Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2761

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
16-09-2020
Zaaknummer
200.256.927_01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Agrarisch recht. Geleverd kuilgras voldoet niet aan de koopovereenkomst. Bewijs het gaat om het kuilgras dat de verkoper aan de koper heeft geleverd. Machtiging ex art. 3:299 lid 1 BW en veroordeling tot het betalen van de kosten van het uitvoeren van de machtiging ex art. 3:299 lid 3 BW.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 299
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.256.927/01

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.H. van Vliet te Wageningen,

tegen

1 [geïntimeerde 1]
:

2. [geintimeerde 2],

3. [geintimeerde 3],

allen gevestigd respectievelijk wonend te [woonplaats] , [woonplaats] en [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna gezamenlijk in mannelijk enkelvoud aan te duiden als [geintimeerde] ,

advocaat: mr. J.E.A.J.C van de Laak te Tilburg,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 28 mei 2019 in het hoger beroep van de vonnissen van 18 januari 2018 en 20 december 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie/verweerder in reconventie/verweerder in het incident en [geintimeerde] als gedaagde in conventie/eiser in reconventie/eiser in het incident.

5 Het geding in hoger beroep

Het verder verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 28 mei 2019

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 juli 2019

  • -

    de memorie van grieven met een productie

  • -

    de memorie van antwoord in principaal hoger beroep, tevens van eis in incidenteel hoger beroep, met wijziging van eis, met twee producties

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6. De feiten

Tussen partijen staat het volgende vast.

6.1.

[appellant] heeft een paardenfokkerij in [plaats] . [geintimeerde] heeft een pensionstal voor paarden in [plaats] .

6.2.

[appellant] heeft op 11 april 2016 op Marktplaats '145 pakken mooi kuilvoer voor koeien en jongvee' te koop aangeboden voor de prijs van € 40,00 per pak.

[appellant] en [geintimeerde] hebben elkaar daarover op 7 mei 2016 telefonisch gesproken en zijn daarbij een prijs van € 32,50 per pak overeengekomen. [geintimeerde] is op 10 mei 2016 bij [appellant] geweest en heeft daar het kuilvoer van één of twee ter plekke opengemaakte pakken bekeken. [geintimeerde] heeft 143 pakken gekocht en een aanbetaling gedaan van

€ 1.500,00. [geintimeerde] heeft de pakken op 14 mei 2016 laten ophalen door [medewerker] van [fouragehandel]

6.3.

Na ongeveer een week heeft [geintimeerde] bij [appellant] geklaagd over de kwaliteit van het kuilgras. [appellant] is op 21 of 28 mei 2016 op het bedrijf van [geintimeerde] geweest om het kuilgras te bekijken. Bij die gelegenheid heeft hij een korting van € 500,00 op de koopprijs aangeboden. [geintimeerde] heeft die niet aanvaard.

6.4.

De buurman van [geintimeerde] , melkveehouder [melkveehouder] , heeft op verzoek van [geintimeerde] het kuilgras aan zijn koeien en kalveren geprobeerd te voeren. [melkveehouder] heeft hierover (getuigen)verklaringen afgelegd, die inhouden dat zijn dieren het kuilgras weigerden te eten.

6.4.

Eurofins Agro te Wageningen heeft grasbalen onderzocht die zich op het bedrijf van [geintimeerde] bevonden en daarvan op 3 juni 2016 verslag gedaan. In het verslag is onder meer vermeld: 'Deze partij bevat veel grond'.

6.5.

Bij brief van 7 juli 2016 heeft de gemachtigde van [geintimeerde] aan [appellant] meegedeeld dat [geintimeerde] de koopovereenkomst wenste te ontbinden.

6.6.

In opdracht van de gemachtigde van [geintimeerde] heeft ing. [ingenieur] van [expertiseburo] op 3 november 2016 onderzoek gedaan naar een grote partij in balen gewikkeld kuilgras, die zich op het bedrijf van [geintimeerde] bevond. [ingenieur] heeft op 17 november 2016 verslag gedaan van het onderzoek. Zijn conclusie is:

'De door mij(…) beoordeelde balen kuilgras zijn ongeschikt als veevoer en zeker niet geschikt om aan paarden te voeren. Dit is wel het doel waarvoor de balen zijn gekocht.

Aangezien de partij afkomstig is van één groot perceel acht ik de kans klein dat er nog veel balen gras aanwezig zijn die wel geschikt zouden kunnen zijn.

Normaal is dat er enkele balen van een dergelijke grote partij te slecht zijn (al of niet gedeeltelijk) om te voeren maar nu is het omgekeerd en zijn er hoogstwaarschijnlijk maar enkele balen wel geschikt om te voeren.

Omdat de partij te nat is, teveel ruw as bevat, teveel ammoniak bevat, te weinig voerwaarde heeft, onfris ruikt en ook al schimmelvorming laat zien, is de partij niet geschikt als voer voor paarden en ook niet als voer aan te bevelen voor runderen.

De partij gras is als verloren gegaan te beschouwen.'

6.7.

Bij brief van 1 december 2016 heeft de gemachtigde van [geintimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] meegedeeld dat de koopovereenkomst werd ontbonden.

6.8.

Bij brief van 8 mei 2017 heeft de gemachtigde van [geintimeerde] aan de gemachtigde van [appellant] voorgesteld om 'de grond in de geleverde balen te toetsen aan de grond zoals die aanwezig is op de percelen van uw cliënte', zodat 'in rechte kan worden aangetoond dat de desbetreffende balen van uw cliënte afkomstig zijn'. [appellant] heeft dit voorstel afgewezen.

7 De procedure in eerste aanleg

7.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] dat [geintimeerde] wordt veroordeeld om aan hem € 3.050,00 te betalen, met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

7.2.

[geintimeerde] heeft een incidentele vordering ingesteld. Met deze vordering beoogde [geintimeerde] te weten te komen van welk perceel of welke percelen het kuilgras afkomstig was, dat [appellant] hem had geleverd, zodat hij door onderzoek kon laten vaststellen dat het kuilgras, waarover hij klaagt, afkomstig is van dat perceel of die percelen.

7.3.

[geintimeerde] heeft verder een tegenvordering ingesteld. [geintimeerde] heeft gevorderd:

1. voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst tussen [pensionstal voor paarden] en [appellant] met betrekking tot de 143 balen kuilgras op 1 december 2016 rechtsgeldig buitengerechtelijk is ontbonden, althans de tussen partijen bestaande koopovereenkomst te ontbinden met ingang van de datum van het in dezen te wijzen vonnis, althans een bij dit vonnis in goede justitie te bepalen andere datum;

2. [appellant] te veroordelen tot verwijdering van de resterende balen kuilgras die zich bevinden op de bedrijfslocatie van [pensionstal voor paarden] aan de [adres] te [plaats] , binnen twee weken na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,-- per dag of dagdeel na verloop van twee weken na betekening van het vonnis, met een maximum van € 10.000,--, en in het geval [appellant] nalaat de builen kuilgras te verwijderen [pensionstal voor paarden] te machtigen het kuilgras te doen verwijderen en te vernietigen, onder veroordeling van [appellant] in de kosten van de in dat kader redelijkerwijs gemaakte kosten;

3. [appellant] te veroordelen om aan [pensionstal voor paarden] te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 1.500,-- althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, ter zake de terugbetaling van het door [pensionstal voor paarden] aanbetaalde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verzuim, zijnde de dag der betaling respectievelijk de dag van ontbinding van de koopovereenkomst tussen partijen, althans vanaf de dag der instellen van de onderhavige reconventionele vordering tot aan de dag der algehele voldoening;

4. [appellant] te veroordelen om aan [pensionstal voor paarden] te betalen, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, een bedrag van € 1.187,05,-- althans een zodanig bedrag als uw rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, ter zake de door [pensionstal voor paarden] gemaakte kosten van deskundigen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der verzuim, zijnde de dag der betaling respectievelijk de dag van ontbinding van de koopovereenkomst tussen partijen, althans vanaf de dag der instellen van de onderhavige reconventionele vordering tot aan de dag der algehele voldoening.

7.4.

Partijen hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen elkaars vorderingen.

De stellingen van partijen zullen, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

7.5.

Bij tussenvonnis van 18 januari 2018 heeft de kantonrechter [geintimeerde] toegelaten te bewijzen dat het door [appellant] geleverde kuilgras niet deugdelijk was.

Vervolgens zijn getuigen gehoord. Bij het eindvonnis van 20 december 2018 heeft de kantonrechter onder meer overwogen dat [appellant] erkent dat de partij kuilgras niet geschikt is als paardenvoer, maar dat [appellant] niet bewezen acht dat hij deze partij heeft geleverd. De kantonrechter heeft echter op grond van de verklaringen van de getuigen geoordeeld dat de partij ondeugdelijk voer inderdaad de partij is die [appellant] heeft geleverd. De vorderingen van [appellant] in conventie zijn vervolgens afgewezen.

De vorderingen van [geintimeerde] in reconventie zijn toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde dwangsom is beperkt tot € 500,00 per dag, met een maximum van € 7.500,00, en dat [appellant] niet is veroordeeld om de kosten te betalen van het verwijderen en vernietigen van het kuilgras, in het geval [geintimeerde] dit doet op grond van de hem daartoe verleende machtiging.

8 De beoordeling in principaal hoger beroep

8.1.

[appellant] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden eindvonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen en het afwijzen van de tegenvorderingen van [geintimeerde] .

8.2.

Uit de memorie van grieven blijkt dat [appellant] het hoger beroep heeft beperkt tot het eindvonnis.

8.3.

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen. Met de grieven komt [appellant] op tegen het oordeel dat het kuilgras dat hij aan [geintimeerde] heeft geleverd van ondeugdelijke kwaliteit was.

8.4.

Het gaat erom of het kuilgras de eigenschappen had die [geintimeerde] op grond van de koopovereenkomst daarvan redelijkerwijs mocht verwachten. [appellant] heeft onder meer aangevoerd dat hij het kuilgras niet aan [geintimeerde] heeft verkocht als voer voor paarden, maar als kuilgras dat geschikt was voor koeien en jongvee. In deze zaak is dit echter niet van belang. Uit de onderzoeken die Eurofins en [ingenieur] hebben uitgevoerd, in samenhang met de schriftelijke verklaringen en getuigenverklaringen van dierenarts [dierenarts] en de naburige melkveehouder [melkveehouder] , blijkt afdoende dat het kuilgras waarover [geintimeerde] het heeft, van de aanvang af ook niet geschikt was als voer voor koeien en jongvee. Speculatie van [appellant] dat het kuilgras in dergelijke korte tijd na levering in kwaliteit is achteruitgegaan, hoewel het in folie was ingepakt, weegt daartegen niet op, temeer nu tijdsverloop niet kan verklaren dat er te veel klei of zand in het kuilgras zat.

8.5.

Blijft over de vraag of voldoende vaststaat dat het kuilgras waarover [geintimeerde] heeft geklaagd, het kuilgras is dat [appellant] aan hem heeft geleverd, hetgeen [appellant] heeft betwist

8.6.

Het hof stelt in dit verband voorop dat [appellant] geen redelijke argumenten geeft om te vermoeden dat en waarom [geintimeerde] bij [appellant] klaagt over kuilgras dat een ander zou hebben geleverd. Het is dus bij voorbaat al weinig aannemelijk dat [geintimeerde] het over een andere partij kuilgras heeft dan de partij die [appellant] aan hem heeft geleverd. Bovendien betreft het een grote partij. Er is niet gebleken dat [geintimeerde] in die periode meerdere van dergelijke grote partijen op zijn bedrijf had. [appellant] heeft bovendien een of twee weken na de levering op het bedrijf van [geintimeerde] gezien over welke partij [geintimeerde] het had. Hij is immers na een klacht van [geintimeerde] op 21 of 28 mei 2016 op het bedrijf van [geintimeerde] geweest. Uit niets blijkt dat [appellant] toen reden had om eraan te twijfelen dat dit de partij was die hij had geleverd. Was dit anders geweest, dan had het op zijn weg gelegen om dit aan de orde te stellen en zo nodig onderzoek daarnaar te doen, nu het tijdig klagen van [geintimeerde] hem daartoe alle gelegenheid bood. [appellant] heeft verder evenmin aangevoerd dat hij bij zijn bezoek aan het bedrijf van [geintimeerde] heeft waargenomen dat er meerdere van dergelijke grote partijen kuilvoer aanwezig waren.

Hij spreekt in zijn getuigenverklaring alleen over 'andere partijtjes'. Ook dit maakt het, gezien de omvang van de partij waarover het thans gaat, onaannemelijk dat [geintimeerde] het hier heeft over een andere partij dan [appellant] heeft geleverd.

8.7.

De verklaringen van de getuigen bevatten verder geen enkele steun voor een vermoeden dat het toch om een andere partij kuilgras gaat. Integendeel, de verklaringen leveren afdoende aanwijzingen op dat het om dezelfde partij gaat en zijn in dat opzicht voldoende consistent. Het hof merkt daarbij op dat er geen valide redenen naar voren zijn gebracht om aan de betrouwbaarheid van de getuigen of hun verklaringen te twijfelen.

8.7.1.

In de eerste plaats is er de verklaring van [geintimeerde] zelf. [geintimeerde] wijst er bovendien op dat de balen van [appellant] een ander formaat en kleur hadden dan de overige balen die zich nog op zijn bedrijf bevonden.

8.7.2.

Volgens de getuige [medewerker fouragehandel] , de chauffeur die de balen heeft vervoerd van het bedrijf van [appellant] naar het bedrijf van [geintimeerde] , waren de balen zo'n beetje zeegroen. Hij heeft bij het lossen geen andere balen gezien. De vervoerde balen waren volgens hem zwaarder dan verwacht, wat past bij de latere constateringen dat het kuilgras in de balen relatief veel klei of zand en vocht bevatte.

8.7.3.

De getuige [melkveehouder] , buurman en veehouder, verklaart dat hij het transport en het lossen heeft gezien, en dat [geintimeerde] hem de inhoud van de balen heeft laten zien. De buitenkant van de balen was volgens hem groen, een beetje aan de lichte kant. Volgens hem wordt er weinig voer bij [geintimeerde] gebracht.

8.7.4.

De getuige [ingenieur] heeft in zijn onder 6.6 genoemde rapport veel aandacht besteed aan het vaststellen dat de door hem onderzochte partij inderdaad de partij was die [appellant] had geleverd. Als getuige heeft hij daarnaast verklaard dat er nog andere partijtjes voer op het erf van [geintimeerde] waren, maar dat dit kleinere partijtjes waren met een andere kleur folie, niet lichtgroen, zoals de onderzochte partij. De onderzochte partij was een grote partij.

8.8.

[appellant] heeft achteraf nog een punt ervan gemaakt dat de balen volgens de overgelegde foto's vijf touwen hebben in plaats van zes touwen. [geintimeerde] stelt echter dat de balen zes touwen hebben. Het enige wat hierover is te zeggen is, is dat op de overgelegde foto's niet duidelijk is te zien of de balen vijf of zes touwen hebben. Maar als volgens [appellant] de balen niet zes maar vijf touwen hadden, had [appellant] dit eenvoudig kunnen constateren bij zijn bezoek op het bedrijf van [geintimeerde] op 21 of 28 mei 2016. Dat hij dit heeft geconstateerd, is niet gebleken. Bovendien liggen de balen waarover [geintimeerde] het heeft, nog op het bedrijf van [geintimeerde] . [appellant] had dus eenvoudig zonder te wijzen op foto's kunnen vaststellen of de balen vijf of zes touwen hebben. Nu hij daarvoor kennelijk geen reden heeft gezien, gaat het hof voorbij aan zijn stelling dat de balen waarover [geintimeerde] het heeft, met vijf touwen zijn gebonden, omdat deze stelling onvoldoende is onderbouwd.

8.9.

[appellant] heeft verder nog gewezen op details in de getuigenverklaringen die deze volgens hem tegenstrijdig zijn. Het hof is echter van oordeel dat de getuigenverklaringen op de hoofdlijnen met elkaar in overeenstemming zijn en acht de door [appellant] genoemde details in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen, van dermate ondergeschikte betekenis, dat zij geen afbreuk doen aan de conclusie dat [geintimeerde] het heeft over de partij die [appellant] heeft geleverd. Zo oordeelt het hof het van ondergeschikte betekenis of de getuigen twee jaren na het afleveren van de balen op een luchtfoto nog de exacte locatie kunnen aankruisen, waar de balen destijds zijn neergezet. Duidelijk is dat alle getuigen plaatsen aanwijzen die in elkaars nabijheid zijn gelegen, zoals ook de kantonrechter heeft overwogen. [geintimeerde] heeft verder afdoende toegelicht dat de oogstdatum die is vermeld op het rapport van Eurofins zijn eigen opgaaf was op basis van hetgeen hij van [appellant] had begrepen. De opgaaf is niet relevant, het gaat er alleen om of dit het kuilgras is dat [appellant] aan [geintimeerde] heeft geleverd. Dat er een stal staat tussen het bedrijf van [melkveehouder] en de plaats waar de balen volgens hem zijn gelost, betekent niet dat hij het lossen niet kan hebben waargenomen. Ten slotte is niet van belang dat [dierenarts] spreekt van zand, terwijl [appellant] stelt dat het kuilgras afkomstig is van kleigrond. [dierenarts] heeft een grondsoort waargenomen en die aangeduid met zand. Niet is gebleken dat hij zich heeft verdiept in een onderzoek naar de grondsoort.

8.10.

Het laatste brengt het hof nog op het volgende. Voor zover [appellant] ondanks dit alles reden had om te betwijfelen of de partij waarover [geintimeerde] het heeft, de partij is die hij heeft geleverd, mocht mogen worden verwacht dat hij het nodige zou doen om twijfel uit te sluiten en dat hij dus zijn medewerking zou verlenen aan een onderzoek van de grondsoort die zich in de balen bevindt. [geintimeerde] wenste deze grondsoort te laten vergelijken met de grondsoort van de bodem waarop het kuilgras volgens [appellant] is geoogst. [appellant] heeft dit onderzoek echter steeds afgehouden door allerlei bezwaren daartegen te opperen, in plaats van zich ervoor te beijveren dat een dergelijk onderzoek onder de best mogelijke voorwaarden kon plaatsvinden. Dit sterkt de conclusie dat [geintimeerde] het heeft over de partij die [appellant] heeft geleverd en doet vermoeden dat [appellant] dit weet. Reeds dit maakt al de argumenten die [appellant] tegen de verklaringen van de getuigen inbrengt, gekunsteld en dus van minder gewicht.

8.11.

De conclusie is dat het hof als vaststaand aanneemt dat de partij kuilgras waarover [geintimeerde] het heeft, de partij is die [appellant] aan hem heeft geleverd.

8.12.

De geleverde partij kuilgras was ongeschikt als voer voor koeien, jongvee en ook voor paarden. Met het leveren van deze partij is [appellant] tekortgeschoten in het nakomen van zijn verbintenis uit de koopovereenkomst.

8.13.

In de toelichting bij grief 1 heeft [appellant] nog aangevoerd dat als de kwaliteit van het kuilgras slecht was, [geintimeerde] hem om vervanging had moeten vragen. Daargelaten of het aan ontbinding van de koopovereenkomst in de weg stond als [geintimeerde] niet om ander kuilgras heeft gevraagd, was het zinloos om te vragen om vervanging. [appellant] kon immers geen vervangend kuilgras leveren, zoals hij stelt. Bovendien was duidelijk dat [appellant] geen vervangend kuilgras wilde leveren, omdat hij de klacht van [geintimeerde] niet erkende. Het hof gaat daarom aan dit argument voorbij.

8.14.

[appellant] meent verder dat geen verzuim is ingetreden omdat hij niet in gebreke is gesteld. Ingebrekestelling was in dit geval echter niet nodig, omdat [geintimeerde] uit de mededelingen en gedragingen van [appellant] tijdens en na diens bezoek op 21 of 28 mei 2016 op het bedrijf van [geintimeerde] redelijkerwijs mocht opmaken dat [appellant] zijn verbintenis tot het leveren van deugdelijk kuilgras niet zou nakomen. [appellant] wees de klacht van [geintimeerde] immers toen en later steeds resoluut van de hand, en dat heeft hij tot in dit hoger beroep volgehouden. Het verzuim is dus volgens art. 6:83, aanhef en onder c, BW zonder ingebrekestelling ingetreden.

8.15.

Uit het voorgaande volgt dat [geintimeerde] de koopovereenkomst mocht ontbinden.

De kantonrechter heeft de vorderingen van [appellant] daarom terecht afgewezen en op goede gronden de tegenvorderingen van [geintimeerde] grotendeels toegewezen. Daarmee falen alle grieven in principaal hoger beroep.

8.16.

Het bewijsaanbod dat [appellant] heeft gedaan, passeert het hof omdat geen feiten of omstandigheden te bewijzen zijn aangeboden die tot een andere beslissing kunnen leiden.

9 De beoordeling in incidenteel hoger beroep

9.1.

[geintimeerde] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden eindvonnis in reconventie en tot het toewijzen van zijn tegenvorderingen en de in hoger beroep vermeerderde eis.

9.2.

Uit de grieven en de toelichting daarop blijkt dat [geintimeerde] alleen een gedeeltelijke vernietiging van het bestreden eindvonnis in reconventie nastreeft, namelijk wat betreft de opgelegde dwangsom en het afwijzen van zijn vordering om [appellant] te veroordelen in de kosten die [geintimeerde] moet maken om zelf het kuilgras van zijn bedrijf te verwijderen.

9.3.

Grief 1 betreft het vergoeden van de kosten die [geintimeerde] destijds heeft gemaakt voor het vervoer van de balen van het bedrijf van [appellant] naar zijn eigen bedrijf.

De kosten bedragen volgens [geintimeerde] € 798,60. De eisvermeerdering in hoger beroep heeft hierop betrekking.

9.4.

[geintimeerde] had op grond van de koopovereenkomst de verbintenis om de balen kuilgras bij [appellant] op te halen. Deze verbintenis is hij nagekomen. De koopovereenkomst is ontbonden. Dit brengt mee dat de ontvangen prestaties ongedaan moeten worden gemaakt. De prestatie van het ophalen kan naar haar aard niet ongedaan worden gemaakt, zodat daarvoor in de plaats treedt het vergoeden van de kosten van het ophalen. Bij conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie in eerste aanleg heeft [geintimeerde] een factuur van 17 mei 2016 overgelegd van [fouragehandel] ten bedrage van € 798,60 inclusief btw (productie 12). Niet ter discussie staat dat dit bedrijf het vervoer van [appellant] naar [geintimeerde] heeft verzorgd. Blijkens de factuur heeft deze betrekking op 'transport voordroog' op 14 mei 2016, dus op transport van gras dat minder droog is dan hooi. Op 14 mei 2016 heeft het onderhavige transport plaatsgevonden. In het licht hiervan is het verweer van [appellant] dat de factuur 'uiterst vaag' is en dat niet duidelijk is waarop deze betrekking heeft, onvoldoende onderbouwd. Waarom in dit verband transportbonnen en weegbonnen nodig zijn, heeft [appellant] niet voldoende toegelicht. Ook voor het overige is zijn verweer onvoldoende om eraan te doen twijfelen dat de factuur betrekking heeft op de kosten die zijn gemaakt voor het vervoer van de balen. De in hoger beroep vermeerderde vordering is dus in hoofdsom toewijsbaar.

9.5.

[geintimeerde] heeft de wettelijke rente over de vervoerskosten gevorderd 'vanaf de dag der verzuim, zijnde de dag der betaling respectievelijk de dag van ontbinding van de koopovereenkomst tussen partijen, althans vanaf de dag der instellen van de onderhavige reconventionele vordering tot aan de dag der algehele voldoening'. [appellant] heeft op dit punt geen specifiek verweer gevoerd. Wat de dag van betaling is, heeft [geintimeerde] niet vermeld. Wel staat vast dat de koopovereenkomst op 1 december 2016 is ontbonden, nu beide partijen geen bezwaar hebben gemaakt tegen de vaststelling hiervan in het bestreden eindvonnis onder 5.3 (onder 6.). Het hof zal de wettelijke rente toewijzen met ingang van die dag.

9.6.

Grief 2 heeft betrekking op de dwangsom. [geintimeerde] stelt dat de kosten van het verwijderen en vernietigen van het kuilgras volgens offerte van loonwerker [loonwerker]

€ 9.500,00 exclusief btw bedragen, zodat een dwangsom die is beperkt tot maximaal

€ 7.500,00 voor [appellant] een onvoldoende prikkel oplevert om de balen op te halen.

[appellant] heeft hiertegen ingebracht dat de hoogte van de kosten onvoldoende is aangetoond en dat een dwangsom en een veroordeling van [appellant] tot het betalen van deze kosten niet samengaan.

9.7.

Het hof stelt voorop dat het gaat om het vaststellen van een dwangsom, waarvan aannemelijk is dat die een voldoende prikkel voor [appellant] vormt om zelf het kuilgras te verwijderen en dit niet aan [geintimeerde] over te laten. Het is hiervoor niet nodig om nauwkeurig te bepalen welke kosten [geintimeerde] voor het verwijderen en vernietigen moet maken, indien [appellant] niet doet waartoe hij verplicht is. Er is ook geen reden om te oordelen dat een dwangsom niet kan samengaan met een veroordeling van [geintimeerde] om de kosten van het verwijderen en vernietigen te betalen. De dwangsom is immers alleen bedoeld om [appellant] ertoe aan te zetten zijn verplichting tot het verwijderen van het kuilgras na te komen, en deze heeft dus geen betrekking op kosten die [geintimeerde] moet maken indien [appellant] die verplichting niet nakomt. Bovendien kan [appellant] voorkomen dat hij de dwangsom en de kosten aan [geintimeerde] moet betalen door zijn verplichting tot het verwijderen van het kuilgras na te komen.

9.8.

Wat betreft de hoogte van de dwangsom neemt het hof in aanmerking dat [appellant] niet heeft aangevoerd dat hij de balen onverwijld zal ophalen, indien hij daartoe volgens het hof is gehouden. Uit zijn verweer blijkt evenmin dat de opgelegde dwangsom voor hem een voldoende prikkel vormt om de balen op te halen. [appellant] gaat in wezen alleen maar in op de vraag of de kosten inderdaad zijn zoals [loonwerker] die heeft opgegeven. Onder deze omstandigheden ziet het hof aanleiding om het maximum van de dwangsom vast te stellen op het bedrag dat [geintimeerde] heeft verzocht, namelijk € 10.000,00. Het hof ziet onvoldoende reden om de dwangsom per dag te verhogen. [geintimeerde] heeft immers alleen de zorg naar voren gebracht dat het maximum onvoldoende is om [appellant] te bewegen de balen op te halen.

9.9.

Grief 2 slaagt dus gedeeltelijk, namelijk wat betreft de hoogte van het maximum van de dwangsommen die [appellant] kan verbeuren.

9.10.

Met grief 3 beoogt [geintimeerde] alsnog een veroordeling van [appellant] te verkrijgen tot het betalen van de kosten van het verwijderen en vernietigen van het kuilgras, voor het geval [appellant] daartoe niet overgaat. [geintimeerde] verwijst in dit verband naar art. 3:299 lid 3 BW.

9.11.

Art. 3:299 BW luidt, voor zover hier van belang:

1. Wanneer iemand niet verricht waartoe hij is gehouden, kan de rechter hem jegens wie de verplichting bestaat, op diens vordering machtigen om zelf datgene te bewerken waartoe nakoming zou hebben geleid.

(…)

3. De kosten die noodzakelijk zijn voor de uitvoering der machtiging, komen ten laste van hem die zijn verplichting niet is nagekomen. De uitspraak waarbij de machtiging wordt verleend, kan tevens de voldoening van deze kosten op vertoon van de daartoe nodige, in de uitspraak te vermelden bescheiden gelasten.

9.12.

De kantonrechter heeft [geintimeerde] gemachtigd om het kuilgras zelf te verwijderen en te vernietigen, voor het geval [appellant] na verbeurte van het maximum aan dwangsommen nalatig blijft aan de veroordeling tot verwijdering te voldoen. Het gaat dus alleen nog om de vraag of [appellant] tevens moet worden veroordeeld om de kosten te betalen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de machtiging, zoals bedoeld in art. 3:299 lid 3 BW. Uit deze bepaling volgt dat de uitspraak waarbij de machtiging wordt verleend, tevens een dergelijke veroordeling kan inhouden. Dat er geen ambtelijk tarief voor de noodzakelijke kosten is, staat hieraan niet in de weg. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat de kosten niet vooraf te bepalen zijn. De kosten kunnen worden bepaald aan de hand van de nodige, in de uitspraak te vermelden bescheiden. Dat dit kan leiden tot een geschil bij het ten uitvoer leggen van een dergelijke veroordeling is waar, maar dit is onvoldoende reden om de vordering af te wijzen. Een geschil over de kosten kan ook ontstaan zonder een dergelijke veroordeling. Het hof ziet ook verder geen reden om de vordering van [geintimeerde] op dit punt af te wijzen. Het hof zal bepalen dat [appellant] de kosten moet betalen op vertoon van een of meer gespecificeerde facturen, waaruit blijkt welke kosten zijn gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op het verwijderen en vernietigen van het kuilgras.

9.13.

De conclusie is dat grief 3 slaagt.

10 Slotsom en proceskosten

10.1.

Het principaal hoger beroep leidt niet tot vernietiging van het bestreden eindvonnis. Het incidenteel hoger beroep brengt mee dat dit eindvonnis moet worden vernietigd, voor zover in reconventie gewezen wat betreft de veroordeling van [appellant] tot het verwijderen van het kuilgras en het afwijzen van het meer of anders gevorderde, maar alleen ten aanzien van:

- het maximum van de dwangsommen die [appellant] kan verbeuren;

- het afwijzen van de gevorderde veroordeling van [appellant] om de kosten te betalen die zijn verbonden aan het uitvoeren van de machtiging van [geintimeerde] om zelf het kuilgras te verwijderen en vernietigen.

Daarnaast moet de in hoger beroep vermeerderde eis van [geintimeerde] worden toegewezen, zoals hierna in 11.3 wordt vermeld.

10.2.

Het hof heeft [appellant] in principaal hoger beroep in het ongelijk gesteld en in incidenteel hoger beroep grotendeels in het ongelijk gesteld. De proceskosten in zowel principaal als incidenteel hoger beroep komen om die reden ten laste van [appellant] .

10.3.

Het hof stelt de proceskosten tot heden aan de zijde van [geintimeerde] als volgt vast:

- griffierecht € 741,00

- salaris advocaat in principaal hoger beroep € 759,00 (tarief I, 1 punt)

- salaris advocaat in incidenteel hoger beroep € 379,50 (tarief I x 0,5, 1 punt)

totaal € 1.879,50

10.4.

Uit de conclusie in de memorie van antwoord in principaal hoger beroep en van eis in incidenteel hoger beroep maakt het hof op dat [geintimeerde] ook een veroordeling in de nakosten verlangt, omdat hij daarover de wettelijke rente vordert. De nakosten stelt het hof vast, zoals hierna in de uitspraak wordt vermeld.

11 De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

11.1.

bekrachtigt het bestreden eindvonnis, behoudens voor zover in reconventie:

- het maximum van de dwangsommen is bepaald op € 7.500,00,

- de veroordeling van [appellant] tot het betalen van de kosten voor het uitvoeren van de machtiging van [geintimeerde] om zelf het kuilgras te verwijderen en vernietigen, is afgewezen;

11.2.

vernietigt het bestreden eindvonnis op die onderdelen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

11.2.1.

bepaalt het maximum van de dwangsommen op € 10.000,00;

11.2.2.

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] om aan [geintimeerde] de kosten te betalen die noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van de machtiging van [geintimeerde] tot het verwijderen en vernietigen van de resterende balen kuilgras die zich bevinden op het bedrijf van [geintimeerde] aan de [adres] te [plaats] , binnen acht dagen na ontvangst van een of meer gespecificeerde facturen waaruit blijkt welke kosten zijn gemaakt en dat deze kosten betrekking hebben op het verwijderen en vernietigen van de bedoelde balen kuilgras;

11.3.

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] om € 798,60 aan [geintimeerde] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf

1 december 2016 tot de dag van betaling;

11.4.

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geintimeerde] vastgesteld op:

- € 1.879,50,00 tot heden,

- € 246,00 aan nasalaris advocaat,

beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na heden tot de dag van betaling,

- € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten bij betekening van het vonnis,

te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na de dag van betekening tot de dag van betaling.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Los en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2020.

griffier rolraadsheer