Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2738

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
200.279.718_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant is niet-ontvankelijk in het hoger beroep nu het beroepschrift geen kenbare beroepsgronden bevat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

Uitspraak : 3 september 2020

Zaaknummer : 200.279.718/01

Zaaknummer eerste aanleg : [nummer]

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. J.C. van der Tak te Bergen op Zoom.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 8 juni 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 juni 2020, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en zijn schuldsaneringsregeling te continueren. Bij aanvullend beroepschrift van 9 juli 2020 heeft [appellant] zijn grieven geformuleerd.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2020. Bij die gelegenheid is [appellant] , bijgestaan door mr. van der Tak, gehoord.

De heer [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder is, hoewel op een juiste wijze opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg d.d. 13 juni 2019, 2 september 2019 en 2 december 2019;

- de brieven van de advocaat van [appellant] d.d. 25 juni 2020, 6 juli 2020 en 9 juli 2020;

- het indieningsformulier met bijlage van de advocaat van [appellant] d.d. 9 juli 2020;

3 De beoordeling

3.1.

Bij vonnis van 11 augustus 2017 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Faillissementswet (Fw) de toepassing van de schuldsaneringsregeling op verzoek van de bewindvoerder d.d. 25 maart 2019 tussentijds beëindigd, nu [appellant] een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt of door zijn doen of nalaten de uitvoering van de schuldsaneringsregeling anderszins belemmert dan wel frustreert en bovenmatige schulden doet of laat ontstaan. Bij het ontbreken van enige baten voor uitdeling eindigt de schuldsaneringsregeling door het in kracht van gewijsde gaan van het vonnis, aldus de rechtbank.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“3.6. Als onweersproken staat vast dat schuldenaar zijn informatieverplichting niet naar

behoren nakomt. Schuldenaar heeft vanaf augustus 2019 geen informatie meer verstrekt aan

de bewindvoerder, waardoor ook niet [kon] worden nagegaan of schuldenaar zijn

sollicitatieverplichting naar behoren is nagekomen dan wel nakomt. Daarnaast heeft als in

rechte vaststaand te gelden dat schuldenaar hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld aan

ISD Brabantse Wal. Het tegen het besluit van ISD Brabantse Wal ingestelde beroep is door de bestuursrechter immers ongegrond verklaard. Ook heeft hij nog andere schulden laten ontstaan. De raadsman heeft aangevoerd dat deze schulden inmiddels bijna zijn afgelost, echter de bewijsstukken hiervan ontbreken. Tot slot rekent de rechtbank schuldenaar aan dat hij de bewindvoerder niet op de hoogte heeft gesteld van zijn huidige woon- of verblijfplaats.

Dit alles getuigt niet van een saneringsgezinde houding. Om die reden ziet de rechtbank geen

aanleiding om de regeling te verlengen om schuldenaar in de gelegenheid te stellen de

bovenmatig nieuwe schulden af te lossen, zoals door de raadsman is verzocht.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. Hij heeft in het beroepschrift en het aanvullend beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] is op 11 augustus 2017 samen met zijn toenmalige echtgenote toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Omdat zijn (inmiddels voormalige) echtgenote grote psychische problemen had en zich van vanwege taalproblemen wilde laten behandelen in Roemenië is zij naar dat land vertrokken zonder haar bewindvoerder te informeren. [appellant] heeft de Nederlandse nationaliteit, maar komt oorspronkelijk uit Irak.

Omdat het gezin in die tijd een bijstandsuitkering genoot en mevrouw niet had gemeld dat zij (tijdelijk?) met de kinderen naar Roemenië ging is die bijstandsuitkering ingetrokken. Dat heeft geleid tot een schuld van ruim € 10.000,00. Tijdens het verblijf in Roemenië is mevrouw gaan werken; dat is niet gemeld en de inkomsten zijn aanvankelijke verzwegen. Ook [appellant] wist daar niets van. Voor zover bekend heeft de bewindvoerder die gelden ook niet "opgevraagd".

Mevrouw heeft vervolgens aangegeven dat zij niet terug wilde keren naar Nederland en met de kinderen in Roemenië wilde blijven. Toen zij in 2018 even in Nederland terug was heeft [appellant] de reisdocumenten van de twee kinderen verstopt waardoor mevrouw niet (met de kinderen) terug kon naar Roemenië; dat heeft geleid tot een kort geding waarbij de vordering van mevrouw om (vervangende) toestemming om met de kinderen te kunnen vertrekken naar Roemenië is afgewezen en de vordering van de [appellant] , om mevrouw te verbieden om met de kinderen te vertrekken, is toegewezen. Daarna is er een echtscheidingsprocedure gevolgd; in februari 2019 is aan mevrouw in het kader van de voorlopige voorzieningen de woning

toegewezen. De kinderen verblijven ook bij haar. Ondanks het feit dat mevrouw een volledige uitkering ontving een ook een periode heeft gewerkt betaalde zij de lasten, als huur, gas, licht en water en de telefoon niet. De schulden liepen daardoor verder op.

[appellant] stelt dus op goede gronden dat het ontstaan van die schulden hem niet valt aan te rekenen. Hij werkt al enige maanden is daarom in staat om in de komende periode (twee jaar) middels inkomsten uit arbeid de schulden die gedurende de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan (in ieder geval in belangrijke) mate te voldoen.

Om die reden is hij van mening dat hem een aanvullende termijn gegund had moeten worden om de schulden die tijdens de schuldsaneringsregeling zijn ontstaan te voldoen; dat is ook aan de rechtbank mede gedeeld en derhalve conform verzocht. [appellant] stelt dat hem ten onrechte geen aanvullende termijn in de zin van art 349a lid 2 Fw is gegeven om zijn verplichtingen alsnog na te komen. Juist in de verlengde periode van twee jaar kunnen de extra inkomsten, er kan immers worden afgeweken van de normale VTLB, ter delging van de schulden aangewend worden.

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Allereerst geeft de advocaat van [appellant] aan dat hij bij het indienen van zijn beroepschrift direct verzocht heeft om een termijn voor het indienen van grieven. Hij had het vonnis waarvan beroep weliswaar reeds in zijn bezit (en ook aan het ingediende beroepschrift gehecht), maar omdat hij slechts een “eenpitter” is en de beroepstermijn in dit soort zaken erg kort is zag hij geen kans om al direct, dat wil zeggen binnen de reguliere beroepstermijn, een volledig beroepschrift op te stellen en in te dienen. Nadat hij (later) van het hof een brief had ontvangen dat de termijn voor het indienen van grieven verlopen was heeft hij met de griffie van het hof gebeld en verzocht om een nadere termijn voor het alsnog indienen van grieven. Deze termijn is hem vervolgens niet verstrekt, hetgeen hem heeft verbaasd omdat hij een dergelijke termijn naar eigen zeggen in voorkomende gevallen normaliter wel krijgt.

Vervolgens stelt [appellant] dat de echtscheiding voor veel problemen heeft gezorgd, maar dat hij nu zijn leven weer aardig op de rails heeft. De schuld aan de verhuurder ( [verhuurder] ) is thans opgelost en de kleinere nieuwe schulden zijn inmiddels voldaan. [appellant] heeft geen stukken overgelegd waaruit kan worden herleid dat de schuld aan [verhuurder] inderdaad niet meer bestaat, maar een en ander blijkt volgens hem afdoende uit het feit dat hij via [verhuurder] een andere woning heeft kunnen betrekken, te weten aan het adres [adres] .

Met betrekking tot de schuld aan ISD Brabantse Wal merkt hij op dat inmiddels is overeengekomen dat deze schuld nog maar voor de helft door hem hoeft te worden afgelost. De andere helft zal door zijn ex-vrouw worden voldaan, althans op haar worden verhaald, zodat voor [appellant] een te betalen bedrag van circa € 5.000,00 resteert. Stukken waaruit deze regeling blijkt heeft hij niet voorhanden.

Voorts stelt [appellant] dat hij met de bewindvoerder heeft afgesproken dat hij deze in afwachting van de uitkomst van dit hoger beroep niet hoeft te informeren. [appellant] stelt dat hij voorheen de bewindvoerder wel steeds voldoende geïnformeerd heeft en dat de bewindvoerder van alle relevante zaken en kwesties op de hoogte was. Dat geldt niet voor het stuk grond date zijn ex-vrouw in Roemenië heeft. [appellant] wist hier ook niets van en zijn ex-vrouw heeft dit feit bij gelegenheid van de toelatingszitting ook verzwegen.

Desgevraagd erkent [appellant] dat hij voor het aflossen van zijn nieuwe schulden geen plan van aanpak heeft opgesteld. Maar de nieuwe restschuld bedraagt naar zijn idee nog circa

€ 5.000,00 en hij acht zichzelf in staat om hierop maandelijks een bedrag van tussen de

€ 200,00 en € 300,00 af te lossen, zeker nu hij binnenkort voor de duur van tenminste één jaar fulltime als chauffeur aan het werk kan.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.

Allereerst dient te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof oordeelt daaromtrent als volgt.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep is gewezen op 8 juni 2020 zodat het beroepschrift, dat ter griffie is binnengekomen op 12 juni 2020, binnen de appeltermijn van acht dagen is ontvangen. Dit beroepschrift bevat evenwel geen beroepsgronden.

3.9.

Ingevolge het bepaalde in art. 359 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep rust. Volgens vaste jurisprudentie kan, indien sprake is van een korte appeltermijn en het nog niet beschikbaar zijn van het vonnis waarvan beroep, worden volstaan met een “blanco” beroepschrift (zonder vermelding van de beroepsgronden). Volgens vaste jurisprudentie (onder meer HR 23 oktober 2009, LJN BJ7535) dient een aanvullend beroepschrift dan voorts met bekwame spoed na de dag van verstrekking of verzending van het beroepen vonnis te worden ingediend, waarbij als regel een termijn gelijk aan de beroepstermijn - die in deze acht dagen bedraagt - heeft te gelden (zie o.m. de COM voor HR 13 november 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BJ8338).

3.10.

De advocaat van [appellant] heeft het vonnis waarvan beroep aan het beroepschrift gehecht. Dit vonnis was dus op het moment dat hij het beroepschrift heeft opgesteld in zijn bezit. Direct bij indiening van het beroepschrift heeft de advocaat van [appellant] om een (nadere) termijn voor het indienen van de grieven verzocht, met als reden: “ Dat vanwege de korte tijd tussen het uitspreken van het vonnis en de kennisname van de overwegingen van de rechtbank appellant niet in de gelegenheid is deugdelijke gronden ter onderbouwing van het appel te formuleren.”

Vervolgens heeft de advocaat van [appellant] van het hof op 24 juni 2020 een schrijven ontvangen waarin hem werd bericht dat de termijn voor het indienen van grieven inmiddels verlopen was en hem werd verzocht mee te delen of (desondanks) het beroep gehandhaafd werd. Bij brief van 25 juni 2020 schrijft de advocaat van [appellant] in reactie:

“(...) Nadat ik het appelschrift op 12 juni jl. had ingediend, heb ik vorige week donderdag einde middag contact [het hof heeft begrepen telefonisch] met uw griffie opgenomen om te vragen of de stukken goed waren ontvangen. Dat omdat ik tot dat moment van uw Hof nog geen bericht had ontvangen m.n. omdat ik een termijn had verzocht om grieven te mogen indienen.

De medewerkster van uw griffie deelde mij desgewenst mede dat de stukken waren ontvangen en dat ik zo spoedig mogelijk bericht zou krijgen. Er was enige achterstand in de afhandeling. Bij die gelegenheid heb ik tevens verzocht om overleg omtrent een te plannen zitting, omdat ik alleen werk- ik zou zo spoedig mogelijk vernemen, aldus de medewerkster.

Een bevestiging van ontvangst van de ingediende schriftuur heb ik tot op heden nimmer ontvangen net zomin als een bericht met vermelding van een termijn voor indienen grieven.

Het bericht van 24 juni 2020 is dan ook voor mij volstrekt onbegrijpelijk en dus ook onverwacht.

Vriendelijk doch dringend mag ik u verzoeken mij alsnog een (redelijke) termijn te gunnen voor grieven. (...)”.

Zonder dat een nadere termijn is gegund diende de advocaat van [appellant] op 9 juli 2020 per fax, middels een aanvullend beroepschrift, alsnog van grieven.

3.11.

Het hof overweegt als volgt. Het vonnis waarvan beroep dateert van 8 juni 2020. De beroepstermijn eindigde derhalve op 16 juni 2020. De advocaat van [appellant] heeft verzuimd om voor die datum een beroepschrift met beroepsgronden (kenbare grieven) in te dienen. De mogelijkheid tot het indienen van een aanvullend beroepschrift (na die datum) bestaat –onder voorwaarden- uitsluitend indien het vonnis waarvan beroep aantoonbaar niet tijdig, dat wil zeggen binnen de beroepstermijn van 8 dagen, in het bezit van appellant is. Hiervan is in onderhavige zaak geen sprake, het vonnis waarvan beroep was immers gehecht aan het beroepschrift van 12 juni 2020.

Dat door de advocaat direct bij het indienen van het beroepschrift (zonder grieven) -op andere gronden, die in feite slechts neerkomen op de wettelijke korte appeltermijn- om een nadere termijn voor indienen van grieven heeft verzocht, doet er niet aan af dat (de advocaat van) [appellant] , onder de omstandigheid dat het vonnis waarvan beroep tijdig in het bezit van (de advocaat van) [appellant] was, de beroepstermijn van 8 dagen in acht had dienen te nemen, ook al was door hem nog geen reactie op dat verzoek ontvangen.

Ook de omstandigheden als beschreven in de reactie van de advocaat op de brief van het hof van 24 juni 2020 maken dit niet anders. Van enige concrete telefonische toezegging inzake (informatie over) een nadere termijn - zo al relevant- is niet gebleken. Onduidelijk is immers waarover het nog te volgen bericht inhoudelijk zou gaan.

Dat ook naar aanleiding van de brief van de advocaat van 25 juni 2020 geen nadere termijn is gegund lag voor de hand omdat het hof al op 24 juni 2020 had laten weten dat de termijn voor indienen van de gronden voor het beroep reeds was verstreken. Het betoog van [appellant] slaagt dan ook niet.

Het hof merkt hierbij ten overvloede nog op dat de alsnog door de advocaat zelfstandig gekozen nadere termijn voor indiening van de gronden van het beroep (van ruim een maand) ook geenszins is te beschouwen als het inachtnemen van bekwame spoed. Zelfs tussen 24 juni 2020 (mededeling reeds verstreken zijn van de appeltermijn) en 9 juli 2020 (indienen aanvullend beroepschrift) zijn meer dan 8 dagen verstreken.

3.12.

Nu het beroepschrift van 12 juni 2020 geen beroepsgronden bevat komt het hof tot een (ambtshalve) niet-ontvankelijk verklaring van het hoger beroep. Ten slotte merkt het hof op dat nu het vonnis waarvan beroep tijdig beschikbaar was ook een aanvullend beroepschrift dat binnen de reguliere beroepstermijn (in casu eindigend op 16 juni 2020) zou zijn ontvangen gelet op de door de advocaat van [appellant] geformuleerde omstandigheden niet tot een ontvankelijkheid zou hebben kunnen leiden. Een “blanco” beroepschrift is immers alleen toegestaan indien het vonnis waarvan beroep niet tijdig beschikbaar is en daarvan is in onderhavige zaak in het geheel geen sprake.

3.13.

Aan een inhoudelijke behandeling van de alsnog op 9 juli 2020 aangevoerde beroepsgronden wordt dan ook niet toegekomen. Derhalve geheel ten overvloede oordeelt het hof nog dat de schuldsaneringsregeling van [appellant] , ook wanneer hij in zijn hoger beroep ontvankelijk zou zijn geweest, tussentijds zou zijn beëindigd en overweegt daartoe, kort weergegeven, als volgt.

3.14.

Het hof dient, gelet op het bepaalde in artikel 350 lid 3 aanhef en sub c en d Fw te beoordelen of er bij [appellant] , in het licht van de overige omstandigheden van het geval, sprake is van het niet naar behoren nakomen van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen of het door zijn doen of nalaten anderszins belemmeren dan wel frustreren van de uitvoering van de schuldsaneringsregeling en het doen of laten ontstaan van bovenmatige schulden.

3.15.

[appellant] heeft vanaf augustus 2019 geen informatie meer verstrekt aan de bewindvoerder waardoor ook niet worden nagegaan of hij zijn sollicitatieverplichting naar behoren is nagekomen dan wel nakomt. Verificatoire bescheiden ontbreken eveneens met betrekking tot de gestelde nieuwe baan als chauffeur, die per september 2020 zou ingaan. Daarnaast heeft de bewindvoerder aangevoerd dat de uitkerings- en salarisspecificaties en de bankafschriften vanaf augustus 2019 ontbreken. Ook is de huidige woon- of verblijfplaats van [appellant] niet bekend bij de bewindvoerder.

[appellant] heeft in zijn aanvullend beroepschrift, los van zijn ontvankelijkheid, hier ook geen grief tegen gericht zodat dit oordeel in hoger beroep in geval van ontvankelijkheid rechtens onaantastbaar zou zijn geworden.

Daarnaast staat in rechte vast dat [appellant] (met zijn ex-echtgenote) hoofdelijk aansprakelijk is voor de schuld aan ISD Brabantse Wal. Het tegen het besluit van ISD Brabantse Wal ingestelde beroep is door de bestuursrechter immers ongegrond verklaard. Dat [appellant] met deze schuldeiser zou zijn overeengekomen dat hij nog slechts voor de helft van deze schuld aansprakelijk zal worden gesteld heeft hij niet middels verificatoire bescheiden dan wel anderszins aannemelijk weten te maken.

Tevens heeft hij nog andere schulden laten ontstaan. [appellant] heeft in eerste aanleg aangevoerd dat deze schulden inmiddels bijna zijn afgelost, echter de bewijsstukken hiervan ontbreken, ook nu nog in hoger beroep. Een plan van aanpak waaruit genoegzaam herleid kan worden dat [appellant] in staat moet worden geacht om zijn nieuwe schulden binnen de (al dan niet verlengde) looptijd van zijn schuldsaneringsregeling geheel te voldoen ontbreekt eveneens. Ook heeft [appellant] geen bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat zijn schuld aan verhuurder [verhuurder] daadwerkelijk is afgelost, althans niet meer bestaat.

Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] niet zouden kunnen worden verweten (vgl. HR 12 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI0455).

3.16.

Gelet op het voorgaande (in het bijzonder onder 3.7 tot en met 3.12) is [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, J.W. van Rijkom en H.A.G. Fikkers en in het openbaar uitgesproken op 3 september 2020.