Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2748

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-09-2020
Datum publicatie
15-09-2020
Zaaknummer
19/00384
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tijdens de zitting die digitaal heeft plaatsgevonden was de gemachtigde van belanghebbende niet aanwezig. Enkele uren na de zitting neemt de gemachtigde van belanghebbende contact op met het hof en verzoekt om een (nieuwe) zitting, omdat hij niet kon deelnemen aan de geplande zitting vanwege een computerstoring. Het hof wijst het verzoek om een nieuwe zitting af. De gemachtigde van belanghebbende heeft nagelaten het hof tijdig te berichten over de computerstoring. Ook was de gemachtigde niet telefonisch bereikbaar voor het hof, terwijl in de uitnodiging voor de zitting nadrukkelijk is gewezen op het belang om bereikbaar te zijn indien zich problemen voordoen.

De WOZ-waarde van de woning wordt door het hof in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2020/2168
Viditax (FutD), 16-09-2020
FutD 2020-2699
NTFR 2020/2794 met annotatie van dr. H.M. Roose
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Nummer: 19/00384

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 20 juni 2019, nummer BRE 18/6158, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking West-Brabant,

hierna: de heffingsambtenaar.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) de beschikking gegeven en daarbij de waarde van de onroerende zaak [adres 1] in [plaats] (hierna: de woning) vastgesteld. Tevens zijn de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 en de aanslag onroerendezaakbelastingen 2018 bekendgemaakt.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.3.

De heffingsambtenaar heeft uitspraken op bezwaar gedaan en daarbij de bezwaren ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraken beroep ingesteld bij de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij het hof. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Na het instellen van het hoger beroep heeft de heffingsambtenaar de onder 1.1 genoemde aanslagen afvalstoffenheffing vernietigd.

1.7.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn doorgestuurd naar de heffingsambtenaar.

1.8.

De zitting heeft met behulp van digitale communicatiemiddelen plaatsgevonden op 12 juni 2020 in ’s-Hertogenbosch. Aan deze zitting hebben deelgenomen namens de heffingsambtenaar, [A] en [B] , taxateur. Belanghebbende en haar gemachtigde hebben, zonder bericht van verhindering, niet deelgenomen.

De griffier heeft belanghebbende bij - onder meer - brief van 2 juni 2020 uitgenodigd voor de zitting met vermelding van datum, plaats en tijdstip van de zitting. Deze brief, met nummer [nummer] , is aangetekend verzonden naar het door belanghebbende opgegeven adres. Tot de gedingstukken behoort een kopie van de lijst van aangetekende verzendbewijzen en een schermprint van de statusinformatie van het verzendbewijs. Hieruit volgt dat de uitnodiging voor de zitting op 3 juni 2020 door belanghebbende is afgehaald op een PostNL-locatie.

1.9.

Het hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.10.

Belanghebbende heeft op 12 juni 2020 na afloop van de zitting telefonisch contact opgenomen met het hof met het verzoek om een nieuwe zitting. Dit verzoek heeft belanghebbende later die dag schriftelijk herhaald. Het hof heeft op 12 juni 2020 gereageerd op het verzoek om een nieuwe zitting.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende is eigenaar van de woning, die is gelegen aan de [adres 1] in [plaats] . Het betreft een vrijstaande woning met bouwjaar 1928, die beschikt over meerdere aangebouwde woonruimtes, een berging/schuur van ongeveer 15 m³ en twee overkappingen/luifels. De inhoud van de woning inclusief de aangebouwde woonruimtes bedraagt ongeveer 428 m³. De woning is gelegen op een perceel met een oppervlakte van ongeveer 550 m².

2.2.

De waarde van de woning is door de heffingsambtenaar per de waardepeildatum 1 januari 2017 (hierna: de waardepeildatum) voor het jaar 2018 vastgesteld op € 110.000.

2.3.

De heffingsambtenaar heeft ter onderbouwing van de beschikte waarde een taxatierapport van 16 oktober 2019 overgelegd. Dit taxatierapport is opgesteld door taxateur [B] (hierna: [het rapport B] ). Op 9 oktober 2019 heeft [B] de woning inpandig opgenomen. [het rapport B] is voorzien van een taxatiematrix. Uit [het rapport B] volgt een waarde van de woning per de waardepeildatum van € 154.000. Bij de waardebepaling zijn de gegevens van drie rond de waardepeildatum verkochte woningen in de beoordeling betrokken: [adres 2] (op 2 maart 2017 verkocht voor € 250.000), [adres 3] (op 20 februari 2017 verkocht voor € 240.000) en [adres 4] (op 15 maart 2016 verkocht voor € 249.000), alle gelegen in [plaats] . Als extra onderbouwing wordt [adres 5] in [plaats] (op 11 november 2016 verkocht voor € 100.000) genoemd. Ook de daarop volgende verkooptransactie van [adres 5] in [plaats] (op 22 februari 2018 verkocht voor € 180.000) wordt in [het rapport B] als extra onderbouwing genoemd. [het rapport B] bevat beeldmateriaal van de woning en de hiervoor genoemde objecten die rond de waardepeildatum zijn verkocht.

2.4.

Belanghebbende heeft voor de waardebepaling verwezen naar de hiervoor genoemde verkoop van [adres 5] op 11 november 2016. Belanghebbende heeft verder stamkaarten van [adres 3] en [adres 4] in [plaats] overgelegd.

2.5.

De aanslag afvalstoffenheffing 2017 ziet op 17 ledigingen van restafval. De aanslag afvalstoffenheffing 2018 betreft het vastrecht. Bij beschikking van 25 oktober 2019 heeft de heffingsambtenaar deze aanslagen ambtshalve vernietigd.

3 Geschil en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

I) Is de WOZ-waarde van de woning te hoog vastgesteld?

II) Zijn de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 terecht opgelegd?

3.2.

Belanghebbende concludeert tot vermindering van de WOZ-waarde tot € 90.000 (primair) dan wel € 105.000 (subsidiair) en tot vernietiging van de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018. De heffingsambtenaar concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep voor zover het de WOZ-waarde betreft en tot gegrondverklaring van het beroep voor zover het de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 betreft.

4 Gronden

Vooraf en ambtshalve

4.0.1.

Zoals volgt uit de onder 1.8 vermelde stukken is de uitnodiging voor de digitale behandeling van de zaak op 3 juni 2020 uitgereikt. Deze uitnodiging betreft overigens alleen een wijziging van de wijze waarop de zitting zou plaatsvinden, aangezien partijen al eerder, te weten bij brieven van 24 april en 26 mei, zijn uitgenodigd voor een zitting op 12 juni om 10:00 uur. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd om op de zitting te verschijnen.

4.0.2.

Zowel de uitnodiging van 26 mei als die van 2 juni bevat de volgende passage:

“Indien u niet deelneemt aan de zitting, niet bereikbaar bent en voorafgaand aan de zitting geen contact opneemt, gaat het gerechtshof ervan uit dat u afziet van uw recht op een zitting. Het gerechtshof kan dan na de zitting wel uitspraak doen. Ik wijs u erop dat de wederpartij ook een uitnodiging voor deze zitting ontvangt en dat uw afwezigheid betekent dat het gerechtshof dan alleen met de wederpartij contact kan hebben. Het is dus in uw belang dat u actie onderneemt als u gehoord wilt worden.”.

4.0.3.

In de onder 1.8 vermelde stukken heeft het hof belanghebbende uitgenodigd voor een zitting met behulp van digitale communicatiemiddelen (skype for business).

Het hof heeft bij aanvang van de zitting geconstateerd dat belanghebbende en haar gemachtigde niet aanwezig waren. De griffier heeft vervolgens twee keer gebeld naar het mobiele nummer van de gemachtigde. Beide oproepen zijn niet beantwoord. Vervolgens heeft de griffier bij de administratie van de belastingkamer van het hof navraag gedaan om te verifiëren of belanghebbende of haar gemachtigde contact hadden opgenomen met het hof. Dat bleek niet het geval. Nadat het hof had vastgesteld dat belanghebbende op de juiste wijze is uitgenodigd voor de zitting (zie 4.0.1), heeft de zitting zonder belanghebbende en haar gemachtigde plaatsgevonden.

4.0.4.

Na afloop van de zitting, op 12 juni 2020 omstreeks 11:53 uur, heeft belanghebbende, althans haar gemachtigde, telefonisch contact opgenomen met de griffier met het verzoek om een (nieuwe) zitting te plannen. Tijdens dat telefoongesprek heeft de gemachtigde verklaard dat deelname aan de digitale zitting eerder die ochtend niet mogelijk was vanwege een computerstoring. Over de omstandigheid dat hij niet telefonisch bereikbaar was, heeft de gemachtigde verklaard dat hij zijn systeembeheerder aan de lijn had. De griffier heeft daarop medegedeeld dat de zitting op het in de uitnodiging vermelde tijdstip heeft plaatsgevonden en dat het hof aan het einde van de zitting het onderzoek heeft gesloten.

4.0.5.

Nog diezelfde dag heeft belanghebbende omstreeks 12:45 uur het telefonische verzoek van 11:53 uur schriftelijk herhaald. Het hof merkt deze brief aan als een verzoek tot heropening van het onderzoek, als voorzien in artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht en het heeft belanghebbende hiervan op 12 juni 2020 schriftelijk op de hoogte gesteld. Het hof heeft in dat wat belanghebbende aanvoert geen reden gevonden om tot heropening van het onderzoek over te gaan. Het lag op de weg van belanghebbende (of haar gemachtigde) om het hof aanstonds te laten weten dat en waarom zij de (digitale) zitting niet kon bijwonen. Belanghebbende heeft echter niet aanstonds contact opgenomen met hof, maar heeft dat pas gedaan om 11:53 uur, bijna twee uur na het in de uitnodiging vermelde aanvangstijdstip van de zitting. Daar komt nog bij dat de gemachtigde ook niet telefonisch bereikbaar was voor het hof, hoewel in de uitnodiging voor de zitting uitdrukkelijk is gewezen op het belang van telefonische bereikbaarheid (bij eventuele technische problemen) en op de consequenties die zijn verbonden aan het niet telefonisch bereikbaar zijn. Voor het overige slaat het hof geen acht op de inhoud van het schriftelijke stuk van 12 juni 2020, omdat dit stuk te laat is ingediend.

Ten aanzien van het geschil

De WOZ-waarde

4.1.

De waarde van de woning moet worden bepaald op de waarde die aan de woning dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.1 Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer die dient te worden vastgesteld op de prijs die bij aanbieding voor verkoop op de voor de woning meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde voor de woning zou zijn besteed.

4.2.

De hiervoor bedoelde waarde voor woningen wordt bepaald door middel van een methode van systematische vergelijking met woningen waarvan marktgegevens beschikbaar zijn.2

4.3.

De bewijslast met betrekking tot deze waarde rust op de heffingsambtenaar.

4.4.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de heffingsambtenaar de verkoop van [adres 5] op 11 november 2016 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, althans daar onvoldoende gewicht aan heeft toegekend. Uit die verkooptransactie volgt dat de beschikte waarde tot een te hoog bedrag is vastgesteld, aldus nog steeds belanghebbende. Belanghebbende stelt zich daarnaast op het standpunt dat [adres 3] niet geschikt is als referentieobject. Er zijn diverse verschillen tussen [adres 3] en de woning zoals de grootte en de staat van onderhoud. Ook heeft [adres 3] een woon- en winkelbestemming terwijl de woning uitsluitend een woonbestemming heeft.

4.5.

De objecten [adres 2] , [adres 3] en [adres 4] zijn naar het oordeel van het hof geschikt als referentieobject. Deze objecten zijn rond de waardepeildatum verkocht en zijn voldoende vergelijkbaar met de woning. In de door belanghebbende genoemde verschillen tussen [adres 3] en de woning ziet het hof geen aanleiding om [adres 3] buiten beschouwing te laten. De heffingsambtenaar heeft tijdens de zitting van de rechtbank onweersproken verklaard dat [adres 3] in het bestemmingsplan is aangemerkt als woonruimte met de mogelijkheid om er iets anders mee te doen en dat [adres 3] momenteel als woning wordt gebruikt. Dat laatste wordt overigens ook bevestigd door de informatie vermeld op de door belanghebbende overgelegde stamkaart van [adres 3] . De overige door belanghebbende genoemde verschillen maken [adres 3] naar het oordeel van het hof niet ongeschikt als referentieobject. Bovendien volgt uit [het rapport B] dat de heffingsambtenaar bij de waardebepaling rekening heeft gehouden met die verschillen.

4.6.

De verkoop van [adres 5] op 11 november 2016 betreft een onderhandse verkoop uit een erfenis aan een kennis van de voormalig eigenaar. Belanghebbende stelt dat de heffingsambtenaar geen dan wel onvoldoende rekening heeft gehouden met deze verkooptransactie. Belanghebbende betwist dat deze verkoop niet bruikbaar is en voert aan dat een verkoop aan een opkoper niet ongebruikelijk is bij een woning met achterstallig onderhoud.

4.7.

Het hof deelt het standpunt van de heffingsambtenaar dat de verkoop van [adres 5] op 11 november 2016 niet geschikt is als onderbouwing. Het betreft immers een onderhandse verkoop aan een kennis van de voormalige eigenaar. Een dergelijke transactie kan niet zonder meer als marktconform worden aangemerkt. De verkooptransactie van [adres 5] op 22 februari 2018 wordt door het hof eveneens buiten beschouwing gelaten. Deze verkoop is meer dat één jaar van de waardepeildatum verwijderd. Aangezien voldoende geschikte referentieobjecten beschikbaar zijn die rondom de waardepeildatum zijn verkocht (zie 2.3 en 4.5), laat het hof ook de verkooptransactie van [adres 5] op 22 februari 2018 buiten beschouwing.

4.8.

Belanghebbende heeft in haar nadere stukken van 2 juni 2020 kanttekeningen geplaatst bij de gehanteerde scores voor de KOUDV-factoren in de matrix behorende bij [het rapport B] . Ook zou er volgens belanghebbende in [het rapport B] ten onrechte enige waarde worden toegekend aan de berging/schuur en aan de overkappingen/luifels. Belanghebbende verbindt hieraan primair de conclusie dat de waarde € 20.038 te hoog is en subsidiair dat de waarde € 5.000 te hoog is.

4.9.

[het rapport B] concludeert tot een waarde van € 154.000. Dat betekent dat zelfs in het geval belanghebbende wordt gevolgd in haar onder 4.8 genoemde stellingen, wat daar overigens ook van zij, de waarde die voortvloeit uit [het rapport B] nog steeds (ruim) boven de beschikte waarde uitkomt. Naar het hof begrijpt (veronder)stelt belanghebbende dat de door haar bepleite neerwaartse correcties in mindering moeten worden gebracht op de beschikte waarde. Aangezien de stellingen van belanghebbende zien op (de matrix behorende bij) [het rapport B] dienen eventueel daaruit voortvloeiende correcties in mindering te worden gebracht op de waarde van € 154.000 genoemd in [het rapport B] en niet op de lagere beschikte waarde.

4.10.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de heffingsambtenaar met [het rapport B] is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat de beschikte waarde niet te hoog is. Uit de matrix behorende bij [het rapport B] volgt dat de gerealiseerde marktgegevens van de onder 4.5 genoemde referentieobjecten ondersteunen dat de WOZ-waarde niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.

4.11.

Belanghebbende heeft voor de waardebepaling verwezen naar de verkoop van [adres 5] op 11 november 2016 (zie 2.4). Het hof acht die verkooptransactie niet geschikt als onderbouwing (zie 4.7). Daar komt nog bij dat belanghebbende op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt hoe die verkooptransactie de door haar bepleite waarde ondersteunt.

4.12.

In het nader stuk van 8 juni 2020 heeft belanghebbende gewezen op de WOZ-beschikking voor het jaar 2019, die na bezwaar is verminderd tot € 139.000. Ook dit werpt geen ander licht op de door de heffingsambtenaar voor het onderhavige jaar vastgestelde WOZ-waarde, aangezien de WOZ-waarde voor ieder jaar wordt vastgesteld aan de hand van rond de waardepeildatum gerealiseerde transactiecijfers, en de WOZ-waarde voor een eerder of later jaar daarbij niet van betekenis is.

De aanslagen afvalstoffenheffing

4.13.

De heffingsambtenaar heeft de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 gedurende het hoger beroep vernietigd. Dat betekent dat belanghebbende niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep voor zover dat is gericht tegen de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018. Belanghebbende kan door het hoger beroep immers niet in een betere positie komen.3 De heffingsambtenaar dient wel het door belanghebbende betaalde griffierecht te vergoeden en de heffingsambtenaar zal tevens worden veroordeeld tot een vergoeding van de kosten van het bezwaar en de proceskosten.

Andere aanslagen afvalstoffenheffing

4.14.

Belanghebbende heeft het hof tevens verzocht om vernietiging van de aanslagen afvalstoffenheffing voor de jaren vanaf 2012. De onderhavige procedure ziet op de eerder genoemde aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018, maar niet op andere aanslagen afvalstoffenheffing. In zoverre is het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Tussenconclusie

4.15.

Het hoger beroep ten aanzien van de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen 2018 is ongegrond. Het hoger beroep ten aanzien van de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 is niet-ontvankelijk. Voor zover het hoger beroep is gericht tegen andere aanslagen afvalstoffenheffing dan de hiervoor genoemde aanslagen, is het hoger beroep eveneens niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van het griffierecht

4.16.

De heffingsambtenaar dient aan belanghebbende het bij de rechtbank en het hof betaalde griffierecht van € 46 respectievelijk € 128 te vergoeden, omdat de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep gegrond had moeten worden verklaard.

Ten aanzien van de kosten van het bezwaar en de proceskosten

4.17.

De heffingsambtenaar heeft in de uitspraak op bezwaar het verzoek om vergoeding van de kosten van dat bezwaar afgewezen. De kosten van bezwaar dienen alleen te worden vergoed als het bestreden besluit wordt herroepen wegens een onrechtmatigheid die aan het bestuursorgaan te wijten is.4 Die onrechtmatigheid bestaat in dit geval uit de omstandigheid dat de restcontainer van de buren kennelijk dezelfde chip heeft als de restcontainer van belanghebbende. Die onrechtmatigheid berust weliswaar op foutieve gegevens van de afvalinzamelaar, maar komt voor rekening van de heffingsambtenaar.5 Het hof veroordeelt daarom de heffingsambtenaar in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken. Het hof beschouwt de zaken met betrekking tot de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 als samenhangende zaken.

4.18.

Het hof stelt de kosten van bezwaar op 2 (punten)6 x € 261 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1 (factor samenhangende zaken) is € 522.

4.19.

Het hof veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van de kosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep bij het hof, omdat het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond en het beroep bij de rechtbank gegrond is.

4.20.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het beroep op 2 (punten)7 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.050.

4.21.

Het hof stelt deze tegemoetkoming voor het hoger beroep op 1 (punt)8 x € 525 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 525.

5 Beslissing

Het hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep ten aanzien van de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen 2018 ongegrond;

  • -

    verklaart het hoger beroep ten aanzien van de aanslagen afvalstoffenheffing 2012 tot en met 2016 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het hoger beroep ten aanzien van de aanslagen afvalstoffenheffing 2017 en 2018 niet-ontvankelijk;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze de WOZ-beschikking en de aanslag onroerendezaakbelastingen 2018 betreft;

  • -

    gelast dat de heffingsambtenaar aan belanghebbende het betaalde griffierecht van in totaal € 174 vergoedt;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het bezwaar van € 522;

  • -

    veroordeelt de heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de rechtbank en het hof van in totaal € 1.575.

De uitspraak is gedaan door V.M. van Daalen-Mannaerts, voorzitter, P.C. van der Vegt en M.M. de Werd, in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2020 en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. (Alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

  3. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. de dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de andere partij te veroordelen in de proceskosten.

1 Artikel 17, lid 2, Wet WOZ.

2 Artikel 4, lid 1, letter a, Uitvoeringsregeling instructie waardebepaling Wet waardering onroerende zaken.

3 Vgl. Hoge Raad 3 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BO5988.

4 Artikel 7:15, lid 2, Awb.

5 Vgl. Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2078.

6 1 punt voor bezwaarschrift en 1 punt voor het telefonisch horen in bezwaar, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.

7 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.

8 1 punt voor beroepschrift in hoger beroep, zie Besluit proceskosten bestuursrecht.