Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2642

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
28-08-2020
Zaaknummer
200.259.329_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2019:1085
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging onderwijsovereenkomst. Vordering tot schadevergoeding wegens studievertraging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1126
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.259.329/01

arrest van 25 augustus 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. K.J.C. van Bekkum te Heerlen,

tegen

Stichting BVE Zuid-Limburg (voorheen genaamd: Stichting voor Beroepsonderwijs en VE Westelijk Zuid-Limburg, Regionaal Opleidingen Centrum [ROC] , h.o.d.n. ROC [ROC] ),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [ROC] ,

advocaat: mr. C. Riemens te Heerlen,

op het bij exploot van dagvaarding van 6 mei 2019 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 6 februari 2019, door de kantonrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [ROC] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 7206212 \ CV EXPL 18-6221)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep met eiswijziging;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling


De feiten

3.1.

In rov. 2 van het vonnis heeft de kantonrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Met grieven I en II wordt deze vaststelling bestreden. Grief I slaagt ten dele. Dit enkele feit leidt echter nog niet tot de vernietiging van het bestreden vonnis (zie
rov. 3.4.2.).
Het hof zal hierna een overzicht geven van de in hoger beroep vaststaande relevante feiten.

3.1.1.

Partijen hebben in juni 2015 een onderwijsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) gesloten, waarna [appellant] door [ROC] is ingeschreven voor de voltijdse opleiding tot sport- en bewegingsbegeleider niveau 2, met een studieduur van twee jaren en met
1 augustus 2015 als startdatum en 31 juli 2017 als verwachte einddatum. De overeenkomst is, gelet op [appellant] minderjarigheid, mede ondertekend door zijn moeder.

3.1.2.

In de overeenkomst wordt onder meer het volgende bepaald:

1.1. Dit opleidingsblad vormt samen met de algemene voorwaarden de tussen de partijen gesloten onderwijsovereenkomst. Voor zover daarvan in dit opleidingsblad niet wordt afgeweken, zijn de algemene voorwaarden van toepassing.
[…]
3.2.De deelnemer verklaart door ondertekening kennis te hebben genomen van en in te stemmen met de algemene voorwaarden die deel uitmaken van deze onderwijsovereenkomst.”

3.1.3.

[appellant] is begonnen met de opleiding en heeft het eerste leerjaar behaald. Gedurende het eerste jaar heeft hij een tweetal schriftelijke waarschuwingen ontvangen in verband met zijn - volgens [ROC] te omvangrijke - absentie. Deze waarschuwingen waren gebaseerd op de door [ROC] gehanteerde en aan [appellant] en zijn moeder bekend gemaakte normenlijst.

3.1.4.

In het begin van het tweede leerjaar is [appellant] door zijn mentor opnieuw geïnformeerd over de normenlijst, die behalve op absentie ook betrekking had op de resultaten en herkansingen en op het systeem van kruisjes en brieven naar aanleiding van gedragingen van deelnemers in relatie tot de door [ROC] van hen verwachte beroepshouding. Tevens heeft de mentor op 1 september 2016 aan de ouders van de deelnemers van het tweede leerjaar een e-mail gezonden, waarin hij schreef:
“Beste ouders,

Langs deze wil ik me graag alvast aan jullie voorstellen. Mijn naam is [mentor appellant] en ik ben de nieuwe mentor van uw zoon.
[…]

Mocht uw zoon afgelopen jaar 2 waarschuwingsbrieven hebben gescoord dan kan het heel zinvol zijn om even “de klokken gelijk te zetten”. (…)

Over een aantal zaken wil ik u nu al informeren.
Schoolzaken:

Alles wat we besproken hebben tijdens de introductie vindt u in de bijgevoegde powerpoint-presentatie. Hierin staan ook oa de zaken mbt kruisjes, absentie en overgang.
[…]”

3.1.5.

Bij e-mail van 19 september 2016 heeft de mentor onder meer het volgende geschreven aan [appellant] :

“ [appellant] ,

Heb je mama gevraagd voor morgen? Ik heb slecht nieuws. Je hebt afgelopen vrijdag kruisje 4, 5 en 6 gescoord. Dit betekent automatisch een brief. Onderstaand de mail die ik naar ouders stuur nav de kruisjes. Aangezien mama geen email heeft en jij, mama en ik morgen om tafel gaan, stuur ik je wel alvast deze informatie. Ik wil je vragen om deze mail ook aan mama te laten zien.

Zoals beloofd houd ik jullie op de hoogte over de voortgang van de student. Ik heb zojuist de aanwezigheid en beroepshouding bijgewerkt van afgelopen vrijdag. Op dit moment zien we in totaal 6 kruisjes. Zoals je weet is dit niet het gedrag wat we graag zien en dus zal ik je moeten coachen naar een verbetering. Ik hoop dat dit met deze mail en onze gesprekken tot nu toe ook gaat gebeuren. Nogmaals de reminder, bij 5 kruisjes volgt er een officiële waarschuwingsbrief en daar wil ik het met jou en mama over hebben. […]”

3.1.6.

Op 20 september 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de mentor, [appellant] en zijn moeder, waarin [appellant] is gewaarschuwd voor de aan hem tot op dat moment toegekende kruisjes.

3.1.7.

In totaal heeft [ROC] aan [appellant] over de eerste periode van leerjaar 2 acht kruisjes toegekend. De mentor heeft daarop bij brief van 19 oktober 2016 het volgende geschreven aan [appellant] en zijn moeder:

“Betreft: waarschuwingsbrief (brief 1)
[…]

“Middels deze bief geven we aan dat je beroepshouding, absentie en/of je resultaten de afgelopen periode niet voldoende zijn.
X Wij hebben geconstateerd dat je beroepshouding tijdens de lessen en/of de BPV onvoldoende is. In het document toets- en voortgangsinformatie (Fronter) staan de eisen over beroepshouding omschreven. Het is belangrijk dat je aan je houding gaat werken en dat deze ook verbetert.

Jij krijgt de komende periode de kans om te laten zien dat je met dit signaal iets doet en serieus aan verbetering werkt. Je krijgt de opdracht een persoonlijk Plan van Aanpak te maken dat samen met jouw mentor en ouder(s)/verzorger(s) wordt besproken.

Indien de komende periode blijkt dat er geen of onvoldoende verbetering is opgetreden, dan kan dit leiden tot een voorlopig negatief studieadvies; het betreft dan een officiële waarschuwing zoals aangegeven in het document toets- en voorgangsinformatie en volgens art. 19 van de onderwijsovereenkomst.
[…]”

3.1.8.

Op 20 oktober 2016 heeft [ROC] een ouderavond gehouden. De dag erna heeft de mentor aan de ouders van de leerlingen de tijdens de ouderavond gebruikte PowerPointpresentatie toegezonden. In deze presentatie waren onder andere de volgende dia’s opgenomen:

3.1.9.

Op 24 november 2016 heeft de mentor aan [appellant] en zijn moeder het volgende gemaild:
“Graag wil ik jullie op de hoogte brengen dat [appellant] momenteel 3 kruisjes heeft. Als hij zijn 5e kruisje ontvangt dan krijgt hij zijn 2de brief.

[appellant] , je moet echt aan de bak!”

3.1.10.

Op 29 november 2016 heeft [appellant] het in de brief van 19 oktober 2016 bedoelde plan van aanpak ingeleverd bij zijn mentor. Daarin heeft hij (enkel) ten aanzien van “telefoon ging af” en het “spullen te laat in huis” als veranderpunt ingevuld:
“Ik heb niet echt problemen met iets dus iets veranderen aan mij gedrag is niet noodzakelijk, maar ik kan wel mijn telefoon voortaan op stil zetten als dat nodig is.”

3.1.11.

Op 5 december 2016 heeft de mentor aan [appellant] en zijn moeder het volgende gemaild:

“Afgelopen vrijdag heeft [appellant] zijn 4de en 5de kruisje gehaald. Zoals in het oudergesprek besproken ontvangt [appellant] dan zijn 2de waarschuwingsbrief. Deze zal dus binnenkort ook thuisgestuurd worden. [appellant] , dit betekent dat je bij de volgende brief van school gestuurd gaat worden. Graag nodig ik jullie uit om aan tafel te gaan om deze brief toe te lichten.
Voorstel :
Dinsdag 13 december 15.00u”

3.1.12.

Bij brief van 7 december 2016 heeft de mentor aan [appellant] en zijn moeder onder meer het volgende geschreven:

“Betreft: Voorlopig negatief studieadvies; officiële waarschuwing (brief 2)
[…]

“Middels deze brief geven we aan dat je beroepshouding, absentie en/of resultaten de afgelopen periode niet voldoende zijn. Hierover hebben wij jou reeds eerder geïnformeerd middels een waarschuwingsbrief. Helaas heeft dit nog niet geleid tot voldoende verbetering en geven wij jou bij deze een officiële waarschuwing in de vorm van een voorlopig negatief studieadvies . Dit studieadvies is wezenlijk voor het vervolg van jouw studietraject.

X Wij hebben geconstateerd dat je beroepshouding tijdens de lessen en/of de BPV onvoldoende is. In het document toets- en voortgangsinformatie (Fronter) staan de eisen over beroepshouding omschreven. Het is belangrijk dat je aan je houding gaat werken en dat deze ook verbetert.
Dit voorlopig negatief studieadvies dien je serieus te nemen. Dit is je laatste kans om deze studie te kunnen voortzetten. Je krijgt opnieuw de opdracht een persoonlijk Plan van aanpak te maken waarin jij concreet aangeeft op welke wijze je de studie gaat voortzetten.

Indien dit niet tot het gewenste resultaat leidt, heeft dit een bindend negatief studieadvies tot gevolg. Dit betekent dat de onderwijsovereenkomst wordt beëindigd en je de opleiding moet verlaten.”

3.1.13.

Op 12 december 2016 heeft [appellant] een kruisje ontvangen voor het niet inleveren van een stageverslag. Op diezelfde dag heeft [ROC] [appellant] per e-mail (nogmaals) uitgenodigd voor een gesprek.
3.1.14. In totaal heeft [ROC] aan [appellant] over de tweede periode van leerjaar 2 zeven kruisjes toegekend.

3.1.15.

Op 13 december 2016 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [appellant] en zijn mentor. Bij brief van dezelfde datum heeft de sectordirecteur van [ROC] aan [appellant] en zijn moeder onder meer het volgende geschreven:
Hierbij deel ik u mee dat ik voornemens ben om de onderwijsovereenkomst van de opleiding Cios niveau 2 te beëindigen.

In mijn brief van 7 december jl., brief voorlopig negatief studieadvies met 16215 MC/RE, heb ik u op de hoogte gebracht van mijn voornemen om de onderwijsovereenkomst van de opleiding/ROC [ROC] te beëindigen indien er geen vorderingen zouden zijn met betrekking tot de gemaakte afspraken op 7 december jl.

Op 13 december is geconstateerd dat er geen verbeteringen zijn gemaakt in beroepshouding.

Mijn besluit is op het volgende gebaseerd:

Verwijzend naar de brief welke opgesteld is op 7 december jl. met daarin de officiële waarschuwing dat de beroepshouding verbeterd moet worden en daarnaast de constatering dat de voortgangsresultaten na herkansingen onvoldoende blijken te zijn deel ik u dan ook mede dat ik voornemens ben de onderwijsovereenkomst te beëindigen. Hiermee eindigt ook de praktijkovereenkomst per 20 december a.s.
U kunt binnen 5 werkdagen na dagtekening bezwaar maken tegen dit voornemen. Dit kunt u schriftelijk of per e-mail doen bij ondergetekende. Als u geen gebruik maakt van de mogelijkheid van beroep, wordt u per 20 december a.s. uitgeschreven.”


Tevens is [appellant] met ingang van 15 december 2016 feitelijk de deelname aan het onderwijs ontzegd.

3.1.16.

Bij e-mail van 16 december 2016 heeft [appellant] gereageerd op de brief van [ROC] van 13 december 2016. Hierin schrijft [appellant] aan de sectordirecteur van [ROC] onder meer:
“[…] Ik heb de laatste 2 maanden echt ontzettend mijn best gedaan om zo goed mogelijk mijn dingen op school af te krijgen. (ondanks alle problemen die ik in de verleden had) Ik schrijf uw persoonlijk deze brief omdat ik ook wil dat er graag naar mijn situatie gekken wordt . […] Eerder dit schooljaar heb ik een brief gekregen voor kruisjes die ik niet, oftewel moeilijk kon vermeiden vanwege een situatie met mijn spullen. De brief heb ik geaccepteerd en vervolgens weer naar school gegaan om mijn zaken verder in orde te maken. […] Na een weekend kreeg ik een mail van mijn metor om op gesprek te komen op Dinsdag 13 December met mijn Moeder. Daar was ik naartoe gegaan en wedt mij ineens vertelt dat ik van mijn opleiding ben geschorst. Dat kon ik niet geloven en op dat moment werd het eventjes stil in mijn hoofd. […] Ik zou er echt alles voor doen om die opleiding af te maken. Als uw mij 1 kans geeft dan doe ik er alles om op school te blijven. En zou Het echt waarderen als uw mijn verhaal leest of mij wilt uitnodigen voor een gesprek. […]”

3.1.17.

Op 2 februari 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de sectordirecteur, [appellant] en zijn moeder, waarna de sectordirecteur bij brief van 3 februari 2017 [appellant] heeft meegedeeld dat de onderwijsovereenkomst wordt beëindigd. De sectordirecteur heeft daartoe verwezen naar “de officiële waarschuwing dat de beroepshouding verbeterd moet worden en daarnaast de constatering dat de voortgangsresultaten na herkansingen onvoldoende blijken te zijn”.

3.1.18.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft de advocaat van [appellant] bezwaar gemaakt tegen de beëindiging van de onderwijsovereenkomst en aan [ROC] gevraagd om [appellant] weer toe te laten tot het onderwijs. [ROC] heeft hierop gereageerd met een uitnodiging aan [appellant] en zijn advocaat voor een gesprek. Dit gesprek heeft de advocaat van [appellant] geweigerd.

3.1.19.

Op 3 mei 2017 heeft [appellant] een dagvaarding in kort geding laten betekenen aan [ROC] , waarin [appellant] , samengevat, toegang tot het onderwijs vorderde.

3.1.20.

[ROC] heeft bij brief van 11 mei 2017 het volgende geschreven aan de advocaat van [appellant] :
“Naar aanleiding van ons telefoongesprek vanochtend wil ik u aangeven dat [appellant] weer wordt toegelaten tot het onderwijs van CIOS niveau 2.
Intern is besloten dat de inschrijving van [appellant] per 1 augustus 2015 bij de opleiding Sport- en bewegingsbegeleider (crebocode: 95300) blijft doorlopen. De bij deze opleiding behorende onderwijsovereenkomst, die ondertekend is door alle partijen, is als bijlage ingesloten.

Vóór de herstart van het onderwijs van [appellant] vindt er wel eerst een gesprek plaats met hem en zijn moeder over het onderwijsprogramma wat hij gaat volgen.”

3.1.21.

[appellant] heeft daarna het kort geding ingetrokken.

3.1.22.

[ROC] heeft [appellant] vervolgens de mogelijkheid geboden om, ofwel in een versneld traject de gemiste vakken te volgen en alsnog de tentamens en/of stages te doen die nodig waren om het tweede leerjaar te halen, ofwel in het nieuwe schooljaar 2017-2018 opnieuw te beginnen met leerjaar 2. [appellant] heeft gekozen voor het laatste. In september 2017 is [appellant] opnieuw begonnen met leerjaar 2.

3.1.23.

Op 11 juni 2018 heeft [appellant] zijn opleiding binnen [ROC] afgerond met het behalen van het diploma sport- en bewegingsbegeleider niveau 2.

De eerste aanleg

3.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd [ROC] te veroordelen tot betaling van € 16.625,00 en € 295,00, deze bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van de betaling, een en ander met veroordeling van [ROC] in de kosten van het geding.

3.2.2.

[appellant] heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat [ROC] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst, met een studievertraging van een jaar tot gevolg. Met een beroep op de Letselschaderichtlijn Studievertraging heeft [appellant] zijn schade vanwege deze studievertraging gesteld op € 16.625,00. Daarnaast heeft [appellant] aanspraak gemaakt op terugbetaling van € 295,00, vanwege een door [ROC] georganiseerd ski-kamp, waaraan hij niet heeft kunnen deelnemen.

3.2.3.

[ROC] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Voor zover het haar aansprakelijkheid betreft, komt dat verweer erop neer dat [ROC] niet is tekortgeschoten jegens [appellant] , omdat zij - onder meer vanwege tekortkomingen van [appellant] - de overeenkomst in februari 2017 op goede gronden heeft beëindigd, waaraan niet afdoet dat zij [appellant] vanaf medio mei 2017 weer tot het onderwijs heeft toegelaten. Een eventuele studievertraging heeft [appellant] daarom aan zichzelf te wijten, aldus [ROC] . In verband met de kosten van het ski-kamp heeft [ROC] aangevoerd dat [appellant] het desbetreffende bedrag reeds heeft terugontvangen.

3.2.4.

Tijdens de comparitie van partijen heeft [appellant] de vordering in verband met het ski-kamp ingetrokken. In het vonnis van 6 februari 2019 heeft de kantonrechter de nog resterende vordering van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten.


In hoger beroep

3.3.1.

[appellant] heeft in hoger beroep een aantal - niet genummerde - grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis en tot het alsnog toewijzen van zijn vordering zoals gewijzigd in hoger beroep.
Deze vordering luidt thans tot veroordeling van [ROC] , voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- tot betaling van € 16.625,00 dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag (inclusief de wettelijke rente tot de datum van dagvaarding in eerste aanleg), dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van de algehele voldoening;

- om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan [ROC] heeft voldaan terug te betalen aan [appellant] , dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de betaling tot aan de dag van de terugbetaling;

- in de kosten van beide instanties, de nakosten daaronder begrepen, met rente.

3.3.2.

Naar het hof begrijpt en ook [ROC] heeft kunnen begrijpen, heeft [appellant] de volgende grieven aangevoerd tegen het vonnis waarvan beroep:
I. de kantonrechter heeft in rov. 2.2. ten onrechte vastgesteld dat de algemene voorwaarden en het deelnemersstatuut deel uitmaken van de overeenkomst met [appellant] (mvg nr. 1.);

II. de kantonrechter heeft in rov. 2.4. ten onrechte vastgesteld dat het door [ROC] in het leerjaar 2016-2017 nieuw gehanteerde systeem van kruisjes en brieven van toepassing is op de overeenkomst (mvg nr. 2.);
III. de kantonrechter heeft in rov. 2.15. ten onrechte vastgesteld dat [appellant] tegelijkertijd met het voornemen tot beëindiging van de overeenkomst tevens de daadwerkelijke beëindiging per 17 december 2016 heeft mogen ontvangen (mvg nr. 3.);

IV. de kantonrechter heeft in rov. 4.4. ten onrechte geoordeeld dat hem bij de beantwoording van de vraag of de diverse kruisjes terecht zijn uitgedeeld slechts een bevoegdheid tot marginale toetsing toekomt (mvg nr. 5.);

V. de kantonrechter heeft in rov. 4.5. ten onrechte geoordeeld dat de feiten die tot de toekenning van de kruisjes hebben geleid door [appellant] niet worden ontkend (mvg nr. 6.);
VI. de kantonrechter heeft in rov. 4.7. miskend dat [appellant] zich terecht op het standpunt stelt dat de betekenis van zijn handelen te gering was om een opzegging of ontbinding te rechtvaardigen (mvg nr. 7.);
VII. de kantonrechter heeft in rov. 4.7. - na een marginale toetsing van de beëindigingsbeslissing, waardoor hij de geringe ernst van het handelen van [appellant] niet in zijn beoordeling heeft betrokken - ten onrechte geoordeeld dat [ROC] de overeenkomst kon beëindigen (mvg nr. 8.);
VIII. de kantonrechter heeft miskend dat de overeenkomst niet is beëindigd, maar is voortgezet (mvg nrs. 8.-9.);
IX. de kantonrechter heeft in rov. 4.8. miskend dat het aan [appellant] gegeven bindende studieadvies niet als zodanig is aan te merken, nu [ROC] zelf van mening bleek dat [appellant] zijn studie alsnog tijdig zou kunnen afronden en hem ook weer tot het onderwijs heeft toegelaten (mvg nr. 10.-slot);
X. de kantonrechter heeft in rov. 4.9. ten onrechte overwogen dat [appellant] zijn studie hoe dan ook niet succesvol had kunnen afronden in het leerjaar 2016-2017 (rov. nrs. 11.-12);
XI. de kantonrechter heeft miskend dat, getoetst aan de redelijkheid en billijkheid, de beëindiging van de overeenkomst een te zwaar middel was en dat met een schorsing van [appellant] had kunnen worden volstaan (mvg nr. 13.);
XII. de kantonrechter heeft ten onrechte nagelaten om bij de begroting van de proceskosten mee te wegen dat [ROC] de kosten van het ski-kamp pas heeft gerestitueerd nadat de procedure in eerste aanleg aanhangig was gemaakt (mvg nr. 4.).

De inhoud van de overeenkomst

3.4.1.

Het hof zal eerst de grieven I en II behandelen, die zien op de inhoud van de overeenkomst tussen [ROC] en [appellant] .

3.4.2.

Met grief I heeft [appellant] allereerst aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft vastgesteld dat de algemene voorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst. [appellant] doelt hiermee, in navolging van de kantonrechter, op de algemene voorwaarden die [ROC] als productie 2 bij de conclusie van antwoord in het geding heeft gebracht. [appellant] heeft ter onderbouwing van zijn grief aangevoerd: (1) dat de bedoelde algemene voorwaarden dateren uit 2016, dus van na het moment van de ondertekening van de overeenkomst in 2015, (2) dat deze algemene voorwaarden niet aan [appellant] ter hand zijn gesteld, en (3) dat [appellant] niet de beschikking heeft over de algemene voorwaarden-2015 en dat deze evenmin zijn gedeponeerd.
Het hof stelt voorop dat bij de beantwoording van de vraag of algemene voorwaarden deel uitmaken van een overeenkomst, de maatstaven worden aangelegd die in het algemeen gelden bij de totstandkoming van overeenkomsten. Dat algemene voorwaarden toepasselijk zijn, kan dus worden aangenomen als die toepasselijkheid door de gebruiker is voorgesteld en door de wederpartij is aanvaard. Of de algemene voorwaarden aan de wederpartij ter hand zijn gesteld of zijn gedeponeerd is in dit verband niet relevant.
heeft door ondertekening van de overeenkomst op 22 juni 2015 verklaard te hebben ingestemd met de algemene voorwaarden als onderdeel van de overeenkomst (zie rov. 3.1.2). Daaruit volgt dat de destijds door [ROC] gehanteerde algemene voorwaarden (de algemene voorwaarden-2015) deel uitmaken van de overeenkomst met [appellant] . Voor zover de kantonrechter iets anders heeft geoordeeld, slaagt grief I.
Dit oordeel kan [appellant] echter niet baten. Gesteld noch gebleken is namelijk dat de algemene voorwaarden-2015 op een voor de beoordeling van dit geschil relevante wijze afwijken van de algemene voorwaarden-2016. [appellant] heeft ook niet toegelicht waarom de niet-toepasselijkheid van de algemene voorwaarden-2016 relevant is voor de beoordeling van het onderhavige geschil.

Om deze, laatste, reden faalt het tweede onderdeel van grief I, dat betrekking heeft op de (door [appellant] bepleite) niet-toepasselijkheid van het deelnemersstatuut: [appellant] heeft niet toegelicht welk belang hij heeft bij de behandeling van dit onderdeel van de grief.

3.4.3.

Met grief II heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het oordeel van de kantonrechter dat het in het leerjaar 2016-2017 nieuw gehanteerde systeem van kruisjes en brieven deel is gaan uitmaken van de overeenkomst. [appellant] heeft daartoe aangevoerd dat eenzijdige wijziging van de overeenkomst niet mogelijk is.
Het hof overweegt dat [appellant] met dit standpunt miskent dat [ROC] - zoals zij onweersproken heeft gesteld - ook in het leerjaar 2015-2016 al eisen stelde aan, onder meer, de beroepshouding van de deelnemers en dat zij ook in dat leerjaar al werkte met waarschuwingsbrieven. Dit maakt de invoering van het nieuwe systeem voor het bijhouden van de resultaten van de deelnemers in het leerjaar 2016-2017 minder ingrijpend dan [appellant] kennelijk meent. Het hof ziet hierin dan ook geen (eenzijdige) wijziging van de overeenkomst, maar ten hoogste een beperkte (en als zodanig toegestane) wijziging van de uitvoering van de overeenkomst. Zelfs al zou het systeem van kruisjes en brieven niet van toepassing zijn, dan ontzegt dat [ROC] niet het recht om eisen te stellen aan de beroepshouding van de deelnemers en om consequenties te verbinden aan door haar geconstateerde gebreken op dat punt.
Gelet op het voorgaande faalt grief II.
De beëindiging van de overeenkomst

3.5.1.

Het hof zal nu ingaan op de grieven III tot en met XI, die betrekking hebben op oordelen van de kantonrechter in verband met de beëindiging van de overeenkomst door [ROC] . De grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.5.2.

[ROC] heeft in de aan [appellant] en zijn moeder verstuurde brief van
3 februari 2017 de overeenkomst ‘beëindigd’. De kantonrechter heeft deze beëindiging gekwalificeerd als een ontbinding in de zin van artikel 6:265 BW. Tegen dit oordeel zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof hierna tot uitgangspunt zal nemen dat [ROC] de overeenkomst bij brief van 3 februari 2017 heeft ontbonden, althans heeft willen ontbinden.
Ter onderbouwing van de ontbinding heeft [ROC] zich beroepen, samengevat: (1) op [appellant] - uit de toegekende kruisjes blijkende en ook na waarschuwingen niet verbeterde - beroepshouding, en (2) op zijn - ook na herkansingen - onvoldoende studieresultaten (zie rov. 3.1.17.).
Op grond van een marginale toetsing van de toekenning van de kruisjes (rov. 4.4.-4.5. in het vonnis waarvan beroep) en van de beslissing tot ontbinding (rov. 4.7.-slot) heeft de kantonrechter geoordeeld dat [ROC] zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en dat geen sprake is van de situatie dat de tekortkomingen, gelet op hun bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigen, en dat [ROC] daarom heeft kunnen besluiten tot ontbinding van de overeenkomst.

3.5.3.

Het hof stelt in verband met de kruisjes voorop dat [ROC] de bevoegdheid toekomt om volgens haar ongewenst gedrag van deelnemers als zodanig te kwalificeren en om daaraan de gevolgen te verbinden die zij nodig acht. In verband hiermee mag van [ROC] worden verwacht dat zij duidelijke regels stelt inzake het gedrag dat zij van de deelnemers verwacht en dat zij deze regels tijdig en deugdelijk bekend maakt. Daarnaast mag van [ROC] worden verwacht dat zij bij de handhaving van de gestelde regels zorgvuldig te werk gaat en daarbij de vastgestelde procedures naleeft. Ervan uitgaande dat aan deze eisen wordt voldaan, is het optreden tegen ongewenst geacht gedrag van de deelnemers in uitgangspunt voorbehouden aan [ROC] en dient de rechter zich te beperken tot een marginale toetsing, in die zin dat hij nagaat of [ROC] in redelijkheid tot haar beslissing ter zake is kunnen komen.

3.5.4.

Waar het de afzonderlijke kruisjes betreft, staat tussen partijen vast dat de toekenning ervan in eerste instantie is geschied door docenten, dat [appellant] de mogelijkheid heeft gehad om op de toekenningen te reageren (zie de rov. 3.1.6. en 3.1.15.) en dat [ROC] vervolgens heeft besloten om de kruisjes (acht in de eerste periode, zeven in de tweede periode van leerjaar 2) te handhaven.
[appellant] heeft niet aangevoerd dat de kruisjes zijn toegekend vanwege het niet-naleven van regels die voor hem onbekend of onduidelijk waren. [appellant] heeft aanvankelijk ook niet de aan de kruisjes ten grondslag liggende feiten betwist en heeft [ROC] op 16 december 2016 bericht dat hij de kruisjes aanvaardt (zie rov. 3.1.16.).
Op deze laatste standpunten is [appellant] later teruggekomen, toen hij, bij monde van zijn raadsman: (1) alsnog een drietal afzonderlijke kruisjes heeft aangevochten, en (2) heeft aangevoerd dat de feiten voor het overige niet tot toekenning van kruisjes hadden mogen leiden, in hoofdzaak vanwege de onvoldoende ernst van het gebeurde (zie de brief van 22 maart 2017, prod. 7 inl. dagv.).
Naar aanleiding van deze bezwaren heeft [ROC] één kruisje vervallen verklaard. [ROC] heeft het standpunt van (de raadsman van) [appellant] over de ernst van de overige feiten verworpen, in hoofdzaak met een beroep het onderwijsbelang en haar bevoegdheid om dienaangaande normen te stellen en te handhaven (zie de brief van 23 maart 2017, prod. 8 inl. dagv.).
heeft in eerste aanleg zijn bezwaren tegen drie toegekende kruisjes herhaald, waarna de kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] daarmee het overgrote deel van de feiten die tot een kruisje hebben geleid niet heeft ontkend. [appellant] heeft in hoger beroep niets aangevoerd dat het hof tot een ander oordeel kan leiden. Ook het hof gaat er daarom van uit dat [appellant] de feiten die ten grondslag liggen aan twaalf van de vijftien kruisjes niet betwist. Gelet op de aard van deze feiten (zoals: het vergeten van boeken, het vergeten van ander onderwijsmateriaal, het niet maken van huiswerk, het niet inleveren van een stageverslag en telefoongebruik in de klas) is het hof van oordeel dat [ROC] - in het belang van het onderwijs - in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de kruisjes toe te kennen en te handhaven.

3.5.5.

De twaalf genoemde kruisjes leveren tekortkomingen van [appellant] op, die [ROC] in uitgangspunt de bevoegdheid hebben gegeven om de overeenkomst te ontbinden. Tegen dit oordeel van de kantonrechter heeft [appellant] - terecht - geen grieven aangevoerd.
De vraag die vervolgens rijst is of [ROC] zich, gelet op alle omstandigheden van het geval, terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake was van de situatie dat de tekortkomingen, gelet op hun bijzondere aard of geringe betekenis, de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigden.
Het hof overweegt in dit verband dat sprake is geweest van een relatief groot aantal kruisjes, die in de relatief korte periode van nog geen vier maanden zijn toegekend, dat [appellant] in die maanden bij herhaling is gewaarschuwd en is gewezen op de mogelijke consequenties van zijn gedrag (zie de rov. 3.1.5., 3.1.6., 3.1.7., 3.1.9., 3.1.11. en 3.1.12.) en dat hem door middel van het plan van aanpak ook een instrument is aangereikt om de situatie te verbeteren, dit alles - tot in december 2016 - zonder voor [ROC] waarneembare verbetering in de beroepshouding, of uitzicht daarop. Met zijn brief van 13 december 2016 (zie rov. 3.1.16.) heeft [appellant] weliswaar duidelijk bezwaar gemaakt tegen de voorgenomen ontbinding, maar ook de inhoud van deze brief bevat geen concrete aanknopingspunten voor een verbetering van de beroepshouding.
Mede naar aanleiding van het door [appellant] gemaakte bezwaar hadden in december 2016 of, vervolgens, in januari 2017 gesprekken moeten plaatsvinden tussen [ROC] en [appellant] . Deze gesprekken zijn niet doorgegaan, kennelijk door misverstanden in de onderlinge communicatie. Daardoor is de besluitvorming over de ontbinding vertraagd en zijn de gehanteerde termijnen niet in overeenstemming geweest met de regels die [ROC] zichzelf had gesteld. [appellant] heeft daar terecht op gewezen, maar heeft niet deugdelijk onderbouwd gesteld waarom [ROC] in verband met deze vertraging een verwijt treft en waarom zijn belangen door de vertraging als zodanig zijn geschaad. [appellant] heeft ook niet gesteld wat in het gesprek op 2 februari 2017 (zie rov. 3.1.17.) aan de orde is geweest en of [ROC] hieruit heeft kunnen afleiden dat alsnog een verbetering van [appellant] beroepshouding kon worden verwacht.
Het hof is van oordeel dat [ROC] , gelet op al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, op 2 februari 2017 in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot ontbinding van de overeenkomst met [appellant] .
Daarbij is ook van belang dat [ROC] aan de ontbinding mede ten grondslag heeft gelegd dat de studieresultaten van [appellant] na de herkansingen in december 2016 zodanig waren dat hij onmogelijk nog binnen de gestelde termijn het tweede leerjaar zou kunnen halen. [appellant] stelt dat een tijdige afronding nog wel mogelijk was geweest en dat dit blijkt uit het aanbieden van die optie door [ROC] bij de hervatting van het onderwijs. Dit standpunt kan niet overtuigen in het licht van het door [ROC] gevoerde verweer dat [appellant] in mei 2017 de keuze uit twee optie is voorgelegd: (1) een versneld traject, met een half jaar vertraging tot gevolg, en (2) het volledig overdoen van het tweede leerjaar. [appellant] heeft niet nader gereageerd op dit verweer, dat in overeenstemming is met de destijds gevoerde correspondentie (zie prod. 23 cva). Tussen partijen staat vast dat [appellant] voor de tweede optie heeft gekozen.
heeft, ten slotte, niet deugdelijk onderbouwd waarom [ROC] in het licht van de redelijkheid en billijkheid had moeten volstaan met een schorsing (die, terzijde opgemerkt, ook tot studievertraging zou hebben geleid).

3.5.6.

De brief van 3 februari 2017 (zie rov. 3.1.17.) heeft vervolgens geleid tot de daadwerkelijke ontbinding van de overeenkomst. Dat [ROC] bij brief van 11 mei 2017 (zie rov. 3.1.20.) aan de advocaat van [appellant] heeft bericht dat intern de overeenkomst uit 2015 zou doorlopen, maakt dit niet anders. In juridisch opzicht is in mei 2017 een nieuwe, mondelinge overeenkomst tot stand gekomen, die vervolgens is vervangen door de in juli 2017 door partijen getekende nieuwe, schriftelijke overeenkomst. Dat [ROC] [appellant] vanaf mei 2017 weer heeft toegelaten tot het onderwijs ziet het hof, met de kantonrechter, als ‘genade voor recht’. Voor zover [appellant] heeft willen stellen dat uit deze gang van zaken kan worden afgeleid dat (ook) [ROC] inmiddels inzag dat de ontbinding onterecht was geweest, overweegt het hof dat de destijds over en weer gevoerde correspondentie daarvoor geen aanknopingspunten biedt en dat dit standpunt ook overigens onvoldoende is onderbouwd.

3.5.7.

Gelet op al het voorgaande is het hof van oordeel dat Leeuwenborg in 2016 en begin 2017 op inhoudelijk en procedureel gepaste wijze heeft gereageerd op de niet aan de normen beantwoordende beroepshouding en studieresultaten van [appellant] , met de ontbinding van de overeenkomst als uiteindelijk gevolg. Dat [ROC] aldus is tekortgeschoten jegens [appellant] - de centrale stelling die [appellant] ten grondslag heeft gelegd aan zijn schadevergoedingsvordering - is onvoldoende onderbouwd. Na de ontbinding en de daarop volgende hervatting van het onderwijs heeft [appellant] zijn instelling en gedrag aangepast en is hij in staat geweest om in juni 2018 alsnog zijn diploma te behalen. De oorzaak voor de studievertraging van één jaar dient [appellant] niet bij [ROC] te zoeken.

3.5.8.

In verband met de grieven III tot en met XI oordeelt het hof als volgt.
De grieven IV tot en met XI falen gelet op het voorgaande.
In verband met grief IV, inzake de marginale toetsing, overweegt het hof nog dat een volle toets van de ontbinding niet tot een andere uitkomst zou hebben geleid, nu [appellant] , in het licht van het door [ROC] gevoerde verweer, onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn niet aan de eisen beantwoordende beroepshouding en studieresultaten onvoldoende reden waren om de overeenkomst in februari 2017 te ontbinden.

Grief III faalt bij gebrek aan belang. [appellant] heeft niet duidelijk gemaakt waarom de kwestie die hij met deze grief aansnijdt (in hoofdzaak: de ontzegging van de toegang tot het onderwijs in december 2016; zie rov. 3.1.15.) van belang is voor de beoordeling van het geschil.

Ten slotte

3.6.1.

Hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen, met inbegrip van de proceskostenveroordeling.
Grief XII, die betrekking heeft op deze proceskostenveroordeling, faalt. Uit productie 1 bij de conclusie van antwoord kan blijken dat de kosten van het ski-kamp op 8 maart 2017 zijn terugbetaald. [appellant] heeft dit niet betwist en stelt daarmee ten onrechte dat [ROC] de kosten van het ski-kamp pas heeft gerestitueerd nadat de procedure in eerste aanleg aanhangig was gemaakt (te weten op 6 september 2018); in elk geval is deze stelling onvoldoende onderbouwd.

3.6.2.

Nu het hof [appellant] nagenoeg volledig in het ongelijk stelt, zal het hof hem veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep. De kosten zullen aan de zijde van [ROC] worden vastgesteld op € 3.094,00, te weten € 2.020,00 aan griffierecht en
€ 1.074,00 aan salaris advocaat overeenkomstig liquidatietarief II (1 punt x € 1.074,00), te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente zoals gevorderd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [ROC] op € 3.094,00, te vermeerderen met de nakosten
ad € 131,00indien geen betekening plaatsvindt, dan wel met € 199,00 indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na dit arrest tot aan de voldoening;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Beurskens en A.C. van Campen en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 augustus 2020.

griffier rolraadsheer