is pas later gekomen. De eerste ruimte is als eerste gemaakt, vervolgens hebben ze die tweede ruimte gemaakt. Alles bij elkaar zal de kwekerij er ongeveer 5 maanden geweest zijn.

(…)

Ik weet dat het telen van hennep in huizen verboden en onveilig is en dat je daarmee de buren in gevaar kunt brengen. Ik rook zelf wiet, dus het kweken van hennep vind ik niet erg.

5. Verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 augustus 2020.

Ik was de eigenaar van het appartement, maar ik had geen rol van betekenis bij de hennepkwekerij. Mijn appartement werd gebruikt voor de hennepkwekerij, maar ik hoefde er niets mee doen.

(…)

De eigenaren van de hennepkwekerij hadden een sleutel van mijn appartement, zo konden ze in mijn woning indien het nodig was.

(…)

De mensen kondigden niet aan wanneer ze naar de woning kwamen. De ruimtes waar de hennepkwekerij in zat, waren van hen.

(…)

De hennepkwekerij was van de andere mensen. Ik deed gewoon wat ze mij vertelden.

(…)

De meterkast was afgesloten met een aparte sleutel. Ik heb de mensen mijn sleutels gegeven en ik weet niet precies waarvan ze allemaal een kopie hebben gemaakt.

(…)

Ik wist dat de knipschaartjes in de keukenlade lagen. Ik gebruikte de keuken namelijk zelf ook. Ik wist ook dat er flacons groeimiddel in de badkamer lagen en dat er in de woonkamer droogrekken lagen.

(…)

Als ik thuis was, liet ik de mensen die naar de kwekerij kwamen kijken binnen, wanneer ik niet thuis was verschaften ze zichzelf de toegang.

(…)

Ik weet dat bij een hennepkwekerij illegaal stroom wordt afgetapt. Ik begreep dat er een kans was dat de mensen illegaal stroom zouden aftappen.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

De verdediging heeft betoogd dat verdachte van het onder feit 1 primair en feit 2 tenlastegelegde dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de verdediging het volgende aangevoerd:

  • -

    Verdachte heeft erkend zijn woning ter beschikking te hebben gesteld voor een hennepkwekerij. Verdachte beschikte zelf niet over de hennepkwekerij. Verdachte was in die periode verslaafd aan drugs en had geld nodig. Hierop is verdachte benaderd voor het opzetten van een hennepkwekerij in zijn woning. Er zouden drie oogsten plaatsvinden en daarna was verdachte schuldenvrij. Verdachte heeft de sleutels van zijn woning afgegeven en deed zo nu en dan de deur open voor de mensen van de kwekerij. Hierdoor is verdachte slechts medeplichtig aan de hennepkwekerij.

  • -

    Verdachte wist niet of er daadwerkelijk illegale stroom werd gebruikt voor het telen van de hennepplanten. Verdachte heeft dit ook niet nagevraagd bij de mensen van de kwekerij. Verdachte heeft zijn sleutelbos met daarbij ook de sleutel van de meterkast afgegeven. Dit maakt nog niet dat verdachte welbewust de kans heeft aanvaard dat illegaal stroom zou worden afgenomen. In de woning van verdachte hingen geen losse stroomkabels, zodat de verdachte niet kon zien dat er illegaal stroom werd afgetapt.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat verdachte schulden had en zich zodoende heeft ingelaten met een hennepkwekerij. Verdachte had snel geld nodig en de hennepkwekerij zou hierbij kunnen helpen. Verdachte heeft ook erkend zijn woning voor de hennepkwekerij ter beschikking te hebben gesteld. Verdachte heeft zijn sleutelbos afgegeven, zodat de eigenaren van de kwekerij ook bij afwezigheid van verdachte toegang hadden tot de woning.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair is het hof van oordeel dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat ten behoeve van de hennepkwekerij illegaal stroom zou worden afgetapt. Het is namelijk een feit van algemene bekendheid dat hennepteelt bijna altijd gepaard gaat met diefstal van stroom. Verdachte heeft op de terechtzitting ook verklaard dat hij hiervan op de hoogte was. Verdachte heeft voorts niet alleen de sleutel van zijn woning, maar ook de aparte sleutel van de meterkast afgegeven aan de eigenaren van de kwekerij. De omstandigheid dat verdachte niet expliciet zou hebben gevraagd of de stroom illegaal werd afgetapt, betekent niet dat verdachte de aanmerkelijke kans hierop niet bewust heeft aanvaard. Voorts blijkt uit het dossier dat in de keukenlade, welke keuken verdachte naar eigen zeggen ook zelf gebruikte, een verbroken zegel van [benadeelde partij]. Ook dit maakt dat verdachte kon weten dat de stroom illegaal werd afgetapt en zodoende werd gestolen van [benadeelde partij].

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het aan hem onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Al hetgeen de raadsman overigens naar voren heeft gebracht, leidt het hof niet tot een andersluidend oordeel dan hiervoor is overwogen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

medeplichtigheid aan diefstal in vereniging, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdediging heeft verzocht om te volstaan met oplegging van een geheel voorwaardelijke taakstraf al dan niet een gedeeltelijk voorwaardelijke taakstraf.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid bij een hennepkwekerij en medeplichtigheid bij diefstal van stroom. Verdachte heeft zijn sleutels aan derden afgegeven zodat zij in zijn woning welke gevestigd is in een flatgebouw een hennepkwekerij konden installeren. Dat deze hennepkwekerij niet zonder gevaren was blijkt uit de constatering van de fraudespecialist van [benadeelde partij] dat de elektriciteitsdraden in de meterkast door de hitte al gedeeltelijk weggeschroeid waren. De elektriciteitsvoorziening kon op ieder moment vlam vatten. Het hof rekent verdachte dit alles zwaar aan.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 juli 2020, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande alsmede hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken omtrent de persoon van verdachte is het hof, evenals de advocaat-generaal, van oordeel dat een taakstraf passend en geboden is.

Alles afwegende acht het hof oplegging van een taakstraf voor de duur van 80 uur op zijn plaats, echter nu de feiten dateren uit 2015 zal het hof aan verdachte een taakstraf voor de duur van 70 uur subsidiair 35 dagen vervangende hechtenis met aftrek van voorarrest opleggen.

Vordering van de [benadeelde partij]

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de [benadeelde partij] als gevolg van verdachtes onder feit 2 subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot na te melden bedrag.

De verdediging heeft de vordering gelet op het vrijspraakverweer betwist. Subsidiair acht de verdediging de vordering van de benadeelde partij toewijsbaar mits daarbij de dubbeltellingen worden weggelaten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat nu de vordering ziet op de gehele tenlastegelegde en door het hof bewezenverklaarde periode, de vordering voor de gehele periode toewijsbaar is.

Met de verdediging en de advocaat-generaal is het hof voorts van oordeel dat de door [benadeelde partij] overgelegde vordering blijk geeft van dubbeltelling in de kosten uurtarief en het ten onrechte opnemen van de opsporingskosten zoals dit ook al eerder door het hof is vastgesteld bij arrest van 23 mei 2018, parketnummer 20-002589-17. Het hof zal deze in rekening gebrachte kosten, ad € 138,39 en € 77,32, aldus niet meetellen.

Aldus is aan benadeelde partij [benadeelde partij] schade toegebracht tot een toewijsbaar bedrag van (€ 2.785,63 -/- € 138,39 -/- € 77,32 =) € 2.569,92.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is. De wettelijke rente over de schadevergoeding zoals gevorderd is toewijsbaar vanaf 16 december 2015.

Voor het overige dient de vordering van de benadeelde partij te worden afgewezen.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [benadeelde partij] is toegebracht tot een bedrag van € 2.569,92. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 48, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en feit 2 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 70 (zeventig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 35 (vijfendertig) dagen hechtenis;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

Vordering van de [benadeelde partij].

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [benadeelde partij] ter zake van het onder 2 subsidiair bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.569,92 (tweeduizend vijfhonderdnegenenzestig euro en tweeënnegentig cent) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015 tot aan de dag der voldoening;

wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil;

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij], ter zake van het onder feit 2 subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.569,92 (tweeduizend vijfhonderdnegenenzestig euro en tweeënnegentig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 december 2015 tot aan de dag der voldoening;

bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. A.C. Bosch, voorzitter,

mr. E.N. van der Spoel en mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.