Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2723

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.266.463_01 en 200.266.465_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Zaaknummers: 200.266.463/01 en 200.266.465/01

Zaaknummers eerste aanleg: C/03/260276/ FA RK 19-429 en

C/03/260277/ FA RK 19-430

beschikking van de meervoudige kamer van 3 september 2020

in de zaken in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te

[woonplaats] , (België),

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. M.W.M. van Doorn,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te

[woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. I.P. Sigmond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 29 mei 2019.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 19 september 2019 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 29 mei 2019.

2.2.

Ter griffie van het hof is geen verweerschrift ontvangen.

2.3.

Deze zaken zijn ter griffie geadministreerd onder de zaaknummers 200.266.463/01 (verdeling huwelijksvermogen) en 200.266.465/01 (levensonderhoud). De zaken worden gelijktijdig beslist.

2.4.

De op 26 mei 2020 geplande mondelinge behandeling heeft in verband met de maatregelen van het RIVM ter voorkoming van verspreiding van COVID-19 niet plaatsgevonden.

Partijen hebben het hof bericht dat de zaak zonder mondelinge behandeling kan worden afgedaan, hetgeen op 15 juli 2020 door de griffie aan partijen is bevestigd.

Gelet op het voorgaande neemt het hof zonder mondelinge behandeling een beslissing in deze zaken.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 25 juli 2008 te Tongeren (België) met elkaar gehuwd.

3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank naar aanleiding van het door de vrouw ingediende verzoekschrift tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 25 november 2019 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts bepaald dat de man met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand € 500,- per maand dient te betalen als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie). Verder heeft de rechtbank de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vastgesteld inhoudende dat de Fiat Punto Sport aan de man wordt toebedeeld en bepaald dat de man wegens overbedeling aan de vrouw zal voldoen een bedrag van € 750,-.

4.2.

De bestreden beschikking is een bij verstek gegeven beschikking nu de man noch in persoon noch anderszins in de procedure in eerste aanleg is verschenen.

4.3.

De grieven van de man zien, ten aanzien van de partneralimentatie, op de behoefte en de behoeftigheid van de vrouw en op de draagkracht van de man, en, ten aanzien van de verdeling van de gemeenschap, op de auto Fiat Punto Sport en op de schulden van partijen die ook in de verdeling moeten worden betrokken.

De man heeft verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

A. de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud te bepalen op nihil, dan wel op een bedrag dat het hof juist acht en met ingang van een datum die het hof juist acht;

B. de verdeling tussen partijen vast te stellen en te bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn en blijven voor de bestaande gemeenschapsschulden, zoals deze blijken uit het schuldenoverzicht d.d. 14 maart 2016.

5 De motivering van de beslissing

In de beide zaken

5.1.

Nu de man de Belgische nationaliteit heeft en de vrouw de Nederlandse nationaliteit heeft deze zaak een internationaal karakter. Het hof overweegt, evenals de rechtbank, dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake de echtscheiding en partneralimentatie het Nederlands recht van toepassing is en ter zake de verdeling van het huwelijksvermogen het Belgisch recht.

Ontvankelijkheid

5.2.1.

De man heeft gesteld dat de bestreden beschikking tot op de datum van indiening van het beroepschrift niet aan hem is betekend en dat hij mitsdien tijdig beroep is gekomen.

De vrouw heeft die stellingen van de man niet weersproken.

5.2.2.

Het hof overweegt het navolgende.

In artikel 820, lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat, in afwijking van het bepaalde in artikel 358, lid 2 Rv, de echtgenoot die in eerste aanleg niet in de procedure is verschenen tegen een beschikking waarbij een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed is toegewezen, hoger beroep kan instellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking aan hem in persoon, dan wel binnen drie maanden nadat zij op andere wijze is betekend en overeenkomstig het tweede lid openlijk bekend is gemaakt (hof: publicatie in de Staatscourant).

Gelet op de door de vrouw niet weersproken stelling van de man dat de echtscheidingsbeschikking niet aan hem is betekend, noch in persoon noch op andere wijze, en uit de stukken ook niet is gebleken dat de echtscheidingsbeschikking door publicatie in de Staatscourant openlijk bekend is gemaakt, gaat het hof ervan uit dat de termijn voor het instellen van hoger beroep op de datum van indiening van het beroepschrift door de man niet was verstreken, zodat de man tijdig hoger beroep heeft ingesteld en hij ontvankelijk is in zijn hoger beroep.

Vol appel

5.3.

Het hof stelt vast dat de man vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. De man heeft echter geen grief aangevoerd tegen de bij de beschikking uitgesproken echtscheiding, zodat het hof het verzoek van de man in zoverre zal afwijzen en de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Partneralimentatie

5.4.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg het navolgende gesteld. De vrouw heeft een uitkering op basis van de Participatiewet en zij is daarmee behoeftig. De vrouw heeft een behoefte aan partneralimentatie van € 1.200,- per maand en zij verzoekt de man bij te dragen in haar levensonderhoud met een bedrag van € 500,- per maand.

5.4.2.

De man heeft in hoger beroep betoogd, kort samengevat, dat het netto gezinsinkomen van partijen ongeveer € 1.500,- netto per maand bedroeg, bestaande uit de invaliditeitsuitkering van de man, en dat de behoefte van de vrouw aan de hand van de formule 60% x

€ 1.500,- kan worden bepaald op € 900,- netto per maand. Sinds het feitelijk uiteengaan van partijen in februari 2018 heeft de vrouw ruim de tijd gehad om te solliciteren en een baan te zoeken en daarmee haar verdiencapaciteit te benutten. De vrouw moet in staat worden geacht in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien.

5.4.3.

Het hof overweegt als volgt.

De vrouw heeft in eerste aanleg gesteld dat zij behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud van € 1.200,- per maand en dat zij behoeftig is. De man heeft die stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De vrouw heeft daarop in hoger beroep geen verweer gevoerd. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stellingen, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft onderbouwd, hetgeen wel op haar weg had gelegen. De vrouw heeft niet aan haar stelplicht voldaan. Niet is komen vast te staan dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man in haar levensonderhoud. Het hof zal het betreffende verzoek van de vrouw alsnog afwijzen.

Aan de beoordeling van de draagkracht van de man komt het hof niet toe.

Verdeling

5.5.

Het hof stelt, evenals de rechtbank, vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen. Tussen partijen is niet in geschil dat het Belgisch recht van toepassing is.

De Fiat Punto Sport

5.6.1.

De vrouw heeft in eerste aanleg, kort samengevat, gesteld dat de Fiat Punto Sport (hierna ook: de auto) tussen partijen dient te worden verdeeld, dat de auto een getaxeerde waarde heeft van € 1.500,-, dat deze aan de man kan worden toebedeeld en dat de man aan de vrouw ter zake overbedeling een bedrag moet voldoen van € 750,-.

5.6.2.

De man heeft in hoger beroep, verkort weergegeven, het navolgende aangevoerd. De Fiat Punto Sport, met kenteken [kenteken] , behoort niet tot de gemeenschap van partijen en dient niet in de verdeling te worden betrokken. De auto is eigendom van de vader van de man, de heer [de vader van de man] (hierna ook: [de vader van de man] ). De auto staat, zoals blijkt uit het als bijlage 3 bij het beroepschrift overgelegde kentekenbewijs, sinds 4 mei 2015 ook geregistreerd op naam van [de vader van de man] Partijen mochten (slechts) gebruik maken van deze auto. De vrouw is daarmee genoegzaam bekend. Van verdeling van de auto en dus van toedeling en van een uitkering wegens overbedeling kan geen sprake zijn.

5.6.3.

Het hof is van oordeel dat de man in hoger beroep de stellingen van de vrouw ten aanzien van de auto voldoende gemotiveerd heeft weersproken. De vrouw heeft daarop de grondslag van haar verzoek niet voldoende onderbouwd hetgeen wel op haar weg had gelegen. Derhalve is onvoldoende gesteld om vast te stellen dat de auto tot de gemeenschap behoort, zodat er van verdeling, toedeling en overbedeling geen sprake is. De betreffende verzoeken van de vrouw zullen alsnog worden afgewezen.

Schulden

5.7.1.

De man heeft in hoger beroep het navolgende gesteld. Er zijn gemeenschapsschulden ten bedrage van ongeveer € 23.000,-. Partijen zijn bij beschikking van de arbeidsrechtbank Antwerpen op 2 februari 2015 toegelaten tot de minnelijke aanzuiveringsregeling met benoeming van mr. [schuldregelaar] , advocaat de [kantoorplaats] , als schuldregelaar. De schuldregelaar heeft op 14 maart 2016 een voorstel aan de schuldeisers gedaan om over te gaan tot volledige kwijtschelding van alle schulden van toen totaal € 23.615,43, zoals blijkt uit de bij het beroepschrift overgelegde bijlage 3, maar diverse schuldeisers hebben bezwaar aangetekend, zodat alle schulden nog openstaan. Deze schulden zijn bij de vrouw bekend en zij heeft daarvan in eerste aanleg ten onrechte geen melding gemaakt. Partijen dienen ieder voor de helft draagplichtig te zijn en blijven voor deze schulden.

De vrouw heeft de stelling van de man niet weersproken.

5.7.2.

Het hof is van oordeel dat het niet mogelijk is om de verdeling, althans de onderlinge draagplicht van partijen ter zake de schulden, vast te stellen zoals door de man is verzocht. De man heeft pas voor het eerst in hoger beroep de schulden ter sprake gebracht. Weliswaar blijkt uit de door de man overgelegde bijlage 3 dat dat de totale schuldenlast op 14 maart 2016 € 23.615,43 bedroeg, doch de man heeft onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan kan worden vastgesteld wat de omvang van de thans bestaande schulden is, althans ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding terwijl deze schulden na 16 maart 2016 kunnen zijn opgelopen door toegenomen rente en kosten, dan wel kunnen zijn afgenomen door eventuele aflossingen of mogelijk zelfs (alsnog) door individuele schuldeisers kunnen zijn kwijtgescholden. Nu de man op dit punt niet, althans niet voldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan en het hof evenmin over de voldoende en benodigde verificatoire gegevens ter zake de omvang van de thans bestaande schulden beschikt, zal het hof het betreffende verzoek van de man afwijzen.

5.8.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

op de zaken 200.266.463/01 en 200.266.465/01:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 29 mei 2019 uitsluitend voor zover het betreft de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud, alsmede de verdeling van het huwelijksvermogen ter zake de Fiat Punt Sport en de veroordeling van de man tot voldoening van € 750,- wegens overbedeling,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud van € 500,- per maand;

wijst af de verzoeken van de vrouw om in het kader van de verdeling van het huwelijksvermogen aan de man toe te delen de Fiat Punt Sport en de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 750,-;

wijst af het door de man verzochte;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg (Maastricht) van 29 mei 2019 voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en

M.I. Peereboom-van Drunick en is op 3 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.