Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2664

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
200.277.612_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2021:1377
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Situatie waarbij de kinderen bij de man zijn geplaatst bestendigd door hun hoofdverblijf bij de man te bepalen.

De man niet ontvankelijk verklaard in zijn aanvullend verzoek van de man ex artikel 362 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 27 augustus 2020

Zaaknummer: 200.277.612/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/334945 / FA RK 18-2786

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.B. Chylinska,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. I. van Dijk-van Oosterhout.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] .

In deze zaak wordt als belanghebbende aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de GI.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 5 februari 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 april 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder wordt bepaald/blijft met beëindiging van de uithuisplaatsing van de kinderen bij de vader.

2.2.

In een begeleidend schrijven (e-mail) bij het beroepschrift schrijft de advocaat van de moeder: “Bijgaand treft u in zesvoud een hoger beroepschrift alsmede het volledige procesdossier aan met het verzoek dit in behandeling te nemen. De volledige bijlagen zijn aan u per post toegestuurd”.

2.3.

Bij brief van 30 april 2020 schrijft de griffier van het hof aan de advocaat van de moeder:

“Omdat de stukken niet compleet zijn, kan de zaak niet verder in behandeling worden genomen. Ik verzoek u mij uiterlijk op 13 mei 2020 de hieronder genoemde stukken toe te zenden:

  • -

    Twee exemplaren van het beroepschrift;

  • -

    Acht exemplaren van alle stukken uit de eerste aanleg”

2.4.

Bij V5-formulier van 25 mei 2020 heeft de advocaat van de moeder twee exemplaren van het beroepschrift overgelegd en verzocht om uitstel van de termijn om de overige stukken in te dienen. Als toelichting heeft de advocaat van de moeder gegeven: “Deze stukken zijn opgevraagd maar nog niet door mij ontvangen.”

Bij brief van 3 juni 2020 heeft het hof het uitstelverzoek van de advocaat van de moeder toegewezen en de uiterlijke termijn voor het indienen van de ontbrekende stukken nader bepaald op 15 juni 2020.

2.5.

Ter griffie is vervolgens ingekomen het V6-formulier met bijlagen (zeven ongenummerde producties) van de advocaat van de moeder d.d. 12 juni 2020, ingekomen op 15 juni 2020.

2.6.

Bij brief van 18 juni 2020 heeft het hof gemeend dat het verzuim is hersteld omdat de nog ontbrekende stukken zijn ontvangen en is de wederpartij vervolgens een verweertermijn gegeven.

2.7.

Bij V8-formulier met bijlagen d.d. 23 juni 2020 merkt de advocaat van de vader op dat het procesdossier van de eerste aanleg nog steeds niet compleet is en zij somt daarbij de dertien nog ontbrekende stukken op, waaronder:

  • -

    alle producties bij het inleidend verzoekschrift;

  • -

    de tussenbeschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 18 januari 2019;

  • -

    het verslag van de bijzondere curator van 18 januari 2019;

  • -

    het verslag van Buro Onderscheiden van 6 januari 2020.

Gelet hierop verzoekt de advocaat van de vader het hof om aan de advocaat van de moeder alsnog te verzoeken de stukken te completeren en in afwachting daarvan de verweertermijn aan te houden totdat alle stukken van de eerste aanleg zijn overgelegd en daarna opnieuw een termijn voor het indienen van het verweerschrift te bepalen.

2.8.

Bij brief van 25 juni 2020 heeft het hof naar aanleiding van voormeld schrijven geconstateerd dat het verzuim inderdaad niet correct is hersteld. Het hof heeft de verweertermijn ingetrokken en medegedeeld dat de zaak op een ontvankelijkheidszitting gepland zal worden.

2.9.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Hierbij is alleen de ontvankelijkheid van het hoger beroep aan de orde geweest. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Chylinska en B. Hitchock, tolk in de Poolse taal (tolknummer 4711);

  • -

    mr. J.W. Lauwen, waarnemend voor mr. van Dijk-van Oosterhout, namens de vader.

2.10.

De vader, de raad en de GI zijn behoorlijk opgeroepen voor de mondelinge behandeling, maar zij zijn niet verschenen: de raad en de GI met bericht van verhindering.

3 De beoordeling

3.1.

Gezien het verloop van de procedure in hoger beroep, zoals uiteengezet onder “2. Het geding in hoger beroep”, dient het hof thans de oordelen over de ontvankelijkheid van het verzoek van de moeder in hoger beroep.

3.2.

De advocaat van de moeder heeft (namens de moeder) met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep tijdens de mondelinge behandeling van het hof – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De advocaat van de moeder heeft vele malen de advocaat van de moeder in eerste aanleg (mr. [advocaat in eerste aanleg] ) verzocht het gehele procesdossier van de eerste aanleg over te leggen. Hij heeft wel twaalf keer gebeld met het kantoor van de voormalig advocaat van de moeder en hem wel vier keer aangeschreven. Uiteindelijk heeft de advocaat van de moeder 80 tot 100 e-mailberichten ontvangen met bijgevoegd stukken van de eerste aanleg. Hij heeft uit die stukken geselecteerd wat hij van belang achtte voor de procedure in hoger beroep (e-mailcorrespondentie bijvoorbeeld niet).

De advocaat van de moeder heeft ook nog contact opgenomen met het kantoor van de advocaat van de vader, maar op zijn verzoek om de nog ontbrekende stukken aan hem te verstrekken, was de reactie dat zij daar graag een vergoeding voor zouden krijgen. Dat vond de advocaat van de moeder een onredelijk verzoek.

De advocaat van de moeder realiseert zich dat hij zijn verzoeken om aanhouding beter had kunnen toelichten en dat hij bewijs had kunnen overleggen van zijn inspanningen om de stukken in handen te krijgen. Hij heeft het hof gevraagd om een laatste termijn om alsnog de stukken in het geding te brengen: als het hof het redelijk acht dat hij een vergoeding aan de wederpartij geeft voor het kopiëren en aanleveren van die stukken, zal hij die vergoeding voldoen. De kinderen zullen niet disproportioneel worden getroffen als aan hem nog eenmaal een termijn wordt verleend.

Op de vraag van het hof op welk moment tijdens de procedure in eerste aanleg hij zich namens de moeder heeft gesteld, kon de advocaat van de moeder geen concreet antwoord geven. In ieder geval was hij tijdens de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 21 januari 2020 al aanwezig. Toen beschikte hij in ieder geval ook niet over alle stukken van de eerste aanleg, zoals het verslag van de bijzondere curator en het verslag van Buro Onderscheiden. Hij was wel bekend met de in die stukken ingenomen standpunten en concrete passages, voor zover deze zijn overgenomen in andere stukken en e-mails waarover hij wel beschikt. De stukken zelf heeft hij niet gelezen, omdat hij daarover ook toen niet beschikte.

3.3.

De waarnemend advocaat van de vader heeft (namens de vader) met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep tijdens de mondelinge behandeling van het hof – kort samengevat – het volgende aangevoerd.

De waarnemend advocaat van de vader betwist uitdrukkelijk dat het kantoor is benaderd door de advocaat van de moeder met het verzoek de nog ontbrekende stukken te overleggen. Zij heeft dat ter voorbereiding op deze mondelinge behandeling juist expliciet bij de advocaat van de vader geverifieerd. Van het stellen van de voorwaarde van een financiële vergoeding is dus helemaal geen sprake geweest. Overigens acht de waarnemend advocaat van de vader dat niet onredelijk, aangezien het een dik pakket aan stukken betreft dat niet digitaal beschikbaar is en derhalve gekopieerd zal moeten worden. Dat laat onverlet dat het waarschijnlijk slechts om enkele tientjes zal gaan.

Het is niet te verifiëren of de advocaat van de moeder zich heeft gewend tot de voormalig advocaat van de moeder, omdat bewijs daarvan ontbreekt. In deze situatie had het op de weg van de advocaat van de moeder gelegen om de bemiddeling van de deken te vragen, indien de voormalig advocaat van de moeder weigerachtig zou blijken stukken te verstrekken

Omdat de advocaat van de moeder al meerdere kansen heeft gehad om het procesdossier van de eerste aanleg compleet aan te leveren, zou een niet-ontvankelijkheid terecht zijn, te meer nu blijkt dat hij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg al betrokken was.

Het betreft weliswaar een jeugdzaak, maar er is ook in dergelijke zaken genoeg jurisprudentie waarin aan het niet tijdig/niet volledig aanleveren van de stukken van de eerste aanleg de consequentie van niet-ontvankelijkheid is uitgesproken.

3.4.

Het hof oordeelt met betrekking tot de ontvankelijkheid van het hoger beroep als volgt.

3.4.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2.5. van het “Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven” worden bij het beroepschrift alle

stukken uit de eerste aanleg in chronologische volgorde gevoegd, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1.2.6 van genoemd procesreglement wordt, zolang een beroepschrift niet in het vereiste aantal en niet compleet, dat wil zeggen voorzien van de stukken uit de eerste aanleg, is ontvangen, aan de andere belanghebbende(n) door de griffie slechts medegedeeld dat hoger beroep is ingesteld en dat, zodra de stukken compleet en in voldoende aantallen zijn ontvangen, de zaak in behandeling zal worden genomen.

Indien het hof het beroepschrift niet in het vereiste aantal of niet compleet heeft ontvangen, wordt aan verzoeker(s) in hoger beroep medegedeeld dat de gelegenheid wordt geboden de stukken alsnog binnen een door het hof te bepalen termijn te completeren dan wel in voldoende aantallen aan het hof te doen toekomen. Indien completering of aanlevering in het vereiste aantal dan nog steeds achterwege blijft, kan de zaak worden geplaatst op een zitting ter beoordeling van de ontvankelijkheid van het verzoek. Bij strijd met de goede procesorde kan het verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.

3.4.2.

Het hof stelt vast dat de advocaat van de moeder niet het volledige procesdossier van de eerste aanleg bij het beroepschrift heeft overgelegd en vervolgens driemaal een termijn heeft gekregen voor completering van het procesdossier in eerste aanleg. Desalniettemin zijn de ontbrekende stukken niet overgelegd.

Voorafgaand aan de mondelinge behandeling is geen althans geen voldoende concrete toelichting gegeven op de uitstelverzoeken en/of bewijs overgelegd waaruit blijkt dat en zo ja, op welke manieren de advocaat van de moeder zich heeft ingespannen om de processtukken die hij stelt niet te hebben, alsnog te verkrijgen van de voormalig advocaat van de moeder, dan wel anderszins.

Evenmin is met concrete stukken onderbouwd gebleken dat de advocaat van de moeder via het kantoor van de voormalig advocaat van de moeder, dan wel het kantoor van de advocaat van de vader heeft getracht de beschikking te krijgen over de ontbrekende stukken. Ook is niet gesteld of gebleken dat de advocaat van de moeder ter bemiddeling de deken heeft ingeschakeld of (gelijktijdig) zich ervoor heeft ingespannen de ontbrekende stukken op een andere manier in handen te krijgen, bijvoorbeeld door de rechtbank, bijzondere curator en Buro Onderscheiden rechtstreeks te benaderen.

Alhoewel namens de wederpartij wordt betwist dat de stukken bij het kantoor van de advocaat van de vader zijn opgevraagd, acht het hof een eventueel gevraagde financiële vergoeding voor de kosten kopie op voorhand overigens evenmin een beletsel voor het kunnen over leggen van de ontbrekende stukken.

3.4.3.

Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling van het hof gebleken dat de advocaat van de moeder, alhoewel hij aanvankelijk verklaarde dat hij niet de advocaat van moeder was in eerste aanleg, al tijdens de procedure in eerste aanleg het stokje heeft overgenomen van de voormalig advocaat van de moeder. Wanneer dit precies is gebeurd blijkt niet uit de stukken en dat heeft de advocaat van de moeder ook niet concreet kunnen maken; in ieder geval trad hij tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 21 januari 2020 al op als advocaat van de moeder.

Op dat moment bestond al een procesdossier bij de rechtbank, waaronder het verslag van de bijzondere curator, voor wiens benoeming de procedure bij tussenbeschikking van 28 september 2018 was aangehouden en naar aanleiding van welk verslag de vader zijn verzoek heeft gewijzigd, respectievelijk het verslag van Buro Onderscheiden van 6 januari 2020, dat kort voor de mondelinge behandeling in eerste aanleg nog is ingediend en welke bevindingen zijn meegewogen in de beoordeling van het hoofdverblijf van de kinderen.

3.4.4.

Nog daargelaten de vraag of de advocaat van de moeder al tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg over alle processtukken had moeten (kunnen) beschikken, gezien de op hem rustende taken en verantwoordelijkheden als procesvertegenwoordiger van de moeder, thans in hoger beroep is geen enkele voldoende concrete grond gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat in redelijkheid niet van (de advocaat van) de moeder kan worden gevergd de ontbrekende stukken over te leggen.

In ieder geval dient het hof over deze stukken te beschikken om de zaak in hoger beroep in behandeling te kunnen nemen.

3.4.5.

Namens de vader is beargumenteerd dat een niet-ontvankelijkheid te rechtvaardigen is, naar het hof begrijpt, wegens strijd met de goede procesorde.

Het hof weegt echter mee dat deze zaak het hoofdverblijf en derhalve de belangen van minderjarigen betreft en dat een niet-ontvankelijkheid verstrekkende gevolgen zal hebben voor de familierechtelijke rechten en belangen van de moeder, die zelf de Nederlandse taal niet of nauwelijks machtig is en geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de gang van zaken in hoger beroep; althans gesteld noch gebleken is dat de moeder zelf daarvan een verwijt kan worden gemaakt.

Daarbij wordt bovendien in aanmerking genomen dat de vader en zijn advocaat kennelijk over alle processtukken uit de eerste aanleg beschikken en niet althans onvoldoende concreet is gesteld of gebleken dat hij onredelijk in zijn procesbelangen wordt geschaad indien de moeder nog eenmaal in de gelegenheid wordt gesteld de ontbrekende stukken over te leggen.

3.5.

Bij afweging van alle betrokken belangen komt het hof tot de beslissing dat aan de advocaat van de moeder een laatste, ditmaal fatale termijn van twee weken wordt verleend om de nog ontbrekende processtukken van de eerste aanleg te overleggen, uiterlijk te ontvangen door de griffie van het hof op 14 september 2020.

3.6.

Na het verlopen van deze termijn zal het hof partijen informeren over het verdere verloop van de procedure.

4 De beslissing

Het hof:

houdt de zaak pro forma aan tot 14 september 2020, ten einde de advocaat van de moeder de gelegenheid te geven alsnog het volledige procesdossier van de eerste aanleg te overleggen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en M.I. Peereboom-van Drunick en is op 27 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen in tegenwoordigheid van de griffier.