Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2658

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-08-2020
Datum publicatie
03-09-2020
Zaaknummer
200.281.255_01 en 200.281.255_02
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing naar België. Verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2020/95
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 27 augustus 2020

Zaaknummers: 200.281.255/01 en 200.281.255/02

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/355527 / FA RK 20-561

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende op een voor het hof onbekend adres in België,

in deze zaak uitdrukkelijk woonplaats gekozen hebbende op het kantooradres van haar advocaat,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J. Mulder,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.E. Bakker.

Deze zaak gaat over de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 1] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 2] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige 3] .

In deze zaak is als belanghebbende aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming Brabant,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 28 juli 2020, heeft de moeder verzocht in incident:

  • -

    primair: de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen totdat het hof op het beroep van de moeder heeft beslist, althans een beslissing te geven als het hof juist acht;

  • -

    subsidiair:

I. te bepalen dat de moeder met de kinderen uiterlijk op 1 september 2020 vanuit België moet terugkeren naar Nederland en de kinderen bij een gemeente in Nederland worden ingeschreven en niet met ingang van vier weken na de datum van de bestreden beschikking;

II. te bepalen dat de moeder, naast terugkeer naar de oude woonplaats in Brabant, ook mag verhuizen naar een andere woonplaats in Nederland binnen een straal van 1 ½ uur rijden (gelijk aan de afstand tussen de woning van de vader en de vorige woonplaats van de moeder en de kinderen in Nederland), vanaf de woning van de vader dan wel om vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar (omgeving) [plaats 1] (straal van 20 km vanaf [plaats 1] );

III. althans een beslissing te geven als het hof juist acht,

in de hoofdzaak:

  • -

    primair: de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende aan de moeder alsnog vervangende toestemming te geven om met de kinderen te verhuizen naar België;

  • -

    subsidiair: voor het geval het verzoek van de moeder om haar vervangende toestemming te geven om naar België te verhuizen in hoger beroep wordt afgewezen:

I. een bijzondere curator ex artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW) te benoemen voor de kinderen;

II. de moeder vervangende toestemming te verlenen om, naast terugverhuizing naar de vorige woonplaats in Nederland, te verhuizen naar een andere woonplaats in Nederland binnen een straal van 1 ½ uur rijden (gelijk aan de afstand tussen de woning van de vader en de vorige woonplaats van de moeder en de kinderen in Nederland), vanaf de woning van de vader dan wel om vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar (omgeving) [plaats 1] (straal van 20 km vanaf [plaats 1] );

III. althans een beslissing te geven als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 augustus 2020, heeft de vader verzocht:

  • -

    primair: het beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen;

  • -

    subsidiair: het verzoek van de moeder om vervangende toestemming te verlenen om te verhuizen naar [plaats 1] toe te wijzen en de verzoeken voor het overige af te wijzen.

Bij zelfstandig verzoek heeft de vader verzocht een dwangsom te bepalen inhoudende dat de moeder, nadat de verhuizing en wijziging van de verblijfplaats van de kinderen naar [plaats 1] heeft plaatsgevonden, een dwangsom dient te betalen aan de vader, voor iedere dag dat de moeder in de toekomst zonder toestemming van de vader of zonder vervangende toestemming van de rechtbank de verblijfplaats van de kinderen (wederom) wijzigt.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Mulder;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Bakker;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

2.3.1.

De GI heeft bij brief van 4 augustus 2020 het hof bericht tijdens de mondelinge behandeling niet te zullen verschijnen.

2.3.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken.

Hij heeft hiervan gebruik gemaakt en hij heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van zijn ouders en hun advocaten en de medewerker van de raad een gesprek gehad met het hof, in bijzijn van de griffier. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit gesprek zakelijk weergegeven.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de GI d.d. 4 augustus 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 6 augustus 2020 (productie 41);

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 13 augustus 2020.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel:

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.1.

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Het hof is, na dit ambtshalve te hebben onderzocht, met de rechtbank van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft.

3.2.

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is kennis te nemen van de verzoeken is Nederlands recht van toepassing (artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996).

Inhoudelijk

3.3.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.

Uit de relatie van partijen zijn de hiervoor genoemde minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] (tezamen ook: de kinderen) geboren.

De vader heeft de kinderen erkend.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

De kinderen hebben het hoofdverblijf bij de moeder.

3.4.

Bij beschikking van 6 oktober 2017 zijn de kinderen onder toezicht gesteld van de GI. Deze ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 31 januari 2021.

3.5.

De ouders hebben sinds 2016 diverse procedures bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem gevoerd over de vaststelling van een zorgregeling.

  • -

    Bij tussenbeschikking d.d. 15 februari 2017 is een voorlopige zorgregeling vastgesteld, inhoudende dat de kinderen eenmaal per twee weken op zondag van 11:00 tot 14:00 uur bij de vader verblijven. Voorts heeft de rechtbank de raad verzocht te rapporteren en te adviseren over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken;

  • -

    Bij tussenbeschikking van 20 oktober 2017 stelde de rechtbank vast dat de zorgregeling moeizaam verliep met als gevolg dat de kinderen klem komen te zitten tussen de ouders. De gezinsvoogd kreeg de opdracht te onderzoeken of uitbreiding van de contactmomenten aan de orde was en iedere verdere beslissing werd aangehouden;

  • -

    Eind december 2017 is de moeder zonder toestemming van de vader met de kinderen vanuit [plaats 2] verhuisd naar een geheim adres in de regio [plaats 3] .
    Bij vonnis in kort geding van 11 januari 2018 heeft de voorzieningenrechter de moeder veroordeeld tot nakoming van de voorlopige zorgregeling zoals deze is bepaald in de beschikking van 15 februari 2017, met dien verstande dat er een opbouw plaatsvindt waarbij de eerste drie contactmomenten zullen plaatsvinden onder begeleiding van de gezinsvoogd. De vordering tot terugverhuizen is door de voorzieningenrechter afgewezen;

  • -

    Bij tussenbeschikking van 31 januari 2018 heeft de rechtbank beslist dat er naar uitbreiding van het contact met de vader moet worden toegewerkt. De rechtbank heeft een voorlopige regeling vastgesteld, inhoudende eenmaal per twee weken een dagdeel onder begeleiding waarna omgang bij het Omgangshuis dient plaats te vinden die daarna onder leiding van de gezinsvoogd stapsgewijs wordt uitgebreid naar eenmaal per twee weken van zaterdag 13.00 uur tot zondag 16.00 uur en waarbij het belang en het tempo van de kinderen bepalend is. Iedere verdere beslissing is aangehouden;

  • -

    Bij eindbeschikking van 29 november 2018 (C/05/312948/FA RK 16-3967) heeft de rechtbank een contactregeling vastgesteld, inhoudende dat de kinderen op een doordeweekse dag bij de vader thuis verblijven, beginnend met één tot twee uur per dag en uit te breiden naar drie tot vier uur per dag. Deze omgangscontacten worden begeleid door de gezinsvoogd totdat de persoonlijke hulpverlening voor de minderjarigen en de opvoedondersteuning bij de vader thuis zijn opgestart. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    Bij vonnis in kort geding van 8 juli 2019 (C/05/354514/KG ZA 19-228) van de rechtbank is de moeder onder verbeurte van een dwangsom veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling zoals vastgesteld bij de beschikking van 29 november 2018;

  • -

    Bij beschikking van 22 augustus 2019 (C/01/347321/JE RK 19-893) heeft de rechtbank de schriftelijke aanwijzing van de GI van 23 mei 2019 bekrachtigd voor zover daarin is bepaald dat de moeder de omgangsregeling tussen vader en de kinderen moet faciliteren.

3.6.

In de kerstvakantie van 2019 is de moeder met de kinderen zonder toestemming van de vader verhuisd naar België.

3.7.

Bij vonnis van 27 februari 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant bij wijze van voorlopige voorziening, uitvoerbaar bij voorraad, kort weergegeven:

  1. de moeder veroordeeld om binnen één maand na betekening van dit vonnis terug te verhuizen naar de regio [plaats 3] zodat de kinderen terug kunnen naar de school die zij aldaar laatstelijk hebben bezocht en zichzelf met de kinderen aldaar in te schrijven in de Basisregistratie Personen van de betreffende gemeente;

  2. de moeder verboden om na uitvoering van de veroordeling onder 5.1 wijziging in de verblijfplaats van de kinderen aan te brengen totdat in een bodemprocedure definitief over de verblijfplaats van de kinderen is beslist respectievelijk totdat de vader daar expliciet en schriftelijk toestemming voor heeft gegeven;

  3. de moeder veroordeeld om aan de vader een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan de onder 1 en 2 uitgesproken hoofdveroordeling voldoet;

  4. het meer of anders gevorderde afgewezen.

Genoemde termijn voor terugverhuizing en/of het innen van de dwangsom is na overleg (via de advocaten van partijen) onder voorwaarden verlengd tot 28 april 2020.

3.7.1.

Bij arrest van 28 april 2020 heeft dit hof voormeld vonnis vernietigd en de vorderingen van de vader alsnog afgewezen.

Het hof heeft – kort en zakelijk weergegeven – overwogen dat het in de huidige periode vanwege de situatie rondom Corona niet in het belang van de kinderen zou zijn indien zij op korte termijn zouden moeten terugverhuizen. In Nederland kunnen de kinderen op zijn vroegst pas op 11 mei 2020 weer naar school. Dan resteert nog slechts een korte periode school tot de zomervakantie. De kinderen dienen hun schooljaar in België af te kunnen maken. Dit laat onverlet dat in de door de moeder aanhangig gemaakte bodemprocedure, waarin zij verzoekt om vervangende toestemming om met de kinderen naar België te mogen verhuizen, alle aspecten ten volle gewogen kunnen worden, aldus het hof.

3.8.

De begeleide omgang tussen de vader en de kinderen loopt via de organisatie [organisatie] . De hulpverlening bij [organisatie] is stopgezet vanwege de verhuizing van de kinderen naar België. Daarna heeft de vader de kinderen enige tijd niet gezien, ook vanwege het sluiten van de landsgrenzen als maatregel tegen de verspreiding van het coronavirus. Het contact is, nadat het reizen over de landsgrenzen weer mogelijk werd, hersteld.

De contactregeling is recent gewijzigd, in die zin dat de kinderen nu onder begeleiding van een derde uit het netwerk van de vader contact hebben met de vader.

3.8.

Bij de bestreden beschikking, heeft de rechtbank Oost-Brabant:

  • -

    het verzoek van de moeder tot vervangende toestemming voor verhuizing afgewezen;

  • -

    bepaald dat de moeder een dwangsom ter hoogte van € 250,- per dag verbeurt, met ingang van vier weken na de datum van de bestreden beschikking, voor iedere dag dat de moeder, na betekening van deze beschikking, de verhuizing en de wijziging van de verblijfplaats van de kinderen niet ongedaan maakt en met de kinderen in België blijft wonen zonder toestemming van de vader of zonder vervangende toestemming van de rechtbank;

  • -

    bepaald dat de moeder, nadat zij de verhuizing en wijziging van de verblijfplaats van de kinderen op de hiervoor vermelde wijze ongedaan heeft gemaakt een dwangsom ter hoogte van € 1.000,- per dag verbeurt, voor iedere dag dat de moeder, na betekening van deze beschikking, in de toekomst zonder toestemming van de vader of zonder vervangende toestemming van de rechtbank de verblijfplaats van de kinderen wederom wijzigt;

  • -

    bepaald dat de dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

  • -

    de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;

  • -

    de proceskosten tussen partijen gecompenseerd aldus, dat iedere partijen de eigen kosten draagt.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof is door beide partijen toegelicht dat de termijn voor terugverhuizing, gezien de datum van betekening van de bestreden beschikking aan de moeder, op 29 augustus 2020 afloopt.

3.8.

De moeder kan zich met deze beslissing van de rechtbank Oost-Brabant niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.9.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

Ten onrechte heeft de rechtbank de overwegingen van de voorzieningenrechter en de daartoe genoemde gronden overgenomen en tot de hare gemaakt: de rechtbank heeft zich ten onrechte enkel nog de vraag gesteld of de belangen van de kinderen nu, door tijdsverloop, anders moeten worden gewogen.

De ondertoezichtstelling van de kinderen is weliswaar verlengd, maar de moeder heeft daarmee ingestemd. De moeder heeft haar verhuisplannen al medio 2019 met de GI gedeeld: de gezinsvoogd was niet principieel tegen een verhuizing. De moeder heeft vóór de verhuizing actief meegedacht over een overdracht van de ondertoezichtstelling naar België. Dat is tot op heden echter niet gebeurd.
De ondertoezichtstelling heeft de moeder en de kinderen niets opgeleverd: de inschatting van de moeder is dat deze zaak te zwaar is voor de gezinsvoogd. De moeder is echter bereid de ondertoezichtstelling te laten doorlopen in België. De GI heeft vóór de verhuizing slechts één keer kort met de kinderen gesproken. De moeder heeft sinds de verhuizing veelvuldig contact gehad met de GI over verschillende zaken.
Op 15 juni 2020 heeft de vader de gezinsvoogd gemaild dat het nu beter gaat tussen hem en de moeder. Volgens de moeder heeft de verhuizing hieraan bijgedragen.
De moeder is moegestreden en ziet dat de strijd de kinderen niets heeft opgeleverd. De moeder is van mening dat voor haar angst en ongerustheid als gevolg van wat zij heeft meegemaakt met de vader, onvoldoende oog is geweest.

De verhuizing naar België heeft geen nadelig effect gehad op het contact tussen de vader en de kinderen, integendeel. Hoewel de vader voor zijn narcistische persoonlijkheids- en depressieve stoornis geen psychologische hulp en evenmin opvoedondersteuning heeft gekregen, hetgeen wel voorwaarden waren bij de geldende omgangsregeling, werkt de moeder thans mee aan niet langer door professionals begeleide omgang die op haar initiatief steeds wordt uitgebreid. De vader kan de zorgregeling overigens altijd nog afdwingen met de dwangsommen.
De reisafstand tussen de huidige woonplaats van de kinderen en de vader is maar met een half uur toegenomen naar nu twee uur. De moeder is bereid voorlopig de kinderen te blijven halen en brengen. Dit deed de vader toch al niet. De vader heeft ook nooit een substantieel aandeel gehad in de zorg voor de kinderen en dit wenst hij ook niet te krijgen.

Van het gedragspatroon bij de moeder, zoals de rechtbank omschrijft, is geen sprake. Tegen de verhuizing van de moeder en de kinderen destijds naar [plaats 3] (hetgeen een vlucht was, omdat de moeder werd lastig gevallen door de vader) had de vader geen bezwaar. Na die verhuizing heeft de moeder zich inderdaad niet ingespannen om het contact tussen de vader en de kinderen te stimuleren.

De rechtbank heeft ten onrechte de uitlatingen van [minderjarige 1] bestempeld als een loyaliteitsconflict. De moeder verzoekt voor het geval de toestemming voor verhuizing naar België wordt geweigerd, een bijzondere curator te benoemen voor de kinderen.

De kinderen zijn in België geworteld. Ze zijn gelukkig in het nieuwe gezin dat de moeder heeft gevormd met haar nieuwe partner en zijn twee kinderen. Zij hebben ieder een eigen slaapkamer in de woning van de partner van de moeder. De kinderen doen het goed op school, zitten op sport en hebben veel vrienden. [minderjarige 1] heeft al een middelbare school gekozen. Een terugverhuizing zal gezien de leeftijd van de kinderen een diepe impact op hun leven hebben. De moeder en haar partner hebben een relatie sinds 2017. Hij is gebonden aan België, omdat hij en zijn ex-partner een co-ouderschapsregeling hebben met betrekking tot hun eigen kinderen.

De beoordeling in dezen hangt niet alleen af van de vraag of de verhuizing in het belang van de kinderen noodzakelijk was. De belangenafwegingen in verhuiszaken is veel breder.

Ten onrechte heeft de rechtbank dwangsommen opgelegd, verwijzend naar de verhuizing van de moeder naar de regio [plaats 3] : dat was een vlucht van de moeder voor de vader.

Bij voorwaardelijk aanvullend verzoek (voor zover haar geen vervangende toestemming wordt verleend naar België te verhuizen met de kinderen) verzoekt de moeder haar toestemming te verlenen om met de kinderen naar [plaats 1] te verhuizen, omdat – kort gezegd – zij daar meer hebben dan in de regio [plaats 3] .

3.10.

De vader voert, samengevat, het volgende aan.

De rechtbank heeft de zorgen van de vader in één enkele alinea (tweede alinea van pagina 7) samengevat: dat een verhuizing van de kinderen naar België de reeds moeizaam lopende contactregeling zwaar onder druk zet; dat niet met zekerheid kan worden verondersteld dat de contactregeling op een stabiele wijze voortgezet wordt en dat de vader op een passende wijze een vaderrol in het leven van de kinderen kan (blijven) vervullen; dat de toenemende reisafstand het contact met de kinderen geen goed zal doen en van invloed zal zijn op de uitbreiding van de rol van de vader in het leven van de kinderen.
De vader heeft van de moeder nog nooit de kans gekregen meer zorgtaken op zich te nemen. Ook de hulpverlening aan de vader en de kinderen is door de verhuizing onder druk komen te staan. De kinderen zijn weliswaar in België direct weer aangemeld bij een kinderpsycholoog, maar onduidelijk is met welke berichtgeving de kinderen zijn aangemeld en op welke manier de doelen zijn geformuleerd.

De vader is in eerste aanleg uitvoerig ingegaan op de verhuis-criteria. Hij handhaaft zijn stellingen in dat kader. Voor het overige reageert de vader op de standpunten van de moeder in hoger beroep.

De moeder heeft het gezag van de vader en het contact met de kinderen ondermijnd door zonder toestemming en in het geheim te verhuizen. De moeder is pas met de vader in gesprek gegaan nadat de vader het kort geding aanhangig had gemaakt.
Ondanks het feit dat de gezinsvoogd en begeleiding positief stonden ten opzichte van (onbegeleid) contact tussen de kinderen en de vader, was de moeder nimmer bereid hieraan mee te werken, met het argument dat het voor de kinderen niet veilig zou zijn bij de vader. Er is in de situatie van de vader niets veranderd, maar plots staat de moeder wel open voor het contact en voor mediation of ouderschapsbemiddeling.
De vader vreest dat de moeder het contact weer eenzijdig zal stopzetten als zij de druk van de procedures niet meer voelt. De vader denkt dat de moeder alleen voor haar eigen belang staat, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.
De vader heeft ten tijde van de verhuizing naar [plaats 3] ervoor gekozen geen procedure te starten omdat hij de moeder ruimte wilde geven in de hoop dat zou bijdragen aan onbelast contact met de kinderen.

Nu neemt de moeder weliswaar het halen en brengen voor haar rekening, maar als hij dit in de toekomst zelf moet gaan doen, zal hij verder moeten reizen en meer kosten moeten maken.
Voor de vader is niet na te gaan of de door de moeder gestelde extra reistijd van een half uur klopt, omdat de moeder op een geheim adres woont. Ook voor de kinderen wordt het lastiger en duurder om later zelfstandig naar de vader toe te gaan.

Voor de vader weegt ook zwaar dat de kinderen zijn verhuisd naar een ander land. Dit is zeer ingrijpend voor de kinderen, zeker gezien hun leeftijd en het feit dat zij al een gemengde afkomst hebben. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader verklaard dat de moeder in feite overal in Nederland mag wonen, ongeacht de afstand. Het feit dat zij in België wonen maakt het gevoel van afstand tot de kinderen zo groot, mede doordat de vader dan niet de bescherming geniet van het Nederlandse rechtssysteem.
De vader hoort tijdens de mondelinge behandeling van het hof voor het eerst dat de moeder het verleden een plek heeft gegeven en emotionele toestemming kan geven voor het contact tussen de vader en de kinderen: het vertrouwen van de vader in de moeder is echter geschaad, zodat hij niet zomaar kan aannemen dat er geen rechter meer nodig is om het contact met de kinderen te waarborgen.

Aan het feit dat de kinderen mogelijk positief staan tegenover de verhuizing, kan niet het gewicht worden toegekend dat de moeder voorstaat; de kinderen zijn nog jong en waarschijnlijk beïnvloed door de moeder. De vader ziet de meerwaarde van een bijzondere curator niet in, gezien de betrokkenheid van de gezinsvoogd.

De kinderen kunnen nog niet in België geworteld zijn. De vader verwijst naar de naar zijn mening terechte overwegingen van de rechtbank in dit kader.

Omdat de moeder voor een tweede maal zonder (vervangende) toestemming is verhuisd, is het opleggen van een dwangsom juist en noodzakelijk.

Met het voorwaardelijk aanvullende verzoek van de moeder kan de vader instemmen voor zover zij heeft verzocht subsidiair naar [plaats 1] te mogen verhuizen.

3.11.

De GI heeft in voormelde brief van 4 augustus 2020, ondertekend door [jeugdzorgwerker] (de jeugdzorgwerker) het hof bericht dat tijdens de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 7 juli 2020 door [naam] de visie van de GI op het verzoekschrift van de moeder kenbaar is gemaakt en dat de GI nog steeds achter deze visie staat. De GI zal niet op de mondelinge behandeling van het hof verschijnen omdat de jeugdzorgwerker geen aanvullende informatie kan verschaffen.

3.12.

De raad heeft tijdens de mondelinge behandeling het volgende geadviseerd.

De raad heeft de indruk dat de ernst van de diepgewortelde systeemproblematiek van de ouders tot dusverre onvoldoende is onderkend door alle betrokken partijen. De ouders hebben elkaar op jonge leeftijd ontmoet en zijn daardoor als het ware samen opgegroeid. Vanuit die vervlochten persoonlijkheidsontwikkeling zijn zij een gezin gestart, waarbij de psychiatrie bij een van de ouders de balans heeft verstoord. Het is de inschatting van de raad dat vanwege die vervlochten persoonlijkheidsontwikkeling van beide partijen het scheidingsproces heel complex is en veel tijd kost. Dat is ook gebleken. Drie jaar is dan nog een relatief korte periode. Het is prettig voor de ouders, maar niet opzienbarend, dat zij inmiddels allebei op een betere plek zijn voor zichzelf. Eigenlijk zou dit het ideale moment zijn om een ondertoezichtstelling in te gaan en te gaan onderzoeken hoe hun ouderschap vormgegeven moet worden.

Het raadsonderzoek heeft indertijd kort na het uiteengaan van partijen, derhalve in een turbulente periode en binnen een kort tijdsbestek, plaatsgevonden, waarmee geen recht is gedaan aan de onderliggende problemen. In de manier waarop de ondertoezichtstelling is verlopen herkent de raad bovendien onvoldoende doortastendheid, hetgeen niet verwonderlijk is gezien de heftigheid van de situatie. Tot slot zijn de verschillende (voorzieningen)rechters steeds een andere weg in geslagen. Nu is het een hele opgave om de juiste beslissing voor de kinderen voor de toekomst te nemen.

De raad wenst ook te benoemen dat, ondanks het type systeem, de psychiatrische problematiek die speelt en de manier waarop de ouders met elkaar communiceer(d)en, de kinderen loyaal zijn gebleven aan hun vader en zij graag naar hem blijven gaan. Het is de moeder dus ondanks alles goed gelukt de kinderen uit de wind te houden. De raad vindt dat dit onderbelicht is in de vorige procedures.

De ouders zitten nog vol in de strijd, omdat gesproken wordt over het verlenen van toestemming, terwijl het eigenlijk zou moeten gaan over het voeren van gezamenlijk overleg. Daar is nu geen ruimte voor.
Als in mediation voor één van beide ouders de verhuizing op zichzelf niet bespreekbaar is, heeft mediation geen zin en moet het hof de knoop doorhakken.

Beide ouders hebben een aandeel gehad in het ontstaan van de situatie zoals deze nu is. De raad adviseert de ouders om niet op een beslissing van het hof of het handelen van professionals te wachten, maar om samen te gaan praten over het welzijn van de kinderen. De raad concludeert als volgt. De wortels onder het ouderschap, het systeem, zijn rot. Zolang niets aan die wortels gedaan wordt, maakt het niet uit waar de kinderen wonen, omdat de vader dan alleen maar meer verwijdering en afstand zal gaan ervaren.

3.13.

Het hof oordeelt als volgt.

Schorsingsverzoek

3.13.1.

Omdat het hof bij deze beschikking einduitspraak doet heeft de moeder geen belang meer bij de door haar verzochte voorlopige voorzieningen voor de duur van deze procedure. Het hof komt aan een inhoudelijke bespreking van dat verzoek dan ook niet toe. Dit verzoek zal worden afgewezen.

Vervangende toestemming verhuizing

3.13.2.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de kinderen toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen.

Bij een dergelijke beslissing dient het hof conform vaste rechtspraak alle omstandigheden in acht te nemen en alle belangen af te wegen.

Hoewel het belang van de minderjarigen een overweging van de eerste orde dient te zijn bij deze belangenafweging, kunnen andere belangen zwaarder wegen dan het belang van de minderjarigen.

Het gaat onder meer om: het recht en belang van de verhuizende ouder en de vrijheid om zijn of haar leven opnieuw in te richten, de (on)mogelijkheid om op een andere wijze aan dat belang tegemoet te komen, de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid, de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarigen en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren, de leeftijd van de minderjarigen, de te overbruggen afstand en de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg.

3.13.3.

Het hof gaat van de volgende vaststaande feiten uit.
Ten tijde van hun relatie woonden beide ouders in [plaats 2] . Na het verbreken van de relatie is de moeder met de kinderen, zonder toestemming van de vader, naar de omgeving van [plaats 3] verhuisd. De vader is op enig moment naar [woonplaats] verhuisd. De afstand [woonplaats] - [plaats 3] bedraagt ongeveer anderhalf uur.

De moeder heeft sinds maart 2018 een relatie met haar nieuwe partner (zij waren sinds juli 2017 bevriend). Medio 2019 heeft de moeder aan de GI kenbaar gemaakt dat zij naar België wilde verhuizen en met de kinderen in de woning van haar nieuwe partner wilde gaan wonen. In september 2019 heeft zij dit voornemen met de vader besproken. Hij heeft uitdrukkelijk geen toestemming gegeven voor deze verhuizing.
In de kerstvakantie van 2019 is de moeder toch, zonder medeweten van de GI en de vader, met de kinderen naar België verhuisd. Vanaf begin januari 2020 staan de kinderen ingeschreven op het (geheime) adres van de nieuwe partner van de moeder en zijn de kinderen ingeschreven op een basisschool in België.

3.13.4.

Na de verhuizing van de moeder met de kinderen is de vader het kort geding gestart, in welke procedure zijn vorderingen bij vonnis van 27 februari 2020 zijn toegewezen, in die zin dat de moeder binnen vier weken op straffe van verbeurte van dwangsommen diende terug te verhuizen naar Nederland met de kinderen, welke beslissing in hoger beroep bij arrest van 28 april 2020 is vernietigd.

Op grond van de beslissing in de bodemprocedure, zijnde de bestreden beschikking van 21 juli 2020, diende de moeder alsnog binnen vier weken met de kinderen naar Nederland terug te verhuizen, wederom op straffe van verbeurte van dwangsommen.

3.13.5.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de moeder in beginsel volledige vrijheid heeft haar leven naar eigen inzichten in te richten en haar woonplaats te kiezen. Die vrijheid vindt echter zijn begrenzing in de omstandigheid dat de moeder en de vader de ouders zijn van drie minderjarige kinderen over wie zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen, Dat brengt mee dat de moeder haar gedragingen voor zover die van invloed zijn op dit gezamenlijk gezag, dient af te stemmen met de vader, mede op de gerechtvaardigde belangen en wensen van zowel de kinderen als de vader.

Het hof komt echter tot een andere beslissing dan de rechtbank en overweegt daartoe het navolgende.

3.13.6.

Feit is dat de moeder met de kinderen naar België is verhuisd zonder toestemming van de vader, dan wel de rechtbank. De moeder heeft er -bewust- voor gekozen geen procedure te starten ten einde toestemming te verkrijgen voor de verhuizing naar België met de kinderen. De moeder heeft vanaf het verbreken van de relatie tussen partijen de pogingen om het contact tussen de kinderen en de vader te herstellen c.q. verder op te bouwen, alsmede de daarop gerichte hulpverlening feitelijk tegengewerkt. De moeder is immers meerdere malen beslissingen van de rechter en schriftelijke aanwijzingen van de GI niet nagekomen. Zij geeft ook zelf aan dat zij het contact tussen de vader en de kinderen niet heeft gestimuleerd. Een dergelijke handelswijze acht het hof zonder meer in strijd met het medegezag van de vader. Door aldus te handelen heeft de moeder de positie van de vader in het leven van de kinderen ernstig tekort gedaan en haar eigen belangen laten prevaleren boven de belangen van de kinderen bij het hebben van contact met hun vader.

3.13.7.

Het feit dat de vader geen toestemming wilde geven voor de verhuizing, was naar het hof begrijpt, met name ingegeven door de vrees van de vader, gelet op de ervaringen uit het verleden, dat de verhuizing de reeds moeizaam verlopende contactregeling vanwege de langere reisafstand verder zou compliceren en gevolgen kon hebben voor zowel de uitvoering van de ondertoezichtstelling als de hulpverlening aan de kinderen. Geconstateerd kon immers worden dat na jarenlang procederen en inzet van hulpverlening, er nog steeds geen sprake was van stabiel contact tussen hem en de kinderen.

Weliswaar had de moeder zelf ideeën over de voortzetting van de ondertoezichtstelling en omgangsbegeleiding in België, maar in dat kader was nog niets geregeld.

De wens van de moeder om voor haarzelf en de kinderen een gezinsleven op te bouwen met haar nieuwe partner (en zijn kinderen) is gerechtvaardigd en te begrijpen. Het is verder aannemelijk dat de nieuwe partner van de moeder aan zijn woonplaats gebonden is gezien de co-ouderschapsregeling met betrekking tot zijn eigen kinderen. Desalniettemin is naar het oordeel van het hof door de moeder onvoldoende gesteld of gebleken dat de verhuizing naar België absoluut noodzakelijk was.

3.13.8.

Met de raad is het hof echter van oordeel dat tot nu toe in alle procedures en bij de inspanningen om enerzijds het ouderschap te reorganiseren en anderzijds het contact tussen de vader en de kinderen te herstellen en op te bouwen, de onderliggende systeemproblematiek en in dat kader zowel (de gevolgen van) de psychiatrische problematiek aan de zijde van de vader als de reactie van de moeder op die problematiek, onderbelicht zijn geweest. Het hof is van oordeel dat de focus van alle betrokken professionals aanvankelijk meer had moeten liggen op het losmaken van de vervlochten persoonlijkheidsontwikkeling van beide ouders en het vormgeven van een eigen bestaan, los van elkaar, nadat zij sinds hun tienerjaren samen in hun zeer complexe relatie hadden gezeten. Als dit was gebeurd, en het hof volgt in die gedachte de raad, dan had een stevigere basis gevormd kunnen worden voor de reorganisatie van het ouderschap en het vormgeven van het contact tussen de vader en de kinderen.
Het hof constateert dat, hoewel de ondertoezichtstelling al een aantal jaren liep, ook de GI gedurende al die tijd kennelijk geen mogelijkheden zag om dit complexe patroon tussen de ouders te doorbreken. Ook de aan de vader geadviseerde opvoedondersteuning is, naar het hof begrijpt, niet van de grond gekomen.
Het hof merkt daarbij op dat de moeder aanvankelijk wel aan de GI heeft aangegeven dat zij graag naar België zou willen verhuizen. De GI is ook daarin, behalve door aan te geven dat een verhuizing niet onbespreekbaar zou zijn maar dat daarvoor toestemming van de vader nodig is, niet doortastend naar de ouders opgetreden (de raad heeft het ter zitting in dit verband over “handelingsverlegen”).
Het handelen van de moeder en de keuzes die zij heeft gemaakt, zoals het niet naleven van rechtelijke beslissingen en aanwijzingen van de GI, is in verschillende rechterlijke uitspraken veroordeeld. Hetgeen hiervoor is overwogen laat op haar handelen naar het oordeel van het hof echter een ander licht schijnen. Het hof kan de verhuizing van de moeder naar [plaats 3] en later de verhuizing naar België, tegen de achtergrond van het voorgaande, anders dan de rechtbank, niet louter bestempelen als een ultieme poging van de moeder om de vader uit het leven van de kinderen te weren en zijn inspanningen om een rol van betekenis in het leven van de kinderen te spelen, te frustreren. Het hof verwijst daartoe naar hetgeen verderop wordt overwogen. Dit zou overigens ook niet stroken met het feit dat, zoals de raad terecht opmerkte, de kinderen ondanks de strijd van en weerstand bij de moeder tegen de vader, zelf geen weerstand tegen de vader hebben ontwikkeld maar loyaal aan hem zijn gebleven, en dat het de moeder dus is gelukt de kinderen uit de wind te houden.

3.13.9.

Door en namens de vader is tijdens de mondelinge behandeling van het hof erkend dat de moeder sinds de verhuizing naar België een veranderde houding heeft ten opzichte van de vader, maar hij stelt daarbij dat, gezien de problematische en langdurige voorgeschiedenis tussen hen beiden, dit nog niet bestendig genoeg is.

Het hof maakt echter uit de uitlatingen van beide ouders ter zitting op dat de ontvlechting van hun gezamenlijke geschiedenis nu min of meer heeft plaatsgevonden. De moeder en de vader zijn ieder voor zich op een betere plek dan ten tijde van de relatie en zij zijn tevreden met het leven dat zij intussen voor zichzelf na de scheiding hebben opgebouwd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de moeder thans stelt dat zij een keerpunt heeft bereikt in die zin dat zij niet langer wil strijden en de noodzaak van een goede samenwerking met de vader inziet, in het belang van het contact tussen de vader en de kinderen.
Anders dan de rechtbank en de vader, koppelt het hof de veranderde houding van de moeder dan ook niet louter aan de door haar beoogde uitkomst van de procedure, maar eerder aan de stappen die zij heeft gezet in het proces van verwerking van haar trauma’s en het loskomen van het verleden met de vader.

Het hof stelt verder vast dat de moeder sinds de verhuizing daadwerkelijk in staat is gebleken het contact tussen de vader en de kinderen te stimuleren. Het contact is langzaam opgebouwd naar (zelfs) een door professionals onbegeleid contact eens in de twee weken, waarbij de moeder de kinderen haalt en brengt (ondersteund door de netwerken van beide ouders). In de andere week is er telefonisch contact. Daarmee kan vastgesteld worden dat er nu structureel meer contact tussen de vader en de kinderen is dan er in Nederland ooit is geweest.

Bovendien is er nu contact tussen de kinderen en overige familieleden van de vader, waarvan geen sprake was in het kader van de begeleide contacten in Nederland. Ook is er een voorzichtig overleg tussen de ouders onderling tot stand gekomen, vooralsnog via e-mail.

Het hof heeft gezien het voorgaande het vertrouwen dat de moeder intrinsiek gemotiveerd is om in het belang van een positieve (identiteits)ontwikkeling van de kinderen, het contact met de vader te blijven stimuleren en faciliteren. Hef hof gaat er van uit dat de moeder er naar toe werkt dat de kinderen, zoals door de raad geadviseerd, uiteindelijk onbegeleid een weekeinde per twee weken en een deel van de schoolvakanties en een deel van de feestdagen bij de vader verblijven.
Dit contact kan de vader in het uiterste geval zo nodig gaan afdwingen met dwangsommen.

3.13.10.

In het licht van het voorgaande speelt het tijdsverloop waarvan inmiddels sprake is, ook een rol. Tegen de achtergrond van de door de raad ter zitting gemaakte opmerkingen, kan worden vastgesteld dat de moeder inmiddels meer tot rust is gekomen, het belang van een omgangsregeling van de kinderen met de vader inziet en het contact tussen de kinderen en de vader beter loopt dan ooit tevoren. Ook mag worden aangenomen dat de gezinssituatie waarin de kinderen zich nu bevinden bijdraagt aan (de opbouw van) het structureel contact tussen de kinderen en de vader.

3.13.11.

De vader wijst er tijdens de mondelinge behandeling op dat het naar zijn mening van groot belang voor de kinderen is dat zij in Nederland opgroeien gelet op hun Turkse en Nederlandse afkomst. Een derde cultuurelement, België, acht hij niet in het belang van de kinderen. In zijn ogen is wonen en opgroeien in Nederland zeer belangrijk en zelfs zo belangrijk dat geografische afstand tussen de beide ouders binnen de grenzen van Nederland daaraan ondergeschikt is. De moeder kan wat hem betreft overal binnen Nederland gaan wonen, maar niet in België.

Het hof overweegt dat de kinderen weliswaar van Nederlands-Turkse afkomst zijn, in Nederland zijn geboren en tot januari 2020 hier zijn opgegroeid, maar dat daaruit niet noodzakelijkerwijs volgt dat het in strijd met hun belangen is dat zij verder in België opgroeien. De vader heeft dat standpunt onvoldoende onderbouwd.

Uit het feit dat de vader verder aangeeft dat de kinderen eigenlijk overal in Nederland zouden kunnen gaan wonen, leidt het hof af dat de fysieke afstand tussen de woonplaats van de moeder en de kinderen voor de vader niet het echte probleem is (immers ook in Nederland behoort een reisafstand van anderhalf tot twee uur tot de mogelijkheden) zodat de vader in dat opzicht niet in een nadeligere positie wordt gebracht. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de moeder vooralsnog, en zoals ook nu aan de orde is, de kinderen brengt en haalt.

Daarbij laat het hof ook meewegen dat tussen de ouders niet in geschil is dat de kinderen hun hoofdverblijf bij de moeder hebben en dat zij het grootste deel van hun dagelijkse opvoeding en verzorging voor haar rekening neemt. Er is – zelfs indien de verdeling van de zorgtaken wordt uitgebreid naar de indertijd door de raad geadviseerde omvang – sprake van een “klassieke zorgverdeling”, waarbij de kinderen het grootste deel van de tijd bij de moeder verblijven.

3.13.12.

De vader stelt op de mondelinge behandeling verder dat hij heeft geconstateerd dat er tussen hem en de kinderen emotionele afstand komt. Deze afstand tot de kinderen die de vader thans ervaart, kan en zal niet noodzakelijk met de enkele terugverhuizing naar Nederland overbrugd worden. Of die afstand overbrugd kan worden zal vooral afhangen van de bereidheid en de inspanningen van beide ouders om te werken aan wat resteert van de onderliggende systeemproblematiek en vervolgens de reorganisatie van hun gezamenlijke ouderschap. De woonplaats van de kinderen is daarbij niet doorslaggevend.

3.18.13.

Er loopt een ondertoezichtstelling tot 31 januari 2021, waarmee beide ouders ingestemd hebben. Het hof acht het van groot belang en vertrouwt daar ook op dat de GI de professionele hulpverlening in het kader van de OTS overdraagt aan de Belgische autoriteiten. De GI dient er voor te waken dat dat op zorgvuldige wijze gebeurt, de vader als gezaghebbende ouder, in het hulpverleningsproces van de kinderen wordt gekend en dat de begeleiding en ondersteuning van de ouders en de kinderen in het kader van de contactregeling met de vader in België verder gecoördineerd worden: voor zover noodzakelijk, aangezien de contacten nu (door professionals) onbegeleid plaatsvinden. Tevens kan van daaruit zicht komen op de hulpverlening van de psycholoog waar de kinderen in België naar toe gaan/gingen. Er moet vanuit worden gegaan dat de Belgische rechter en het rechtssysteem aldaar de rechten van de vader als ouder met gezag voldoende waarborgen. Ook in België geldt immers het uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap na scheiding, getuige het feit dat gescheiden ouders in België in beginsel in de vorm van een co-ouderschapsregeling de zorg voor de kinderen dienen te verdelen.

3.13.14.

Het hof weegt tot slot mee dat de kinderen zich nu in een sinds januari 2020 bestendige gezinssituatie bevinden en het (naar omstandigheden) goed met hen gaat. Het voert te ver om te oordelen dat de kinderen intussen in België geworteld zijn; daarvoor is de tijd te kort. Wel kan worden vastgesteld dat zij gewend zijn aan hun leven daar en er goed gedijen. Als de moeder op korte termijn met alleen de kinderen – zonder haar partner – terug naar Nederland ( [plaats 1] , daar zijn partijen het over eens) moet verhuizen, brengt dit wederom veel onzekerheid, wisselingen en in algemene zin instabiliteit met zich.

3.13.15.

Al het voorgaande leidt tot het oordeel van het hof dat, na een afweging van de belangen van de kinderen, de moeder en de vader, het belang van de kinderen en de moeder bij het in stand houden van de huidige situatie, zwaarder wegen dan het belang van de vader bij een terugverhuizing van de moeder met de kinderen naar Nederland ( [plaats 1] ).

Conclusie

3.14.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en het verzoek van de moeder om met de kinderen naar België te verhuizen alsnog toewijzen.

Proceskosten

3.15.

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie hebben gehad en deze procedure een familierechtelijke kwestie betreft.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaken met nummer 200.281.255/01 en 200.281.255/02:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2020;

en opnieuw rechtdoende:

verleent aan de moeder toestemming om met de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats] ;

  • -

    [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] ,

naar België te verhuizen.

compenseert de proceskosten in beide instanties, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.L. Schaafsma-Beversluis, J.B. van den Beld en K.A. Boshouwers en is op 27 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. J.F.A.M. Graafland-Verhaegen in tegenwoordigheid van de griffier.