Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2709

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
200.263.164_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:3690
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot nakoming koopovereenkomst auto door curator. Beroep op faillissementspauliana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2020-0253
JOR 2021/20 met annotatie van Loesberg, E.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.263.164/01

arrest van 1 september 2020

in de zaak van

[de vennootschap] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [de vennootschap] ,

advocaat: mr. R.G.P. Voragen te Heerlen,

tegen

[curator] in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [gefailleerde] ,

kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de curator,

advocaat: mr. W.C.G.J. Sterk te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 16 juli 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 17 april 2019, door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, gewezen tussen [de vennootschap] als gedaagde en de curator als eiser.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7017691 \ CV EXPL 18-3822)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.

De heren [gefailleerde] en [aandeelhouder] (hierna respectievelijk: [gefailleerde] en [aandeelhouder] ) zijn ieder voor de helft aandeelhouder van [de vennootschap] . Tevens vormen zij samen het bestuur van [de vennootschap] .

3.1.1.

Op 5 februari 2015 heeft [gefailleerde] zijn auto, [merk voertuig] met kenteken [nummer kenteken] (hierna: de auto), voor € 10.000,00 verkocht aan [de vennootschap] . De koopovereenkomst is niet schriftelijk vastgelegd. De auto is op enig moment aan [de vennootschap] geleverd.

3.1.2.

Bij vonnis van de rechtbank Limburg van 10 november 2015 is [gefailleerde] in staat van faillissement verklaard met benoeming van [curator] tot curator.

3.1.3.

Bij brief van 13 november 2015 heeft de curator aan [de vennootschap] onder meer het volgende geschreven:

“ [gefailleerde] heeft mij meegedeeld dat hij zijn voertuig: merk [merk voertuig] met het kenteken [nummer kenteken] , op 5 februari 2015 heeft verkocht aan [de vennootschap] waarin hij voor 50% als aandeelhouder deelneemt. Er zou volgens hem een koopprijs van € 10.000,00 zijn betaald. (..) Volgens [gefailleerde] is er geen schriftelijke overeenkomst gemaakt en is de koopprijs contant betaald. De verkoop heeft onverplicht plaats gevonden.

Door deze verkoop en levering is genoemd voertuig aan het verhaal onttrokken, zodat de schuldeisers in het faillissement hoe dan ook zijn benadeeld. De wetenschap van benadeling bij [de vennootschap] wordt vermoed aanwezig te zijn op grond van art. 43 lid 1 sub 3b FW. Failliet neemt immers voor 50% deel in het kapitaal van [de vennootschap]

Gelet op het voorgaande vernietig ik ex art. 42 jo. 43 lid 1 sub 3b FW de gepretenteerde koopovereenkomst tussen failliet en [de vennootschap] alsmede de daaruit voortvloeiende leveringshandeling/eigendomsoverdracht als gevolg waarvan de auto, althans de (markt)waarde daarvan de boedel toebehoort. Vandaar dat ik [de vennootschap] verzoek en voor zover nodig sommeer genoemd voertuig per direct aan de boedel ter beschikking te stellen middels afgifte van de sleutels en kentekenbewijs en aanwijzing van de plaats waar het voertuig zich bevindt, dan wel aan de boedel te betalen de marktwaarde van de auto.

Mocht u aan dit verzoek niet binnen één week na heden hebben voldaan, dan zal ik de afgifte dan wel vergoeding aan de boedel na overleg met de rechter-commissaris zo nodig in rechte afdwingen.”

3.1.4.

Aan het verzoek/de sommatie van de curator heeft [de vennootschap] niet voldaan.

3.2.1.

In de onderhavige procedure heeft de curator in eerste aanleg gevorderd om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- primair [de vennootschap] te veroordelen tot betaling aan de curator, althans de boedel, van een bedrag van € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente ex art. 6:119a BW vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- subsidiair te verklaren voor recht dat de curator de (ver)koop en als uitvoering daarvan de leveringshandeling rechtsgeldig (buitengerechtelijk) heeft vernietigd met veroordeling van [de vennootschap] tot afgifte van de auto aan de boedel binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte daarvan dat [de vennootschap] in gebreke is of blijft aan deze veroordeling te voldoen;

- alsmede veroordeling van [de vennootschap] tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 875,00,

een en ander met veroordeling van [de vennootschap] in de kosten van de procedure.

3.2.2.

Aan de primaire vordering heeft de curator ten grondslag gelegd dat [de vennootschap] de betalingsverplichting uit hoofde van de koopovereenkomst ter zake de auto nog moet nakomen. Ter onderbouwing van zijn subsidiaire vordering heeft de curator een beroep gedaan op de buitengerechtelijke vernietiging van de koopovereenkomst zoals opgenomen in zijn brief aan [de vennootschap] van 13 november 2015. De curator heeft deze vernietiging gebaseerd op de faillissementspauliana.

3.2.3.

[de vennootschap] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het vonnis van 17 april 2019 heeft de kantonrechter de primaire vordering van de curator en de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten toegewezen met veroordeling van [de vennootschap] in de proceskosten.

3.3.

[de vennootschap] heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. [de vennootschap] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van de curator.

3.4.

De eerste grief van [de vennootschap] ziet onder meer op het oordeel van de kantonrechter omtrent het standpunt van [de vennootschap] dat de curator in rechte niet iets anders kan verklaren dan dat wat [gefailleerde] heeft verklaard. De kantonrechter heeft geoordeeld dat dit standpunt van [de vennootschap] onnavolgbaar is en geen hout snijdt. Tegen dit oordeel is de eerste grief gericht. Ter toelichting op deze grief heeft [de vennootschap] volstaan met te betogen dat de curator in de plaats treedt van [gefailleerde] als failliet, waardoor het niet aan de curator is om iets anders te verkondigen dan [gefailleerde] zelf. Deze opvatting vindt geen steun in het recht. Het faillissement treft louter het vermogen van de gefailleerde en niet diens persoon. De curator is belast met het beheer en de vereffening van de failliete boedel. Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden heeft curator de vrijheid om een ander standpunt in te nemen dan gefailleerde zelf. Ook kan hij in voorkomend geval bepaalde rechtshandelingen vernietigen die door de gefailleerde voorafgaand aan het faillissement zijn verricht. Gelet op het voorgaande faalt grief I in zoverre.

3.5.

Met de vijfde grief heeft [de vennootschap] betoogd dat de kantonrechter ten onrechte heeft overwogen dat de gedane bewijslevering bij dupliek tardief is. Wat er ook zij van dit oordeel, deze grief dient te worden verworpen nu [de vennootschap] hierbij onvoldoende belang heeft. De kantonrechter heeft immers onder rov 4.3.2. het door [de vennootschap] aangeleverde bewijs wel degelijk inhoudelijk behandeld en ook betrokken bij zijn oordeel.

3.6.

De overige door [de vennootschap] naar voren gebrachte grieven komen er in de kern op neer dat de kantonrechter ten onrechte de primaire vordering en de vordering tot proceskosten-veroordeling heeft toegewezen doordat hij heeft geoordeeld dat niet is bewezen door [de vennootschap] dat zij de koopprijs voor de auto van € 10.000,00 heeft betaald aan [gefailleerde] . De bewijslast van dit bevrijdende verweer rust op [de vennootschap] . In dit kader is door [de vennootschap] in eerste aanleg getuigen-bewijs aangeboden door het horen van onder meer [aandeelhouder] en [getuige] als getuigen en dat aanbod is in hoger beroep herhaald. In zoverre klaagt [de vennootschap] terecht over het bestreden vonnis, waarmee evenwel – in afwachting van genoemde bewijslevering – nog niet kan worden geoordeeld dat het vonnis daarom moet worden vernietigd. Gelet op het bepaalde in art. 166 Rv zal het hof [de vennootschap] tot dit bewijs toelaten, zoals hierna in het dictum is vermeld.

3.7.

Het hof wijst erop dat bij het slagen van een of meer van de grieven over de betaling van de koopprijs de in eerste aanleg niet behandelde gronden van de vordering van de curator opnieuw beoordeeld moeten worden, nu deze in hoger beroep niet zijn prijsgegeven. Meer concreet gaat het daarbij – samengevat – om de subsidiair door de curator gevorderde verklaring voor recht ten aanzien van de buitengerechtelijke vernietiging van de (ver)koop van de auto en de leveringshandeling ter uitvoering daarvan, met veroordeling van [de vennootschap] tot afgifte van de auto aan de boedel, op straffe van een dwangsom. De curator heeft deze subsidiaire vordering gebaseerd op de faillissementspauliana zoals bepaald in art. 42 lid 1 en 2 Fw. Daarbij heeft de curator gesteld dat de vereiste wetenschap van benadeling bij zowel [de vennootschap] als [gefailleerde] vermoed wordt aanwezig te zijn, aangezien de koopovereenkomst ter zake de auto is gesloten tussen [gefailleerde] en [de vennootschap] , een rechtspersoon waarin [gefailleerde] voor de helft deelneemt in het aandelenkapitaal. Gelet op deze omstandigheid en ook het feit dat [gefailleerde] bestuurder is van [de vennootschap] overweegt het hof dat de wetenschap van benadeling van de boedel wordt vermoed aanwezig te zijn, behoudens door [de vennootschap] te leveren tegenbewijs. Voorshands is het hof van oordeel dat door het verkopen en leveren van de auto aan [de vennootschap] de curator deze niet ten behoeve van de boedel te gelde heeft kunnen maken.

3.8.

Ook voor wat betreft het te leveren tegenbewijs ter zake de subsidiaire vordering van de curator heeft [de vennootschap] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep (getuigen)bewijs aangeboden. Het hof ziet aanleiding om [de vennootschap] reeds thans om proceseconomische redenen toe te laten om dit tegenbewijs te leveren, zoals hierna in het dictum is vermeld.

3.9.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De uitspraak

Het hof:

laat [de vennootschap] toe feiten en omstandigheden te bewijzen die de conclusie rechtvaardigen dat zij de koopprijs van € 10.000,00 voor de auto, [merk voertuig] , met kenteken [nummer kenteken] , heeft betaald aan [gefailleerde] ;

laat [de vennootschap] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen geachte stellingen dat ter zake de verkoop en levering van de auto sprake is van i) benadeling van schuldeisers en ii) wetenschap daarvan bij zowel [de vennootschap] als [gefailleerde] als bedoeld in art. 42 lid 1 Fw;

bepaalt, voor het geval [de vennootschap] bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. A.C. van Campen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 15 september 2020 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de maanden oktober, november en december 2020;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [de vennootschap] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 september 2020.

griffier rolraadsheer