Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
18-03-2021
Zaaknummer
20-002422-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voor diefstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-002422-19

Uitspraak : 2 september 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 juli 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-250780-18 tegen:

[verdachte] ,

geboren op [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortedag] 1985,

wonende te [adres verdachte] .

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van diefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken, met aftrek van het voorarrest.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van het hof en heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop dit berust, met aanvulling van de bewijsmiddelen en met uitzondering van de opgelegde straf, de strafmotivering en de toepasselijke wettelijke voorschriften. De politierechter heeft bij de strafoplegging toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de verdachte voor deze zaak geen tijd in voorarrest heeft doorgebracht. Het hof zal het vonnis daarom vernietigen ten aanzien van de straf en deze opnieuw bepalen.

Aanvulling van de bewijsmiddelen

Het hof vult de bewijsmiddelen voor het feit aan met de bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof op 19 augustus 2020.

Op te leggen sanctie

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw bepleit dan kan worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 dag, in combinatie met een taakstraf.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van het bewezen verklaarde heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van vier pakjes met daarin telkens drie onderbroeken van het merk Calvin Klein uit het warenhuis Hudson’s Bay in Tilburg. Hierbij heeft de verdachte gebruik gemaakt van een geprepareerde schoenendoos, zijnde een professioneel middel om een winkeldiefstal te kunnen plegen. Door aldus te handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen respect te hebben voor het eigendomsrecht van een ander en niet in een opwelling te hebben gehandeld, maar goed voorbereid te zijn. Dergelijk handelen levert voor winkeliers veel overlast en ergernis op en hindert hen in de bedrijfsvoering. Ook de maatschappij ondervindt schade van winkeldiefstallen, doordat de kosten die gemoeid zijn met het nemen van veiligheidsmaatregelen tegen diefstallen, uiteindelijk door consumenten worden betaald.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 16 juni 2020, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van gelijksoortige delicten. De politierechter in de rechtbank Den Haag heeft de verdachte bij vonnis van 24 september 2015 ter zake van een winkeldiefstal veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis. Blijkens voormeld uittreksel en zijn verklaring ter terechtzitting bij het hof heeft de verdachte deze taakstraf verricht. Nu aan de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van het bewezen verklaarde wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd en verdachte deze taakstraf heeft verricht, is het zogenoemde taakstrafverbod ex artikel 22b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Daarnaast heeft de politierechter in de rechtbank Rotterdam de verdachte bij vonnis van 7 januari 2020 ter zake van een winkeldiefstal veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken, waarvan 1 week voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof zal deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin meewegen in de op te leggen straf, omdat de veroordeling heeft plaatsgevonden nadat het onderhavige strafbare feit is gepleegd.

Vanwege laatstgenoemde veroordeling is het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Hierbij is het hof gebleken dat de verdachte bij zijn tante woont, geen uitkering ontvangt en af en toe voor een uitzendbureau werkt.

Het hof is van oordeel dat, in verband met een juiste normhandhaving en met het oog op vergelding en generale preventie, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het opleggen van een straf als door de raadsvrouw is bepleit doet naar het oordeel van het hof onvoldoende recht aan de aard en ernst van het feit en is derhalve niet passend. Alles afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van twee weken passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 63 en 310 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. D.A.E.M. Hulskes, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. A.C. van der Schans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,

en op 2 september 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. A.C. van der Schans is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.