Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2760

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
200.256.546_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buren. Bomen? Parkeren? Ledlampje van oplaadpaal?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.256.546/01

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. M. Woestenenk te Nieuwerkerk aan de IJssel, gemeente Zuidplas,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. W.P.G. Verstappen te Eindhoven,

als vervolg op het tussenarrest van dit hof van 7 mei 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch onder zaaknummer/rolnummer zaak-/rolnummer 6549671 \ CV EXPL 17-9231 tussen partijen gewezen vonnis van 18 oktober 2018.

5 Het verdere procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    voormeld tussenarrest;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 12 augustus 2019;

  • -

    de memorie van grieven, met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, met producties;

  • -

    de akte van [appellante] van 18 februari 2020, met producties;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde] van 14 april 2020.

Het hof heeft een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De nadere beoordeling

6.1.

Het hof heeft in het tussenarrest een comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft niet tot een minnelijke regeling geleid.

6.2.

Tussen partijen staat, voor zover nog relevant in hoger beroep, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken het volgende vast.

  1. [appellante] woont vanaf 2011 aan de [adres 1] te [plaatsnaam] en is eigenares van dat perceel.

  2. [geïntimeerde] woont vanaf 2002 aan de [adres 2] te [plaatsnaam] en is eigenaar van dat perceel.

  3. De percelen van partijen liggen aan het einde van de straat [straatnaam 1] tegenover elkaar. De straat is enkel bestemd voor woonverkeer. De straat loopt voor autoverkeer dood ter hoogte van de percelen van partijen. De percelen van partijen komen daar bij elkaar, zij het dat tussen de percelen een openbaar toegankelijk pad van een kleine 2 meter breed loopt van en naar de [straatnaam 2] . De opritten van de percelen van partijen bevinden zich aan de straat; aan weerszijden van het pad bevinden zich de tuinen van de percelen van partijen.

  4. Op het perceel van [geïntimeerde] , naast het pad, staan een [boom 1] en een [boom 2] (eerder door partijen een [boom 3] genoemd) (hierna: “de bomen”).

  5. [appellante] heeft een kleine [kleur] auto, merk [merk] . Zij parkeert deze auto doorgaans op de oprit op haar perceel, het liefst met de neus van de auto naar de straat. [appellante] heeft een medische aandoening; in geschil is hoe ernstig deze is en of en in hoeverre deze haar belemmert bij het parkeren van haar auto.

  6. [geïntimeerde] (dan wel zijn partner) heeft een grote [kleur] auto, merk [merk] , en een [kleur] [type] , merk [merk] . Deze auto’s staan vaak achter elkaar geparkeerd, tegenover de oprit van [appellante] en voor het huis van [geïntimeerde] , met de deur aan de bestuurderszijde richting de straat en de deur aan de passagierszijde richting het huis van [geïntimeerde] .

  7. [geïntimeerde] heeft voor zijn huis een oplaadpaal voor zijn [auto] neergezet. Hij gebruikt deze paal regelmatig (een paar keer in de week) om de [auto] op te laden. De paal is voorzien van een led-lampje. Dit lampje brandt regelmatig, als de paal wordt gebruikt, en straalt dan licht uit richting de straat en het huis van [appellante] .

6.2.

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen om, binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, de over de grens van zijn perceel en over het perceel van [appellante] hangende begroeiing, terug te snoeien en teruggesnoeid te houden. [appellante] heeft gevorderd, na vermeerdering van eis, [geïntimeerde] tevens te veroordelen tot het beperken van de overlast als gevolg van geparkeerde auto’s en het tot een minimum beperken van de hinder als gevolg van het licht uit de laadpaal, dit alles op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,00 per dag dat [geïntimeerde] hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 10.000,00. Verder heeft [appellante] betaling van € 150,00 aan buitengerechtelijke kosten en veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure gevorderd.

[appellante] heeft hieraan, kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[appellante] ondervindt al lange tijd overlast door begroeiing op het perceel van [geïntimeerde] , die – over het openbare pad en vervolgens – over haar perceel hangt. Ondanks meerdere verzoeken weigert [geïntimeerde] het overhangend groen terug te snoeien. Op grond van artikel 5:44 BW kan van overhangende takken te allen tijde verwijdering worden gevorderd. Hoewel niet is vereist dat hinder wordt vastgesteld, ondervindt [appellante] wel hinder doordat dode takken, blad en kastanjes in haar tuin vallen, en overlast en mogelijk schade veroorzaken, en doordat de bomen veel (zon)licht wegnemen. Er zijn geen omstandigheden die maken dat verwijdering niet van [geïntimeerde] verlangd kan worden. [appellante] legt aan haar vordering wat betreft de auto’s en het ledlampje ten grondslag dat [geïntimeerde] hinder veroorzaakt en onrechtmatig handelt.

6.3.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, zakelijk weergegeven, het volgende verweer gevoerd.

De bomen staan sinds medio jaren ’70 op het perceel van [geïntimeerde] , zodat geen verwijdering kan worden gevorderd. Enerzijds is deze vordering verjaard en anderzijds zijn erfdienstbaarheden ontstaan.

[geïntimeerde] betwist voorts op enige wijze onrechtmatig te hebben gehandeld. De bomen worden regelmatig door een hovenier onderhouden en ook gesnoeid. [geïntimeerde] betwist dat sprake is van hinder, laat staan van onrechtmatige hinder. Het verder of vaker terugsnoeien van de bomen is bovendien boomtechnisch niet verantwoord en zal ertoe leiden dat de gezondheid en de uiterlijke verschijningsvorm ernstig worden aangetast. Daar komt bij dat [appellante] en [geïntimeerde] in een boomrijke (groene) wijk wonen. De bomen in kwestie waren daar ook al geruime tijd aanwezig toen [appellante] haar perceel kocht. [appellante] heeft zodoende een zekere mate van hinder te dulden. Overigens heeft [appellante] in omvang een aanzienlijke tuin.

Daarnaast ontbreekt het ook de vermeerdering van eis aan enige juridische grondslag.

[appellante] heeft geen recht en belang bij deze vorderingen en dient dus niet ontvankelijk te worden verklaard. Subsidiair is sprake van misbruik van recht, aldus [geïntimeerde] . De eisen van redelijkheid en billijkheid verzetten zich tegen toewijzing, althans leiden ertoe dat [appellante] de geparkeerde auto’s en ledverlichting heeft te dulden.

[geïntimeerde] concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

6.4.

De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen afgewezen en [appellante] veroordeeld in de kosten van het geding.

6.5.

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en haar eis gewijzigd. De grieven betreffen de bomen, de auto’s en het ledlampje. [appellante] vordert thans een bevel dat ertoe strekt:

A. de bomen

A-1 primair: te snoeien en jaarlijks gesnoeid te houden van takken, met een dwangsom;

A-2 subsidiair: te snoeien en jaarlijks gesnoeid te houden van beplanting, met een dwangsom;

A-3 meer subsidiair: gedurende 30 jaar, zolang [appellante] er woont en de bomen er staan, twee keer per jaar bladafval bij [appellante] op te ruimen, met een dwangsom;

B. de hinder als gevolg van de geparkeerde auto’s te staken en gestaakt te houden, door middel van het vrijhouden van de openbare weg tegenover de oprit van [appellante] , voor het gedeelte tussen het begin van het pad naar de singel enerzijds en het muurtje bij de voordeur van [geïntimeerde] anderzijds of een andere voorziening in goede justitie, met een dwangsom;

C. de hinder als gevolg van het licht van de laadpaal voor het opladen van de [auto] te staken en gestaakt te houden, door middel van het geheel of gedeeltelijk afgedekt houden van de desbetreffende laadpaal met een niet-lichtdoorlatend materiaal, of een andere voorziening in goede justitie, met een dwangsom.

[appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van haar vermeerderde eis.

6.6.

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis.

6.7.

Het hof overweegt wat betreft het hoger beroep en de omvang daarvan het volgende.

[geïntimeerde] heeft geen (onderbouwd) bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellante] . Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

[appellante] heeft geen (voldoende kenbare) grief gericht tegen de beslissing van de kantonrechter om haar vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af te wijzen. Deze vordering is dan ook niet aan de orde in hoger beroep. De algemene vordering in de appeldagvaarding (dat de afgewezen vorderingen alsnog moeten worden toegewezen) is onvoldoende voor een ander oordeel.

[appellante] heeft haar vorderingen op het punt van dwangsommen wel herhaald in haar memorie van grieven (en impliciet in haar grieven toegelicht). Dit levert naar het oordeel van het hof een voldoende kenbare grief op. De vorderingen op dit punt zijn in hoger beroep aan de orde.

[geïntimeerde] heeft bezwaar gemaakt tegen de laatste akte van [appellante] en het hof verzocht die akte geheel buiten beschouwing te laten. [geïntimeerde] beroept zich op de twee-conclusieregel. Het hof verwerpt dit bezwaar. [appellante] heeft in die akte een korte reactie gegeven op de memorie van antwoord en de daarbij overgelegde producties. De inhoud ervan ligt in het verlengde van de door partijen omlijnde rechtsstrijd in hoger beroep en bevat geen nieuwe grieven. Dit is niet ontoelaatbaar. Het hof neemt de laatste akte van [appellante] dan ook mee bij de beoordeling.

6.8.

Het hof stelt vast dat de grieven de volgende onderwerpen betreffen:
- grief 1: de bomen;
- grief 2: de auto’s;
- grief 3: het ledlampje.

6.9.

Het hof beoordeelt eerst de kwestie van de bomen. [appellante] heeft op dit punt naar het oordeel van het hof het gelijk aan haar zijde. Indien takken overhangen, mag zij verwijdering vorderen (art. 5:44 BW). De omstandigheid dat grote bomen zich bevinden in of vlakbij de grote tuin van [appellante] , of dat de buurt een boomrijke omgeving zou zijn zoals [geïntimeerde] stelt, brengt niet mee dat [appellante] haar bevoegdheid (art. 5:44 BW) misbruikt. [geïntimeerde] heeft ook voor het overige niets gesteld waaruit volgt dat misbruik van bevoegdheid aan de orde is. [appellante] heeft voldoende belang bij haar vordering omdat niet in geschil is dat takken in het recente verleden hebben overgehangen en niet onverwijld zijn gesnoeid. De vraag of [geïntimeerde] nu (in de afgelopen periode) het snoeien tijdig bijhoudt (zoals hij aanvoert), maakt dit niet anders.

6.10.

De opmerkingen van [geïntimeerde] over de gezondheid van de bomen zijn onvoldoende onderbouwd, voor zover deze opmerkingen takken betreffen die over de erfgrens van [appellante] hangen. Uit de overgelegde foto’s blijkt dat slechts een (zeer) beperkt deel van de takken over de erfgrens van [appellante] hangen. Daar gaat [geïntimeerde] ook van uit (antwoord eerste aanleg, 29, antwoord hoger beroep, 26). [geïntimeerde] heeft niet voldoende onderbouwd (antwoord hoger beroep, productie 7) dat en waarom het voor de bomen schadelijk is als dit (zeer) beperkte deel regelmatig wordt gesnoeid. Het gaat [geïntimeerde] kennelijk om “verder terugsnoeien” (boven het pad), maar dat is niet aan de orde (zie 6.11 hierna).

6.11.

Het hof merkt voor de duidelijkheid op dat het gaat om takken die over de erfgrens van [appellante] overhangen, niet om takken die over de erfgrens van [geïntimeerde] hangen. Voor zover takken over de erfgrens van [geïntimeerde] hangen en zich bevinden boven het pad, hangen zij boven de grond van de gemeente en is het aan de gemeente om erover te beslissen (art. 5:44 BW).

Het hof verwerpt het standpunt van [appellante] dat [geïntimeerde] jegens haar onrechtmatig handelt, door het onthouden van licht of lucht of door het verspreiden van bladafval of kastanjes, voor zover hij de takken over het pad laat hangen. [appellante] heeft dit standpunt niet voldoende onderbouwd aan de hand van concrete feiten over haar perceel, haar tuin en haar nadeel door de overhangende takken: hoeveel nadeel (afval) moet zij opruimen, gedurende welke periodes in het jaar; hoeveel licht en lucht wordt ontnomen en waarom is dit schadelijk, enz. [appellante] wijst op haar beukenhaag, maar de kantonrechter heeft ter plaatse geconstateerd (vonnis, 4.5) dat de beukenhaag is dichtgegroeid. [appellante] heeft daar geen concrete feiten tegen ingebracht. De door haar overgelegde foto’s (productie 5 bij grieven) zijn niet voldoende duidelijk. [appellante] kan verder, indien zij meer privacy wil, in plaats van een beukenhaag ook kiezen voor een schutting (van hout of staal). [appellante] heeft niet voldoende onderbouwd waarom het belang van de bomen zou moeten wijken voor het belang van de beukenhaag, voor zover de takken van de bomen over het pad hangen.

6.12.

Het hof verwerpt enkele overige standpunten van [geïntimeerde] :

- Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] dat de rechtsvordering van [appellante] zou zijn verjaard. Het gaat er niet om hoe lang de bomen er staan. Doorslaggevend is dat de takken overhangen. Niet gesteld is dat de takken al heel erg lang overhangen.

- Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] dat een erfdienstbaarheid zou zijn ontstaan. Dit standpunt is in het geheel niet toegelicht aan de hand van concrete feiten die het standpunt kunnen dragen.

- Het hof verwerpt ook het standpunt van [geïntimeerde] dat de vordering bij gebreke van een bepaalde ernst van de hinder moet worden afgewezen. De mate van de hinder doet niet ter zake; niets is gesteld waaruit volgt dat misbruik van bevoegdheid aan de orde is.

- Het hof verwerpt het standpunt van [geïntimeerde] dat het beroep van [appellante] op art. 5:44 BW, voor zover het gaat om takken die boven haar perceel hangen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

6.13.

Het hof zal de vermeerderde primaire vordering in hoger beroep (A-1) toewijzen. Grief 1 slaagt. Het hof merkt daarbij op dat hij het woord “jaarlijks” in de vordering A-1 verstaat als “gedurende het gehele jaar”. Het hof geeft [geïntimeerde] daarom in overweging tijdig te snoeien en wel zodanig dat de takken enige tijd (tot de volgende snoeibeurt) kunnen doorgroeien zonder over de erfgrens van [appellante] heen te hangen. [geïntimeerde] meent dat slechts om het jaar (eens in de twee jaar) mag worden gesnoeid, maar als dit al betrekking heeft op de takken die over het perceel van [appellante] hangen, is het niet voldoende onderbouwd (zie 6.10 slot hiervoor).

6.14.

Het hof beoordeelt vervolgens de kwestie van de auto’s. Deze kwestie spitst zich in de kern toe op de vraag waar [geïntimeerde] de auto’s mag parkeren. De huidige situatie is dat de auto’s op een smalle strook direct voor het huis van [geïntimeerde] , en links van en direct tegenover de oprit van [appellante] , staan. [geïntimeerde] wil dat zo houden. [appellante] ziet het anders. Zij vindt dat [geïntimeerde] de auto’s op een plek een korte afstand naar achteren (verder van de singel af) moet parkeren. De auto’s staan dan nog steeds op de smalle strook voor het perceel van [geïntimeerde] , maar zij steken dan ongeveer een meter uit voorbij de gevel van [geïntimeerde] (rechts van de gevel, bezien vanaf de oprit van [appellante] ) en staan voor zijn zijtuin. [appellante] vindt dit nodig omdat zij dan, bij het benaderen van de huizen, een bocht naar rechts kan maken en vervolgens gemakkelijk achteruit haar oprit kan oprijden. Als de auto’s verder voren naar staan, zoals nu, moet zij bij het achteruitrijden een scherpe bocht maken naar haar oprit en dat is erg lastig omdat zij een medische aandoening heeft, aldus [appellante] . Zij voegt daaraan toe dat achteruitrijden noodzakelijk is omdat zij anders, bij het wegrijden vanaf haar oprit, het verkeer dat eventueel aankomt niet goed genoeg kan zien. [geïntimeerde] keurt de oplossing van [appellante] af omdat de auto’s, als zij voor zijn zijtuin staan, dichtbij de oprit van de buren (nr. 7) staan.

6.15.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] zijn overbuurvrouw op dit punt tegemoet moet komen. Wat [appellante] vraagt, is een zeer geringe beperking van de vrijheid van [geïntimeerde] en levert nagenoeg geen ongemak op. Niets is aangevoerd waaruit volgt dat de buren van nr. [huisnummer] (kenbaar hebben gemaakt dat zij in enige reële mate) last hebben van de oplossing waar [appellante] voor pleit. Daartegenover staat dat [appellante] in elk geval een fysieke beperking heeft. [geïntimeerde] heeft de aard, omvang en ernst daarvan uitgebreid betwist, maar onvoldoende weersproken is dat sprake is van een beperking. [appellante] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat haar oplossing het voor haar een stuk eenvoudiger en gemakkelijker zal maken om haar auto op haar oprit te parkeren en ook om veilig weg te rijden. [geïntimeerde] meent dat hij niet anders kan parkeren “mede gezien” de laadpaal “die niet op een andere positie geplaatst kan worden”, maar hij heeft dit standpunt niet concreet onderbouwd. Bij deze stand van zaken volgt uit fundamentele beginselen van goed nabuurschap, en de maatschappelijke betamelijkheid, dat [geïntimeerde] zich opstelt als goed buurman en zijn auto’s een stukje naar achteren parkeert (verder van de singel af), zoals [appellante] verlangt. Het beroep van [appellante] op haar vordering is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zoals [geïntimeerde] beweert. Het hof zal de vordering onder B toewijzen. Grief 2 slaagt.

6.16.

Bij deze stand van zaken kan de vraag onbesproken blijven of de auto’s voor het huis van [geïntimeerde] mogen worden geparkeerd (met andere woorden: of de smalle strook grijze stenen voor dat huis een parkeerplaats is).

6.17.

Het hof beoordeelt tot slot de kwestie van het ledlampje. Ook hier heeft [appellante] naar het oordeel van het hof het gelijk aan haar zijde. [geïntimeerde] heeft de keuze gemaakt een laadpaal voor zijn huis neer te zetten. Hij moet er dan ook als goed buurman voor zorgen dat geen (fel) (blauw of groen of rood) led-licht uitstraalt in de richting van het huis van zijn overbuurvrouw [appellante] . Dit geldt ook indien het licht alleen uitstraalt op bepaalde tijdstippen (opladen, in de nacht, twee keer in de week), en indien de laadpaal achter de geparkeerde [auto] staat waardoor het ledlampje voor [appellante] (vanuit haar huis) niet direct zichtbaar is, zoals [geïntimeerde] beweert. Ook als [geïntimeerde] op deze punten gelijk heeft, laat dat onverlet dat het ledlampje licht uitstraalt in de richting van het perceel van [appellante] . Dat levert gelet op de intensiteit van de led-verlichting van de laadpaal al een ongeoorloofde mate van hinder op. Daar komt nog bij dat de [auto] niet altijd exact op dezelfde plek geparkeerd zal staan en dat de [auto] , zoals het hof hiervoor heeft overwogen, zal moeten opschuiven.

6.18.

Het hof merkt ook op dat de maatregel waar het [appellante] om gaat, zonder enige twijfel eenvoudig en goedkoop is. [appellante] merkt op dat [geïntimeerde] , nadat de kantonrechter vonnis had gewezen, een sticker heeft geplakt op het ledlampje, zoals [appellante] zelf had voorgesteld (grieven, 4.3.6). Het hof gaat er evenals [appellante] van uit dat deze maatregel voldoende is. [appellante] heeft voldoende belang bij de vordering op dit punt omdat [geïntimeerde] ook in hoger beroep uitgebreid verweer heeft gevoerd. [geïntimeerde] klaagt dat hij nu het ledlampje met zijn hand moet afschermen om te zien of de auto is opgeladen. Het hof verwerpt dit bezwaar; als dit al zo is, dan hoort dat zeer geringe ongemak onder deze omstandigheden bij de keuze voor een elektrische auto en de keuze van de positionering van de paal met het led-licht naar de straatzijde gericht. Het beroep van [appellante] op haar vordering is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zoals [geïntimeerde] beweert. Het hof zal de vordering onder C toewijzen. Grief 3 slaagt.

6.19.

De conclusie van het voorgaande is dat de grieven slagen. Het bestreden vonnis moet worden vernietigd. De vorderingen moeten worden toegewezen als na te melden (A-1, B en C). Het hof ziet geen aanleiding een dwangsom te verbinden aan de veroordelingen. [geïntimeerde] heeft wat betreft de bomen duidelijk gemaakt dat hij zijn verantwoordelijkheid zal nemen. Het hof gaat er verder wat betreft de auto’s en het ledlampje van uit dat partijen zich opstellen als goede buren en dat [geïntimeerde] de veroordelingen correct uitvoert. [appellante] kan indien nodig (in kort geding) alsnog een dwangsom vorderen. Het hof wijst er tot slot op dat ook [appellante] haar verantwoordelijkheid moet nemen: zij mag haar auto niet (op hinderlijke wijze) midden op straat laten staan en zij mag de buren niet besproeien. Het hof laat in het midden of en in hoeverre soortgelijke gebeurtenissen zich hebben voorgedaan, maar wenst nog eens te benadrukken dat beide buren zich goed moeten gedragen.

6.20.

[geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in beide instanties worden veroordeeld.

7 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis;

en opnieuw rechtdoende

veroordeelt [geïntimeerde] over te gaan tot het snoeien en het jaarlijks (gedurende het gehele jaar) gesnoeid houden van de takken die over de erfgrens van [appellante] heen hangen bij het looppad dat de scheiding vormt met (de zuidzijde van) het perceel van [appellante] , daaronder in het bijzonder begrepen de bomen;

veroordeelt [geïntimeerde] de hinder als gevolg van geparkeerde auto’s te staken en gestaakt te houden, door middel van het vrijhouden van de openbare weg tegenover de oprit van [appellante] , voor het gedeelte tussen het begin van het pad naar de singel enerzijds en het muurtje bij de voordeur van [geïntimeerde] anderzijds;

veroordeelt [geïntimeerde] de hinder die [appellante] ondervindt van het licht van de laadpaal voor het opladen van de [auto] te staken en gestaakt te houden, door middel van het geheel of gedeeltelijk afgedekt houden van de desbetreffende laadpaal met een niet-lichtdoorlatend materiaal;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [appellante] op € 97,31 aan dagvaardingskosten, op € 79,00 aan griffierecht en op € 120,00 aan salaris advocaat in eerste aanleg en op € 101,06 aan dagvaardingskosten, op € 324,00 aan griffierecht en op € 1.611,00 aan salaris advocaat voor het hoger beroep;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.S. Frakes, P.W.A. van Geloven en G.J.S. Bouwens en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2020.

griffier rolraadsheer