Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2785

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
20-000806-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat op 24 juli 2016 omstreeks 09.10 uur door een man (hierna: overvaller) een gewapende overval is gepleegd op het tankstation te Breda. De overvaller is gekleed in een donkerkleurige (blauwe) joggingsbroek met een wit logo op de linkerbovenzijde, een korte model zwarte jas, met onder de jas een grijskleurig trui/vest met capuchon en witte koordjes die over de jas heen hangen. In de linkerhand draagt de overvaller een witte plastic tas met onbekend opschrift en roodkleurige accenten. De overvaller heeft alvorens hij het tankstation binnengaat geen bedekking voor zijn gezicht, echter heeft hij wel een capuchon over zijn hoofd getrokken. Zodra de overvaller het tankstation binnenkomt, draagt hij een wit masker en pakt hij uit zijn tas een bijl. De overvaller riep tegen de kassamedewerkster dat ze alles moest geven wat ze had. Om die woorden kracht bij te zetten sloeg de overvaller een aantal maal met de bijl op de toonbank. Toen het de overvaller niet snel genoeg ging, heeft hij zelf geld uit de geldlade gepakt. Kort hierna is de overvaller gevlucht. Gelet op het feit dat de vingerafdruk van verdachte in de kassalade is gevonden en zijn DNA op de door de overvaller achtergelaten spullen zijn aangetroffen, is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan. Het hof acht, alle omstandigheden afwegende, in afwijking van hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd en anders dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 312
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000806-19

Uitspraak : 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zitting houdende te Breda, van 5 maart 2019 in de strafzaak met parketnummer

02-665098-18 tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats en datum] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘diefstal voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld’ en ‘afpersing’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 29 maanden met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en dat het hof, opnieuw rechtdoende, het cumulatief tenlastegelegde bewezen zal verklaren en verdachte daarvoor, met toepassing van het meerderjarigenstrafrecht, zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen volgens de advocaat-generaal, naast de algemene voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit, als bijzondere voorwaarden te worden verbonden een meldplicht, het meewerken aan een psychologisch onderzoek en een ambulante behandeling en het vinden van een dagbesteding. Voorts concludeert de advocaat-generaal tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij vermeerderd met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Tot slot heeft de advocaat-generaal gevorderd de inbeslaggenomen goederen verbeurd te verklaren.

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de verdediging een strafmaatverweer gevoerd. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij heeft de verdediging de niet-ontvankelijkheid bepleit, primair vanwege het vrijspraakverweer en subsidiair omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Ten aanzien van de beslissing over de inbeslaggenomen goederen heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 24 juli 2016 te Breda, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Haan Minerale Oliën, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, gemaskerd naar de balie waarachter voornoemde [slachtoffer] zich bevond is gelopen en/of vervolgens met een bijl op de balie heeft geslagen, althans een bijl aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en daarbij/vervolgens heeft geroepen: "Kankerhoer geef alles wat je hebt, kankerhoer, schiet op, schiet op”, althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

en

hij op of omstreeks 24 juli 2016 te Breda, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan De Haan Minerale Oliën, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte gemaskerd naar de balie waarachter voornoemde [slachtoffer] zich bevond is gelopen en/of vervolgens met een bijl op de balie heeft geslagen, althans de bijl aan voornoemde [slachtoffer] heeft getoond en/of daarbij/vervolgens heeft geroepen: "Kankerhoer, geef alles wat je hebt, kankerhoer, schiet op, schiet op" althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat hij:

op 24 juli 2016 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld, toebehorende aan De Haan Minerale Oliën, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte, gemaskerd naar de balie waarachter voornoemde [slachtoffer] zich bevond is gelopen en vervolgens met een bijl op de balie heeft geslagen en daarbij heeft geroepen: "Kankerhoer geef alles wat je hebt, kankerhoer, schiet op, schiet op."

en

op 24 juli 2016 te Breda met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan De Haan Minerale Oliën, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat hij, verdachte gemaskerd naar de balie waarachter voornoemde [slachtoffer] zich bevond is gelopen en vervolgens met een bijl op de balie heeft geslagen en daarbij heeft geroepen: "Kankerhoer, geef alles wat je hebt, kankerhoer, schiet op, schiet op."

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

De paginanummers die in onderstaande bewijsmiddelen worden genoemd, verwijzen – tenzij anders vermeld – naar pagina’s van het eindproces-verbaal van het onderzoek ‘gewapende overval op een tankstation, gepleegd op 24 juli 2016 in de gemeente Breda’, documentcode PL2000-2016191230 van de eenheid Zeeland-West-Brabant districtsrecherche De Baronie, gesloten 19 januari 2018 (doorgenummerde pagina’s 1 tot en met 126).

Alle te noemen processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 24 juli 2016 (pagina’s 22 – 24), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van aangever [slachtoffer] :

(pagina 22)

Ik ben als medewerkster/pompbediende werkzaam bij de firma “de Haan Minerale Oliën”,

gevestigd aan de Slotlaan 15 te Oosterhout. Ik werk bijna altijd op de vestiging aan de Kapittelweg 5 te Breda.

Vandaag, zondag 24 juli 2016 omstreeks 08.40 uur kwam ik aan bij dit tankstation. Ik

deed met mijn sleutel de deur van het tankstation open.

(pagina 23)

Ik heb vervolgens met mijn sleutel een kast geopend die in het kantoortje staat. Hierin liggen onze kassalades. Ik haalde de kassalade met nummer 1 erop uit de kast en liep hiermee naar de balie. Hierna heb ik het geld geteld wat nog in deze lade zat. Ik gebruik hiervoor een geldteller. Er zat volgens mij iets van 325 euro in. Ik deed vervolgens deze lade in de kassa en opende mijn shift door mijn eigen code in te tikken.

Omstreeks 09.00 uur gaan wij open. Ik denk dat het ergens tussen 09.10 en 09.15 uur was toen ik achter de balie achter de computer bij het raam stond. Op dat moment zag ik dat er een jongeman over het fietspad, voor mij van links achter de shop vandaan, aan kwam lopen. Hij liep om het hek wat tussen het fietspad en het terrein van het tankstation staat.

Ik zag dat hij om dit hek heen liep en rechtstreeks naar de toegangsdeur van de shop liep. Hij liep behoorlijk gehaast.

Ik kan de jongen als volgt omschrijven:

  • -

    licht getinte huid,

  • -

    donkere ogen,

  • -

    donker haar,

  • -

    ongeveer 1.70 meter lang,

  • -

    21-23 jaar oud,

  • -

    normaal postuur,

  • -

    ongeschoren,

  • -

    geen bril of sierraden,

  • -

    snelle loop,

  • -

    gekleed in een kort zwart jasje, joggingbroek en had een wit plastic tasje met rode tekens erop bij zich.

Ik dacht dat dit tasje van de kringloopwinkel of vindingrijk kwam. Hij liep naar de toegangsdeur. Ik zag dat hij een masker opzette toen hij de shop binnen liep. Dit was een wit masker met alleen openingen voor de ogen en zijn mond. Hij liep gelijk door naar de balie en pakte een handbijl uit zijn tas en sloeg hier mee enkele keren hard op de balie. Tijdens dit slaan bedreigde hij mij en riep iets van “kankerhoer geef alles wat je heb, kankerhoer schiet

op schiet op”. Ik gaf hem een briefje van 50 euro. Hij zei tegen mij “meer meer”. Ik heb vervolgens de kassalade gepakt en op de balie gezet zodat hij zelf alles kon pakken. Hij heeft tussendoor nog meerdere keren met zijn bijl op de balie geslagen. Hij sprak erg snel met een klein beetje accent. Je kon horen dat het een buitenlander was maar hij sprak wel als iemand die hier ergens uit de omgeving komt. Zoals Marokkanen uit Breda. Ik gaf hem geld maar dat vond hij kennelijk niet snel genoeg gaan. Hij pakte hierop zelf ook bakjes uit de kassalade en deed al het geld in zijn plastic tas. Toen hij genoeg geld had pakte hij zijn bijl van de balie en deed de zak dicht. Hij liep hierna snel de shop uit. Hij liep vervolgens precies dezelfde weg terug als die hij gekomen was. Ik denk dat alles maar enkele minuten geduurd heeft. Ik was heel erg bang dat deze man met zijn bijl over de balie zou komen. Ik was redelijk in paniek en gaf alles maar mee om hem zo snel mogelijk de shop uit te

krijgen. Toen hij weg liep had hij zijn masker nog op. Ik zag dit omdat hij nog een paar keer om keek toen hij weg liep.

(pagina 24)

Op het moment dat hij voor mij uit beeld was heb ik de toegangsdeur gesloten en heb ik gelijk de politie gebeld. Ik ben al die tijd alleen in de tankshop geweest.

2. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 24 juli 2016 (pagina’s 26 – 27), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [getuige 1] :

(pagina 26)

Ik hoor net van uw collega dat er vanmorgen, 24 juli 2016, een overval is geweest op het

tankstation bij mij op de hoek van de straat. Ik heb vanmorgen wel iets bijzonders gezien. Dat was omstreeks 09.20 uur. Ik liep op het trottoir in de richting van mijn woning komende vanuit de richting van de Baliëndijk. Ik had zicht op het tankstation. Vervolgens zag ik over de rijbaan van het Korenveld een persoon in mijn richting rennen. Die persoon kwam uit de richting van het tankstation. Ik zag dat die persoon mij voorbij rende in de richting van de

Baliëndijk. Ik keek om want ik vond het wel een bijzondere situatie. Ik zag dat die persoon de kruising met de Baliëndijk overstak en verder rende in de richting van de Klaverweide. Toen ben ik hem uit het zicht verloren. Over de persoon kan ik u het volgende vertellen. Ik denk gezien zijn loop dat het een man/jongen was. Hij droeg voor zijn gezicht een wit masker. Verder droeg hij een capuchon. Het witte masker had gaten bij de ogen en de capuchon was grijs. Volgens mij droeg hij een zwart vest en een donkerkleurige mogelijk blauwe broek. Ik zag dat de man een wit plastic tasje meedroeg. Ik zag dat het tasje was bedrukt.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 28 juli 2016 met bijlagen (pagina’s 28 – 33), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [getuige 2] :

(pagina 28)

Op 28-07-2016 was ik mijn kat aan het zoeken. Ik ben over de geluidswand gelopen en kwam op een short cut route richting achterkant van de flats bij Klaverweide. Dit ter hoogte van [huisnummer] . Op de onverharde route zag ik ineens een “Sting” tas met kleren. Ik liep daar naartoe en zag een wit masker op de grond liggen. Ik zag een witte tas. Voordat ik deze tas ging bekijken heb ik daarvan een foto gemaakt. Op deze foto ziet u hoe alles eruit zag voordat ik iets aanraakte. Ik heb de witte tas aan de onderkant met mijn duim en wijsvinger vastgepakt en omgekeerd. Ik zag dat een houten handvat naar buiten kwam. Ik heb de tas verder geschud en daaruit kwam de rest van de handvat wat viel op het masker. Ik zag dat het ging om een bijl.

(pagina 29)

Het metalen gedeelte van de bijl viel op het voorhoofdgedeelte van het masker waardoor dit nu ingedeukt is. Ik heb toen besloten om politie te bellen. Ik werd door de politie gebeld en ben naar ze toe gegaan. Ik heb ze de plaats aangeduid waar ik de spullen had gevonden.

4. Het proces-verbaal van bevindingen betreffende de camerabeelden van het tankstation ‘De Haan’ d.d. 28 juli 2016 met bijlagen (pagina’s 36 – 47), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [verbalisant 1] :

(pagina 36)

Uit het opsporingsonderzoek bleek dat door het tankstation De Haan gevestigd aan de Kapittelweg 5 te Breda camerabeelden waren gemaakt die voor de waarheidsvinding van belang zijn. Uit de verkregen camerabeelden bleek dat de cameratijd ongeveer 20 minuten voorliep op de daadwerkelijke tijd, dus daar waar op de beelden 09:35 uur staat dient 09:15 uur gelezen te worden. Door mij werden de voornoemde beelden uitgekeken van de camera’s vastgelegd op 24 juli 2016, omstreeks 09:15 uur. De camera’s zijn onder andere gericht op de openbare weg, waarbij er zicht is op de straten rondom het tankstation alsmede de diverse pompen, de ingang van de shop en binnen in de shop behorende bij het voornoemde tankstation. Op de beelden werd door mij het volgende gezien:

De dader verschijnt, omstreeks 09:14 uur, in beeld en komt aangelopen over het Korenveld komende vanuit de richting van de Baliëndijk te Breda. De overvaller steekt op enig moment het Korenveld over en loopt via het naastgelegen fietspad het terrein van het tankstation op. Hij is gekleed in een donkerkleurige (blauwe) joggingsbroek met een wit logo op de linker bovenzijde, een korte model zwarte jas, met onder de jas een grijskleurig trui/vest met capuchon en witte koordjes die over de jas heen hangen. Hij draagt in zijn linkerhand een witte plastic tas met onbekend opschrift en roodkleurige accenten. Hij draagt op dat moment geen bedekking voor zijn gezicht, echter heeft wel een capuchon over zijn hoofd getrokken. Hij heeft voor zover te zien op deze en de latere camerabeelden in de shop geen handschoenen aan. Hij draagt onder zijn broek verder nog donkerkleurige (zwarte) schoenen met een witte rand in de zool. Hij gaat vervolgens de shop binnen en bedekt zijn gezicht met een wit masker. Hij loopt in richting van de toonbank en pakt uit de witte plastic tas die hij eerdere in zijn linkerhand droeg een hakbijl. Hij maakt hiermee diverse slaande bewegingen op de toonbank. Hij pakt een (kleine) plastic zak, opent deze en de medewerker van het tankstation moet hier het geld in doen. De medewerker van het tankstation pakt hierna de geldlade en haalt deze uit de kassa. Hij buigt vervolgens over de toonbank heen en pakt geld uit de kassalade. Hij pakt vervolgens diverse geldbakjes vast of krijgt deze aangereikt van de medewerker en doet het (munt)geld in de plastic tas. De medewerker schrikt zichtbaar op de momenten dat de dader met de hakbijl op de toonbank slaat. Dit is te zien aan het feit dat de medewerker zichtbaar achteruit deinst en haar handen omhoog doet. Hij rent hierna de shop uit rent en vlucht weg over het Korenveld in de richting van de Baliëndijk te Breda.

5. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juli 2016 met bijlagen (pagina’s 48 – 58), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [verbalisant 2] :

(pagina 48)

Op donderdag 28 juli 2016 omstreeks 21.00 uur was ik belast met de incident afhandeling binnen de gemeente Breda. Omstreeks 21.00 uur hoorde ik van de centralist van het Operationeel Centrum dat er goederen waren gevonden in de bossages van de Klaverweide te Breda. Ik hoorde dat het zou gaan om een masker, een broek, een shirt/vest en een bijl. Het is mij bekend dat er in de ochtend van afgelopen zondag 24 juli 2016, een overval had plaats gevonden op een tankstation gelegen aan de Kapittelweg te Breda, niet ver van de vindplaats. Omstreeks 21.10 uur reden wij bij de flat ( [huisnummer] onder andere) aan de Klaverweide te Breda nabij de Koele Mei. Ik hoorde dat [verbalisant 3] de melder belde en dat deze er aan kwam en ons voor rende naar de vindplaats. Ik zag dat achter eerder genoemde flat, een parkeerplaats was. Tussen de parkeerplaatsen die haaks op elkaar staan, lag een stuk gras/gazon met daarachter bossage met het talud van de Kapittelweg. Er liepen daar twee zandpaden het talud op naar boven (de Kapittelweg). Op het linker zandpad aan de linkerzijde in het zand/lage klimop, lagen verschillende goederen. Waaronder een masker, kledingstukken, een hakbijl, kleine valuta muntgeld (Eurocenten) en twee plastic tassen. Ik herkende het witte masker en de kleding van getoonde foto’s afkomstig van de bewakingsbeelden van de gepleegde overval.

6. Het proces-verbaal van verdenking d.d. 24 maart 2017 met bijlage (pagina 61 – 65), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [verbalisant 1] :

(pagina 63)

Uit de politiesystemen bleek dat [verdachte] gekend was in de politiesystemen. Het woonadres van [verdachte] is gelegen op hemelsbreed [in de omgeving] van zowel het voornoemde tankstation alsmede de vindplaats van de goederen, welke mogelijk zijn gebruikt bij de voornoemde overval. Uit raadplegen op internet waaronder Facebook bleek dat er op Facebookprofiel aanwezig was onder de naam “ [verdachte] ” woonachtig in [plaats] . De persoon te zien op de profielfoto en diverse andere foto’s behorende bij dit account vertoont qua uiterlijk, postuur, leeftijd overeenkomsten met de dader van de voornoemde overval en sluit hem zeker niet uit. Op een foto gedateerd van 4 november 2015 is [verdachte] te zien met een grijs vest met capuchon en witte koordjes.

7. Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 3 augustus 2016 (pagina 66 – 68), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [verbalisant 4] en [verbalisant 5] :

(pagina 66)

Op zondag 24 juli 2016 vanaf omstreeks 09:30 uur, werd door ons verbalisanten als forensische onderzoekers op verzoek van de politie meldkamer een onderzoek naar sporen ingesteld in verband met een overval op een medewerkster van een benzinepompstation. De overval is gepleegd tussen zondag 24 juli 2016 te 09:15 uur en zondag 24 juli 2016

te 09:30 uur.

Het onderzoek is verricht in en rond een benzinepompstation gevestigd aan de Kapittelweg 5 te 4916 EK Breda.

(pagina 67)

Op de toonbank werd een kennelijk recente beschadiging aangetroffen die waarschijnlijk veroorzaakt is door het slaan met de hakbijl. Op de geldbakjes die uit de kassalade afkomstig waren werden vingerafdrukken aangetroffen en veiliggesteld.

De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering

en/of nader onderzoek veiliggesteld:

Spoornummer : PL2000-2016191230-96559

SIN : AAJO2451NL

Spooromschrijving : Vingerafdruk

Wijze veiligstellen : Folie

Tijdstip veiligstellen : 24 juli 2016 te 11:30 uur

Plaats veiligstellen : Geldbakje uit kassalade

8. Het proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 9 augustus 2016 (pagina 69 – 72), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [verbalisant 6] :

(pagina 69)

Op donderdag 28 juli 2016 omstreeks 21:30 uur, kreeg ik het verzoek van [Forensisch Coördinator] , aangetroffen goederen veilig te stellen welke waren aangetroffen in de bossages aan de Kalverweide (het hof begrijpt: Klaverweide) te Breda. Deze goederen zijn vermoedelijk betrokken bij een overval gepleegd op een tankstation tussen zondag 24 juli 2016 te 09:15 uur en zondag 24 juli 2016 te 09:30 uur.

Op zondag 24 juli 2016 heeft er een overval plaatsgevonden op tankstation ‘de Haan’ aan de Kapittelweg te Breda.

Uit verklaringen en de camerabeelden bleek dat bij de overval de dader:

  • -

    Gebruik maakte van een bijl;

  • -

    De dader een wit masker droeg;

  • -

    De dader een donkere broek, een vest met capuchon, en een donkere jas droeg;

  • -

    De dader een tas van de ‘vindingrijk’ (het hof begrijpt: Vindingrijk Kringloopwarenhuis te Breda) bij zich had.

Op donderdag 28 juli 2016 werden gelijkende goederen aangetroffen in de bossages achter een flatgebouw aan de Klaverweide te Breda. Deze locatie lag ongeveer 500 meter

van het tankstation vandaan. In overleg met de plaatselijke politiemedewerkers en de forensisch coördinator, ben ik ter plaatse gegaan om de aangetroffen goederen veilig te

stellen.

(pagina 70)

Ik zag dat in de bossages, naast het looppad richting de Kapittelweg, diverse goederen lagen. Door mij werden de navolgende goederen veiliggesteld voor eventueel vervolgonderzoek:

  • -

    Hakbijl [AAJY0999NL];

  • -

    Donkerblauwe joggingbroek [AAJY0998NL];

  • -

    Zwarte jas [AAJY0997NL];

  • -

    Grijs vest met capuchon [AAJY0996NL];

  • -

    Wit masker [AAJY0995NL];

  • -

    Witte plastic tas van ‘Vindingrijk’ [AAJY0994NL];

  • -

    Plastic tas van ‘The Sting’ [AAJY0993NL];

  • -

    Twee kassabonnen, waaronder 1 van ‘The Sting’ en 1 van de ‘Blokker’ [AAJY0992NL];

  • -

    Meerdere munten van 0,02 en 0,05 eurocent [AAJY0991NL].

De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:

(pagina 71)

Goednummer : PL2000-2016191230-1582399

SIN : AAJY0996NL

Object : Kleding (Vest)

Aantal/eenheid : 1 St

Kleur : Grijs

Land : Nederland

Bijzonderheden : 28-07- 16 22:11 rl, vest aangetroffen in bossages

Goednummer : PL2000-2016191230-1582825

SIN : AAJY0995NL

Object : Masker

Aantal/eenheid : 1 St

Kleur : Wit

Land : Nederland

Bijzonderheden : 28-07-16 22:01 rl, masker aangetroffen in bossages

9. Het proces-verbaal van de uitslag van het sporenonderzoek n.a.v. dactyloscopisch onderzoek d.d. 11 april 2017 (pagina 74 – 75), inhoudende de afgelegde verklaring – zakelijk weergegeven – van [verbalisant 4]

(pagina 74)

Op 5 april 2017 heeft het Havank systeem een kennisgeving gegenereerd, waarin is aangegeven, dat het dactyloscopisch spoor, voorzien van de SIN-zegel AAJO2451NL geïdentificeerd is op een afdruk van de rechterduim voorkomend op het dactyloscopisch signalementblad, voorzien van het biometrienummer 310001932147. Het biometrienummer is gekoppeld aan de personalia van in dit proces-verbaal genoemde persoon.

De identificatie is uitgevoerd volgens de voorgeschreven methode en vaste procedure. Zij voldoet aan de in Nederland geldende forensisch technische normen. De identificatie betekent dat het spoor identiek is aan de afdruk van de geïdentificeerde. Dit leidt tot de conclusie dat alleen de geïdentificeerde de donor van het spoor kan zijn.

Overzicht dactyloscopische sporen met bijbehorende uitslag

Individualisatie

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboren : [datum]

Geboorteplaats : [plaats]

Spoornummer : PL2000-2016191230-96559

SIN : AAJO2451NL

Spoortype : Dacty

Spooromschrijving : Vingerafdruk

Wijze veiligstellen : Folie

Tijdstip veiligstellen : 24 juli 2016 te 11:30 uur

Plaats veiligstellen : Geldbakje uit kassalade

Datum uitslag : 5 april 2017

Uitslag : Individualisatie op [verdachte] , [datum]

Opgenomen in database: Ja

10. Het rapport dactyloscopisch onderzoek d.d. 5 april 2017 (pagina 76 – 80), opgemaakt door [naam deskundige] Operationeel Specialist Biometrie Beheerder Havank, voor zover inhoudende als relaas van de rapporteur:

(pagina 76)

Bij de aanvraag werden de volgende gegevens vastgelegd:

Datum invoer : 04-04-2017

Kenmerk aanvrager : 2016191230

Kenmerk Havank : 02240716000000505

Kenmerk spoor : AAJO2451NL

Resultaat dactyloscopisch onderzoek:

Dit onderzoek heeft geleid tot individualisatie van het spoor op een persoon geregistreerd in Havank onder:

Biometrienummer : 310001932147

SKN-nummer : 10306568

Incidentnummer : 313400216359

Achternaam : [verdachte]

Voornamen : [verdachte]

Geboortedatum : [datum]

Geboorteplaats : [plaats]

Geboorteland : Nederland

Nationaliteit : Nederlandse

Geslacht : Man

(pagina 77)

De individualisatie komt voort uit afzonderlijk en onafhankelijk onderzoek door twee gecertificeerde dactyloscopisch deskundigen. Uit het onderzoek blijkt dat zowel een zeer grote mate van overeenkomst is geconstateerd als de afwezigheid van onverklaarbare dactyloscopische verschillen tussen spoor 02240716000000505 en de afbeelding van de rechterduim van incidentnummer 313400216359 geregistreerd in Havank onder biometrienummer 310001932147. Deze bevindingen liggen geheel in de lijn der verwachting wanneer het spoor van de donor afkomstig is. De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein. De individualisatie op deze persoon is gebeurd conform de beschreven procedures en op basis van de toepasselijke forensisch technische normen.

11. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 2 december 2016, nummer 2016.08.26.134 (aanvraag 001) betreffende (vergelijkend) DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Breda op 24 juli 2016 (pagina 118 – 120) opgemaakt door [naam rapporteur 1] , voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

(pagina 118)

Onderzoek naar biologische sporen

Het masker AAJY0995NL is bemonsterd gericht op het verzamelen van celmateriaal van diegene(n) die het masker heeft (hebben) gedragen. De binnenrand en elastieken band van het masker zijn bemonsterd. Deze bemonstering is als AAJY0995NL#01 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. De mondregio aan de binnenzijde van het masker is bemonsterd. Deze bemonstering is als AAJY0995NL#02 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek. Bemonstering AAJY0995NL#02 is onderzocht op de mogelijke aanwezigheid van speeksel. Hierbij is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van speeksel. De binnenzijden van de kraag en rechtermanchet van het vest AAJY0996NL zijn bemonsterd gericht op het verzamelen van celmateriaal van diegene(n) die het masker heeft (hebben) gedragen. Deze bemonsteringen zijn respectievelijk als AAJY0996NL#01 en #02 veiliggesteld voor een DNA-onderzoek.

(pagina 119)

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek:

AAJY0995NL#01 een bemonstering van de elastieken band en de randen van de binnenzijde van een masker

AAJY0995NL#02 een bemonstering van de binnenzijde van een masker ter hoogte van de mondregio

AAJV0996NL#01 een bemonstering van de binnenzijde van de kraag van een vest

AAJY0996NL#02 een bemonstering van de binnenzijde van de rechtermanchet van een vest

Resultaten, interpretatie en conclusie

In Tabel 1 staat vermeld van wie het celmateriaal op grond van het vergelijkend DNA

onderzoek afkomstig kan zijn.

12. Het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut te Den Haag d.d. 13 september 2017, nummer 2016.08.26.134 (aanvraag 002) betreffende (vergelijkend) DNA-onderzoek naar aanleiding van een overval gepleegd in Breda op 24 juli 2016 (pagina 89 – 92) opgemaakt door [naam rapporteur 2] , voor zover inhoudende als relaas van rapporteur:

(pagina 89)

Vraagstelling

Er is verzocht om het referentiemateriaal RABO8684NL van de [verdachte] te onderwerpen aan een DNA-onderzoek, het verkregen DNA-profiel op te nemen in de Nederlandse DNA-databank voor strafzaken en dit DNA-profiel te vergelijken met de hierin aanwezige DNA-profielen en met de eerder in deze zaak verkregen DNA-(meng)profielen

van het DNA in de bemonsteringen AAJY0995NL#01 en #02 van een masker en AAJY0996NL#01 en #02 van een vest (zie ook het rapport 2016.08.26.134 aanvraag 001).

DNA-onderzoek

Onderstaand onderzoeksmateriaal is onderworpen aan een DNA-onderzoek: RABO8684NL een referentiemonster wangslijmvlies van de [verdachte] (geboren op [datum] )

(pagina 90)

Resultaat, interpretatie en conclusie (vergelijkend) DNA-onderzoek

Van het referentiemonster wangslijmvlies RABO8684NL van de [verdachte] is een Instituut DNA-profiel verkregen. Dit DNA-profiel is vergeleken met de DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen AAJY0995NL#01 en #02 en de bemonsteringen AAJY0996NL#01 en #02.

Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is geconcludeerd dat de [verdachte] donor van DNA kan zijn in de bemonsteringen AAJY0995NL#01 en #02 en de bemonsteringen AAJY0996NL#01 en #02 en daarmee dus de onbekende man A (aanvraag 002) in het rapport 2016.08.26.134 aanvraag 001 kan zijn.

De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met de verkregen DNA-profielen van het DNA in de bemonsteringen AAJY0996NL#01 en #02 is kleiner dan1 op 1 miljard. De ordegrootte van de bewijskracht van de gevonden matches van het DNA profiel van de [verdachte] met de DNA-mengprofielen van het DNA in de bemonsteringen AAJY0995NL#01 en #02 is vooralsnog niet berekend.

(pagina 92)

NFI-zaaknummer 2016.08.26.134

Omschrijving onderzoeksmateriaal een referentiemonster wangslijmvlies van

[verdachte] (geboren op [datum] )

DNA-identiteitszegel RABO8684NL

Delict overval

NFI-zaaknummer 2016.08.26.134

Omschrijving onderzoeksmateriaal bemonstering van de binnenzijde van de kraag van een vest

DNA-identiteitszegel AAJY0996NL#01

Delict overval

Kenmerk aanvrager PL2000-2016191230-151

Soort DNA-profiel enkelvoudig DNA-profiel

Matchkans DNA-profiel kleiner dan één op één miljard

13. Het proces-verbaal van verhoor getuige bij de raadsheer-commissaris d.d. 17 december 2019, inhoudende – zakelijk weergegeven – de afgelegde verklaring van [slachtoffer] :

Op de vragen van de raadsheer-commissaris antwoord ik als volgt:

De advocaat zegt er kwam iemand de shop van de benzinepomp binnen. Hij zette een

masker op. Als u heeft gezien dat hij een masker op zette, heeft u hem ook zonder gezien.

Heeft u hem zonder masker gezien?

Ja.

Hoe zag hij er uit?

Donker haar, lichte huidskleur en donkere wenkbrauwen.

Een lichte huidskleur?

Licht getinte huidskleur.

Liep hij op een bijzondere manier? Of was er iets wat u opviel?

Hij liep een beetje gehaast.

(…)

De persoon die u zag, herkende u die?

Ik denk dat ik hem wel eens eerder in het tankstation heb gezien.

U wist niet hoe hij heette?

Nee. Er komen daar op een dag veel mensen en veel uit de buurt. Ik denk dat ik hem

voorheen wel eens heb gezien.

Hoe vaak werkte u in het benzinestation?

5 tot 6 dagen in de week.

(…)

De geldlade daar zaten vingerafdrukken op. Staat de geldlade weleens boven op de balie?

Nooit als er iemand aan het werk is en eigenlijk sowieso nooit. Als de geldlade uit het

magazijn wordt gehaald gaat hij meteen in de kassalade. In de bak waar hij in moet. Op de

toonbank deden wij tellen met een geldmachine. Als het klopte deden we het meteen in de

bak.

Op de toonbank deden we tellen. Is dat achter de balie of bovenop de balie?

Alleen waar het personeel bij kan.

Als u het geld telt staat de geldlade weleens op de toonbank, maar dan alleen op het deel waar het personeel bij kan?

Ja. Het wordt ook alleen geteld als het tankstation gesloten is.

De geldlade als er klanten zijn zit altijd in de kassa?

Ja.

Is dat een instructie die u heeft gekregen of gaat dat gewoon zo?

Zo hoort het en zo werkt de kassa. Als je iets afrekent gaat de kassa alleen open als je op een

knop drukt om af te rekenen.

(…)

Komen andere mensen dan het personeel weleens aan die kassalade of aan de geldbakjes?

Andere mensen komen nooit aan de kassalade of de geldbakjes.

(…)

Bent u aanwezig geweest op de zitting hij de rechtbank? Heeft u de verdachte gezien? Ook

van de voorkant? Heeft u hem herkend van de overval?

Ja. Ik herkende de persoon op zitting als de overvaller. Ik herkende hem vrijwel zeker als de

overvaller.

Hoe ervaarde u de overval? Wat deed dat met u?

Op dat moment ben ik heel erg geschrokken.

Was u op dat moment angstig?

Dat is denk ik nog klein uitgedrukt als je wordt bedreigd met een bijl.

14. Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 april 2017 (pagina 95 – 102), inhoudende – zakelijk weergegeven – de afgelegde verklaring van verdachte:

(pagina 95)

Dit verhoor zal plaatsvinden met behulp van de vraag antwoord stijl:

V = Vraag verbalisant.

A = Antwoord verdachte.

O = Opmerking verbalisant.

(pagina 99)

V: Hoe vaak kom jij bij De Haan benzinepomp aan de Kapittelweg?

A: Ook wel vaak.

15. De verklaring van verdachte – zakelijk weergegeven – ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 19 augustus 2019:

Het vestje dat u op de camerabeelden ziet, is een vestje van H&M. Ik weet dat dit een vestje is van H&M omdat ik het model herken. Zelf had ik hiervan een grijs, blauw en paars vest. Ik heb een dergelijk grijs vest gehad.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.

De verdediging heeft betoogd dat in het procesdossier onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn die de conclusie kunnen wettigen dat de verdachte de persoon is geweest die de gewapende overval heeft gepleegd, zodat vrijspraak moet volgen. Het feit dat de vingerafdruk van verdachte op de kassalade is gevonden, is eenvoudig te verklaren nu verdachte de kassalade zeer waarschijnlijk aan de kant heeft geschoven toen deze boven op de toonbank stond. Voorts is de ene vingerafdruk van verdachte niet te koppelen aan de overvaller nu blijkens de beelden van de beveiligingscamera de overvaller ten tijde van het feit met zijn blote handen meerdere bakjes heeft vastgepakt en zodoende meerdere afdrukken moet hebben achtergelaten.

Als verklaring voor het vinden van DNA-sporen van verdachte op de achtergelaten kledingstukken heeft de verdediging aangevoerd, dat indien zou blijken dat de gevonden spullen de bij de overval gebruikte spullen zijn, het DNA van verdachte middels contaminatie op de goederen terecht is gekomen. Het aantreffen van DNA sporen van verdachte op het vest is zeer goed mogelijk doordat verdachte dit betreffende H&M vest in de winkel heeft gepast en zodoende zijn DNA erop is terecht gekomen. Voorts is het mogelijk dat verdachte in contact is geweest met de overvaller en op die wijze zijn DNA is terecht gekomen op het vest. In het masker is een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal vier personen. Een van de andere personen moet de dader zijn geweest. Ook hierbij moet sprake zijn geweest van contaminatie.

De herkenning door getuige en aangever [slachtoffer] is volgens de verdediging onbetrouwbaar nu sprake is geweest van ‘confirmation bias’, de neiging om informatie te selecteren ten gunste van het eigen denkbeeld. Het zien van verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg heeft bij [slachtoffer] valse associaties opgeroepen.

Tot slot heeft de verdediging bepleit dat verdachte helemaal niet de overvaller geweest kan zijn nu hij ten tijde van de gewapende overval op vakantie was.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt naar voren dat op 24 juli 2016 omstreeks 09.10 uur door een man (hierna: overvaller) een gewapende overval is gepleegd op het tankstation De Haan Minerale Oliën te Breda. De overvaller is gekleed in een donkerkleurige (blauwe) joggingsbroek met een wit logo op de linkerbovenzijde, een korte model zwarte jas, met onder de jas een grijskleurig trui/vest met capuchon en witte koordjes die over de jas heen hangen. In de linkerhand draagt de overvaller een witte plastic tas met onbekend opschrift en roodkleurige accenten. De overvaller heeft alvorens hij het tankstation binnengaat geen bedekking voor zijn gezicht, echter heeft hij wel een capuchon over zijn hoofd getrokken. Zodra de overvaller het tankstation binnenkomt, draagt hij een wit masker en pakt hij uit zijn tas een bijl. De overvaller riep tegen de kassamedewerkster [slachtoffer] dat ze alles moest geven wat ze had. Om die woorden kracht bij te zetten sloeg de overvaller een aantal maal met de bijl op de toonbank. Toen het de overvaller niet snel genoeg ging, heeft hij zelf geld uit de geldlade gepakt. Kort hierna is de overvaller gevlucht. [getuige 1] ziet kort na de overval een man met een wit masker, een grijze capuchon op met daarover een zwart vest en een wit plastic tasje over de rijbaan van het Korenveld naar hem toe rennen. De man kwam uit de richting van het tankstation en rende in de richting van de Baliëndijk. De man stak de kruising met de Baliëndijk over en rende in de richting van de Klaverweide.

[slachtoffer] heeft na de overval direct de politie gebeld waarna er door de forensische onderzoeker de plaats delict is onderzocht op sporen. Op de toonbank werd een recente beschadiging aangetroffen die waarschijnlijk is veroorzaakt door het slaan met de bijl. Op de geldbakjes uit de kassalade werden vingerafdrukken aangetroffen en veiliggesteld.

Op 28 juli 2016 is door [getuige 2] aan de achterkant van de flats aan de Klaverweide een tas van het kledingmerk ‘The Sting’ met daarin kleding gevonden. [getuige 2] liep naar de tas toe en zag een wit masker en een witte tas op de grond liggen. [getuige 2] heeft voorzichtig de witte tas opgepakt. Uit deze tas viel een bijl waarop hij de politie heeft gebeld. De gevonden spullen betroffen een hakbijl, donkerblauwe joggingbroek, zwarte jas, grijs vest met capuchon, wit masker, witte plastic tas van ‘Vindingrijk’, plastic tas van het kledingmerk ‘The Sting’ en meerdere munten van 2 en 5 eurocent.

Gelet op de uiterlijke gelijkenissen tussen de kleding van de overvaller en de aangetroffen spullen door [getuige 2] en de omstandigheden dat deze spullen op de vluchtroute van de overvaller en op korte afstand van het tankstation zijn aangetroffen, is genoegzaam komen vast te staan dat de gevonden spullen tijdens de overval zijn gedragen en gebruikt door de overvaller.

Nadat verdachte door middel van een TCI-melding als verdachte in beeld is gekomen, heeft er vergelijkend dactyloscopisch onderzoek plaatsgevonden tussen de vingerafdruk van verdachte en de vingerafdruk op een geldbakje uit de kassalade geregistreerd onder AAJO2451NL. Op 5 april 2017 kwam uit het Havank systeem een match met de vingerafdruk geïdentificeerd als zijnde een afdruk van de rechterduim van verdachte.

De verklaring van verdachte dat zijn vingerafdruk op het geldbakje uit de kassalade terecht is gekomen door het wegschuiven van de kassalade welke op de toonbank heeft gestaan acht het hof ongeloofwaardig. Het hof overweegt daartoe dat uit de getuigenverklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris volgt dat de kassalade nooit tijdens openingstijden op de toonbank staat en dat de kassalade nooit uit de kassa wordt gehaald als er klanten zijn. De handeling die verdachte heeft omschreven kan volgens de protocollen dan ook niet hebben plaatsgevonden. Dat er maar één bruikbare vingerafdruk van verdachte op één van de geldbakjes uit de kassalade zit, maakt voorts niet dat deze niet als daderspoor kan worden aangemerkt. Op de beelden is weliswaar te zien dat de dader meerdere bakjes aanraakt met zijn blote handen, maar dit wil niet zeggen dat hij hierbij ook bruikbare vingerafdrukken heeft achtergelaten. Ook het feit dat de handpalmafdruk op de toonbank geen match geeft met die van verdachte maakt niet dat verdachte niet degene is die daadwerkelijk een greep in de kassa heeft gedaan. De overvaller was volgens de verklaring van [slachtoffer] namelijk niet de eerste bezoeker van het benzinestation die ochtend.

Op het aangetroffen masker en vest zijn op vier locaties bemonsteringen genomen die zijn onderworpen aan een DNA-onderzoek. Van het DNA in de bemonsteringen van zowel het masker als het vest zijn DNA-profielen verkregen van een onbekende man A. Op het masker zijn twee DNA-mengprofielen aangetroffen van minimaal vier personen waarvan minimaal één van de onbekende man A. Op het vest zijn twee DNA-profielen aangetroffen van de onbekende man A waarbij de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met deze DNA-profielen kleiner is dan één op één miljard. Bij verdachte is er DNA materiaal uit het wangslijmvlies afgenomen Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is tevens geconcludeerd dat er een match is tussen het DNA profiel dat afkomstig is van verdachte en de hiervoor genoemde DNA-profielen in die zin dat de [verdachte] donor van DNA kan zijn van de hiervoor genoemde bemonsteringen en daarmee dat verdachte dus de onbekende man A kan zijn.

De kans dat het DNA van een willekeurig persoon matcht met de verkregen DNA-profielen in de bemonsteringen van het vest is kleiner dan 1 op 1 miljard. Dat het DNA van verdachte door middel van contaminatie op de betreffende goederen terecht is gekomen acht het hof onwaarschijnlijk. Het hof overweegt daartoe dat het vest aan de binnenzijde van de kraag en de rechtermanchet is bemonsterd. Nu het DNA van verdachte aan de binnenzijde van het vest zit, duidt dit op het feit dat verdachte op enig moment de drager van het vest is geweest. Het hof acht het volstrekt onaannemelijk dat deze dragersporen op het vest zijn terecht gekomen, omdat de verdachte dit specifieke vest - op een niet nader aangeduide tijd en plaats - zou hebben gepast in een filiaal van H&M. Van contaminatie na de overval kan volgens het hof ook geen sprake zijn nu uit het dossier op geen enkele wijze volgt dat het DNA op een ander moment op de goederen terecht kan zijn gekomen.

Gelet op de omstandigheid dat het DNA van verdachte op (twee locaties van) het achtergelaten vest is aangetroffen en de omstandigheid dat de door verdachte opgeworpen mogelijkheden voor het achterlaten van DNA niet aannemelijk zijn geworden, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte degene is geweest die de kledingstukken tijdens de overval heeft gedragen.

Voor het door de verdediging hiertegenover gestelde alternatieve scenario, kort gezegd inhoudende – zo begrijpt het hof – dat verdachte niet de overvaller kan zijn nu hij ten tijde van het feit op vakantie was, is naar het oordeel van het hof zelfs geen begin van aannemelijkheid. De verdachte heeft nagelaten dit alternatieve scenario te concretiseren, zodat dit ook niet kon worden onderzocht.

Het hof heeft voorts geen reden om aan de voor het bewijs gebruikte verklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris te twijfelen. De verklaring van [slachtoffer] vindt namelijk steun in de gebezigde bewijsmiddelen waaruit blijkt dat het signalement van de overvaller gelijkenissen heeft met het signalement van verdachte, het feit dat de vingerafdruk van verdachte op de plaats delict is aangetroffen, de verdachte heeft verklaard een regelmatige klant van het benzinestation te zijn en het feit dat het DNA van verdachte op het vest is aangetroffen.

Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het voren overwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken

en

afpersing.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen straf

De raadsman bepleit – in geval van een bewezenverklaring – toepassing van het adolescentenstrafrecht als bedoeld in artikel 77c Wetboek van Strafrecht.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaren, maar nog niet die van drieëntwintig jaren heeft bereikt, recht kan worden gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77hh van het Wetboek van Strafrecht.

Anders dan door de verdediging is verzocht, ziet het hof met de advocaat-generaal – in de persoonlijkheid van verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan – geen grond als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht om tot toepassing van het jeugdsanctierecht over te gaan waarbij het hof het advies overneemt van Reclassering Nederland in het rapport van 13 mei 2020. In dit rapport wordt geadviseerd verdachte te berechten middels het volwassenenstrafrecht. De reclassering relateert onder meer dat verdachte niet overmatig vatbaar is voor negatieve beïnvloeding door leeftijdsgenoten of derden, hij leeftijdsadequaat gedrag vertoont en niet kinderlijker overkomt dan zijn leeftijdgenoten. Daarnaast kwam verdachte in 2018 met Justitie in aanraking en werd veroordeeld onder het volwassenenstrafrecht en dat hij de opgelegde werkstraf zelfstandig en positief heeft afgerond, aldus Reclassering Nederland. Tenslotte relateert Reclassering Nederland dat er thans te weinig informatie is om te adviseren of verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten volgens van het jeugdstrafrecht berecht had moeten worden maar dat een dergelijke advisering thans niet het geval is. Het hof zal de verdachte derhalve berechten conform het meerderjarigenstrafrecht. De omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde bij zijn ouders woonde en een laag IQ en een licht verstandelijke beperking heeft, leidt niet tot een andere conclusie.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval op een tankstation. Hij heeft zich hierbij vermomd door een masker op te zetten en heeft gebruik gemaakt van een bijl waarmee hij heeft gedreigd, terwijl hij tegen de medewerkster zei dat zij geld moest geven. Dit is een ernstig feit. Overvallen als de onderhavige maken een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken sterke gevoelens van onrust, angst en onveiligheid in de samenleving, in het bijzonder bij de directe slachtoffers. Dat is in deze zaak ook het geval. [slachtoffer] heeft in haar schriftelijke verklaring naar voren gebracht dat zij na de overval vaak last had van nachtmerries, slecht sliep, schrikachtig was en niet meer alleen de deur uit durfde. Verder verklaarde zij dat zij thans, ruim vier jaar na dato, nog steeds veel last heeft van de gevolgen van de overval. Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij heeft gehandeld uit eigen financieel gewin, zonder dat hij zich daarbij heeft bekommerd om de verstrekkende gevolgen van zijn handelwijze voor het slachtoffer.

Uit de inhoud van het de verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 16 juni 2020 blijkt dat hij na het plegen van het tenlastegelegde is veroordeeld ter zake van overtreding van de Opiumwet en dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.

Het hof zal echter ook rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte ten tijde van de onderhavige feiten en het rapport van de reclassering waarin is gerelateerd dat verdachte baat heeft bij een behandeling op maat. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard bereid te zijn mee te werken aan eventueel benodigde hulpverlening nu hij vanwege zijn licht verstandelijke beperking hulp behoeft. Voorts heeft verdachte sinds januari van dit jaar geen zinvolle dagbesteding of werk waardoor zijn schulden oplopen.

Naar het oordeel van het hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met daarnaast een voorwaardelijk deel. Met oplegging van een voorwaardelijk deel wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Het hof acht, alle omstandigheden afwegende, in afwijking van hetgeen de advocaat-generaal heeft gevorderd en anders dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd, een gevangenisstraf voor de duur van 26 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd voor de duur van 2 jaren en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft gezeten, passend en geboden.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, te weten een meldplicht, een ambulante behandeling en het meewerken aan het realiseren van dagbesteding.

Vordering van [slachtoffer]

heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 5.504,48 te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 4,48 voor de reiskosten naar Slachtofferhulp Nederland voor het opstellen van de vordering en een bedrag van € 5.500,- aan smartengeld.

De rechtbank heeft de vordering bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van

€ 3.004,48 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. De benadeelde partij is in het overige deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven haar gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

Het hof is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van de bewezenverklaarde overval reiskosten heeft moeten maken voor een bezoek aan Slachtofferhulp Nederland. Derhalve kan het bedrag aan reiskostenvergoeding van € 4,48 worden toegewezen.

Met betrekking tot de gestelde immateriële schade overweegt het hof als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat bij de benadeelde partij PTSS is vastgesteld, mede als gevolg van de onderhavige bewezenverklaarde feiten en dat zij hiervoor middels een EMDR-therapie is behandeld. Het hof acht aannemelijk dat de bewezenverklaarde feiten voor de benadeelde partij een zeer traumatische ervaring zijn geweest en zij hiervan nog lange tijd last zal ondervinden.

Het hof is van oordeel dat het gestelde geestelijk letsel dat daardoor is opgetreden valt onder het bereik artikel 6:106, eerste lid, onder b van het Burgerlijk Wetboek. Het hof begroot deze immateriële schade, op grond van het onderzoek in de onderhavige strafrechtelijke procedure, naar billijkheid op een bedrag van € 5.500,-.

Het voren overwogene leidt ertoe dat de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding tot een totaalbedrag van € 5.504,48 volledig zal worden toegewezen.

Het toe te wijzen bedrag zal, zoals gevorderd, worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2016 – zijnde de dag waarop de overval heeft plaatsgevonden en aldus de schade is ontstaan – tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof zal de verdachte, die als de in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt, tevens veroordelen in de proceskosten aan de zijde van de benadeelde partij tot een bedrag van € 27,84. Dit bedrag ziet op gemaakte reiskosten voor de rechtsgang. Voorts zal de verdachte worden veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging van dit arrest door de benadeelde partij nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 5.504,48. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Beslag

Tijdens het onderzoek zijn een bijl (met goednummer 1582386), een broek (met goednummer 1582391), een jas (met goednummer 1582393), een vest (met goednummer 1582399), een masker (met goednummer 1582825), vier tassen (met goednummers 1582829, 1582834, 1582846 en 1582849) en papier (met goednummer 1582838) in beslag genomen. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat met behulp van deze goederen de bewezenverklaarde overval is begaan. Het hof is derhalve van oordeel dat voornoemde goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan. Bij die beslissing heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 57, 63, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 26 (zesentwintig) maanden;

bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 10 (tien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

  • -

    zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres [adres 2] en zich blijft melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

  • -

    mee werkt aan een psychodiagnostisch onderzoek inclusief het afnemen van een intelligentietest bij Forensisch Psychiatrische Polikliniek (FPP) Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, indien er uit dit onderzoek blijkt dat behandeling noodzakelijk wordt geacht laat veroordeelde zich behandelen en/of begeleiden door FPP Fivoor of een soortgelijke zorgverlener, de behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, voorts houdt veroordeelde zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling, het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    zich actief zal inspannen voor het verkrijgen en behouden van een zinvolle dagbesteding in de vorm van (vrijwilligers)werk of scholing, hieromtrent stelt veroordeelde zich transparant op in de begeleiding van Reclassering Nederland, daarnaast stelt veroordeelde de reclassering in staat om deze voorwaarde te controleren;

geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering tot schadevergoeding van [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.504,48 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 4,48 (vier euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2016 tot aan de dag der voldoening;

verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

27,84 (zevenentwintig euro en vierentachtig cent);

legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 5.504,48 (vijfduizend vijfhonderdvier euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 4,48 (vier euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 5.500,00 (vijfduizend vijfhonderd euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 juli 2016 tot aan de dag der voldoening en bepaalt dat gijzeling voor de duur op ten hoogste 62 (tweeënzestig) dagen kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid van de schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft;

bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een bijl met goednummer 1582386, een broek met goednummer 1582391, een jas met goednummer 1582393, een vest met goednummer 1582399, een masker met goednummer 1582825, vier tassen met goednummers 1582829, 1582834, 1582846 en 1582849 en een papier met goednummer 1582838;

Aldus gewezen door:

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. A.C. Bosch en mr. Y.G.M. Baaijens-van Geloven, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.M. Gloudemans, griffier,

en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.