Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2744

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
200.281.062_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling zonder toekenning schone lei nu saniet toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 3 september 2020

Zaaknummer : 200.281.062/01

Zaaknummer eerste aanleg : [nummer]

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] .

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. C. Mohr te Kerkrade.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 14 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 22 juli 2020, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de

voordracht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling te beëindigen af te wijzen c.q.

te ontzeggen en de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet te beëindigen, subsidiair met verlenging van de termijn van toepassing van de schuldsaneringsregeling.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellant] , bijgestaan door mr. Mohr,

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de

beschermingsbewindvoerder.

Tevens aanwezig was de heer E.J. Nyembo Katumbwe, beëdigd tolk (no. 3723) die ten behoeve van [appellant] in de Franse taal getolkt heeft.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 17 augustus 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit hetgeen door haar bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangedragen, blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

Bij vonnis van 4 september 2018 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder, gedateerd 10 april 2020, tussentijds beëindigd. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt, of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert, en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2. Uit de voordracht om de schuldsaneringsregeling tussentijdse te beëindigen blijkt

dat schuldenaar niet dan wel onvoldoende voldoet aan de sollicitatie- en arbeidsplicht

alsmede de informatieplicht, hij gemaakte afspraken tijdens een verhoor bij de rechter-

commissaris, gehouden op 5 november 2019, niet nakomt en er nieuwe schulden zijn

ontstaan van € 1.003,00.

(…)

2.4.

De beschermingsbewindvoerder heeft ten aanzien van de nieuwe schulden

verklaard dat deze waren opgelopen tot een bedrag van ongeveer € 2.500,00. Deze zijn

inmiddels voor een groot deel afgelost. Er resteert thans nog een bedrag van € 600,00. (…)

2.5.

De bewindvoerder heeft ter zitting verklaard dat de zitting hetzelfde verloopt als

het eerdere verhoor bij de rechter-commissaris. Het lijkt alsof schuldenaar niet wil dan wel

niet kan snappen hoe de schuldsaneringsregeling werkt en welke verplichtingen dat met zich meebrengt voor hem. Een voortzetting van de regeling heeft volgens de bewindvoerder dan ook geen enkele zin.

2.6.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de schuldenaar niet

aan de kernverplichtingen van de schuldsaneringsregeling heeft voldaan en dat de van de

schuldenaar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de

schuldsaneringsregeling ontbreekt. Door dit doen of nalaten van de schuldenaar is de

uitvoering van de schuldsaneringsregeling belemmerd dan wel gefrustreerd. Hoewel deze

tekortkomingen schuldenaar wellicht verminderd kunnen worden aangerekend, zijn deze

van dien aard dat de regels van de schuldsanering dermate onvoldoende worden nagekomen

dat een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder de zogenaamde

schone lei gerechtvaardigd is. Hierbij neemt de rechtbank in ogenschouw dat de totale

schuldenlast bij toelating tot de schuldsaneringsregeling slechts € 5.883,04 bedroeg en

schuldenaar deze met behulp van het beschermingsbewind wellicht op een andere wijze kan

regelen dan wel betalen. Hierbij zij opgemerkt dat het laten ontstaan van nieuwe schulden

dan uit den boze is.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] zal niet tegenspreken dat er nieuwe schulden zijn ontstaan, maar hij is van mening dat zulks door een samenloop van omstandigheden is ontstaan; immers de vorige

beschermingsbewindvoerder heeft volgens [appellant] zijn werk niet goed gedaan en nu er sprake is van een postblokkade kon hij niet eerder daarop reageren en zijn kennelijk de schulden opgelopen en vermeerderd met rente. Natuurlijk had het op zijn weg gelegen om zelf contact op te nemen met de bewindvoerder, maar dit is niet gelukt. [appellant] was overigens in de overtuiging dat de bewindvoerder deze zaken regelt.

[appellant] ervaart de uitspraak van de rechtbank alsof alleen hij degene is die

tekortgeschoten is ter zake van het ontstaan van nieuwe schulden. Hij wil daarmee

beslist niet stellen dat hem geen verwijt gemaakt kan worden en probeert om een oplossing te vinden voor de ontstane nieuwe schulden: kennelijk resteren hiervan nog 'slechts' € 600,00 schuld betreffende de nieuwe schulden. Op dit moment is het nog te vroeg om uitsluitsel daaromtrent te kunnen geven.

[appellant] heeft wel degelijk voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit de

schuldsaneringsregeling. Het probleem is dat hij vanaf de uitspraak tot toelating op geen enkele manier contact heeft gehad met de bewindvoerder. Hij heeft hiertoe meerdere keren contact opgenomen, helaas zonder resultaat. [appellant] kon met de bewindvoerder geen concrete afspraken maken. Hij heeft de bewindvoerder nimmer gezien, behoudens het verhoor bij de rechter-commissaris op 5 november 2019. Daarom heeft [appellant] met de beschermingsbewindvoerder afgesproken het contact via haar te laten verlopen, wat ook is gebeurd.

De bewindvoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling op 14 juli 2020 (aldus lees het hof het hof de datum 14 juli 2016 genoemd in het beroepschrift) gesteld dat de

communicatie moeizaam verloopt en dat [appellant] niet wil of kan snappen hoe de

schuldsaneringsregeling werkt en welke verplichtingen dat met zich brengt, maar dat wordt door [appellant] betwist. Hij is de Nederlandse taal machtig (genoeg) om te begrijpen dat er aan de schuldsaneringsregeling diverse verplichtingen kleven.

In het bestreden vonnis is voorts weergegeven dat [appellant] ontkend zou hebben te lijden aan

psychische problematiek. Dit is niet juist. Waarom dit in het vonnis staat weergegeven, is

voor [appellant] niet te verklaren. Bij hem is sprake van een psychische problematiek

waarvoor hij in behandeling is bij betreffende specialisten. Hij neemt hiervoor onder andere

medicatie.

De kennelijke communicatiemoeilijkheid met de bewindvoerder is voor [appellant] niet te verklaren nu er, behoudens het verhoor bij de rechter-commissaris op 5 november 2019, tussentijds op geen enkele manier contact is geweest. Daarbij stipt [appellant] het volgende aan. Tijdens het verhoor bij en door de rechtercommissaris, waarvan overigens geen verslag in zijn bezit is, is aan hem nogmaals expliciet medegedeeld dat hij werk moet gaan zoeken om op deze wijze te voldoen aan zijn verplichtingen. Dit heeft hij goed begrepen. Hij wil ook werken, echter wordt hij belemmerd door de door hem aangezochte uitzendbureaus die slechts werk hebben voor zeer korte tijd en hij nadien wederom zonder werk zit. "Ze spelen met mensen" zo stelt [appellant] . Immers is een uitzendkracht niet verplicht om het aangeboden werk uit te voeren, terwijl daarentegen het uitzendbureau niet verplicht is om werk aan een uitzendkracht aan te bieden, ook al is er passend werk beschikbaar.

Voorts is het vanaf halverwege maart 2020 haast onmogelijk gebleken om passend werk te vinden vanwege Covid-19. Voor [appellant] is het dan ook bevreemdend dat de bewindvoerder in deze precaire periode, dat alles als het ware stil kwam te liggen, een verzoek tot tussentijdse beëindiging wordt ingediend.

Volgens [appellant] heeft de Hoge Raad bij arrest van op 7 oktober 2016 bepaald (ECLI:NL:HR:2016:2286, NJ 2016/451) dat een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350, derde lid, aanhef en onder c, Fw eerst kan plaatsvinden, wanneer de schuldenaar herhaaldelijk, maar zonder resultaat, in de gelegenheid is gesteld alsnog aan de verplichtingen te voldoen. Dat [appellant] door de bewindvoerder herhaaldelijk en schriftelijk is gewezen op zijn verplichtingen blijkt nergens uit. Het vonnis vermeldt hier ook niets van. Daarom stelt [appellant] zich ook op het standpunt dat het vonnis wegens gebrek aan een motivering dient te worden vernietigd. Immers blijkt uit het bestreden vonnis geenszins waarop de het oordeel dat [appellant] niet zou voldoen aan de kernverplichtingen van de schuldsanering zou hebben voldaan is gebaseerd. Het wordt slechts geponeerd, maar verder niet onderbouwd, hetgeen betekent dat het vonnis onvoldoende gemotiveerd is. Hieraan is slechts één rechtsoverweging gewijd, te weten 2.6. [appellant] heeft steeds zijn best gedaan met betrekking tot de sollicitatieplicht, maar heeft enkel zijn frustratie geuit nu hij steeds afgewezen wordt, mede gelet op het moeizaam vinden van werk met tussenkomst van uitzendbureaus en nadien Covid-19. Hij heeft er voorts op gewezen dat hij graag zou willen werken.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] benadrukt dat hij wel heeft gesolliciteerd, doorgaans per email. Omdat hij thuis problemen met zijn wifi-verbinding heeft, solliciteerde hij digitaal via een computer van de openbare bibliotheek. Dat is ook de reden dat hij nu geen schriftelijke bewijzen van die sollicitaties kan overleggen. Daarnaast stelt [appellant] dat hij lange tijd, vanwege de postblokkade, niet op de hoogte was van het bestaan van de CJIB-boetes. Deze boetes zijn overigens veroorzaakt door een vriend van [appellant] en niet door hemzelf. [appellant] had aan deze vriend de achtereenvolgens op zijn naam geregistreerde auto’s in bruikleen gegeven. Met deze vriend is afgesproken dat hij ook de CJIB-boetes zal betalen en dat doet hij volgens [appellant] ook. Zelf betaalt [appellant] ook via zijn beschermingsbewindvoerder op de CJIB schuld af. Op de vraag van het hof of er dan misschien dubbel betaald wordt, moet hij het antwoord schuldig blijven. Voorts erkent [appellant] dat hij de bewindvoerder nimmer op de hoogte heeft gesteld van het feit dat hij een andere auto had aangeschaft. Hij heeft hier wel een telefonische poging toe ondernomen, maar hij kreeg de bewindvoerder niet aan de lijn. Ook erkent hij dat hij de bewindvoerder niet heeft geïnformeerd met betrekking tot het verlies van zijn baan in week 44 van 2019 en het feit dat hij daarop enige tijd, naar eigen inschatting ongeveer een ruime maand, geen inkomen genoten heeft.

Met betrekking tot zijn psychische problematiek heeft [appellant] desgevraagd geantwoord dat hij dit destijds op de toelatingszitting niet heeft gemeld. Hij staat thans onder behandeling van zijn huisarts en hij gebruik slaapmedicatie.

[appellant] bepleit tot slot dat hij een tweede kans verdient. Hij erkent dat hij gedurende het verloop van zijn schuldsaneringsregeling fouten heeft gemaakt, maar nu weet hij wat er van hem verwacht wordt. Daarbij spreekt hij het vermoeden uit dat hij na de corona-crisis op korte termijn een baan zal vinden, zodat hij sneller op zijn nieuwe schulden zal kunnen aflossen en ook meer voor zijn schuldeisers zal kunnen sparen.

3.7.

De bewindvoerder heeft in haar brief - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. De bewindvoerder merkt op dat zij uiteraard, zoals bij alle schuldsaneringsregelingen, een huisbezoek heeft afgelegd. Zij heeft toen uitgebreid met [appellant] de regels besproken en daarbij aangegeven dat het verstandig zou zijn dat er meer hulp voor hem zou worden ingeschakeld. Op het moment van toelating was er geen beschermingsbewind, alleen budgetbeheer.

Daarnaast heeft een verhoor plaatsgevonden bij de rechter-commissaris. Ook bij deze zitting was de bewindvoerder aanwezig en heeft zij met [appellant] gesproken. [appellant] heeft uit eigen beweging op een geen enkele wijze contact met de bewindvoerder opgenomen. Zij heeft hem eenmaal aan de lijn gehad en toen was hij op zoek naar zijn beschermingsbewindvoerder.

[appellant] heeft tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden gemaakt. Een groot

gedeelte hiervan betroffen boetes van het CJIB. De beschermingsbewindvoerder

heeft dit meteen opgepakt en heeft voor alle nieuwe schulden betalingsregelingen weten te treffen.

[appellant] heeft ook de volledige arbeidsplicht. De bewindvoerder heeft hierover geen enkele informatie mogen ontvangen.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder benadrukt dat [appellant] nimmer uit eigen beweging contact met haar heeft opgenomen. Hij heeft haar één keer gebeld, maar bleek toen eigenlijk op zoek naar zijn beschermingsbewindvoerder. Ook heeft zij nooit een emailbericht van hem ontvangen, wat wel gekund had; [appellant] verklaart immers dat hij vanaf een computer van de bibliotheek per email solliciteerde. Hij was en is hier dus wel degelijk toe in de gelegenheid (geweest). Daarbij komt dat het kantoor van de bewindvoerder in de woonplaats van [appellant] gevestigd is. Hij had dus ook vrij eenvoudig de informatiebescheiden in persoon af kunnen geven of in de brievenbus kunnen stoppen, zeker nu [appellant] ook over een auto beschikt en de afstand als zodanig geen obstakel hoeft te zijn.

Desgevraagd geeft de bewindvoerder aan geen heil te zien in een verlenging van de schuldsaneringsregeling zoals door [appellant] subsidiair verzocht is. Communicatie met [appellant] is tot op de dag van vandaag feitelijk onmogelijk gebleken, dus zij ziet niet in waarom [appellant] in staat moet worden geacht om vanaf vandaag zijn verplichtingen, waaronder met name de (spontane) informatieplicht, nu ineens wel naar behoren na te komen. De bewindvoerder heeft haar verzoek om de schuldsaneringsregeling tussentijds te beëindigen dan ook gehandhaafd.

3.9.

Desgevraagd heeft de beschermingsbewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven – nog het volgende verklaard. De door en namens [appellant] getroffen betalingsregelingen lopen naar behoren. Zo is de schuld aan het CJIB inmiddels geslonken tot een bedrag van circa € 400,00. Daarbij geeft de beschermingsbewindvoerder aan dat de (door [appellant] besproken) vriend, die volgens [appellant] ook op de schuld aan het CJIB aan het afbetalen zou zijn, nimmer enig bedrag aan de beschermingsbewindvoerder heeft betaald. De beschermingsbewindvoerder kan uit de door de CJIB verstrekte schuldenoverzichten ook geen (extra) betalingen door derden herleiden. Wellicht zijn er andere CJIB boetes die de beschermingsbewindvoerder onbekend zijn en waarvoor [appellant] , in samenspraak met zijn vriend die de boetes veroorzaakt zou hebben, buiten het zicht van de beschermingsbewindvoerder een betalingsregeling zou hebben weten te treffen.

Met betrekking tot de psychosociale problematiek van [appellant] merkt de beschermingsbewindvoerder op dat [appellant] naar haar idee te vroeg tot de schuldsaneringsregeling is toegelaten. [appellant] had tijdens de toelatingszitting melding van de problematiek kunnen en misschien moeten maken, maar dat heeft hij. niet gedaan.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw, te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling, en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.10.2.

Vast staat dat [appellant] , te meer nu hij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook nadrukkelijk en bij herhaling heeft erkend, de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen structureel niet naar behoren is nagekomen.

Zo heeft [appellant] , ondanks herhaaldelijke schriftelijke aansporingen van zijn bewindvoerder en een verhoor bij de rechter-commissaris op 5 november 2019, zijn bewindvoerder nimmer (spontaan) van informatie voorzien. Meer concreet heeft [appellant] de bewindvoerder nimmer enig schriftelijk bewijs van de door hem gestelde sollicitaties doen toekomen en heeft hij de bewindvoerder niet geïnformeerd met betrekking tot zijn inwonende zoon, de aanschaf van een andere auto, het feit dat hij voor zijn psychosociale problematiek behandeld wordt en wat de resultaten van die behandeling zijn, het feit dat hij enige tijd in het geheel geen inkomen genoot en het ontstaan van aanzienlijke en snel oplopende nieuwe schulden aan het CJIB. Hiermee is de bewindvoerder bovendien (structureel) belemmerd in de uitoefening van de op haar rustende taken (zie bijvoorbeeld artikel 316 lid 1 Fw).

Nu [appellant] de bewindvoerder nimmer van enige sollicitatiebewijzen heeft voorzien, kan het hof niet vaststellen dat [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieplicht wel naar behoren is nagekomen. Ook voorafgaand aan dan wel gedurende de mondelinge behandeling in hoger beroep zijn deze bewijzen niet door [appellant] overgelegd, zodat het hof aanneemt, nu van het tegendeel niet gebleken is, dat [appellant] ook deze verplichting niet, althans niet naar behoren, is nagekomen. Dat [appellant] , zoals gesteld, “steeds zijn best (heeft) gedaan met betrekking tot de sollicitatieplicht” is onvoldoende onderbouwd.

3.10.3.

Daarbij komt dat [appellant] , zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep eveneens door hem is erkend, gedurende het verloop van zijn schuldsaneringsregeling nieuwe, en aanvankelijk ook aanzienlijke schulden heeft laten ontstaan. Het betreft hier diverse verkeersboetes, voortvloeiende uit een aantal overtredingen welke met een tweetal op naam van [appellant] geregistreerde motorvoertuigen zijn begaan. Het hof is van oordeel dat dit soort te voorkomen en in dit geval verwijtbare gedragingen, die het risico van beboeting en dus een nieuwe schuld met zich brengen, op gespannen voet staan met het doel en de aard van de schuldsaneringsregeling. Het hof verwijst hierbij tevens naar punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken. Deze bepaling geeft uiting aan de jurisprudentie op dit punt, waaruit volgt dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan.

Dat deze boetes zouden zijn veroorzaakt door de gedragingen van een vriend van [appellant] , dat deze vriend de schulden aan het CJIB (volgens [appellant] ) ook aan het afbetalen is en dat de restschuld inmiddels te overzien is, maakt dit geenszins anders. Daargelaten nog dat [appellant] van dit door hem gestelde feitenrelaas geen enkel (schriftelijk) bewijs heeft overgelegd. Een eventueel te verifiëren naam is evenmin genoemd. Bovendien komt het ontstaan van nieuwe schulden uit hoofde van verkeersovertredingen ook geheel voor rekening en risico voor de kentekenhouder van een motorvoertuig wanneer deze een derde toestemming geeft om met dit motorvoertuig aan het verkeer deel te nemen. Ten overvloede merkt het hof nog op dat uit de overgelegde boetes blijkt dat het niet om één, maar om twee kentekens gaat en [appellant] , gelet op de diverse pleegdata en uitgaande van de juistheid van hetgeen hij hieromtrent gesteld heeft, zijn auto’s nagenoeg structureel aan een derde moet hebben uitgeleend. [appellant] heeft het risico op (niet door hem veroorzaakte) boetes (nieuwe schulden) dus niet incidenteel, maar klaarblijkelijk bij voortduring aanvaard, hetgeen het hof hem eveneens aanrekent.

Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] niet kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455).

3.10.4.

Nu de geconstateerde tekortkomingen, mede gelet op de vele waarschuwingen en aansporingen van de bewindvoerder en het feit [appellant] op 5 november 2019 door de rechter-commissaris verhoord is, [appellant] wel degelijk kunnen worden verweten en het bovendien om meerdere verwijtbare tekortkomingen gaat, acht het hof geen termen aanwezig om de schuldsaneringsregeling van [appellant] te verlengen, daargelaten nog dat een concreet financieel plan van aanpak ten aanzien van de nieuwe schulden ontbreekt, althans in hoger beroep niet is overgelegd. Dat de oorspronkelijke schuldenlast van [appellant] relatief beperkt in omvang was en ten aanzien van de nieuwe schulden, althans voor zover bekend, de actuele restschuld eveneens niet langer als bovenmatig kan worden aangemerkt, maakt het ontbreken van een reëel en goed onderbouwd plan van aanpak naar het oordeel van het hof niet minder prangend.

3.10.5

Het hof merkt over de actuele psychosociale problematiek van [appellant] nog het volgende op. [appellant] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep aangegeven dat deze problematiek ten tijde van zijn toelating reeds bestond, maar dat hij hiervan bij gelegenheid van de toelatingszitting (waarbij een tolk aanwezig was) geen melding gemaakt heeft. Zijn psychosociale problematiek en de omstandigheid dat die problematiek een (relevante) factor voor het verloop van zijn schuldsaneringsregeling zou kunnen zijn heeft [appellant] bij gelegenheid van het kort op de toelatingszitting volgende huisbezoek van de bewindvoerder wel uit eigen beweging ter sprake gebracht. Voor zover [appellant] nu beoogd heeft deze problematiek in onderhavige procedure als verzachtende omstandigheid aan te voeren, is het hof van oordeel dat hiervan geen sprake (meer) kan zijn, gelet op het feit dat hij deze problematiek bij gelegenheid van de toelatingszitting heeft verzwegen, althans niet gemeld heeft terwijl toen wel al aanwezig, .

3.10.6.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds dient te worden beëindigd. Het beroep op HR 7 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2286 faalt nu het is gebaseerd op een verkeerde lezing van dat arrest.

3.11.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, J.W. van Rijkom en J.E.C. Vriends en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2020.