Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2660

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
20-000455-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het hof spreekt de verdachte vrij van de tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en veroordeelt de verdachte ter zake van mishandeling tot een geldboete ter hoogte van 750 euro, subsidiair 15 dagen hechtenis. Voorts wijst het hof de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van 100 euro vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wijst de vordering voor het overige af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-000455-18

Uitspraak : 28 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2018 in de strafzaak met parketnummer

01-199941-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] .

Hoger beroep

Bij voormeld vonnis is de verdachte vrijgesproken van de primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en is hij ter zake van mishandeling (subsidiair tenlastegelegd) veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Voorts heeft de politierechter een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij.

Van de zijde van de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal bevestigen.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging primair met een beroep op noodweer c.q. noodweerexces bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Tot slot heeft de verdediging meer subsidiair het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete of een geheel voorwaardelijke straf met de maximale proeftijd.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Boxmeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen eenmaal met een honkbalknuppel tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht

of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 juni 2017 te Boxmeer [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een honkbalknuppel tegen het lichaam te slaan.

Vrijspraak

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal vrijspreken van het primair tenlastegelegde. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de verdachte de aangever [slachtoffer] op schouderhoogte heeft geslagen waardoor er van willens en wetens aanvaarden van de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel geen sprake kan zijn.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat de verdachte ontkent dat hij het opzet had om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan aangever [slachtoffer] . Er zijn ook geen andere bewijsmiddelen voorhanden waaruit een ‘vol’ opzet van de verdachte blijkt.

Voorts dient het hof de vraag te beantwoorden of ten aanzien van het gedrag van de verdachte vastgesteld kan worden dat er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet daarbij gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Niet alleen is vereist dat de verdachte in dat geval wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard of op de koop heeft toegenomen.

Het hof is van oordeel dat er bij het enkel eenmalig slaan met een honkbalknuppel, waarbij onbekend is met hoeveel kracht dit is gebeurd, tegen het lichaam van aangever [slachtoffer] , niet zonder meer sprake is van een gedraging die naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel in het leven roepen. Daarbij neemt het hof in ogenschouw dat voor het hof niet genoegzaam is komen vast te staan dat de verdachte bij het slaan met de honkbalknuppel heeft gericht op het hoofd van aangever [slachtoffer] .

Gelet op vorenstaande is voor het hof niet genoegzaam komen vast te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging tot het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, nu het hof niet bewezen acht dat het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke zin – gericht was op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 10 juni 2017 te Boxmeer [slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een honkbalknuppel tegen het lichaam te slaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

De verdediging heeft bepleit dat het hof de verdachte zal ontslaan van alle rechtsvervolging, nu de verdachte zou hebben gehandeld uit noodweer dan wel noodweerexces. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de raadsvrouw aangevoerd dat aangever [slachtoffer] bij het betreffend incident de agressor is geweest en hij de verdachte heeft uitgedaagd tot een gevecht. Volgens de raadsvrouw was de klap met de honkbalknuppel door de verdachte misschien een overschrijding van de noodzakelijke verdediging, maar was die overschrijding het gevolg van een zeer begrijpelijke gemoedsbeweging als gevolg van de eerdere aanrandingen in en buiten de auto.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep ten aanzien van het incident verklaard dat aangever [slachtoffer] het portier van de auto van de verdachte heeft opengemaakt, hem vervolgens agressief heeft bejegend en hem uit het niets een vuistslag tegen zijn oog heeft gegeven. Volgens de verdachte kon hij op dat moment niet wegrijden, omdat [slachtoffer] voor zijn auto bleef staan en hem bleef uitdagen en bedreigen. Door het gedrag van [slachtoffer] , in het bijzonder diens vuistslag tegen zijn oog, verkeerde de verdachte naar eigen zeggen in shock en heeft hij in die toestand de honkbalknuppel gepakt, is hij uit zijn auto gestapt en heeft hij de aangever hiermee een tik gegeven toen deze zich dreigend bleef gedragen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Het hof stelt voorop dat onder “mishandeling” in de zin van artikel 300 van het Wetboek van Strafrecht moet worden verstaan het aan een ander toebrengen van lichamelijk letsel of pijn zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond bestaat. In het begrip ‘mishandeling’ ligt aldus de wederrechtelijkheid van de gedraging besloten. Indien en voor zover komt vast te staan dat verdachte heeft gehandeld uit noodweer, dus niet wederrechtelijk, leidt dit tot vrijspraak.

Vorenstaande impliceert dat indien en voor zover niet in voldoende mate is uit te sluiten dat verdachte niet wederrechtelijk heeft gehandeld, het hof in zoverre niet tot een bewezenverklaring van mishandeling kan komen, nu de wederrechtelijkheid van het toebrengen van lichamelijk letsel of pijn in dit geval niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waaronder onder omstandigheden mede is begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

Met betrekking tot de feiten is voor het hof het volgende komen vast te staan.

De verdachte had net een bestelling bij de buren van de verdachte afgeleverd en maakte zich klaar om door te rijden naar de volgende bestelling, toen ineens zijn portier werd opengetrokken door aangever [slachtoffer] . Hierbij werd de verdachte door deze [slachtoffer] op agressieve toon aangesproken op zijn rijgedrag. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat de verdachte vervolgens ook een vuistslag op zijn oog kreeg, nu dit verder geen steun vindt in het dossier. Het hof gaat er derhalve van uit dat aangever [slachtoffer] , zoals deze zelf heeft verklaard, de verdachte vervolgens wel een duw gaf.

Het hof stelt verder vast dat na de duw de aangever is doorgelopen naar zijn huis en dat verdachte, toen aangever bijna bij zijn voordeur was, met de honkbalknuppel uit zijn auto sprong. Deze lezing van de feiten door aangever, vindt bevestiging in de verklaring van de getuige [getuige] . De verdachte is vervolgens al schreeuwend en scheldend naar aangever [slachtoffer] toegelopen, waarna hij hem een klap met de honkbalknuppel heeft gegeven.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat er op het moment dat de verdachte uit zijn auto stapte met de honkbalknuppel in zijn handen, geen sprake meer was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding en derhalve niet meer van een noodweersituatie. Immers, aangever [slachtoffer] was reeds bij de verdachte weggelopen en de verdachte heeft er vervolgens voor gekozen de confrontatie weer op te zoeken, door met een honkbalknuppel in zijn hand zijn auto uit te stappen en in de richting van de aangever te lopen. Door aldus te handelen komt de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer meer toe.

Daarbij overweegt het hof voorts dat, zo er al sprake was geweest van een noodweersituatie, verdachte geen geslaagd beroep toekomt op noodweer, nu hij de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden.

Allereerst is het geenszins aannemelijk geworden dat hij zichzelf niet met minder vergaande middelen had kunnen – en dus moeten – verdedigen tegen de duw van aangever [slachtoffer] . Hij had zich immers kunnen verdedigen met zijn handen en/of voeten en het pakken van een slagwapen was derhalve niet het aangewezen middel, zodat niet voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste.

Ten tweede heeft de verdachte zich kunnen onttrekken aan de aanranding. Immers, hij zat nog in zijn auto en hij had de portieren van zijn auto op slot kunnen doen en weg kunnen rijden. In plaats daarvan heeft hij ervoor gekozen een honkbalknuppel te pakken en uit zijn auto te stappen. Hiermee heeft hij actief de confrontatie opgezocht. Door aldus te handelen heeft de verdachte niet voldaan aan het subsidiariteitsbeginsel. Hierbij merkt het hof nog op dat de verklaring van de verdachte dat hij niet weg kon rijden omdat aangever [slachtoffer] voor zijn auto stond, niet aannemelijk is geworden. Allereerst omdat deze verklaring geen steun vindt in de andere verklaringen met betrekking tot het feit, maar bovendien heeft de verdachte pas voor het eerst ter terechtzitting in hoger beroep zo verklaard.

Gelet op het vorenstaande kan het beroep op noodweer niet slagen en verwerpt het hof het verweer.

Nu een eventueel geslaagd beroep op noodweerexces de strafbaarheid van de verdachte raakt, zal het hof dit gedeelte van het verweer bespreken onder het kopje “Strafbaarheid van de verdachte”.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof verwerpt het beroep van de verdediging op noodweerexces. Nog daargelaten dat het beroep op noodweerexces niet kan slagen op de grond dat het bestaan van een noodweersituatie niet door het hof wordt vastgesteld, is het hof van oordeel dat het bestaan van een hevige gemoedsbeweging die zou hebben geleid tot het handelen van verdachte waarbij de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden, onvoldoende aannemelijk is geworden.

Nu er ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

De politierechter heeft de verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft zich achter deze strafoplegging geschaard.

Met betrekking tot de oplegging van een straf heeft de verdediging primair het hof verzocht toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft de verdediging het hof verzocht te volstaan met de oplegging van een geldboete dan wel een geheel voorwaardelijke straf.

Het hof overweegt het volgende.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast heeft het hof gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer] door hem met een honkbalknuppel tegen het lichaam te slaan.

Gezien de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, acht het hof de oplegging van na te melden straf geboden en zal derhalve geen toepassing gegeven worden aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof is van oordeel dat in het algemeen bij de straftoemeting aansluiting kan worden gezocht bij de door het Landelijk overleg van strafvoorzitters van de strafsectoren van de gerechtshoven en rechtbanken (LOVS) geformuleerde oriëntatiepunten voor de straftoemeting. Het LOVS heeft oriëntatiepunten geformuleerd voor mishandeling. Het oriëntatiepunt voor mishandeling met behulp van een slagwapen, lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, is een taakstraf van 120 uren.

Het hof is van oordeel dat er goede gronden zijn om in de onderhavige zaak af te wijken van deze richtlijn en motiveert deze afwijking als volgt. De verdachte werd, terwijl hij nietsvermoedend in zijn auto zat, plotseling door het slachtoffer [slachtoffer] op een agressieve wijze op zijn verkeersgedrag aangesproken. Daarbij kreeg hij ook een duw van voornoemd slachtoffer. Hierdoor is de verdachte, zonder dat hij daar zelf op uit was, terecht gekomen in een conflict. Voorts is de verdachte een first offender. Het hof verbindt hieraan de gevolgtrekking van een lichtere strafmodaliteit dan waar voornoemd oriëntatiepunt vanuit gaat.

Resumerend acht het hof de oplegging van een geldboete ter hoogte van € 750,-- het meest passend bij de persoon van de verdachte en de ernst van en de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het hof overweegt ambtshalve nog het volgende.

Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

In beginsel heeft als redelijke termijn in hoger beroep te gelden 2 jaren na het instellen van appel. Nu door de verdachte op 7 februari 2018 appel is ingesteld en het hof meer dan 2 jaren later, te weten op 28 augustus 2020, in deze zaak uitspraak zal doen, is de redelijke termijn bij de behandeling in hoger beroep geschonden en wel met een periode van ruim 6 maanden.

Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman of raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld, is het hof niet gebleken.

Het hof is van oordeel dat volstaan kan worden met de constatering van deze schending en zal geen vermindering op de straf toepassen, nu het hof de verdachte veroordeeld tot een geldboete die minder bedraagt dan € 1.000,--.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 2.679,88 (waarvan € 2.504,88 aan materiële schade en € 175,-- aan immateriële schade). Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 100,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2017. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd ter zake van het niet toegewezen gedeelte van de vordering, zodat de oorspronkelijke vordering in zijn geheel aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Met de politierechter is voor het hof uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 100,-- aan immateriële schade. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 juni 2017 tot de dag der algehele voldoening. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het hof wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige gedeelte af.

Tot slot zal het hof de verdachte verwijzen in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Schadevergoedingsmaatregel

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [slachtoffer] is toegebracht tot een bedrag van € 100,--. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op

te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

10 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bepalen dat gijzeling voor na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verschuldigdheid niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 100,00 (honderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het subsidiair bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 100,00 (honderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 2 (twee) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 10 juni 2017.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. A.M.G. Smit en mr. A.C. van der Schans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. Tatters, griffier,

en op 28 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. A.C. van der Schans is buiten staat het arrest mede te ondertekenen.