Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2754

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
08-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.213.511_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:6756
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5573
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwijzing vordering wegens wederrechtelijk toe-eigenen paardenvrachtwagen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.213.511/01

arrest van 8 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat: mr. W.J. Nomen te Zoetermeer,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden,

advocaat: mr. S.A. Wensing te Emmen,

als vervolg op de door het hof gewezen tussenarresten van 25 juli 2017 en 25 juni 2019 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West- Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer C/02/294102/HA ZA 15-67 gewezen vonnis van 31 augustus 2016.

8 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenarrest van 25 juni 2019.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

9 De verdere beoordeling

9.1.

Bij genoemd tussenarrest heeft het hof geoordeeld:

  • -

    dat de rechtbank terecht [appellant] heeft opgedragen te bewijzen dat [geïntimeerden] zich de paardenvrachtwagen wederrechtelijk hebben toegeëigend (rov. 6.7.),

  • -

    dat [appellant] in eerste aanleg niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs en dat hij in hoger beroep ook geen ter zake dienend en voldoende specifiek (aanvullend) bewijsaanbod heeft gedaan (rov. 6.13.), en

  • -

    dat de grieven van [appellant] falen (eveneens rov. 6.7. en rov. 6.13.).

9.2.

Dit betekent dat de in verband met de paardenvrachtwagen ingestelde vordering van [appellant] om [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van

€ 29.503,60, niet alsnog zal worden toegewezen.

9.3.

In bovengenoemd tussenarrest heeft het hof echter iedere verdere beslissing aangehouden in verband met het volgende. [appellant] heeft in de onderhavige zaak een primaire en subsidiaire vordering tegen [geïntimeerde 1] ingesteld, die betrekking hebben op het paard [naam paard] . Die vorderingen en de feitelijke en juridische grondslag waarop die zijn gebaseerd, zijn gelijkluidend aan de vorderingen en grondslagen in het incidenteel hoger beroep in de ook bij dit hof aanhangige samenhangende zaak met nummer 200.213.429. Omdat in die zaak bij arrest van 25 juni 2019 bewijs is opgedragen, heeft het hof ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken tot nu toe nog geen eindarrest gewezen in de onderhavige zaak.

9.4.

Inmiddels heeft de bewijsvoering in de samenhangende zaak plaatsgevonden. Het hof heeft in die zaak bij eindarrest van vandaag de bewuste vorderingen van [appellant] ten aanzien van het paard afgewezen.

Onder verwijzing naar die afwijzing (en de overwegingen van het hof waarop die is gebaseerd, zoals neergelegd in het tussenarrest van 25 juni 2019 en het eindarrest van vandaag in die samenhangende zaak) zullen ook in de onderhavige zaak de vorderingen van [appellant] tegen [geïntimeerde 1] ten aanzien van het paard worden afgewezen.

9.5.

Al het bovenstaande leidt tot de volgende slotsom. Voor alle duidelijkheid zal het hof in de onderhavige zaak het gehele bestreden vonnis vernietigen. Alle vorderingen van [appellant] in de onderhavige zaak worden afgewezen. Het gaat hier dus om de vorderingen van [appellant] ten aanzien van de paardenvrachtwagen en ten aanzien van het paard.

9.6.

[appellant] is in het ongelijk gesteld. De proceskosten in de hoofdzaak komen om die reden ten laste van hem, waarbij het volgende geldt.

[appellant] is ook in de samenhangende zaak met nummer 200.213.429 in de proceskosten veroordeeld. Aangezien het in beide zaken gaat om hoger beroep van een en dezelfde zaak in eerste aanleg, ziet het hof aanleiding om in de onderhavige zaak de kosten van de eerste aanleg te begroten op 50% van het daarvoor op grond van de liquidatietarieven berekende bedrag. De kosten voor het getuigenverhoor in eerste aanleg zijn in de samenhangende zaak voor 100% toegewezen aangezien dit getuigenverhoor alleen betrekking had op de vorderingen ten aanzien van het paard. Deze kosten zullen daarom in de onderhavige zaak niet nogmaals worden toegewezen.

Ten aanzien van het hoger beroep geldt dat één pleidooizitting is gehouden voor beide samenhangende zaken. Ook voor die kosten zal het hof in de onderhavige zaak 50 % van het daarvoor op grond van de liquidatietarieven berekende bedrag begroten.

Met inachtneming van het voorgaande stelt het hof de proceskosten tot de dag van deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] als volgt vast:

Eerste aanleg

- griffierecht € 39,00

- salaris advocaat € 868,50 (3 punt tarief III -oud x 50%)

-------------+

totaal € 907,50

Hoger beroep

- griffierecht € 1.436,00 (2x € 718,00)

- salaris advocaat € 1.391,00 (2 punt, tarief III-nieuw x 50%)
€ 1.391,00 (1 punt tarief III-nieuw)
--------------- +

totaal € 4.218,00

10. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het bestreden vonnis van 31 augustus 2016,

en in zoverre opnieuw rechtdoend:

wijst de vorderingen van [appellant] af;

veroordeelt, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] in de proceskosten, aan de zijde van [geïntimeerden] vastgesteld op € 5.125,50 (€ 907,50 + € 4.218,00) tot de dag van deze uitspraak.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Arnoldus-Smit, E.H. Schulten en W.A. Jacobs en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 8 september 2020.

griffier rolraadsheer