Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2722

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
03-09-2020
Datum publicatie
08-09-2020
Zaaknummer
200.265.671_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie

Bijdrage jongmeerderjarige

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 3 september 2020

Zaaknummer: 200.265.671/01

zaaknummer eerste aanleg: C/01/336406 / FA RK 18-3527

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. R.J.S. Houtackers,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

en

[jongmeerderjarige]

hierna te noemen: [jongmeerderjarige] ,

wonende te [woonplaats] ,

in deze zaak vertegenwoordigd door de vrouw,

advocaat: mr. K.C.A. Ariëns,

Deze zaak gaat over (onder meer) de hierna te noemen minderjarigen

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] ,

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

1.1.

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de hierboven genoemde beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2019.

1.2.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 4 juni 2019 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2.2.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank voorts, voor zover thans van belang, het navolgende bepaald. [minderjarige 2] heeft het hoofdverblijf bij de man, [minderjarige 1] heeft het hoofdverblijf bij de vrouw. Verder heeft de rechtbank een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken bepaald als volgt:

- de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven afwisselend de ene week bij de man en de andere week bij de vrouw, waarbij als wisselmoment heeft te gelden vrijdagavond 20.00 uur en waarbij [minderjarige 2] in de week dat hij bij de vrouw is, gedurende dinsdag- en woensdagmiddag uit school naar de man gaat, waar hij dan tot 17.00 uur blijft;

- de minderjarige [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven gedurende de zomervakantie 2019 de eerste drie weken bij de vrouw en daarna drie weken bij de man;

- de overige vakanties worden in onderling overleg bij helfte gedeeld.

Ten slotte heeft de rechtbank een door de vrouw aan de man met ingang van de datum van de bestreden beschikking te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van [minderjarige 2] bepaald van € 123,42 per maand en een door de man aan de vrouw met ingang van de datum van de bestreden beschikking te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige 1] van € 5,83 per maand en voor (de thans jong-meerderjarige) [jongmeerderjarige] van € 93,57 per maand.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 september 2019, heeft de man in principaal hoger beroep verzocht voormelde beschikking te vernietigen, uitsluitend wat betreft het hoofdverblijf van [minderjarige 1] , de kinderalimentatie en verdeling van de zorg- en contactregeling van [minderjarige 1] en van [minderjarige 2] , en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man te bepalen;

- te bepalen dat [minderjarige 1] , net als [minderjarige 2] , in de week dat zij bij de vrouw is gedurende dinsdag- en woensdagmiddag uit school naar de man gaat tot 17.00 uur, alsmede aanvullend op vrijdagmiddag uit school;

- te bepalen dat [minderjarige 2] tot het einde van het jaar en zoveel langer als het rooster ongewijzigd blijft, naar de man toekomt op maandag tussen 17.00 uur en 19.00 uur en woensdag blijft tot 19.30 uur;

en te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 140,-, dan wel minimaal € 123,42 per maand dient te betalen aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] met ingang van de datum van de beschikking, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en de kinderalimentatie die de man nu nog voor [minderjarige 1] moet betalen vanaf dat moment te laten vervallen. Kosten rechtens.

2.2.1.

Bij verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met productie, ingekomen ter griffie op 22 oktober 2019, heeft de vrouw in het principaal hoger beroep verzocht de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het hoger beroep ongegrond te verklaren, zo nodig met verbetering van de gronden.

2.2.2.

Tevens heeft de vrouw incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen, naar het hof begrijpt uitsluitend wat betreft de kinderalimentatie en in zoverre opnieuw rechtdoende, de bijdrage van de vrouw in de kosten van [minderjarige 2] en de bijdrage van de man in de kosten van [minderjarige 1] , te stellen op een nader te noemen bedrag, per een andere te noemen datum.

2.3.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 3 december 2019, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar incidentele hoger beroep, althans het incidenteel hoger beroep ongegrond te verklaren. Kosten rechtens.

2.4.

Bij aanvullend verzoek in incidenteel hoger beroep heeft de vrouw verzocht de bijdrage van de vrouw in de kosten van [minderjarige 2] vast te stellen op € 149,- per maand en de bijdrage van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [jongmeerderjarige] vast te stellen op respectievelijk € 111,- en € 200,- per maand, totaal op € 311,- per maand, met ingang van de datum van de beschikking van het hof, althans per 1 januari 2021, althans met ingang van een datum die het hof juist acht.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en door de beëdigd tolk mevrouw T.B.H. Vu (tolknummer 1267);

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

2.5.1.

Het hof heeft de minderjarigen in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

2.5.2.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben hiervan gebruik gemaakt. Zij zijn voorafgaand aan de mondelinge behandeling buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 30 april 2019;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de man d.d. 28 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 29 mei 2020;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 mei 2020 met bijlagen, ingekomen op 2 juni 2020;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van vrouw van 2 juni 2020 met als bijlage de procesvolmacht van [jongmeerderjarige] , waarin [jongmeerderjarige] de vrouw machtigt om haar in deze procedure bij het hof te vertegenwoordigen, ingekomen op 3 juni 2020;

  • -

    het journaalbericht van de zijde van de man van 8 juni 2020 met bijlagen, ingekomen op 9 juni 2020.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

3.1.

Partijen zijn op 1 juli 2005 te Oss met elkaar gehuwd.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] ( [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ) op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] .

De vrouw heeft tevens een kind uit een eerdere relatie, de inmiddels jong-meerderjarige:

- [jongmeerderjarige] ( [jongmeerderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Vietnam).

De man heeft [jongmeerderjarige] voorafgaand aan het huwelijk erkend.

3.2.

Beide partijen kunnen zich met de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2019 niet verenigen. Het hof zal de grieven van partijen in het principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk en per onderwerp bespreken.

Met betrekking tot het hoofdverblijf en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

3.3.1.

De man heeft, kort samengevat het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft ten onrechte het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de vrouw bepaald met de financiële gevolgen van dien. Waar de man geen kindgebonden budget voor [minderjarige 1] ontvangt en de vrouw wel het gehele kindgebonden budget voor [minderjarige 1] ontvangt, moet de man, in zijn visie ten onrechte, wel kinderalimentatie voor [minderjarige 1] aan de vrouw betalen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man om te bepalen dat [minderjarige 1] in de week dat zij bij de vrouw verblijft, net als [minderjarige 2] , op dinsdag- en woensdagmiddag na school naar de man gaat, afgewezen. De vrouw zou in de week dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij haar verblijven steeds om 17.00 uur thuis zijn, doch in de praktijk blijkt dat bijna nimmer het geval te zijn. [minderjarige 1] is ook op vrijdagmiddag vaak al uit school als de vrouw nog aan het werk is en dan heeft zij steun nodig om haar verhaal kwijt te kunnen en het huiswerk te bespreken. [minderjarige 1] gaat naar de middelbare school en zij is te jong om een hele week alleen thuis te komen. De vrouw laat, in de visie van de man ten onrechte, de zorg voor [minderjarige 1] vaak over aan [jongmeerderjarige] , die net 18 jaar is geworden en aan wie geen structurele opvoedingstaken moeten worden toegedeeld. De man past graag op de kinderen en hij wil graag de feitelijke zorg voor de kinderen op zich nemen. In verband met het gewijzigde werkrooster van de vrouw verzoekt de man verder, in ieder geval tot het einde van het jaar, dat [minderjarige 2] , in de week dat hij bij de vrouw verblijft, niet alleen op dinsdag- en woensdag na school, maar ook op maandag tussen 17.00 uur en 19.00 uur bij de man verblijft en woensdag, niet zoals bij de bestreden beschikking is bepaald tot 17.00 uur bij de man verblijft, maar dan tot 19.00 uur.

3.4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd weersproken. Het verzoek van de man lijkt te zijn ingegeven door financiële redenen. Partijen hebben een co-ouderschapsregeling waarbij partijen week/op week af voor de kinderen, zorgen. Het past bij de ontwikkeling van [minderjarige 1] om af en toe op zichzelf te zijn aangewezen, zoals de raad in eerste aanleg ook heeft verklaard. [minderjarige 1] vindt het prettig om af en toe tijd voor zichzelf te hebben, zonder ouders die haar ‘op de lip zitten’ en zij kan goed met [jongmeerderjarige] overweg. Ter mondelinge behandeling heeft de vrouw verklaard dat zij incidenteel laat is thuisgekomen in verband met de koop van een woning. Als de vrouw vroeg naar haar werk moet houdt zij contact met [minderjarige 1] via de telefoon. De werktijden zijn flexibel in die zin dat de vrouw een kortere lunchpauze kan nemen en daardoor eerder naar huis kan. Partijen wonen 500 meter van elkaar af (1 minuut per fiets) en als [minderjarige 1] behoefte heeft aan een luisterend oor, dan kan zij gewoon naar de man gaan. [minderjarige 1] heeft een eigen mening. De man legt te veel druk op haar.

3.4.3.

De raad heeft ter mondelinge behandeling geconstateerd dat het goed gaat met de kinderen, wat een groot goed is. De ouders zouden elkaar niet moeten controleren op elkaars opvoeding. Waarom procederen over dit soort zaken? De ouders denken anders over opvoedkundige zaken, maar de kinderen kunnen daar prima mee overweg. Met procederen bereikt de man niet dat de vrouw het anders gaat doen. Ouders hoeven niet op één lijn te zitten, zij moeten wel consequent zijn. [minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn pubers en die moet je hun gang laten gaan. [minderjarige 1] moet zelfstandig worden en daar de ruimte voor krijgen. Heb vertrouwen als ouders, de pubertijd gaat voorbij, het gaat goed met de kinderen. Wat de kinderen in de basis is meegegeven komt er als ze zich verder ontwikkelen ook weer uit. De raad adviseert dan ook de bestreden beschikking te handhaven.

3.4.3.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

Het hof overweegt dat de redenen die de man heeft aangevoerd tot wijziging van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] strikt genomen alleen betrekking hebben op de omgang met [minderjarige 1] en op de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. In hetgeen de man heeft aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om het hoofdverblijf van [minderjarige 1] bij de man te bepalen.

Het hof ziet in de stukken en het verhandelde ter mondelinge behandeling evenmin aanleiding om een andere beslissing te nemen dan de rechtbank wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, noch ten aanzien van [minderjarige 2] , noch ten aanzien van [minderjarige 1] .

Het verblijf van [minderjarige 2] bij de man op dinsdag- en woensdagmiddag in de week dat hij bij de vrouw verblijft, is uitgangspunt. De veranderde werktijden van de vrouw, zoals door de man gesteld, vormen geen aanleiding om de door de rechtbank vastgestelde regeling te wijzigen. Er zal in de toekomst wel vaker sprake zijn van een gewijzigde omstandigheid en dan ligt het op de weg van de ouders om in onderling overleg èn mede in overleg met [minderjarige 2] de vastgestelde regeling eventueel aan de gewijzigde omstandigheden aan te passen. Het hof acht alle betrokkenen daartoe in staat.

Voor [minderjarige 1] overweegt het hof dat de man zich weliswaar zorgen maakt, maar dat de vrouw de stellingen van de man op dat punt ter mondelinge behandeling gemotiveerd heeft weersproken. Het hof is van oordeel dat de ouders, gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] , zij wordt 15 jaar in november, en haar groei naar zelfstandigheid, zoals ook ten aanzien van [minderjarige 2] is overwogen, in onderling overleg eventueel nadere afspraken dienen te maken, ook in overleg met [minderjarige 1] .

Gelet op het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking ten aanzien van het hoofdverblijf van [minderjarige 1] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] bekrachtigen.

Met betrekking tot de onderhoudsbijdragen voor de kinderen

Ingangsdatum

3.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat moet worden uitgegaan van 4 juni 2019 als de datum met ingang waarvan kinderalimentatie moet worden betaald, nu de vrouw zich, desgevraagd ter mondelinge behandeling, daarmee akkoord heeft verklaard.

Behoefte kinderen

3.6.

Tussen partijen is evenmin in geschil dat de behoefte van [jongmeerderjarige] (tot [geboortedatum] 2020), en van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] € 430,78 per kind per maand bedraagt (niveau 2019). Met ingang van 1 januari 2020 bedraagt de behoefte van de kinderen € 441,55 per kind per maand, zoals ter partijen ter mondelinge behandeling hebben bevestigd.

3.7.

Met ingang van [geboortedatum] 2020 is [jongmeerderjarige] jong-meerderjarig.

3.7.1.

De vrouw heeft het navolgende gesteld. [jongmeerderjarige] volgt een HBO-opleiding ‘Business International’ aan de Avans Hogeschool te [plaats] . De behoefte van [jongmeerderjarige] moet worden bepaald conform de normen voor de kosten van levensonderhoud op grond van de Wet Studiefinanciering ad € 897,56 per maand. De zorgtoeslag komt daarop in mindering. [jongmeerderjarige] heeft een lening bij DUO, zij ontvangt geen studiefinanciering in de vorm van een gift.

3.7.2.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd weersproken. De man heeft het navolgende gesteld. Er is voor [jongmeerderjarige] niet veel veranderd ten opzichte van haar behoefte als minderjarige. Indien wordt uitgegaan van de WSF norm van € 897,- per maand, moet de ontvangen zorgtoeslag in mindering worden gebracht, evenals de basishuur en de eigen inkomsten van [jongmeerderjarige] , zodat zij op eenzelfde behoefte uitkomt als [minderjarige 2] en [minderjarige 1] .

3.7.3.

Het hof gaat uit van de WSF norm van € 897,56 per maand, te weten de lening van

€ 494,39 per maand en de aanvullende beurs van € 403,17 per maand. Gelet op recente bevindingen van de Expertgroep Alimentatie is in het normbedrag al rekening gehouden met een ontvangen zorgtoeslag, zodat deze niet afzonderlijk in mindering hoeft te worden gebracht. Het hof acht het wel redelijk om, als te doen gebruikelijk, rekening te houden met een premie ziektekostenverzekering. Het hof stelt deze premie, bij gebrek aan nadere gegevens, in redelijkheid op afgerond € 100,- per maand. Nu er voor HBO studenten geen verschil bestaat tussen de situatie thuis- en uitwonen, volgt het hof de man niet in zijn stelling dat de basishuur in mindering moet worden gebracht. Ten slotte houdt het hof geen rekening met eigen inkomsten van [jongmeerderjarige] . De vrouw heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [jongmeerderjarige] vanwege de coronamaatregelen al een aantal maanden geen inkomsten meer heeft uit haar baantje bij [naam] - waar zij in de weekenden werkte tegen een loon van gemiddeld

€ 100,- à € 120,- per maand -, zodat het hof met enige eigen inkomsten van [jongmeerderjarige] op dit moment geen rekening houdt.

Gelet op het voorgaande houdt het hof met ingang van [geboortedatum] 2020 rekening met een behoefte van [jongmeerderjarige] van € 997,56 per maand.

Draagkracht van de man

3.8.1.

Tussen partijen is niet geschil dat voor de berekening van de draagkracht van de man met ingang van 4 juni 2019 moet worden uitgegaan van een WIA uitkering van de man van

€ 1.822,- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en een pensioenuitkering van € 302,25 bruto per maand. Het hof becijfert de draagkracht van de man met ingang van 4 juni 2019 op € 281,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage I). Het hof overweegt daarbij dat, conform de toepasselijke fiscale regels, geen rekening is gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting, omdat er geen sprake is van een arbeidsinkomen aan de zijde van de man. Wel is rekening gehouden met het kindgebonden budget voor [minderjarige 2] .

3.8.2.

Met ingang van [geboortedatum] 2020 berekent het hof de draagkracht van de man op basis van de WIA uitkering van € 1.865,50 bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en de pensioenuitkering van € 286,91 bruto per maand. Het hof becijfert de draagkracht van de man met ingang van [geboortedatum] 2020 op € 290,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage II).

Draagkracht van de vrouw

3.9.1.

De vrouw was tot 1 mei 2019 werkzaam bij [BV 1] BV. Uit de aangifte IB 2019 blijkt tot 1 mei 2019 een fiscaal loon van € 12.013,-. Met ingang van 1 mei 2019 is de vrouw in dienst bij [BV 2] BV en blijkt uit de aangifte IB een fiscaal loon van € 23.407,-. Gelet op de datum waarop de vrouw van baan is gewisseld, 1 mei 2019, en op de ingangsdatum voor de kinderalimentatie, 4 juni 2019, acht het hof in dit geval redelijk om voor de berekening van de draagkracht van de vrouw in 2019 uit te gaan van het fiscaal inkomen dat de vrouw met haar nieuwe baan feitelijk heeft gegenereerd. Gelet op het fiscaal loon van € 23.407,- (vanaf 1 mei 2019), stelt het hof het fiscaal jaarinkomen van de vrouw in 2019 (geëxtrapoleerd) op € 35.110,-. Het hof becijfert de draagkracht van de vrouw met ingang van 4 juni 2019 op € 645,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage III). Gelet op de leeftijd van [minderjarige 1] heeft de vrouw geen recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Zij ontvangt wel het kindgebonden budget.

3.9.2.

Met ingang van [geboortedatum] 2020 gaat het hof uit van een salaris van de vrouw van

€ 2.568,15 bruto per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde loonstroken van februari, maart en april 2020, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Dit loon wordt vermeerderd met een bedrag ter zake overwerk van gemiddeld € 215,- bruto per maand. Partijen hebben zich daarmee, na debat ter mondelinge behandeling, akkoord verklaard. Van een bonus of dertiende maand, zoals de man heeft gesteld, is niet gebleken. Het hof gaat er verder vanuit dat de vrouw de vergoeding woon-werkverkeer van € 63,67 per maand ook feitelijk verbruikt, zodat daarmee geen rekening is gehouden.

Ten slotte houdt het hof rekening met een pensioenpremie van € 195,41 per maand en een aanvullende pensioenpremie van € 15,- per maand. Het hof becijfert de draagkracht van de vrouw met ingang van [geboortedatum] 2020 op € 566,- per maand, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening (bijlage IV).

Zorgkorting

3.10.

Tussen partijen is niet in geschil, zoals ook met hen ter mondelinge behandeling besproken, dat voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 35%. [jongmeerderjarige] heeft geen contact met de man, zodat voor haar geen rekening gehouden hoeft te worden met zorgkorting. Na haar 18e verjaardag geldt de zorgkorting in het geheel niet meer.

Draagkrachtvergelijking

3.11.1.

Met ingang van 4 juni 2019 hebben partijen onvoldoende draagkracht om geheel in de kosten van de kinderen te voorzien. Nu de draagkracht van partijen tezamen onvoldoende is om volledig in de kosten van de kinderen te voorzien en het tekort kleiner is dan tweemaal de zorgkorting (voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ), wordt het tekort voor de helft aan partijen toegerekend.

3.11.2.

Voor de vrouw betekent dit dat zij met ingang van 4 juni 2019 een kinderalimentatie voor [minderjarige 2] aan de man dient te voldoen van € 125,- per maand. Het hof realiseert zich dat de vrouw in haar aanvullend verzoek een bedrag van € 149,- heeft genoemd, maar dat verzoek is alleen gedaan in de situatie dat de man een hogere bijdrage voor [minderjarige 1] en [jongmeerderjarige] zou gaan betalen, hetgeen niet het geval is, zo blijkt uit het navolgende. Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2020 € 128,13 per maand.

3.11.3.

Voor de man betekent dit dat hij met ingang van 4 juni 2019 een kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] aan de vrouw moet voldoen van € 94,- per maand. Nu de man geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de door hem voor [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie van € 5,83 per maand dient het hof de bestreden beschikking op dat punt bekrachtigen, althans zal het hof, voor de leesbaarheid van het dictum, de door de man voor [minderjarige 1] te betalen kinderalimentatie bepalen op hetzelfde bedrag als de rechtbank heeft bepaald. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende bijlage A.

Analoog aan de wettelijke indexering bedraagt de kinderalimentatie voor [jongmeerderjarige] met ingang van 1 januari 2020 € 96,35 per maand en voor [minderjarige 1] met ingang van 1 januari 2020 € 5,98 per maand.

3.12.1.

Met ingang van [geboortedatum] 2020 houdt het hof rekening met de geïndexeerde behoefte van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] van € 441,55 per kind per maand en met een behoefte van [jongmeerderjarige] van

€ 997,56 per maand.

Met ingang van [geboortedatum] 2020 hebben partijen onvoldoende draagkracht om geheel in de kosten van de kinderen te voorzien. Nu de draagkracht van partijen tezamen onvoldoende is om volledig in de kosten van de kinderen te voorzien en het tekort kleiner is dan tweemaal de zorgkorting (voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] ), wordt het tekort voor de helft aan partijen toegerekend. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende bijlage B.

3.12.2.

Voor de vrouw betekent dit dat zij met ingang van [geboortedatum] 2020 voor [minderjarige 2] een kinderalimentatie dient te voldoen van € 98,- per maand. Weliswaar heeft de vrouw verzocht een kinderalimentatie te bepalen van € 149,- per maand, maar de door de vrouw verzochte alimentatiebedragen zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden, zodat het hof de door de vrouw voor [minderjarige 2] te betalen kinderalimentatie in redelijkheid stelt op € 98,- per maand (zie bijlage B).

3.12.3.

Voor de man betekent dit dat hij met ingang van [geboortedatum] 2020 een bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie van kinderalimentatie aan [jongmeerderjarige] moet voldoen van

€ 154,- per maand en voor [minderjarige 1] een kinderalimentatie van € 34,- per maand. Het hof verwijst naar de aan deze beschikking gehechte en van deze beschikking deel uitmakende bijlage B.

3.13.

In en voorzover een der partijen op grond van deze beschikking tot de datum van deze beschikking enige bijdrage te veel zou hebben betaald, hoeft de andere partij die bijdrage niet terug te betalen nu de bijdragen geacht worden te zijn verteerd.

3.14.

Ten slotte heeft de man ter mondelinge behandeling aangevoerd dat hij maandelijks huurkosten heeft ter zake een laptop voor [minderjarige 1] die de vrouw naar zijn mening moet betalen. De vrouw heeft de stelling van de man gemotiveerd weersproken. Het had op de weg van de man gelegen zijn stelling met voldoende feiten te onderbouwen. Nu de man dat heeft nagelaten dienen de huurkosten van de laptop voor [minderjarige 1] voor rekening van de man te komen.

De man heeft ter mondelinge behandeling voorts gesteld dat hij kosten voor steunzolen voor [minderjarige 1] heeft gemaakt. De vrouw heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij deze kosten, voor zover de ziektekostenverzekering deze niet vergoedt, voor haar rekening zal nemen zodra de man haar de betreffende factuur ter beschikking heeft gesteld.

Proceskosten

3.15.

Het hof compenseert de proceskosten van dit hoger beroep, in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt, nu partijen gescheiden echtelieden zijn en de procedure de onderhoudsbijdrage voor de kinderen betreft.

3.16.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2019 uitsluitend voor zover het de door de vrouw aan de man en de door de man aan de vrouw te bepalen onderhoudsbijdragen voor [minderjarige 2] , [minderjarige 1] en [jongmeerderjarige] betreft,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ,

moet betalen:

- over de periode van 4 juni 2019 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 125,- per maand,

- over de periode van 1 januari 2020 tot en met 11 april 2020 een bedrag van

€ 128,13 per maand;

- met ingang van [geboortedatum] 2020 een bedrag € 98,- per maand;

de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] ,

moet betalen:

- over de periode van 4 juni 2019 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 5,83 per maand,

- over de periode van 1 januari 2020 tot en met 11 april 2020 een bedrag van € 5,98,- per maand;

- met ingang van [geboortedatum] 2020 een bedrag van € 34,- per maand;

de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van:

- [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Vietnam),

moet betalen:

- over de periode van 4 juni 2019 tot en met 31 december 2019 een bedrag van € 94,- per maand,

- over de periode van 1 januari 2020 tot en met 11 april 2020 een bedrag van € 96,35 per maand;

bepaalt dat de man aan:

- [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] (Vietnam),

met ingang van [geboortedatum] 2020 als bijdrage in haar kosten van levensonderhoud en studie moet voldoen een bedrag van € 154,- per maand, de nog niet verschenen termijnen bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 4 juni 2019, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat elk van de partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma- Beversluis, C.D.M. Lamers en

P. Vlaardingerbroek en is op 3 september 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.