Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2641

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
200.254.396_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:9997
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Vervoersrecht. Verhuisovereenkomst. Bewijs vermissing goederen. Geen omkering bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2020, afl. 6, p. 319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.254.396/01

arrest van 25 augustus 2020

in de zaak van

[appellant] ,

wonend te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. L. Isenborghs te Heerlen,

tegen

[geïntimeerde] ,

mede handelend onder de naam [Woningontruiming & Verhuizingen] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. V.R. Pool te Rotterdam,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 24 september 2019 in het hoger beroep van het vonnis van 17 oktober 2018, door de kantonrechter van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

8 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 24 september 2019

  • -

    de memorie van antwoord met de producties D-8, D-9 en D-10

Het hof heeft daarna opnieuw een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

9 De feiten

In dit hoger beroep gaat het hof uit van de feiten die de kantonrechter heeft vastgesteld in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.6, behoudens voor zover in 2.5 is overwogen dat [appellant] (al dan niet voor het eerst) op 6 juni 2017 contact met [geïntimeerde] heeft opgenomen. Daarop heeft grief 1 betrekking. Het hof bespreekt deze grief hierna, indien van belang voor de beslissing in deze zaak. Voor zover relevant vult het hof de opsomming aan met enkele andere feiten die tussen partijen vaststaan.

9.1.

[geïntimeerde] heeft [appellant] per e-mail een offerte, gedateerd op 2 maart 2017, toegezonden voor een verhuizing binnen [plaats] op 14 april 2017, voor de prijs van

€ 2.594,85 inclusief btw. Op de offerte is onder meer vermeld: 'Als bijlage ontvangt u van ons de Algemene Voorwaarden' en: 'Op alle rechtsverhoudingen tussen [geïntimeerde] en haar klanten zijn uitsluitend de door [geïntimeerde] gehanteerde algemene voorwaarden van toepassing, u vindt deze in de bijlage'.

9.2.

Op 14 april 2017 heeft [geïntimeerde] goederen van [appellant] verhuisd. Daarvan zijn ten behoeve van [geïntimeerde] video-opnamen gemaakt voor promotiedoeleinden.

9.3.

[appellant] heeft kort na de verhuizing bij [geïntimeerde] geklaagd over het beschadigen van een kast.

9.4.

[appellant] heeft op 24 april 2017 de volgende beoordeling over de verhuizing op de website van [geïntimeerde] geplaatst:

9,0 Ervaring met: Particuliere verhuizing

Ervaring:

Vriendelijk, tegemoetkomend en deskundig. P.S. wij hopen dat we na de afhandeling van de schade aan de antieke kast, daar ook ene 9 voor kunnen geven.

Totaal oordeel: 9

Informatie voorziening: 9

Medewerkers: 9

Deskundig advies: 9

Klantvriendelijk: 9

Communicatie: 9

Nakomen gemaakte afspraken: 9

Verhouding kwaliteit - prijs: 9

9.5.

[geïntimeerde] heeft de onder 9.3 en 9.4 bedoelde kast op zijn kosten laten herstellen.

9.6.

[appellant] heeft op enig moment daarna aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij een rek met kledingstukken, voornamelijk jassen, miste. In ieder geval heeft (de echtgenote van) [appellant] deze mededeling op 6 juni 2017 per e-mail aan [appellant] gedaan.

9.7.

Op 14 augustus 2017 heeft de echtgenote van [appellant] , [echtgenote van appellant] , bij de politie aangifte gedaan van verduistering van de jassen. Volgens het proces-verbaal van aangifte heeft [echtgenote van appellant] daarbij onder meer verklaard:

Op 14 april 2017 zijn mijn man en ik verhuisd. Op die dag werden onze spullen overgebracht door verhuisbedrijf [geïntimeerde] uit [plaats] . (…) Die dag waren wij bij het eerste transport aanwezig. Hier werden 80 verhuisdozen ingeladen en meubels. Wij zijn net van te voren aangereden naar de nieuwe woning zodat we de verhuizers konden opvangen. Hierna zijn de verhuizers nog een keer naar de oude woning gegaan om de restant over te brengen. (…) Na ongeveer 4 weken kwamen wij erachter dat er veel exclusieve winterjassen/jassen waren verdwenen. (…) Het is zeker dat deze jassen zijn ontvreemd tijdens de verhuizing. Wij hebben ze namelijk nog in de kledingkast zien hangen tijdens het oververhuizen. Toen alles oververhuisd was zijn we in de oude woning geweest en was de hele kledingkast leeg.

Hierop hebben wij contact opgenomen met [geïntimeerde] . (…)

Hierna hebben we contact opgenomen met de rechtsbijstand. Deze deelde ons mede dat zij hem schriftelijk aansprakelijk wilde stellen. Wij kunnen echter niet aantonen met rekeningen wat de waardes zijn van de jassen. Veel zijn in de gulden tijd gekocht. (…)

Hierna heb ik met de verzekering gebeld. Er kwam een schadeexpert en wij kwamen overeen met een schikking van 2500 euro daar wij geen bewijzen konden overleggen.

9.8.

Bij brief van 23 november 2017 heeft de rechtsbijstandsverzekeraar van [appellant] aan [geïntimeerde] stukken toegezonden die volgens [appellant] behoren bij de vermiste jassen. Deze facturen en overige stukken dateren uit de periode van 2012 tot en met 2016.

10 De procedure in eerste aanleg

10.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] de veroordeling van [geïntimeerde] tot het betalen van € 16.215,75 in hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten. De hoofdsom betreft de vergoeding voor het verlies van de jassen.

10.2.

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

10.3.

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de vordering afgewezen.

11 De beoordeling in hoger beroep

11.1.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd en verklaard dat hij de in de offerte genoemde algemene voorwaarden van [geïntimeerde] vernietigt. Hij heeft geconcludeerd tot het vernietigen van het bestreden vonnis en tot het alsnog toewijzen van de vorderingen. Verder heeft hij zijn eis gewijzigd in die zin dat hij tevens vordert dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot, kort gezegd, het verstrekken van inzage in het beeldmateriaal dat bij de verhuizing is opgenomen en het afgeven van het polisblad van de verzekering die [geïntimeerde] ten behoeve van [appellant] heeft afgesloten. De gewijzigde eis is voorwaardelijk, namelijk voor zover het hof het door [appellant] aangedragen bewijs niet voldoende acht en geen aanleiding ziet om de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid om te keren.

11.2.

De overeenkomst die partijen hebben gesloten, betreft een verhuisovereenkomst in de zin van art. 8:1170 BW. Volgens art. 8:1173 lid 1 BW was [geïntimeerde] als verhuizer verplicht de verhuisgoederen ter bestemming af te leveren en wel in de staat, waarin zij hem uit hoofde van artikel 8:1172 ter verpakking of demontage, dan wel in de staat, waarin zij hem ten vervoer ter beschikking zijn gesteld.

11.3.

Het hof ziet aanleiding om eerst de vraag te bespreken of [appellant] bij de verhuizing het rek met de door hem genoemde jassen ten vervoer aan [geïntimeerde] ter beschikking heeft gesteld en [geïntimeerde] het rek met de jassen niet aan [appellant] heeft teruggegeven. Deze vraag ligt besloten in de grieven II tot en met IV. Indien het antwoord op deze vraag ontkennend luidt, moet de vordering van [appellant] in elk geval worden afgewezen. De overige geschilpunten behoeven dan geen bespreking meer.

11.4.

Het hof stelt voorop dat op [appellant] de last rust om bewijs te leveren van zijn stelling dat het rek met de jassen is meegenomen en niet is teruggegeven, omdat hij een beroep doet op de rechtsgevolgen daarvan. Dat bewijs is er vooralsnog niet. De schriftelijke verklaring van de echtgenote van [appellant] is daarvoor bepaald onvoldoende.

De omstandigheid dat vooraf geen beschrijving van de te verhuizen goederen is opgemaakt, is geen reden om de bewijslast om te keren, daargelaten of een beschrijving afdoende bewijs biedt voor het meenemen en niet-teruggeven van de goederen. Het opmaken van een dergelijke inventaris is niet expliciet overeengekomen en [appellant] heeft onvoldoende naar voren gebracht om te oordelen dat het opmaken van een inventaris algemeen gebruikelijk is bij verhuizingen als de onderhavige. Er is verder onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat in dit geval desondanks op [geïntimeerde] de verplichting rustte uit eigen beweging ten behoeve van de verhuizing een inventaris op te maken, die zodanig was gespecificeerd dat daarop een rek met jassen had moeten worden vermeld. Ook voor het overige zijn er geen bijzondere omstandigheden aangedragen, die het omkeren van de bewijslast rechtvaardigen.

11.5.

Ten aanzien van het te leveren bewijs, merkt het hof op dat het niet alleen gaat om het bewijs dat [geïntimeerde] het rek met de door [appellant] genoemde jassen heeft meegenomen, maar ook om het bewijs dat [geïntimeerde] het rek met de jassen niet aan [appellant] heeft teruggegeven. Indien [appellant] bewijst dat het rek met de jassen is meegenomen, kan in de omstandigheden van dit geval niet zonder meer worden aangenomen dat deze niet zijn teruggegeven. In dit verband is mede van belang dat [appellant] pas geruime tijd na de verhuizing heeft geklaagd over het ontbreken van het rek met de jassen, terwijl direct na de verhuizing waarneembaar moet zijn geweest dat het rek met de jassen ontbrak, ook als goederen in de berging of bij de zoon van [appellant] werden opgeslagen, zoals [appellant] stelt. Het gaat immers niet om, zoals de kantonrechter het heeft geformuleerd, een verhuisdoos die kwijt zou zijn geraakt. Bovendien mag wel worden verwacht dat het rek met de jassen de nodige aandacht van [appellant] had, gelet op de hoge waarde die de jassen volgens hem hebben.

11.6.

Nu [appellant] bewijs moet leveren, is het hof van oordeel dat [appellant] een rechtmatig belang heeft om de beeldopnamen te zien die van de verhuizing zijn gemaakt. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat gebrek aan bewijs geen recht geeft op inzage. Onder een rechtmatig belang zoals bedoeld in art. 843a Rv valt echter ook het belang om kennis te nemen van een bewijsmiddel. Het betreft verder geen speculatie of een fishing expedition. Het gaat er immers concreet om of op de opnamen is te zien dat het rek met de jassen wordt meegenomen.

11.7.

[geïntimeerde] heeft verklaard bereid te zijn de beeldopnamen in het geding te brengen, als het hof beslist dat hij daartoe is gehouden. Het hof gaat daarom ervan uit dat [geïntimeerde] daartoe niet behoeft te worden veroordeeld. Het hof zal [geïntimeerde] de gelegenheid geven de beeldopnamen bij akte in het geding te brengen. Vervolgens zal [appellant] zich bij akte erover kunnen uitlaten of hij het verlangde bewijs nog wil leveren.

11.8.

Het hof zal elke verdere beslissing aanhouden.

12 De uitspraak

Het hof:

12.1.

laat [appellant] toe te bewijzen dat [geïntimeerde] bij de verhuizing op 14 april 2017 een rek met de volgende kledingstukken heeft meegenomen en na de verhuizing niet aan [appellant] heeft teruggegeven:

- winterjas Versace 'Classic' Camel

- winterjas Versace 'Classic' Marin Blue

- lange uitgelaten naturellen zilvervos bontmantel (Rademakers Fur & Fashion)

- nerts female silverblue korte bontmantel (Rademakers Fur & Fashion)

- 2 kolberts (State of Art Store)

- 2 jassen (State of Art Store)

- leren jas (State of Art Store);

12.2.

bepaalt, voor het geval [appellant] bewijs door getuigen willen leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. W.J.J. Los als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

12.3.

verwijst de zaak naar de rol van 22 september 2020 voor akte aan de zijde van [geïntimeerde] , teneinde de beeldopnamen van de verhuizing op 14 april 2017 in het geding te brengen;

12.4.

bepaalt dat [appellant] vervolgens binnen een termijn van vier weken zich bij akte moet uitlaten of hij het onder 12.1 genoemde bewijs wil leveren, onder opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van oktober 2020 tot en met maart 2021, voor het geval hij bewijs door getuigen wil leveren;

12.5.

bepaalt dat de raadsheer-commissaris daarna dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

12.6.

bepaalt dat de advocaat van [appellant] ten minste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

12.7.

houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.A.G. Fikkers, W.J.J. Los en T. van der Valk en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 augustus 2020.

griffier rolraadsheer