Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2668

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
12-03-2021
Zaaknummer
20-000290-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen voor poging tot zware mishandeling tijdens de carnaval. Daarnaast is de vordering van de benadeelde partij geheel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000290-18

Uitspraak : 19 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda, van 15 januari 2018 in de strafzaak met parketnummer 02-194824-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,

thans uit anderen hoofde verblijvende in PI Utrecht - HvB locatie Nieuwegein te Nieuwegein.

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte bij vonnis waarvan beroep ter zake van poging zware mishandeling en vernieling vrijgesproken. Voorts is bij vonnis waarvan beroep de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering.

De officier van justitie heeft tegen de vrijspraak van de poging tot zware mishandeling hoger beroep ingesteld.

Het hoger beroep is volgens opgaaf in de appelschriftuur en volgens mededeling van de advocaat-generaal beperkt tot de vrijspraak zake van hetgeen aan de verdachte onder 2 is tenlastegelegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

- het onder 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren;

- verdachte zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag van € 2250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2017 te Tilburg opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [rechtspersoon 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

2.

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever/slachtoffer/benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [aangever/slachtoffer/benadeelde] tweemaal, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt terwijl deze [aangever/slachtoffer/benadeelde] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Tilburg openlijk, te weten op of aan de openbare weg, het Pieter Vreedeplein en/of de IJzerstraat, in elk geval op of aan een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever/slachtoffer/benadeelde] , welk geweld bestond uit het schoppen/trappen tegen het hoofd van deze [aangever/slachtoffer/benadeelde] , terwijl deze [aangever/slachtoffer/benadeelde] op de grond lag.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Met de advocaat-generaal en de verdediging acht het hof niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder 1 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 25 februari 2017 te Tilburg ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever/slachtoffer/benadeelde] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, deze [aangever/slachtoffer/benadeelde] tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt terwijl deze [aangever/slachtoffer/benadeelde] op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1

1. Het proces-verbaal van aangifte d.d. 26 februari 2017, dossierpagina's 4-6, voor zover inhoudende als verklaring van [aangever/slachtoffer/benadeelde] :

(Dossierpagina 4)

Op 25 februari omstreeks 04.30 uur kwam ik met een groep vrienden uit de stad. Ik liep via het Pieter Vreedeplein in de richting van de IJzerstraat. Ik zag dat er twee jongens bij ons kwamen lopen. Eén van die jongens maakte wat

lullige opmerking naar mijn vriendin. Ik wilde die jongen daar op aanspreken. Ik zag dat de jongen zich plots omdraaide en met gebalde vuisten in mijn richting liep. We begonnen meteen over en weer te slaan. Op een gegeven moment ben ik tijdens het gevecht over mijn eigen benen gestruikeld. Ik viel vervolgens en kwam ten val op de grond. De andere jongen die ik tijdens het gevecht niet gezien heb, kwam plots op mij af gelopen en schopte mij tot tweemaal toe met kracht in mijn gezicht. Door de tweede trap draaide mijn lichaam 180 graden rond. Ik ben door de trap buitenwesten geraakt. Ik heb de jongen niet zien aankomen en ik heb hem niet zien trappen. Ik hoorde later van mijn vrienden dat ik door de man twee keer ben getrapt. Dit is ook gefilmd. Dit filmpje heb ik ook gezien en heb ik bij me. Ik ben door de ambulance meegenomen naar het ziekenhuis voor controle. Daar werd geconstateerd dat ik een gebroken neus had. Ik heb door de trap een hersenschudding op gelopen en er is een stuk van mijn tand afgebroken.

2. De geneeskundige verklaring d.d. 31 mei 2017, dossierpagina 10:

Uitwendig waargenomen letsel:

- 27 februari 2017: beeld van gebroken neus en gebroken neustussenschot.

- 8 maart 2017: neusfractuur repositie en neusseptum correctie.

3. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 februari 2017, dossierpagina’s 13-14, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

(Dossierpagina 13)

Op 25 februari 2017 bevond ik me in het centrum van Tilburg. Hier had ik samen met vrienden carnaval gevierd. Rond 04.30 uur liepen we met zijn allen op de IJzerstraat in Tilburg. Op een gegeven moment kwamen er twee jongens bij ons lopen. Ik zag aan de jongens dat ze uit waren op ruzie. Dit was van beide kanten het geval. Ik zag namelijk dat [aangever/slachtoffer/benadeelde] ook een gevechtspositie aannam, eveneens de twee jongens. Onderling werd over en weer geslagen en geschreeuwd naar elkaar. Op een gegeven moment viel [aangever/slachtoffer/benadeelde] op de grond, waarna hij twee schoppen van een van de jongens tegen het hoofd kreeg. Ik zag dat [aangever/slachtoffer/benadeelde] hevig begon te bloeden direct nadat hij de trappen tegen zijn hoofd had aangekregen.

Ik kan de jongens als volgt omschrijven:

Eerste jongen:

- man;

- blank;

- 185 cm groot;

- zwart/bruin haar;

- licht gespierd;

(Dossierpagina 14)

- gestoffeerde zwarte jas.

Tweede jongen:

- man;

- blank;

- 180 cm;

- zwart haar;

- licht gespierd;

- gestoffeerde zwarte jas.

Ik weet dat de eerste jongen die ik beschrijf de meeste klappen heeft gegeven. Hij heeft [aangever/slachtoffer/benadeelde] ook geschopt. Dit betrof dan ook de langste jongen.

4. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 februari 2017, dossierpagina’s 15-16, voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

(Dossierpagina 15)

Op 25 februari 2017 bevond ik me in het centrum van Tilburg. Ik was daar samen met vrienden van mij carnaval gaan vieren. De kroegen sloten ongeveer om 04.00 uur. Nadat we gegeten hadden waren we onderweg naar het huis van een vriend, waar ik bleef logeren. Onderweg kwamen er twee jongens bij ons lopen. Zowel [aangever/slachtoffer/benadeelde] als de twee jongens reageerden agressief op elkaar. Dit ging gepaard met schreeuwen en duwen. [aangever/slachtoffer/benadeelde] viel op een gegeven moment op de grond. Ik zag toen dat een van de twee jongens, terwijl [aangever/slachtoffer/benadeelde] op de grond lag twee keer tegen het hoofd van [aangever/slachtoffer/benadeelde] schopte. Ik kan de jongens niet goed omschrijven. Wel weet ik dat een van de jongens zilver/grijs haar had. Dit is ook de jongen die [aangever/slachtoffer/benadeelde] tot twee keer toe in het gezicht schopte.

5. Het proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 25 februari 2017, dossierpagina’s 17-18, voor zover inhoudende als verklaring [getuige 3] :

(Dossierpagina 17)

Een vriend van mij, [aangever/slachtoffer/benadeelde] , is zojuist op het Pieter Vreedeplein mishandeld door twee personen. Ik kan deze personen als volgt omschrijven;

Eerste persoon:

- Ongeveer 1.80 meter lang;

- Blanke man;

- Achterover gekamd haar, zijdes opgeschoren;

- Normaal postuur;

- In het zwart gekleed;

Tweede persoon:

- Zelfde signalement als persoon 1, enkel het haar van persoon 2 was zilverkleurig.

Wij liepen met een groep van ongeveer zes personen vanaf de Heuvel richting de Tuinstraat. Voor ons, op ongeveer een meter of vijf, liepen de twee omschreven personen. Op de kruising Pieter Vreedeplein met de Tuinstraat ontstond er een conflict tussen [aangever/slachtoffer/benadeelde] en die twee personen. Ik zag dat [aangever/slachtoffer/benadeelde] en die twee personen in gevecht raakten met elkaar. Ze doken op elkaar. Ik liep richting [aangever/slachtoffer/benadeelde] en zag dat hij ten val was gekomen. Ik zag dat één van de twee personen [aangever/slachtoffer/benadeelde] minimaal één keer met kracht tegen diens hoofd trapte.

6. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 mei 2017, dossierpagina’s 19-20, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

(Dossierpagina 19)

In het centrum van de gemeente Tilburg is een videobewakingssysteem in werking.

Camera 24 heeft zicht op het Pieter Vreedeplein en kijkt uit in de richting van de Heuvel te Tilburg. Om 04.20.20 uur kwam er een groep personen aangelopen welke uit de richting van het centrum kwam en liepen in de richting van de Tuinstraat. Ik herkende de [aangever/slachtoffer/benadeelde] in deze groep aan de hand van het signalement en eerder persoonlijk contact wat ik met hem heb gehad. Ik kon naast de aangever/benadeelde nog één persoon herkennen naar aanleiding van het signalement wat in verschillende getuigenverklaringen was benoemd, de hierna te noemen verdachte 1. Verdachte 1 zou zilver gespoten haar hebben en een donkere/zwarte jas dragen. Verdachte 1 zag ik in dezelfde groep lopen. Verdachte 1 liep geheel links van de groep. Verdachte 1 was gekleed in een zwarte jas, lichte/licht grijze broek en had zilver gekleurd haar. De gehele groep liep in de richting van de Tuinstraat en op dat moment nam ik nog geen ruzie waar.

Camera 53 heeft ook zicht op het Pieter Vreedeplein maar kijkt uit in de richting van de Tuinstraat. Om 04.21.40 uur zag ik dat de groep stil stond ter hoogte van de Pieter Vreedestraat. Ik zag dat er een aantal personen door elkaar heen liepen maar op enig moment verdwenen ze uit beeld doordat zij achter er een muur stonden en hier geen zicht op was.

(Dossierpagina 20)

Om 04.22.12 uur kwamen er weer personen in beeld en zag ik dat er één persoon op de grond viel en dat een andere persoon een trappende beweging maakte in de richting van de persoon die zojuist was gevallen. Door de afstand kon ik deze personen niet herkennen dan wel beschrijven.

Naast de beschikbare camerabeelden van cameratoezicht Tilburg werd door [getuige 4] met zijn mobiele telefoon de mishandeling opgenomen. Op de beelden zag ik dat er meerdere personen met elkaar een handgemeen hadden welke bestond uit duwen en trekken. Door een hoop tumult in de groep kon ik niet goed waarnemen wie welke handeling nu deed. Echter zag ik wederom een persoon met zilver gekleurd haar, zwarte jas en een lichte broek, verdachte 1. Tevens zag ik ook de [aangever/slachtoffer/benadeelde] op de beelden. Op enig moment zag ik één persoon op de grond liggen. Ik kon niet zien wie deze persoon was. Ik zag vervolgens dat verdachte 1 met zijn rechterbeen een trappende beweging maakte in de richting van de persoon welke op de grond lag.

7. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 mei 2017, dossierpagina’s 21-22, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

(Dossierpagina 21)

Op 8 mei 2017 werd er in het programma Bureau Brabant aandacht besteed aan het in dit proces-verbaal onderzochte misdrijf. Via voornoemd mediakanaal werd verzocht om tips te melden aan de politie.

Naar aanleiding van de uitzending van voornoemd programma werden de navolgende tips ontvangen:

- Melding via politie.nl op 8 mei 2017 om 20.45 uur.

Referentie 170508 – 00391455747.

"ik ken deze jongeheer al heel lang volgens mij is [verdachte] uit [woonplaats verdachte] ".

- Tipformulier op 9 mei 2017.

Melder zag samen met zijn collega op Dumpert het filmpje van de mishandeling van de 24-jarige man en herkende de "kopschopper" als een ex-collega. Dit is de heer [verdachte] en woonachtig in [woonplaats verdachte] . In het filmpje zijn de haren van deze man grijs geverfd, maar melder kent hem met zwart haar. Toch is het gezicht van de "kopschopper" duidelijk herkenbaar.

(Dossierpagina 22)

- MMA melding 3705915 op 11 mei 2017.

Van de beelden is de dader herkend als: [verdachte] uit [woonplaats verdachte] . Hij is ongeveer 22 a 24 jaar. Op Facebook: [verdachte] .

- MMA melding 3706255 op 13 mei 2017.

De schoppende dader wordt herkend als: De heer [verdachte] , wonend aan de [adres verdachte] in [woonplaats verdachte] .

- Melding via politie.nl op 14 mei 2017.

Referentienummer 170514-00320661387.

Via via gehoord dat deze jongen gewerkt zou hebben bij [rechtspersoon 2] aan de [adres rechtspersoon] .

- MMA melding 3706299 op 15 mei 2017.

De dader (met het grijs gemaakte haar voor de carnaval) is de ca. 18 jarige [verdachte] , [adres verdachte] [woonplaats verdachte] .

8. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 juni 2017, dossierpagina 23, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 1] :

Op 7 juni 2017 ontving ik wederom een Meld Misdaad Anoniem melding, nummer 3707473. In deze Meld Misdaad Anoniem melding stond het navolgende:

"Naar aanleiding van de beelden is herkend de verdachte met grijs gekleurd haar als zijnde: [verdachte] (voorheen [verdachte] ). Verblijft geregeld bij zijn moeder aan de [adres verdachte] in [woonplaats verdachte] ."

9. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 mei 2017, dossierpagina’s 30-36, voor zover inhoudende als verklaring van [verdachte] :

(Dossierpagina 31)

V: Waar woon je?

A: Bij mijn moeder.

V: Waar is dat?

A: [adres verdachte] .

V: Bij welke bedrijven heb je nog meer gewerkt?

A: Bij [rechtspersoon 2] .

V: Waar was dat?

A: [adres rechtspersoon] .

10. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 januari 2018, proces-verbaalnummer PL2000-2017043819-24, voor zover inhoudende als relaas van [verbalisant 2] :

De stiefvader van [verdachte] liet mij een Facebookbericht lezen van het Facebook account van [verdachte] . Een gedeelte van het gesprek wat opgeslagen is, ging als volgt:

Onbekend persoon:

25-2-2017, 12.55 uur

“Doe je straks maatje”

[verdachte] :

25-2-2017, 15.16 uur

“Jooo maat”

“Niet veel man ik heb gisteren me voet gebroken man”

Onbekend persoon:

“Joh”

“Hoe is het gekomen”

[verdachte] :

“Ja man echt kut”

“Iemand tegen zn bakkes getrapt”

Bewijsoverwegingen

I

Door de raadsman is bepleit dat het niet verdachte is die [aangever/slachtoffer/benadeelde] in het gezicht heeft geschopt en dat hij daarom dient te worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat slechts een deel van de anonieme meldingen betrekking heeft op de verdachte en niet nagegaan kan worden wie deze meldingen gedaan heeft. Het zou kunnen dat deze meldingen door een en dezelfde persoon zijn gedaan. Voorts kan de verdachte zich niets herinneren van het Facebookgesprek en wordt in het gesprek gesproken over ‘gisteren’. Daarmee staat niet vast dat het gesprek over 25 februari 2017 ging.

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting blijkt het volgende:

[aangever/slachtoffer/benadeelde] heeft op 26 februari 2017 aangifte gedaan. Hij heeft verklaard dat hij op 26 februari 2017 omstreeks 04.30 uur met een groep vrienden na het uitgaan in Tilburg over straat liep. Twee jongens kwamen bij de groep lopen en vertoonden vervelend gedrag. [aangever/slachtoffer/benadeelde] wilde de jongens hierop aanspreken en plots ontstond er ruzie. Over en weer werd er geslagen. Op een gegeven moment is [aangever/slachtoffer/benadeelde] over zijn eigen benen gestruikeld en is hij op de grond gevallen. Vervolgens is [aangever/slachtoffer/benadeelde] door een jongen twee keer in het gezicht schopt. Hierdoor is [aangever/slachtoffer/benadeelde] buiten westen geraakt. Uiteindelijk is [aangever/slachtoffer/benadeelde] naar het ziekenhuis gegaan. Daar is geconstateerd dat hij een hersenschudding had opgelopen en dat een stuk van zijn tand was afgebroken. Daarnaast zijn de neus en het neustussenschot van [aangever/slachtoffer/benadeelde] gebroken. Hij heeft hiervoor een operatie moeten ondergaan.

Het hof stelt vast dat de aangifte steun vindt in de verschillende getuigenverklaringen. [getuige 3] heeft verklaard dat aangever op een gegeven moment op de grond is gevallen en minimaal één keer een schop van een van de jongens tegen het hoofd kreeg. [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard over twee schoppen van een van de jongens tegen het hoofd van aangever. [getuige 1] heeft de jongen die geschopt heeft omschreven als een blanke man die 185 cm lang is. [getuige 2] vult daarop aan dat de jongen die geschopt heeft, zilver/grijs gekleurd haar had.

Het hof stelt vast dat de aangifte ook steun vindt in de camerabeelden. In het centrum van de gemeente Tilburg is een videobewakingssysteem in werking en het incident is gefilmd. [verbalisant 1] heeft deze videobeelden bekeken en in een proces-verbaal van bevindingen gerelateerd wat zij hierop heeft gezien. Om 04.20.20 uur kwam er een groep personen aangelopen, welke uit de richting van het centrum kwam, en liep in de richting van de Tuinstraat. [verbalisant 1] heeft [aangever/slachtoffer/benadeelde] in deze groep, aan de hand van het signalement en eerder persoonlijk contact, herkend. Daarnaast heeft [verbalisant 1] nog een persoon herkend naar aanleiding van het signalement wat in verschillende getuigenverklaringen was benoemd. [verbalisant 1] zag onder meer dat deze persoon zilverkleurig haar had. Zij heeft die persoon ‘verdachte 1’ genoemd.

Op een gegeven moment is de groep even uit beeld doordat zij achter een muur stonden waardoor er geen zicht op was. Om 04.22.12 uur kwam de groep weer in beeld en zag zij dat één persoon op de grond viel en dat een andere persoon een trappende beweging maakte in de richting van de persoon die zojuist was gevallen.

Naast de beschikbare camerabeelden van cameratoezicht Tilburg, werd door [getuige 4] met zijn mobiele telefoon de mishandeling gefilmd. [verbalisant 1] heeft op deze beelden gezien dat op een gegeven moment een jongen op de grond lag en ‘verdachte 1’ met zijn rechterbeen een trappende beweging maakte in de richting van de persoon die op de grond lag.

Voorts werd in het tv-programma Bureau Brabant aandacht besteed aan dit strafbare feit. Naar aanleiding van de uitzending van voornoemd programma kwamen elf tips binnen. Zeven van de elf tips wezen naar de verdachte.

Tot slot was [verbalisant 2] op 25 januari 2018 bij de woning gelegen aan de [adres verdachte] te [woonplaats verdachte] voor de aanhouding van de verdachte in een andere zaak. [stiefvader verdachte] , liet een Facebookgesprek van de verdachte met een onbekend persoon zien. Het Facebookgesprek dateerde van 25 februari 2017. In het gesprek heeft de verdachte gezegd dat hij gisteren zijn voet gebroken heeft omdat hij ‘iemand tegen zijn bakkes getrapt’ heeft.

Het hof stelt – aan de hand van de aangifte, getuigenverklaringen en camerabeelden – vast dat de jongen met het zilverkleurige haar [aangever/slachtoffer/benadeelde] tegen het hoofd heeft geschopt. Vervolgens dient het hof de vraag te beantwoorden of de verdachte degene is die [aangever/slachtoffer/benadeelde] tegen het hoofd geschopt heeft.

Allereerst stelt het hof vast dat de verdachte qua lengte precies in het signalement, dat is gegeven door de getuigen, past. De verdachte is pas als verdachte aangemerkt nadat de beelden van het strafbare feit op Bureau Brabant waren uitgezonden. In deze uitzending is gebruik gemaakt van zowel bewegende beelden als stills. Het hof heeft geconstateerd dat de persoon, die aangever tegen zijn hoofd heeft geschopt, zo duidelijk op de stills staat, dat geenszins is uitgesloten dat mensen die de persoon kennen, hem hierop ook kunnen herkennen. Uiteindelijk verwijzen zeven van de elf tips naar de verdachte. Aan de overtuiging van het hof dat het hier gaat om betrouwbare herkenningen van de verdachte doet niet af dat vier meldingen over andere personen dan de verdachte gingen. Het hof is van oordeel dat het aannemelijk is dat de tips uit verschillende bronnen komen. De tijdstippen van de meldingen verschillen en de formuleringen van de meldingen zijn verschillend. Zo wordt bijvoorbeeld in een melding de verdachte gekoppeld aan zijn oude baan bij [rechtspersoon 2] zonder dat de melder de naam van de verdachte noemt en in een andere melding wordt de verdachte bij naam genoemd en gekoppeld aan het adres van zijn moeder. Voorts kan de verdachte aan het strafbare feit worden gekoppeld door het Facebookgesprek van 25 februari 2017 waarin de verdachte schrijft om 15.16 uur schrijft dat hij gisteren zijn voet heeft gebroken en vervolgens dat hij iemand tegen ‘zijn bakkes’ heeft getrapt. Het bericht waarin de verdachte spreekt over “gisteren” is verzonden om 15.16 uur. Het hof acht het aannemelijk dat hij daarmee de nachtelijke uren heeft bedoeld. De stelling van de verdachte dat hij niets meer weet van dit Facebookgesprek, schuift het hof als onaannemelijk ter zijde en doet bovendien aan het voorgaande niet af.

Gelet op het bovenstaande concludeert het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het de verdachte is die [aangever/slachtoffer/benadeelde] tegen het hoofd geschopt heeft.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat aangever, terwijl hij op de grond lag, met kracht tegen het hoofd is geschopt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar en uiterst vitaal deel is van het menselijk lichaam. Eén harde trap tegen het hoofd kan – op zijn minst – tot zwaar lichamelijk letsel leiden. Gelet op het jaargetijde en de overige omstandigheden gaat het hof er van uit dat verdachte schoeisel droeg. Bij een trap met geschoeide voet tegen het hoofd is dan ook de aanmerkelijke kans aanwezig dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel bekomt. Het hof is van oordeel dat het met geschoeide voet trappen tegen het hoofd van aangever zozeer is gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard. Onder deze omstandigheden en gezien de aard van de gedraging is dan ook voldaan aan het vereiste van het voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De onder 2 primair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman in al zijn onderdelen en acht bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

II

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Door het plegen van een poging tot zware mishandeling heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer [aangever/slachtoffer/benadeelde] . Dit blijkt mede uit de voorgedragen slachtofferverklaring van [aangever/slachtoffer/benadeelde] ter terechtzitting van 5 augustus 2020. Dergelijk strafbaar gedrag brengt voorts in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Het hof houdt rekening met de inhoud van het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 15 mei 2020, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van gelijksoortige delicten. De politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de verdachte bij vonnis van 3 april 2018 (parketnummers 02-800067-18 en 02-665048-18) ter zake van onder andere mishandeling veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen, waarvan 25 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Het hof zal deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin meewegen in de op te leggen straf omdat de veroordeling heeft plaatsgevonden nadat het onderhavige strafbare feit is gepleegd.

Het hof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en hoogte van de straf voorts acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten, dienende als indicatie voor een gebruikelijk rechterlijk straftoemetingsbeleid. Het LOVS geeft straftoemeting als oriëntatiepunt voor het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel door middel van het schoppen/trappen tegen het hoofd en gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden. Het uitgangspunt gaat uit van een voltooid delict, terwijl in casu sprake is van een poging..

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden zoals die ter zitting in hoger beroep naar voren zijn gekomen. Hierbij is het hof gebleken dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant de verdachte bij vonnis van 19 juli 2019 (parketnummer 02-021009-19) ter zake van een woningoverval heeft veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast is het hof gebleken dat de verdachte mogelijk een opleiding in de gevangenis wil volgen en dat hij in therapie bij de Waag is.

Tot slot heeft het hof in aanmerking genomen dat de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, is geschonden. Voorop gesteld wordt dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkómen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Tussen de datum waarop het hoger beroep is ingesteld, te weten 26 januari 2018, en de datum waarop het hof de uitspraak doet, 19 augustus 2020, is een periode van 2 jaren en 7 maanden verstreken. Hieruit volgt dat het hof niet binnen twee jaar nadat het hoger beroep is ingesteld tot een uitspraak is gekomen.

Het vorenstaande brengt met zich mee dat in hoger beroep de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Vervolgens doet zich de vraag voor of aan de geconstateerde schending enigerlei sanctie moet worden verbonden. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Zonder schending van de redelijke termijn zou een gevangenisstraf voor de voor de duur van 84 dagen passend zijn geweest.

Gelet op de voormelde ernst van het feit, de LOVS-oriëntatiepunten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de schending van de redelijke termijn acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen passend en geboden.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van de feiten – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Vordering van de [aangever/slachtoffer/benadeelde]

De [aangever/slachtoffer/benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.801,75, bestaande uit materiële schade van € 551,75 en immateriële schade van € 2.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2017. De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de [aangever/slachtoffer/benadeelde] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van € 2.801,75 (bestaande uit € 551,75 materiële schade en

€ 2.250,00 immateriële schade). De gevorderde wettelijke rente is, gelet op de bewezenverklaring, toewijsbaar vanaf 25 februari 2017. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan [aangever/slachtoffer/benadeelde] is toegebracht tot een bedrag van € 2.801,75. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 45, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 (vijf en zeventig) dagen.

Vordering van de [aangever/slachtoffer/benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de [aangever/slachtoffer/benadeelde] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.801,75 (tweeduizend achthonderd en één euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 551,75 (vijfhonderdeenenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 februari 2017 tot aan de dag der voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever/slachtoffer/benadeelde] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van

€ 2.801,75 (tweeduizend achthonderd en één euro en vijfenzeventig cent) bestaande uit € 551,75 (vijfhonderdeenenvijftig euro en vijfenzeventig cent) materiële schade en € 2.250,00 (tweeduizend tweehonderdvijftig euro) immateriële schade.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 38 (achtendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Aldus gewezen door:

mr. F.P.E. Wiemans, voorzitter,

mr. O.A.J.M. Lavrijssen en mr. D.A.E.M. Hulskes, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.N. Schlüter, griffier,

en op 19 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het eindproces-verbaal van de politie, Eenheid Zeeland-West-Brabant, district Hart van Brabant, registratienummer PL2000-2017205885, opgemaakt door [verbalisant 3] , ondertekend en gesloten op 6 oktober 2017, doorgenummerde dossierpagina’s 1-39, bevattende een verzameling op ambtseed dan wel ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal en daarin gerelateerde bijlagen, alsmede geschriften. Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten en alle verklaringen zijn, voor zover nodig, zakelijk weergegeven.