Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2704

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-09-2020
Datum publicatie
02-09-2020
Zaaknummer
200.246.803_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vorderingen van erfgenamen jegens elkaar. Geen sprake van opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van een eigendomsaandeel van een goed behorende tot de gemeenschap (art. 3:194 lid 2 BW). Rekening en verantwoording op straffe van een dwangsom

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 194
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0217
JERF 2020/296
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.246.803/01

arrest van 1 september 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A. Mudde-Zeevaart te Tilburg,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerden in principaal hoger beroep,

appellanten in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. M.A. Ploemen te Kerkrade,

op het bij exploot van dagvaarding van 19 september 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 29 augustus 2018, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, gewezen tussen [appellant] als gedaagde in conventie, eiser in reconventie en [geïntimeerden] als eisers in conventie, verweerders in reconventie.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/338508 / HA ZA 17-800)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en het tussenvonnis van 21 maart 2018.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de akte uitlating van [appellant] van 30 oktober 2018;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel hoger beroep met producties;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1

In overweging 3.3 van het eindvonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de rechtbank vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts staan nog enkele andere feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet betwist, tussen partijen vast. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze relevante feiten.

3.1.1

[geïntimeerden] zijn de zoons van [appellant] en mevrouw [erflaatster] (hierna: erflaatster). [appellant] en erflaatster waren gehuwd, tussen hen bestond een wettelijke gemeenschap van goederen.

3.1.2

Erflaatster is op [datum] 2016 overleden. Zij heeft over haar nalatenschap beschikt bij testament van 3 april 1986 en wel door een ouderlijke boedelverdeling (art. 4:1167 (oud) BW). In het testament heeft erflaatster haar echtgenoot het recht gegeven om de ouderlijke boedelverdeling geheel niet te aanvaarden.

3.1.3

In de verklaring van erfrecht van 19 mei 2017 staat dat [appellant] binnen de daarvoor in het testament gestelde termijn bij onderhandse akte heeft verklaard de ouderlijke boedelverdeling geheel niet te aanvaarden.

3.1.4

[geïntimeerde 1] , [geïntimeerde 2] en [appellant] zijn ieder voor 1/3 gedeelte de erfgenamen van erflaatster.

3.1.5

Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap en de uitleg van het testament. In dat kader hebben partijen op 8 februari 2017 een minnelijke regeling gesloten die is vastgelegd in twee vaststellingsovereenkomsten: een ‘Vaststellingsovereenkomst toebedeling woning’ en een ‘Vaststellingsovereenkomst’.

3.1.6

In de Vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

Artikel 2 De woning (…)

2. De kosten verbonden aan de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] zullen worden voldaan, tot aan de verkoop en levering van de woning, van de twee genoemde bankrekeningen op naam van erflaatster (…) zonder nadere verrekening. Onder kosten wordt verstaan, de maandelijkse rente en aflossingen van de hypotheken afgesloten bij ING (…) en Nationale Nederlanden (…), de eigenaarslasten, gebruikerslasten, onderhoudslasten en verzekeringen. (…)

Artikel 3 Bankrekeningen (…)

1. De bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [rekeningnummer] , ten name van erflaatster, de bankrekening bij de ING Bank met rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van erflaatster en de heer [appellant] , de bankrekening bij Centraal Beheer [rekeningnummer] zullen na verkoop en levering van de woning aan [geïntimeerde 1] respectievelijk aan een derde, worden opgeheven.

2. Indien er na verkoop- en levering van de woning, zoals genoemd in artikel 2 een positief saldo resteert op de in artikel 3 lid 1 genoemde bankrekeningen, zal dit saldo worden verdeeld tussen partijen in de verhouding 50% voor de heer [appellant] en 25% voor [geïntimeerde 1] en 25% voor [geïntimeerde 2] . (…)

Artikel 8 Inboedelgoederen en lijfsieraden

1. De inboedelgoederen die zich in de woning aan de [adres] te [plaats] bevinden, worden toebedeeld aan [appellant] , onder verrekening van de waarde die partijen daar in onderling overleg aan hebben toegekend. (…)”.

3.1.7

Erflaatster was op het moment van overlijden voor 99/500ste deel mede-eigenaar van het appartement in de [adres] ( [postcode] ) in [plaats] , waar haar moeder destijds woonde (hierna: het appartement). Haar moeder, broers en zussen waren de overige mede-eigenaren: haar moeder voor 1/100ste deel, haar broers en zussen ieder ook voor 99/500ste deel. De eigendomsaandelen in het appartement zijn op 2 juni 2006 aan hen geleverd.

3.1.8

De moeder van erflaatster is in een overeenkomst van kwijtschelding van november 2007 met haar kinderen, waaronder erflaatster, overeengekomen dat zij de vordering op haar kinderen met betrekking tot de aankoop van het appartement jaarlijks, vanaf 2007 tot en met 2010, in gedeelten kwijtscheldt. In de overeenkomst is overeengekomen:

Deze kwijtscheldingen geschieden onder de volgende voorwaarde: (…)

Dat het kwijtgescholdene (…) niet zal vallen in enige huwelijksgoederengemeenschap (…).

In afwijking van het hiervoor bepaalde wordt de alsdan nog resterende waarde van hetgeen geacht wordt te zijn verkregen door een afstammeling van mij wel in de verdeling of verrekening betrokken in geval het huwelijk of de samenleving van die verkrijger eindigt door zijn/haar overlijden, mits hij/zij ten tijde van zijn/haar overlijden in wettelijke algehele gemeenschap van goederen was gehuwd (…)”.

3.1.9

Bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster door partijen is het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement buiten beschouwing gebleven.

3.1.10

Moeder van erflaatster is overleden op [datum] 2017. Het appartement is daarna verkocht en in 2018 geleverd aan derden. Om die reden is een bedrag van
€ 186.165,01 ontvangen. Aan [appellant] is 99/500ste deel hiervan betaald, te weten € 36.860,67.

3.2.1.

[geïntimeerden] vorderden in eerste aanleg (in conventie), na wijziging van eis, bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

i. te verklaren voor recht dat [appellant] het eigendomsaandeel in het appartement opzettelijk heeft verzwegen/zoekgemaakt en/of verborgen heeft gehouden voor [geïntimeerden] , terwijl dit eigendomsaandeel tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en erflaatster behoorde en nadien behoorde tot de nalatenschap van erflaatster;

ii. te verklaren voor recht dat het eigendomsaandeel van [appellant] in het appartement op grond van artikel 3:194 lid 2 BW door [appellant] is verbeurd en derhalve aan [geïntimeerden] toekomt;

iii. [appellant] te veroordelen tot voldoening aan [geïntimeerden] van primair € 36.860,67, subsidiair € 18.430,34 en meer subsidiair € 12.286,89, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, binnen 2 dagen na het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente als dit bedrag niet binnen veertien dagen na de datum van het vonnis is betaald aan [geïntimeerden] ;

iv. [appellant] te veroordelen de rekeningen van de cv en het riool ad € 186,65 binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te voldoen aan [geïntimeerden] , tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 juli 2017;

v. [appellant] te veroordelen de rekeningen van de kosten verband houdende met de afscheidsdienst van erflaatster van € 499,80 te voldoen aan [geïntimeerden] , binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2017;

vi. [appellant] te veroordelen tot het afleggen van rekening en verantwoording aan [geïntimeerden] conform de tussen partijen overeengekomen volmacht, door afgifte van alle bankafschriften vanaf 21 september 2016 waarop de af- en bijschrijvingen staan van de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en spaarrekening van Centraal Beheer met nummer [rekeningnummer] , binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, aan [geïntimeerden] te verstrekken, op straffe van een dwangsom;

vii. [appellant] te veroordelen tot nakoming van de in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen afspraken, in die zin dat [appellant] dient over te gaan tot verdeling van de saldi op de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en spaarrekening van Centraal Beheer met nummer [rekeningnummer] in de verhouding 50% voor [appellant] en 50% voor [geïntimeerden] door middel van betaling aan [geïntimeerden] , binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 16 juli 2017;

viii. [appellant] te veroordelen tot een schadevergoeding die in de plaats treedt van de 12 door [appellant] weggegooide dozen op zolder van € 500,00 die in eigendom toebehoorden aan [geïntimeerden] , althans een in goede justitie te bepalen bedrag, op grond van onrechtmatige daad, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te voldoen aan [geïntimeerden] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 juli 2017;

ix. [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure inclusief nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten als [appellant] deze niet binnen 14 dagen na de datum van het vonnis zal hebben betaald.

3.2.2

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

[appellant] vorderde in eerste aanleg (in reconventie), bij vonnis, voor zover rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:

1. [geïntimeerden] te veroordelen aan hem binnen 48 uur na de datum van het vonnis af te geven de in randnummer 82 van zijn conclusie genoemde roerende zaken, op straffe van een dwangsom, althans voor zover de vordering tot afgifte niet toewijsbaar is [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen aan hem een schadevergoeding te betalen van € 5.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van het instellen van deze eis;

2. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, met inbegrip van de nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van het vonnis.

3.2.3

[geïntimeerden] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Ook dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4

In het vonnis van 29 augustus 2018 heeft de rechtbank, met betrekking tot de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie onder:

i en ii: verklaard voor recht zoals door [geïntimeerden] gevorderd, in die zin dat [appellant] het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement opzettelijk heeft verzwegen voor [geïntimeerden] , terwijl dit eigendomsaandeel tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en erflaatster behoort en nadien voor de helft tot de nalatenschap van erflaatster (vonnis rov. 4.1) en het aandeel van [appellant] in het gedeelte van het appartement dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort is verbeurd en [geïntimeerden] toekomt (rov. 4.2);

iii: het subsidiair gevorderde toegewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van € 18.430,34, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling (vonnis rov. 4.3);

v: [appellant] veroordeeld om binnen veertien dagen na betekening van het vonnis aan [geïntimeerden] te betalen een bedrag van € 249,90, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 20 november 2017 tot de dag van volledige betaling (vonnis rov. 4.4);

vi: [appellant] veroordeeld om binnen vier weken na betekening van het vonnis rekening en verantwoording aan [geïntimeerden] af te leggen conform de tussen partijen overeengekomen volmacht, door afgifte van alle bankafschriften vanaf 21 september 2016 waarop de af- en bijschrijvingen staan van de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en spaarrekening van Centraal Beheer met nummer [rekeningnummer] (vonnis rov. 4.5); en

vii: [appellant] veroordeeld om de in art. 3.1 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen afspraken na te komen, in die zin dat [appellant] dient over te gaan tot verdeling van de saldi op de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en spaarrekening van Centraal Beheer met nummer [rekeningnummer] in de verhouding 50% voor [appellant] en 50% voor [geïntimeerden] , met inachtneming van hetgeen [appellant] blijkens zijn productie 1 reeds aan [geïntimeerden] heeft betaald, door binnen 14 dagen na betekening van het vonnis het [geïntimeerden] nog toekomende bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan hen te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 20 november 2017 tot de dag van volledige betaling (vonnis rov. 4.6).

De vorderingen onder iv en viii zijn afgewezen (iv: betaling van rekeningen van € 186,65 voor de cv en het riool en viii: schadevergoeding van € 500,- voor 12 weggegooide dozen). Het vonnis is wat betreft rov. 4.3 tot en met 4.6 uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De rechtbank heeft in reconventie [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeeld om aan [appellant] te betalen een bedrag van € 1.438,61, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 28 februari 2018 tot de dag van volledige betaling.

In conventie en reconventie zijn de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover het de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] onder i, ii en iii betreft (vonnis rov. 4.1, 4.2 en 4.3) en gevorderd om:

I. deze vorderingen alsnog volledig af te wijzen;

II. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen om aan [appellant] terug te betalen € 8.671,45, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 november 2018 tot de dag van volledige betaling;

III. [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

3.4

[geïntimeerden] hebben verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [appellant] . Zij hebben (in incidenteel hoger beroep) vijf grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis voor zover het de (gedeeltelijke) afwijzing betreft van hun vorderingen onder i (primair), iv, vi, vii en viii.

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep, na wijziging van eis, gevorderd om bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verkort weergegeven:
- [appellant] te veroordelen om een bedrag van € 36.860,67 te voldoen aan [geïntimeerden] , primair op grond van het verbeurde aandeel van [appellant] (art. 3:194 lid 2 BW) en de helft van het erfdeel van [geïntimeerden] in de nalatenschap van erflaatster ter zake de verdeling van het appartement en subsidiair uit hoofde van de verkoopopbrengst van het appartement, althans meer subsidiair om [appellant] te veroordelen tot betaling van € 18.430,34, zijnde de helft van het erfdeel van [geïntimeerden] in de nalatenschap van erflaatster ter zake de verdeling van het appartement, binnen twee dagen na de datum van dit arrest, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente als niet binnen veertien dagen na betekening van dit arrest is betaald (mvg in incidenteel hoger beroep, petitum onder i);

- tot het alsnog volledig toewijzen van hun vorderingen in eerste aanleg onder iv, vi, vii en viii (mvg in incidenteel hoger beroep, petitum onder ii t/m v); en

- met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide procedures inclusief nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente (mvg in incidenteel hoger beroep, petitum onder vi).

Omvang van het hoger beroep

3.5

Partijen hebben geen grief gericht tegen de in het vonnis van 29 augustus 2018 in conventie toegewezen vordering van [geïntimeerden] tot veroordeling van [appellant] tot betaling van € 249,90 wegens de afscheidsdienst van erflaatster (vordering in eerste aanleg onder v en beroepen vonnis rov. 4.4) en de in reconventie toegewezen vordering van [appellant] tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 1.438,61 als schadevergoeding voor de bloedkoralen sieraden die niet meer aan [appellant] kunnen worden afgegeven (vordering in eerste aanleg onder 1 en vonnis rov. 4.10).

Het hof verstaat de omvang van het hoger beroep daarom aldus - en zo hebben ook partijen de omvang van het hoger beroep verstaan – dat deze beslissingen niet worden bestreden.

3.6

[appellant] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [geïntimeerden] in hoger beroep. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.7.

De geschillen die partijen in hoger beroep hebben voorgelegd hebben betrekking op het volgende:

- het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement (grieven 1 tot en met 4 in principaal hoger beroep, grief I in incidenteel hoger beroep en vermeerdering van eis);

- rekeningen van de cv en het riool van € 186,65 (grief II in incidenteel hoger beroep);

- het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling tot het afleggen van rekening en verantwoording (grief III in incidenteel hoger beroep);

- het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling tot verdeling van de saldi op de bank- en spaarrekeningen (grief IV in incidenteel hoger beroep);

- schadevergoeding voor dozen met Lego van zolder (grief V in incidenteel hoger beroep).

Het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement

3.8

De rechtbank heeft, verkort weergegeven, verklaard voor recht dat dat [appellant] het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement opzettelijk heeft verzwegen voor [geïntimeerden] en dat zijn aandeel is verbeurd en aan [geïntimeerden] toekomt (vonnis rov. 4.2).

3.9

[appellant] heeft betwist dat sprake is van opzettelijk verzwijgen c.q. kwijtmaken van het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement in de zin van art. 3:194 BW. De moeder van erflaatster is overleden op [datum] 2017. [appellant] is in juli 2017 benaderd door de advocaat van [geïntimeerden] over het eigendomsaandeel in het appartement en door zijn schoonbroer op de hoogte gesteld van het mede-eigendom. [appellant] hoorde hier zes maanden na ondertekening van de vaststellingsovereenkomst voor het eerst over. [appellant] heeft in een e-mail van 31 juli 2017 aan de advocaat van [geïntimeerden] onder meer geschreven dat hij met ingang van die dag pas op de hoogte was van een mogelijk erfdeel dat erflaatster voor hem had verzwegen, zoals zij ook spaartegoed voor hem had verzwegen, aldus [appellant] .

3.10

Het hof overweegt als volgt. Bij de beoordeling of aan de kant van [appellant] sprake is van het opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement in de zin van dit artikel, moeten mede de volgende uitgangspunten in aanmerking worden genomen:

- het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet kan niet reeds worden aangenomen indien de

desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat het verzwegen goed

tot de gemeenschap behoorde (hier: [appellant] );

- gelet op de hoofdregel van art. 150 Rv, rusten stelplicht en bewijslast met betrekking tot de

feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op

artikel 3:194 lid 2 BW, op degene die zich op deze bepaling beroept (hier: [geïntimeerden] );

- aan het bewijs van het in artikel 3:194 lid 2 BW bedoelde opzet moeten hoge eisen worden gesteld (HR 22 december 2017 ECLI:NL:HR:2017:3262).

3.11

Het hof is, mede gelet op de hiervoor genoemde uitgangspunten, van oordeel dat alleen van een geslaagd beroep op art. 3:194 lid 2 BW sprake kan zijn als vast komt te staan dat [appellant] wist dat het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement na haar overlijden tot de, voor wat betreft haar onverdeeld aandeel in de gemeenschap, tot de nalatenschap behoorde en dat [appellant] daarover heeft gezwegen.

3.12

Het hof is van oordeel dat hetgeen [geïntimeerden] hebben aangevoerd ontoereikend is om wetenschap van [appellant] in de hiervoor bedoelde zin aan te kunnen nemen.

Het feit dat uit de hypotheekakte van 17 februari 2006 met betrekking tot het appartement blijkt dat [appellant] vooraf, bij onderhandse akte, zijn toestemming als bedoeld in art. 1:88 BW voor de in de hypotheekakte genoemde rechtshandelingen heeft verleend is hiervoor onvoldoende (prod. 33 cva in reconventie).

Volgens [appellant] heeft hij steeds aangegeven dat hij eind 2005/begin 2006 thuis iets getekend heeft, maar niet (meer) weet wat. Tussen het ondertekenen van dat stuk en het aangaan van de vaststellingsovereenkomsten met [geïntimeerden] is een periode van 11 jaar verstreken en [appellant] kan zich niet meer herinneren wat destijds thuis voor akkoord heeft ondertekend. Hij wist niet beter dan dat vermogen zou vrijkomen na overlijden van de moeder van erflaatster. Hij heeft altijd begrepen dat erflaatster afstand had gedaan van de nalatenschap van haar vader, zodat haar moeder kon blijven wonen waar zij woonde, aldus [appellant] .

Dit verweer van [appellant] sluit aan bij zijn e-mail van 31 juli 2017 aan de advocaat van [geïntimeerden] , die hij drie maanden na het overlijden van de moeder van erflaatster op [datum] 2017 aan hun advocaat heeft verzonden en waarin staat: “(…) Zoals u nu zelf kunt constateren kunt u zien,dat ik m.i.v. vandaag pas dus op de hoogte ben van ’n mogelijk erfdeel.Z Zoals eerder met ’n verzwegen spaartegoed heeft m’n ex dit ook voor mij verzwegen,ik wist alleen dat alle 5 de kinderen afstand hadden gedaan van hun erfdeel,zodat hun moeder in dat appartement kon gaan wonen. (…)”.

3.13

De door [geïntimeerden] in het geding gebrachte schriftelijke verklaringen van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] , waarin is geschreven dat [appellant] wist dat het appartement mede in eigendom toebehoorde aan erflaatster, hun (schoon)zus, “omdat wij allen (kinderen en partners) aanwezig waren bij de notaris voor het ondertekenen van de akte van levering (…)”, maakt het voorgaande niet anders. Volgens [appellant] is hij niet aanwezig geweest bij het ondertekenen van de akte van levering. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een e-mail van De Hair Vrijdag notarissen & adviseurs van 25 oktober 2018 in het geding gebracht waarin staat: “(…) Bijgaand zend ik de door de heer [appellant] getekende verklaring in verband met artikel 1:88 BW. De heer [appellant] was geen partij bij deze akte. Uit onze administratie komt ook naar voren dat hij op dit kantoor nimmer partij is geweest bij een akte. (…)”.

Volgens [geïntimeerden] blijkt uit deze e-mail alleen dat [appellant] geen partij was bij het passeren van de akte van levering van het appartement. Al zouden [geïntimeerden] gevolgd moeten worden in hun standpunt dat [appellant] wel bij de notaris aanwezig was ten tijde van het passeren van deze akte en een afstandsverklaring zou hebben getekend zodat hij geen aanspraak kon maken op het appartement bij faillissement en/of echtscheiding, dan had [appellant] naar het oordeel van het hof weliswaar behoren te weten dat het eigendomsaandeel in het appartement tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorde, maar in de gegeven omstandigheden kan ook in dat geval het in art. 3:194 lid 2 BW bedoelde opzettelijk verzwijgen, zoekmaken of verborgen houden van het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement aan de kant van [appellant] niet worden aangenomen. Niet gebleken is dat van [appellant] voldoende juridische kennis op dit gebied kon en mocht worden verwacht. De door [geïntimeerden] overgelegde kopie van het profiel van [appellant] op LinkedIn met een overzicht van zijn arbeidsverleden en HBO-studies (mva prod. 17) en de e-mail van [naam 5] van 7 september 2017 aan de advocaat van [geïntimeerden] , waarin over de verklaring van afstand staat: “Wij waren op at moment van tekenen, alle op het notariskantoor aanwezig (zowel moeder als kinderen en de “koude kant” (mva prod. 18), maken dit niet anders.

3.14

Al hetgeen verder nog door [geïntimeerden] is aangevoerd, waaronder begrepen dat [appellant] volgens hen voorafgaand aan het tekenen van de toestemmingsverklaring ex art. 1:88 BW een concepthypotheek- en leveringsakte zou hebben ontvangen en hij bewijsstukken zou achterhouden die waarschijnlijk duiden op het feit dat hij wist dat het eigendomsaandeel in het appartement tot de nalatenschap van erflaatster zou behoren, leidt, mede gelet op de gemotiveerde betwisting door [appellant] daarvan, niet tot een ander oordeel.

3.15

[geïntimeerden] hebben bewijs aangeboden van hun stellingen, maar er zijn door hen geen concrete feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, tot een ander oordeel van het hof zouden kunnen leiden. Om die reden worden het bewijsaanbod gepasseerd.

3.16

De conclusie is dat grieven 1 tot en met 4 van [appellant] in principaal hoger beroep op dit punt slagen. De verklaringen voor recht dat [appellant] het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement opzettelijk heeft verzwegen voor [geïntimeerden] (bestreden vonnis rov. 4.1) en dat het aandeel van [appellant] in het gedeelte van het appartement dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort door [appellant] is verbeurd en derhalve aan [geïntimeerden] toekomt (bestreden vonnis rov. 4.2), kunnen niet in stand blijven. Het hof zal die beslissingen vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de betreffende vorderingen van [geïntimeerden] alsnog afwijzen.

De veroordeling van [appellant] tot betaling van € 18.430,34 aan [geïntimeerden]

3.17

De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van € 18.430,34 (de helft van de verkoopopbrengst van het appartement), vermeerderd met de wettelijke rente (vonnis rov. 4.3). Grief I van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep richt zich tegen deze beslissing.

3.18

[geïntimeerden] voeren primair aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat [appellant] zijn aandeel in het appartement heeft verbeurd en dat hij als gevolg daarvan ook de andere helft van de verkoopopbrengst aan hen is verschuldigd, dus in totaal € 36.860,67.

Uit hetgeen hiervoor onder rov. 3.8 tot en met 3.16 is overwogen en beslist, volgt dat dit primaire betoog van [geïntimeerden] moet worden verworpen.

3.19

[geïntimeerden] voeren subsidiar aan dat [appellant] in totaal € 36.860,67 aan hen is verschuldigd omdat de huwelijksgemeenschap tussen [appellant] en erflaatster was ontbonden als gevolg van het op 16 juni 2016 door erflaatster ingediende echtscheidingsverzoek. De door de moeder van erflaatster kwijtgescholden lening van € 39.500,- ter verkrijging van het appartement en de verkoopopbrengst van 99/500ste die daarvoor in de plaats is gekomen behoorde derhalve niet tot de algehele wettelijke gemeenschap van goederen van erflaatster en [appellant] ten tijde van het overlijden van erflaatster. Volgens [geïntimeerden] hebben zij op grond van plaatsvervulling de verkoopopbrengst van € 36.860,67 verkregen, die in de plaats is gekomen van de door erflaatster kwijtgescholden lening.

3.20

[appellant] heeft hiertegenover aangevoerd dat hij en erflaatster in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Het eigendomsaandeel in het appartement is bij de levering op 2 juni 2006 tot de huwelijksgoederengemeenschap gaan behoren. De moeder van erflaatster heeft hiervoor een bedrag aan erflaatster geleend, dat vervolgens in vier jaar tijd is kwijtgescholden. Het huwelijk is door het overlijden van erflaatster ontbonden. De kwijtscheldingen zijn in de huwelijksgoederengemeenschap gevallen omdat de in de overeenkomst van kwijtschelding opgenomen ‘uitsluitingsclausule’ niet gold in geval het huwelijk van erflaatster zou worden ontbonden door haar overlijden en [appellant] en zij gehuwd waren in gemeenschap van goederen, aldus [appellant] .

3.21

Het hof volgt [appellant] hierin. Het eigendomsaandeel in het appartement viel ten tijde van de levering in de huwelijksgoederengemeenschap van [appellant] en erflaatster. Erflaatster heeft ter voldoening van de koopprijs een bedrag van haar moeder geleend, welke lening haar is kwijtgescholden. Op grond van de in de overeenkomst van kwijtschelding opgenomen ‘uitsluitingsclausule’ (zie rov. 3.1.9) viel de kwijtgescholden lening destijds niet in de huwelijksgoederengemeenschap.

Als gevolg van het overlijden van erflaatster is het huwelijk van erflaatster en [appellant] ontbonden. Dat erflaatster drie maanden voor haar overlijden een echtscheidingsprocedure bij de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch aanhangig had gemaakt, maakt dit niet anders. De rechtbank heeft bij beschikking van 25 oktober 2016 de door erflaatster en [appellant] gedane verzoeken afgewezen omdat erflaatster was overleden en het huwelijk daardoor was ontbonden. Het hof ziet hierin en ook overigens geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de huwelijk vanaf het moment van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding zou zijn geëindigd.

Omdat het huwelijk van [appellant] en erflaatster door het overlijden van erflaatster is ontbonden, is de in de overeenkomst van kwijtschelding overeengekomen ‘uitsluitingsclausule’ niet meer van toepassing. In de overeenkomst van kwijtschelding is overeengekomen dat in plaats daarvan ‘de alsdan nog resterende waarde van hetgeen geacht wordt te zijn verkregen’ (hier: het eigendomsaandeel in het appartement) wél in de verdeling of verrekening wordt betrokken.

[appellant] heeft voor de verkoop van het eigendomsaandeel in het appartement een bedrag van € 36.860,67 ontvangen. De helft van dit bedrag komt toe aan de nalatenschap van erflaatster (€ 18.430,34), waarvan aan [appellant] , [geïntimeerden] ieder 1/3 deel toekomt (ieder € 6.143,45).

Dat betekent dat [appellant] € 12.286,90 aan [geïntimeerden] is verschuldigd.

3.22

De conclusie is dat grieven 1 tot en met 4 van [appellant] in principaal hoger beroep ook op dit punt slagen en dat grief I van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep faalt. De veroordeling van [appellant] om aan [geïntimeerden] een bedrag van € 18.430,34 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente, kan niet in stand blijven (bestreden vonnis rov. 4.3).

Het hof zal ook deze beslissing vernietigen en het aan [geïntimeerden] toekomende bedrag vaststellen op € 12.286,90, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals toegewezen.

De vorderingen van [appellant] in hoger beroep

3.23

[appellant] heeft aangevoerd dat hij het bedrag van € 18.430,34 aan [geïntimeerden] heeft betaald. [geïntimeerden] hebben erkend dat [appellant] heeft betaald. Zij hebben geen verweer gevoerd tegen de door [appellant] gevorderde hoofdelijke veroordeling. De vordering van [appellant] tot hoofdelijke terugbetaling door [geïntimeerden] van € 6.143,45 zal dus worden toegewezen.

[appellant] heeft gevorderd om dit bedrag te vermeerderen met ‘rente, executiekosten’ van
€ 1.096,32. Deze vordering zal gelet op het verweer van [geïntimeerden] als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen.

3.24

[appellant] heeft in hoger beroep ook gevorderd om [geïntimeerden] hoofdelijk te veroordelen tot (terug)betaling van € 1.431,68. Het hof begrijpt deze vordering zo dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat [appellant] heeft bedoeld te vorderen een bedrag van € 1.438,61.

3.25

Het hof heeft hiervoor al overwogen dat partijen geen grief hebben gericht tegen de in het vonnis van 29 augustus 2018 in reconventie toegewezen vordering van [appellant] tot hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van € 1.438,61 als schadevergoeding voor de bloedkoralen sieraden die niet meer aan [appellant] kunnen worden afgegeven (vonnis rov. 4.10). Nu de toewijzing van deze vordering door de rechtbank niet wordt bestreden, zal het hof het vonnis van 29 augustus 2018 op dit punt bekrachtigen. Dat betekent dat de vordering van [appellant] in hoger beroep om [geïntimeerden] nogmaals te veroordelen om dit bedrag aan hem te betalen, dient te worden afgewezen.

3.26

[geïntimeerden] hebben de door [appellant] gevorderde wettelijke rente over het toe te wijzen bedrag van in totaal € 6.143,45 niet weersproken, zodat de wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd, te weten vanaf 1 november 2018 tot de dag van betaling.

De vorderingen van [geïntimeerden] in hoger beroep

De rekeningen voor de cv en het riool

3.27

De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] om [appellant] te veroordelen de rekeningen van de cv en het riool van € 186,65 te betalen afgewezen. Grief II van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep richt zich tegen deze beslissing.

3.28

Volgens [geïntimeerden] is de vordering tot betaling van de rekeningen voor de cv en het riool van in totaal € 186,65 ten onrechte afgewezen. [geïntimeerde 1] heeft deze kosten gemaakt ten behoeve van de voormalige echtelijke woning van [appellant] en erflaatster ( [adres] in [plaats] ), terwijl die kosten op grond van art. 2 lid 2 van de vaststellingsovereenkomst van de rekeningen van erflaatster hadden moeten worden voldaan, aldus [geïntimeerden] .

3.29

Het hof stelt vast dat [geïntimeerden] ter onderbouwing van hun vordering twee facturen hebben overgelegd:

- een factuur van 8 februari 2017 van Water & Warmte Expert aan ‘[appellant] , [adres] , [postcode] [plaats]’ voor een bedrag van € 95,90 en

- een factuur van 16 februari 2017 van Rioolservice [plaats] aan ‘[appellant] , [adres] 78, [postcode] ’ voor een bedrag van € 90,75.

Hoewel dit samen een bedrag van € 186,65 betreft, heeft [appellant] terecht naar voren gebracht dat in hoger beroep alleen een kopie van een bankafschrijving van 27 januari 2017 van een rekening van ‘ [geïntimeerde 1] ’ bij de Rabobank is overgelegd, waaruit volgt dat € 90,75 is afgeschreven ten gunste van Rioolservice [plaats] . Dat [geïntimeerde 1] of [geïntimeerde 2] de factuur van Water & Warmte Expert van € 95,90 ook hebben betaald is ook in hoger beroep niet gebleken. [geïntimeerden] hebben op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. De vordering van [geïntimeerden] tot betaling van de rekening van de cv zal worden afgewezen.

3.30

[geïntimeerden] hebben met de bankafschrijving van 27 januari 2017 en de factuur van 16 februari 2017 de betaling van € 90,75 voor het riool ten behoeve van de voormalige echtelijke woning van [appellant] en erflaatster in hoger beroep voldoende onderbouwd. Dat [appellant] het opmerkelijk vindt dat de betaling dateert van twee weken voor de factuurdatum leidt niet tot een ander oordeel, nu het gaat om identieke bedragen en niet valt uit te sluiten dat de factuur pas enkele weken na de betaling is verzonden. Het bedrag van € 90,75 komt ten laste van de nalatenschap van erflaatster. Dat betekent dat [appellant] , [geïntimeerden] ieder 1/3 deel daarvan dienen te betalen (ieder € 30,25).

3.31

Grief II van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep slaagt. De vordering van [geïntimeerden] tot betaling van de factuur van het riool zal worden toegewezen tot een bedrag van € 30,25. De gevorderde wettelijke rente, waartegen geen verweer is gevoerd, zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding nu van een eerder verzuim niet is gebleken.

Het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling tot het afleggen van rekening en verantwoording

3.32

De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om binnen vier weken na het vonnis rekening en verantwoording aan [geïntimeerden] af te leggen conform de tussen partijen overeengekomen volmacht, door afgifte van alle bankafschriften vanaf 21 september 2016 van de in het vonnis genoemde bank- en spaarrekeningen (vonnis rov. 4.5). Grief III van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep heeft betrekking op deze beslissing.

3.33

Volgens [geïntimeerden] heeft de rechtbank ten onrechte geen aanleiding gezien om aan deze veroordeling tot het afleggen van rekening en verantwoording door [appellant] een dwangsom te verbinden. [appellant] is tot op de dag van het nemen van de memorie van antwoord in gebreke gebleven met het verstrekken van de gevorderde bankafschriften. Gelet op de weigerachtige houding van [appellant] achten [geïntimeerden] een prikkel in de vorm van een dwangsom noodzakelijk.

3.34

[appellant] handhaaft zijn standpunt dat de rekeningafschriften destijds al bij de afwikkeling van de rekening en het notarieel transport van de woning in maart 2017 al zijn overhandig door hem aan [geïntimeerde 1] . De notaris beschikte daar ook over in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling. De rekeningen zijn inmiddels afgesloten. [appellant] gaat na of het überhaupt nog mogelijk is om de afschriften nog op te vragen. Hoe dan ook verzet hij zich tegen oplegging van een dwangsom. Mocht toch worden overgaan tot oplegging van een dwangsom, dan verzoekt [appellant] deze te beperken tot € 50,- per dag met een maximum van in totaal € 2.500,-.

3.35

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] rekening en verantwoording dient af te leggen zoals in het vonnis van 29 augustus 2018 onder rov. 4.5 is beslist. [appellant] heeft weliswaar erkend dat hij in maart 2017 ‘bankafschriften’ heeft overhandigd aan [geïntimeerde 1] , maar niet gebleken is dat dit alle bankafschriften betreft van de bank- en spaarrekeningen zoals in het vonnis onder rov. 4.5 vermeld. [appellant] heeft ook niet duidelijk gemaakt wanneer deze bank- en spaarrekeningen zijn afgesloten. Dat betekent dat niet kan worden vastgesteld dat [appellant] rekening en verantwoording heeft afgelegd zoals in het vonnis onder rov. 4.5 is beslist. [appellant] heeft op dit punt geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan.

Het hof ziet in het voorgaande aanleiding om de vordering van [geïntimeerden] in hoger beroep toe te wijze en [appellant] in de gelegenheid te stellen om binnen vier maanden na de datum van dit arrest alsnog rekening en verantwoording af te leggen op de in het dictum van dit arrest te vermelden wijze, verkort weergegeven door afgifte te verstrekken van alle bankafschriften vanaf 21 september 2016 waarop de af- en bijschrijvingen staan van de in het dictum genoemde bank- en spaarrekeningen, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van in totaal € 5.000,-.

Het verbinden van een dwangsom aan de veroordeling tot verdeling van de saldi op de bank- en spaarrekeningen

3.36

De rechtbank heeft [appellant] veroordeeld om de in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst overeengekomen afspraken na te komen, in die zin dat [appellant] dient over te gaan tot verdeling van de saldi van de in het vonnis genoemde bank- en spaarrekeningen in de verhouding 50% voor [appellant] en 50% voor [geïntimeerden] (vonnis rov. 4.6). Grief IV van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep heeft betrekking op deze beslissing.

3.37

[geïntimeerden] betwisten dat de banktegoeden van erflaatster correct zijn verdeeld. Zij hebben geen bankafschriften van [appellant] ontvangen waaruit dit is gebleken. [geïntimeerden] willen daarom hun vordering ten aanzien van de verdeling van de banksaldi aanpassen/aanvullen in die zin dat zij nakoming van [appellant] vorderen van de in artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst genoemde afspraak, op straffe van een dwangsom.

3.38

Volgens [appellant] zijn de opgaven van de saldi per datum afwikkeling reeds aan [geïntimeerden] verstrekt en overgelegd bij conclusie van antwoord in eerste aanleg. De saldi van de rekeningen zijn conform verdeeld en daarna zijn de rekeningen opgeheven, aldus [appellant] .

3.39

Het hof stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [appellant] dient over te gaan tot verdeling van de saldi van de in het vonnis genoemde bank- en spaarrekeningen in de verhouding 50% voor [appellant] en 50% voor [geïntimeerden] . [geïntimeerden] hebben in de toelichting op hun grief weliswaar aangevoerd dat zij hun vordering ten aanzien van de verdeling van de banksaldi wensen aan te passen/aan te vullen met een dwangsom, maar dit hebben zij niet in het petitum van hun memorie gevorderd (onder iv). [appellant] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

3.40

Uit hetgeen hiervoor onder rov. 3.35 is overwogen en beslist, volgt dat [appellant] binnen vier maanden na de datum van dit arrest rekening en verantwoording dient af te leggen in die zin dat hij alle bankafschriften dient te verstrekken vanaf 21 september 2016, waarop de af- en bijschrijvingen staan van de betreffende bank- en spaarrekeningen, op straffe van een dwangsom. Hieruit volgt dat, voor zover [geïntimeerden] in het kader van de nakoming van artikel 3.1 van de vaststellingsovereenkomst een dwangsom vorderen omdat zij geen bankafschriften van [appellant] hebben ontvangen, hun belang bij die vordering ontbreekt.

3.41

Voor zover [geïntimeerden] een dwangsom vorderen omdat [appellant] volgens hen weigerachtig blijft in een correcte verdeling van de banksaldi overweegt het hof dat dit ziet op betaling van een geldsom. Een dwangsom kan niet worden opgelegd in geval van een veroordeling tot betaling van een geldsom (HR 23 januari 2015 ECLI:NL:HR:2015:113).

De vordering van [geïntimeerden] om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot verdeling van de saldi op de bank- en spaarrekeningen zal derhalve worden afgewezen.

Schadevergoeding voor dozen van zolder

3.42

De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerden] tot betaling van een schadevergoeding van € 500,-, die in de plaats treedt van 12 door [appellant] weggegooide dozen op zolder die in eigendom toebehoorden aan [geïntimeerden] , afgewezen omdat [geïntimeerden] de stelling dat zij eigenaar zijn van die dozen niet feitelijk hebben onderbouwd (vonnis rov. 3.38 en 4.13). Grief V van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep richt zich hiertegen.

3.43

Volgens [geïntimeerden] behoorden de 12 dozen in eigendom toe aan hen. Partijen zijn overeengekomen dat de woning [van erflaatster] in maart 2017 door [appellant] leeggemaakt en ontruimd zou worden, met uitzondering van het speelgoed (Lego) dat op zolder stond. De toenmalige advocaat van [appellant] heeft deze afspraak in een e-mail van 17 maart 2017 aan de advocaat van [geïntimeerden] bevestigd. Hieruit volgt dat het speelgoed (Lego op zolder) in eigendom toebehoorde aan [geïntimeerden] . Volgens [geïntimeerden] heeft [appellant] erkend dat er twee kisten waren met Lego, die hij aan de kringloopwinkel heeft gegeven. [appellant] heeft hierdoor onrechtmatig gehandeld, aldus [geïntimeerden] .

3.44

Volgens [appellant] is in de vaststellingsovereenkomst bepaald dat alles wat in de woning aanwezig was aan hem is toebedeeld. [appellant] heeft betwist dat hij dozen met spullen die aan [geïntimeerden] zouden zijn toebedeeld heeft weggegooid. [geïntimeerden] hebben volgens hem nog altijd niet kunnen bewijzen wat er volgens hen in de 12 dozen zou hebben gezeten. Daarbij komt dat de gestelde schade niet is onderbouwd, aldus [appellant] .

3.45

Het hof overweegt als volgt. [appellant] beroept zich terecht op artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst, waarin is bepaald dat de inboedelgoederen die zich in de woning van erflaatster bevonden worden toebedeeld aan hem (rov. 3.1.6).

Hoewel de advocaat van [appellant] in de e-mail van 17 maart 2017 aan de advocaat van [geïntimeerden] heeft geschreven: “Op 22 maart wordt de woning leeg en ontruimd opgeleverd met uitzondering van een aantal zaken zoals door u genoemd en in onderling overleg nader afgesproken”, hebben [geïntimeerden] hiermee onvoldoende onderbouwd dat de door [geïntimeerden] bedoelde 12 dozen met spullen aan hen toebehoorden. In de e-mail wordt slechts in algemene bewoordingen geschreven over ‘een aantal zaken zoals door u genoemd’, maar is niet nader toegelicht om welke zaken het ging.

Uit het proces-verbaal van de comparitie van partijen in eerste aanleg van 18 juli 2018 volgt weliswaar dat [appellant] heeft verklaard dat hij twee kisten met Lego aan de kringloopwinkel heeft gegeven, maar [geïntimeerden] hebben hiermee ook onvoldoende onderbouwd dat de twee kisten met Lego aan hen toebehoorden. Door [appellant] is dat niet gezegd.

Ook overigens zijn de feiten en omstandigheden waar [geïntimeerden] de vordering tot betaling van € 500,- op hebben gegrond onvoldoende onderbouwd. Bewijslevering is niet aan de orde. Het door [geïntimeerden] gestelde kan niet leiden tot de conclusie dat [appellant] onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld en een schadevergoeding is verschuldigd.

De vordering van [geïntimeerden] zal worden afgewezen.

Slotsom

3.46

De slotsom is dat grieven van [appellant] in principaal hoger beroep en grief II van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep slagen. De overige grieven van [geïntimeerden] in incidenteel hoger beroep falen. Partijen hebben geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan met betrekking tot concrete feiten of omstandigheden die, als zij zouden komen vast te staan, tot een ander oordeel zouden leiden. Het hof ziet daarom geen aanleiding om nog bewijslevering te laten plaatsvinden.

3.47

Het hof zal het bestreden vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen, maar uitsluitend voor zover, verkort weergegeven:

- is verklaard voor recht dat [appellant] het eigendomsaandeel van erflaatster in het appartement opzettelijk heeft verzwegen voor [geïntimeerden] (rov. 4.1);

- is verklaard voor recht dat [appellant] zijn het aandeel in het appartement dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort heeft verbeurd en aan [geïntimeerden] toekomt (rov. 4.2); en

- [appellant] is veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerden] van € 18.430,34 met rente (rov. 4.3).

3.48

Het hof zal, opnieuw rechtdoende, verkort weergegeven:

- de door [geïntimeerden] gevorderde verklaringen voor recht afwijzen;

- wat betreft de veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerden] van € 18.430,34 met rente vaststellen dat [appellant] in plaats daarvan € 12.286,90 met rente aan hen is verschuldigd;

- [geïntimeerden] veroordelen tot (terug)betaling aan [appellant] van € 6.143,45 met rente;

- [appellant] veroordelen tot betaling aan [geïntimeerden] van € 30,25 (factuur riool) met rente;

- [appellant] veroordelen tot afgifte van alle bankafschriften op straffe van een dwangsom.

3.49

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige bekrachtigen, waaronder begrepen de compensatie van proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. De proceskosten in hoger beroep worden eveneens gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het arrest zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals gevorderd.

4 De uitspraak

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep

vernietigt het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda van 29 augustus 2018 voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, maar uitsluitend voor zover de rechtbank:

heeft verklaard voor recht dat [appellant] het eigendomsaandeel van erflaatster in de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [plaats] aan de [adres] opzettelijk heeft verzwegen voor [geïntimeerden] , terwijl dit eigendomsaandeel tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en erflaatster behoort en nadien voor de helft tot de nalatenschap van erflaatster (rov. 4.1);

heeft verklaard voor recht dat het aandeel van [appellant] in het gedeelte van de onroerende zaak staande en gelegen te [postcode] [plaats] aan de [adres] dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort op grond van artikel 3:194 lid 2 BW door [appellant] is verbeurd en derhalve aan [geïntimeerden] toekomt (rov. 4.2); en

[appellant] heeft veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting binnen veertien dagen na de datum van het vonnis een bedrag van € 18.430,34 (achttienduizendvierhonderddertig euro en vierendertig cent) aan [geïntimeerden] te voldoen, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van veertien dagen na de dag van het vonnis tot de dag van volledige betaling (rov. 4.3);

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerden] om:

i. te verklaren voor recht dat [appellant] het eigendomsaandeel in het appartement opzettelijk heeft verzwegen/zoekgemaakt en/of verborgen heeft gehouden voor [geïntimeerden] , terwijl dit eigendomsaandeel tot de huwelijksgoederengemeenschap tussen hem en erflaatster behoorde en nadien behoorde tot de nalatenschap van erflaatster; en

ii. te verklaren voor recht dat het eigendomsaandeel van [appellant] in het appartement op grond van artikel 3:194 lid 2 BW door [appellant] is verbeurd en derhalve aan [geïntimeerden] toekomt;

alsnog af;

stelt het aan [geïntimeerden] op grond van de veroordeling in het vonnis van 29 augustus 2018 onder rov. 4.3 toekomende bedrag vast op € 12.286,90, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk om aan [appellant] te betalen het bedrag van € 6.143,45, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 1 november 2018 tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [appellant] de rekening van het riool binnen 14 dagen na betekening van dit arrest te voldoen aan [geïntimeerden] tot een bedrag van € 30,25 tegen behoorlijk bewijs van kwijting, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding;

veroordeelt [appellant] tot het afleggen van rekening en verantwoording aan [geïntimeerden] conform de tussen partijen overeengekomen volmacht, door afgifte van alle bankafschriften vanaf 21 september 2016 waarop de af- en bijschrijvingen staan van de bank- en spaarrekeningen [rekeningnummer] , [rekeningnummer] en spaarrekening van Centraal Beheer met nummer [rekeningnummer] binnen vier maanden na betekening van dit arrest, aan [geïntimeerden] te verstrekken, op straffe van een dwangsom van € 100,- per dag of gedeelte van de dag dat [appellant] hiermee in gebreke blijft, met een maximum aan te verbeuren dwangsommen van € 5.000,-;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.E. Smorenburg, H.K.N. Vos en T.J. Mellema-Kranenburg en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 1 september 2020.

griffier rolraadsheer