Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2759

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
09-09-2020
Zaaknummer
200.256.132_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appel van tussenvonnis van de kantonrechter. Het hof vernietigt en wijst terug ter afdoening met inachtneming van 's hofs arrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.256.132

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

handelend onder de naam [onderneming] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg gedaagde, eiser in reconventie,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. L. Opsteen te Uden,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg eiser, verweerder in reconventie,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. L.M. Dressel te Best,

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 14 mei 2019, waarin is vastgesteld dat [appellant] ontvankelijk is in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 13 december 2018 nu is gebleken dat de kantonrechter tegen dat vonnis hoger beroep heeft opengesteld bij het tussenvonnis van 21 maart 2019. Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld:

- de memorie van grieven, met producties,

- de memorie van antwoord.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

2.2

Tussen partijen heeft een huurovereenkomst bestaan met betrekking tot de woning

aan de [adres] te [plaats] .

2.3

Medio augustus 2015 heeft [appellant] de inboedel van [geïntimeerde] uit de woning

verwijderd, nadat [geïntimeerde] nalatig bleef de huurpenningen over de maand juni 2015 bij vooruitbetaling te voldoen. Daarbij is schade ontstaan aan de inboedelgoederen van [geïntimeerde] .

2.4

[geïntimeerde] heeft [appellant] op 13 april 2016 gedagvaard. Daarin vorderde hij, kort gezegd, een verklaring voor recht dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de verwijdering van de inboedelgoederen van [geïntimeerde] uit het gehuurde, vergoeding van de dientengevolge geleden schade en terugbetaling van de waarborgsom. Als productie 4 bij de inleidende dagvaarding was gevoegd een 'overzicht van de getroffen boedel', dat sluit op een bedrag van € 66.350. Bij vonnis van 28 juli 2016 heeft de kantonrechter - kort weergegeven - voor recht verklaard dat [appellant] aansprakelijk is voor de schade die [geïntimeerde] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de onrechtmatige daad die [appellant] heeft begaan. Voorts is [appellant] veroordeeld tot betaling van de schade nader op te maken bij staat.

2.5

[appellant] heeft hoger beroep ingesteld van voornoemd vonnis. In de procedure in

hoger beroep hebben partijen op 13 januari 2017 ten overstaan van de raadsheer-commissaris een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Partijen zijn onder meer overeengekomen, dat zij zich neerleggen bij het vonnis van de kantonrechter van 28 juli 2016, dat zij in overleg zullen treden teneinde de door [geïntimeerde] geleden schade te begroten en dat de nog bij [appellant] in bezit zijnde sieraden van [geïntimeerde] op l0 januari 2017 zullen worden afgegeven aan de raadsvrouwe van [appellant] waarna [geïntimeerde] deze kan ophalen. Voorts zijn zij overeengekomen dat een door [geïntimeerde] ter zake achterstallige huur verschuldigd bedrag van € 1.137,90 zal worden verrekend met de door [appellant] aan [geïntimeerde] te vergoeden schade. Het overeengekomen overleg over de schade heeft niet tot resultaat geleid.

2.6

[geïntimeerde] heeft vervolgens [appellant] op 31 oktober 2017 gedagvaard tot vergoeding van zijn schade. In die schadestaatprocedure heeft de kantonrechter in rov. 2.5 van het bestreden tussenvonnis van 13 december 2018 als volgt geoordeeld:

"De kantonrechter oordeelt als volgt.

Zowel in de dagvaardingsprocedure waarin op 28 juli 2016 vonnis is gewezen door de

destijds behandelend kantonrechter, als in de hoger-beroep-procedure, waarin door partijen

een vaststellingsovereenkomst is gesloten, is de inboedellijst door [geïntimeerde] als

leidraad voor zijn gestelde schade in het geding gebracht.

In de dagvaardingsprocedure heeft [appellant] de inboedellijst niet weersproken, doordat hij

geen conclusie van antwoord heeft ingediend. In de hoger-beroep-procedure zijn partijen

overeengekomen dat zij in overleg zullen treden om de geleden schade te begroten.

Omdat [appellant] degene is geweest die onrechtmatig heeft gehandeld door de inboedel uit

het gehuurde te verwijderen, had het op zijn weg gelegen om -gelet op de gemotiveerde

betwisting van [geïntimeerde] - concreet aan te geven welke goederen volgens hem door

[geïntimeerde] en/of door diens ex-vrouw zouden zijn opgehaald. Dat heeft [appellant] niet

gedaan; hij heeft volstaan met de mededeling dat er al "spullen" zouden zijn opgehaald

zonder aan te geven wat voor zaken dat waren. Om die reden zal de inboedellijst tot

uitgangspunt worden genomen voor het te gelasten deskundigenbericht. Bij het bepalen van

de waarde van de op de lijst staande zaken geldt verder als uitgangspunt dat deze zaken,

zoals door [geïntimeerde] ter comparitie is gesteld en door [appellant] niet is weersproken,

drie jaar oud zijn. De inboedellijst is aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit."

en heeft vervolgens beslist dat een deskundige zal worden benoemd ter begroting van de schade en partijen in de gelegenheid gesteld om bij akte zich uit te laten over de aangekondigde benoeming van een deskundige.

3 De vorderingen in hoger beroep

[geïntimeerde] vordert dat het hof rov. 2.5 van het bestreden vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, kort weergegeven:

• zal oordelen dat [appellant] de inboedellijst wel degelijk en op concrete wijze heeft weersproken;

• zal oordelen dat bij het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht de volledige

inboedellijst met alle daarop vermelde zaken daarom niet als uitgangspunt dient te gelden;

• zal oordelen dat [geïntimeerde] niet ter comparitie heeft gesteld dat de zaken op de inboedellijst drie jaar oud waren, en/of zal oordelen dat door [appellant] niet is weersproken dat deze zaken drie jaar oud zijn;

• zal oordelen dat bij het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht niet

als uitgangspunt dient te gelden dat de zaken op die inboedellijst drie jaar oud zijn;

• [geïntimeerde] zal veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de

nakosten.

4 De beoordeling van het hoger beroep

4.1

Deze zaak betreft de vordering van [geïntimeerde] tot vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het feit dat zijn verhuurder, [appellant] , medio augustus 2015 de inboedelgoederen van [geïntimeerde] op straat heeft gezet. De kantonrechter heeft bij vonnis van 28 juli 2016 geoordeeld en beslist dat [appellant] daarmee onrechtmatig heeft gehandeld en hem - voor zover relevant - veroordeeld de als gevolg daarvan door [geïntimeerde] geleden en te lijden schade te vergoeden, op te maken bij staat. In dat vonnis hebben partijen berust en daarmee is de onrechtmatige daad als grondslag voor de aansprakelijkheid van [appellant] gegeven. Daarmee staat weliswaar vast dat [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld door inboedelgoederen van [geïntimeerde] op straat te zetten, maar daarmee is nog niet gezegd, zoals [geïntimeerde] kennelijk meent (memorie van antwoord randnummer 18 e.v.) dat tevens reeds vaststaat uit welke specifieke onderdelen die op straat gezette inboedel nu precies bestond. Dat is nu juist tussen partijen in debat in het kader van de onderhavige schadestaatprocedure: de omvang van de werkelijk geleden schade - door [geïntimeerde] vooralsnog begroot op € 66.350 - hangt mede af van de vraag welke inboedelgoederen van [geïntimeerde] nu precies door [appellant] onrechtmatig op straat zijn gezet en als gevolg daarvan zijn beschadigd. Het staat [appellant] dus, anders dan [geïntimeerde] meent, geheel vrij om in de onderhavige schadestaatprocedure tegen die inboedellijst verweer te voeren, en dat doet hij ook, zoals hier zal blijken.

4.2

Het hof stelt voorop dat ingevolge het bepaalde in artikel 6:97 BW de rechter de schade begroot op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is en dat, indien de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, zij wordt geschat. [geïntimeerde] vordert materiele schade in verband met de beschadiging van zijn inboedelgoederen. Dat betekent dat hij de door hem gestelde schade ten bedrage van € 66.350 genoegzaam van een onderbouwing zal moeten voorzien en de aanknopingspunten dient te verschaffen om deze zo nauwkeurig mogelijk te kunnen vaststellen, bij gebreke waarvan de schade zal worden geschat. Ter onderbouwing daarvan verwijst hij naar de als productie 4 bij de inleidende dagvaarding van 13 april 2016 en de als productie 2 bij de dagvaarding van 31 oktober 2017 overgelegde lijst van de inboedelgoederen die volgens hem door de onrechtmatige daad van [appellant] zijn beschadigd (hierna: de inboedellijst) en daardoor verloren zijn gegaan, met daarachter vermeld de daaraan door hem toegekende bedragen, sluitend op € 66.350. Voorts is verwezen naar de foto's die als productie 2 zijn gevoegd bij de inleidende dagvaarding van 13 april 2016. De kantonrechter heeft (in rov. 2.5 van het bestreden tussenvonnis) de inboedellijst - zo begrijpt het hof - als door [appellant] onvoldoende weersproken tot uitgangspunt genomen voor het door hem te gelasten deskundigenbericht en heeft verder voor het bepalen van de waarde van de op die lijst voorkomende goederen als eveneens onvoldoende weersproken tot uitgangspunt genomen dat deze goederen drie jaar oud zijn. Daartegen voert [appellant] vier grieven aan die in de kern genomen daarop neerkomen, dat hij wel degelijk gemotiveerd heeft bestreden de juistheid van de inboedellijst en de stelling dat de daarop figurerende inboedel drie jaar oud zou zijn. Volgens [appellant] klopt die inboedellijst niet. Daarop staan volgens hem onder andere zaken die wel degelijk door [geïntimeerde] waren meegenomen, dan wel door zijn kinderen of door zijn ex-echtgenote. Ook staan er zaken op die lijst die eigendom van [appellant] zijn. Ter onderbouwing verwijst [appellant] in de memorie van grieven (randnummer 32) naar de als productie 12 overgelegde stukken ten behoeve van de comparitie na aanbrengen in de eerdere hoger beroepsprocedure, waarvan deel uitmaakt productie 10, de reactie van [appellant] op de inboedellijst. Blijkens dat stuk heeft [appellant] achter iedere post met pen zijn commentaar geschreven, zoals 'niet opgehaald', '(ex)meegenomen' , 'nooit gezien', 'van ons', 'foto' en '?'. Het hof moet vaststellen dat [geïntimeerde] daarop in de memorie van antwoord in het geheel niet heeft gereageerd, hetgeen wel op zijn weg had gelegen nu hij immers een deugdelijke onderbouwing aan de gestelde schade dient te geven. Dit betekent dat bij de vaststelling van de schade in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de inboedellijst inclusief het niet (gemotiveerd) weersproken commentaar daarop door [appellant] . Dan rijst vervolgens de vraag hoe in het kader van die schadebegroting dat commentaar van [appellant] begrepen moet worden. Daarover oordeelt het hof als volgt.

4.3

Ten aanzien van datgene wat als niet bestreden als 'meegenomen' is genoteerd gaat het hof ervan uit dat dit als door [geïntimeerde] (en/of zijn ex-echtgenote of kinderen) meegenomen geldt. Het ligt dan op de weg van [geïntimeerde] om per onderdeel concreet de schade aan die meegenomen inboedelgoederen te onderbouwen. Wat betreft de met 'van ons' aangeduide posten geldt dat daarmee als niet bestreden vast staat dat deze inboedelgoederen niet van [geïntimeerde] , maar kennelijk van [appellant] zijn. In zoverre dient de vordering te worden afgewezen. De met 'nooit gezien' aangeduide posten verlangen een nadere onderbouwing van [geïntimeerde] . Wat betreft de met 'foto' aangeduide inboedelgoederen geldt dat het op de weg van [geïntimeerde] ligt om bij iedere post de foto te zoeken en uitleg te geven. Dat geldt ook voor de met een vraagteken aangeduide posten. Ten slotte wordt door [appellant] betwist dat de inboedelgoederen drie jaar oud zijn. Ook op dit punt zal hij zoveel als mogelijk de overblijvende posten op de inboedellijst van een onderbouwing moeten voorzien. In dat verband zou hij bijvoorbeeld kunnen nagaan of betalingsbewijzen ter zake van bepaalde goederen nog in de elektronische bankadministratie zijn terug te vinden. Mogelijk had [geïntimeerde] een inboedelverzekering aan de hand waarvan de schade kan worden onderbouwd.

4.4

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het hoger beroep slaagt. Bij de begroting van de schade - en dus bij een in dat verband te gelasten deskundigenbericht - dient de inboedellijst inclusief het niet (gemotiveerd) weersproken commentaar daarop door [appellant] tot uitgangspunt te worden genomen, alsmede hetgeen daaromtrent in rov. 4.3 door het hof is beslist. Rov. 2.5 van het bestreden tussenvonnis van de kantonrechter is daarom niet juist, zodat het vonnis niet in stand kan blijven en dient te worden vernietigd. Hoewel terugverwijzen van de zaak ongetwijfeld vertragend werkt, staat daartegenover het belang van beide partijen dat de zaak in twee feitelijke instanties kan dienen. Dat geldt temeer nu het hier het appel van een tussenvonnis betreft en nog de nodige instructie dient plaats te vinden, waaronder een nadere onderbouwing van schadeposten door [geïntimeerde] en een door de kantonrechter aangekondigd deskundigenbericht. Om die redenen ligt in de rede dat het hof de zaak terugverwijst naar de kantonrechter om met inachtneming van 's hofs arrest de zaak verder te beslissen (artikel 356 Rv).

4.5

Als de in het ongelijk gestelde partij dient [geïntimeerde] te worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. Deze kosten bedragen:

- voor vast recht: € 741

- voor salaris advocaat € 1.959 (1 punt tarief IV)

Totaal: € 2.700

5 De uitspraak

Het hof, recht doende in hoger beroep,

vernietigt het tussenvonnis van de kantonrechter in de rechtbank Oost Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 13 december 2018,

verwijst de zaak terug naar de kantonrechter in de rechtbank Oost Brabant, zittingsplaats Eindhoven, van 13 december 2018 om de zaak verder te beslissen met inachtneming van 's hofs arrest,

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [appellant] begroot op € 741 voor verschotten en op € 1.959 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief, alsmede in de nakosten van € 131,00 indien het arrest niet behoeft te worden betekend en een bedrag van € 199,00 indien het arrest wel moet worden betekend,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. van der Pol, O.G.H. Milar en P.M.A. de Groot-van Dijken en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2020.

griffier rolraadsheer