Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2639

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-08-2020
Datum publicatie
26-08-2020
Zaaknummer
200.249.251_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geschil tussen erfgenamen over de afwikkeling van een nalatenschap, onder meer over de vervallenverklaring van een legaat en de hoogte van de vergoeding van de executeur. Het hof verklaart appellante niet-ontvankelijk in het hoger beroep tegen het deelvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2020/289
ERF-Updates.nl 2020-0210
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.249.251/01

arrest van 25 augustus 2020

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] (België),

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. R.E. Temmen te Bergen op Zoom,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,
wonende te [woonplaats] ,

4. [geïntimeerde 4] ,
wonende te [woonplaats] ,

5. [geïntimeerde 5] ,
wonende te [woonplaats] ,

6. [geïntimeerde 6] ,
wonende te [woonplaats]

7. [geïntimeerde 7] ,
wonende te [woonplaats] ,

8. [geïntimeerde 8] ,

wonende te [woonplaats] (België),

9. [geïntimeerde 9] ,
wonende te [woonplaats] (België),

geïntimeerden,

hierna aan te duiden als [geïntimeerden] ,

advocaat: mr. W.J. Jurgers te Bergen op Zoom,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 15 januari 2019 in het hoger beroep van de door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, onder zaaknummer C/02/325338 / HA ZA 17-9 gewezen vonnissen van 8 maart 2017, 6 december 2017 en 25 juli 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenarrest van 15 januari 2019 waarbij het hof een comparitie na aanbrengen heeft gelast;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 21 maart 2019;

  • -

    de memorie van grieven met één productie;

  • -

    de memorie van antwoord met producties;

  • -

    de akte van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerden]

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

6.1.1.

Op 12 december 1999 is [erflater] (hierna: erflater) overleden. Ten tijde van het overlijden van erflater waren zijn kinderen, te weten [appellante] alsmede geïntimeerden 1 tot en met 5 en [overleden erfgenaam] zijn erfgenamen. Laatstgenoemde is op 10 mei 2010 overleden; geïntimeerden 6 tot en met 9 zijn erfgenamen van hem en als zodanig medegerechtigd in de nalatenschap van erflater.

[appellante] en geïntimeerden 1 tot en met 5 zijn ieder voor 1/7e deel gerechtigd in de nalatenschap van erflater; geïntimeerden 6 tot en met 9 ieder voor 1/28e deel.

6.1.2.

Erflater had op 3 mei 1999 een testament laten opmaken. In dat testament is de oudste kandidaat-notaris en bij gebreke of belet daarvan de oudste medewerk(st)er van notaris [notaris 1] of diens opvolger tot executeur-testamentair benoemd.

Erflater heeft daarnaast aan een aantal van zijn kinderen legaten toegekend, waaronder het legaat van een bosperceel. Dit legaat is in het testament als volgt beschreven:

“4. Ik legateer vooraf, NIET vrij van rechten en kosten, af te geven binnen ZES MAANDEN na mijn overlijden aan mijn zoon [overleden erfgenaam] , mijn zoon [geïntimeerde 5] , en mijn dochter [appellante] (…), ieder voor een gelijk deel en bij aanwas mijn perceel bos gelegen aan de [adres] te [plaats] , kadastraal bekend Gemeente Bergen op Zoom, sectie [sectieletter] nummer [sectienummer] ter grootte van twee hectaren, zestig aren en vijf en negentig centiaren, danwel mijn aandeel daarin.(…)

Mijn genoemde zonen en dochter kunnen eventueel dit perceel ten behoeve van elkaar in drieën splitsen.

Genoemde legatarissen leg ik de last op om de waarde van het gelegateerde in mijn nalatenschap in te brengen. De waarde zal worden vastgesteld in onderling overleg tussen alle mede-erfgenamen en bij gebreke van overeenstemming door een taxateur aan te wijzen door de executeur-testamentair. (…)”.

6.1.3.

Afgifte van het legaat van het voormelde bosperceel heeft niet plaatsgevonden.

6.1.4.

Op 17 juni 2016 is een verklaring van executele opgemaakt (productie 4 bij inleidende dagvaarding). Ingevolge deze verklaring zijn [notaris 2] , notaris te [vestigingsplaats] en [notarisklerk] , notarisklerk ten kantore van [notaris 2] , zowel tezamen als ieder afzonderlijk, zelfstandig bevoegd de nalatenschap te beheren en daarover te beschikken.

6.1.5.

Bij brief van 1 augustus 2016 van mevrouw [notarisklerk] voornoemd zijn alle erfgenamen aangeschreven teneinde te komen tot afwikkeling van de nalatenschap van erflater. Bij deze brief (productie 5 bij inleidende dagvaarding) zijn als bijlagen gevoegd:

- een overzicht van de gelden van de nalatenschap op de sterfdag van erflater, van de

mutaties die nadien hebben plaatsgevonden alsmede een berekening van hetgeen aan ieder

van de erfgenamen toekomt (productie 6 bij inleidende dagvaarding);

- een kopie van een taxatierapport ter zake van het voormelde bosperceel;

- een volmacht in tweevoud waarin de volmachtgever, kort gezegd, volmacht verleent voor

de verkoop van het voormelde bosperceel en voor de verdeling onder de erfgenamen van de

verkoopopbrengst. Met uitzondering van [appellante] hebben alle erfgenamen de

volmacht ondertekend en aan het notariskantoor van [notaris 2] geretourneerd.

6.2.

[geïntimeerden] hebben [appellante] in rechte betrokken. Zij vorderden in eerste aanleg na (voorwaardelijke) wijziging van eis (samengevat):

- [appellante] te gelasten haar medewerking te verlenen aan de verkoop van het

perceel bosgrond, op de wijze zoals vermeld in het petitum van de dagvaarding;

- te bepalen dat bij gebreke van medewerking van [appellante] het vonnis hiervoor in

de plaats zal treden;

- de verdeling te gelasten van de nalatenschap van erflater conform hetgeen in productie 6 bij

inleidende dagvaarding is vermeld, althans een verdeling vast te stellen zoals de rechtbank

in goede justitie zal vermenen te behoren;

- het legaat met betrekking tot het perceel bosgrond vervallen te verklaren, dit

voorwaardelijk, namelijk voor het geval het legaat nog niet vervallen zou zijn en dit aan

toewijzing van het gevorderde in de weg zou staan.

6.3.

De rechtbank heeft in het vonnis van 8 maart 2017 een comparitie van partijen gelast. In het vonnis van 6 december 2017 heeft de rechtbank vervolgens overwogen dat de vordering tot vervallenverklaring van het legaat met betrekking tot het bosperceel toewijsbaar is en dat verdeling van het perceel zal moeten plaatsvinden. De rechtbank heeft vervolgens in het dictum van het vonnis van 6 december 2017:

- de verdeling gelast van het bosperceel door verkoop daarvan tegen de waarde in het

economisch verkeer met tussenkomst van een door [geïntimeerden] aan te zoeken

makelaar en verdeling van de netto opbrengst onder de erven, zoals in het vonnis is

bepaald (rov. 5.1);

- [appellante] gelast om binnen twee weken na betekening van het vonnis haar

volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de verkoop van het perceel te verlenen,

zoals nader aangegeven in het vonnis (rov. 5.2);

- bepaald dat, bij gebreke van medewerking van [appellante] aan de verkoop en/of

levering van het perceel op de aangegeven wijze, het vonnis in de plaats treedt van de

onderhandse akte tot opdrachtverlening aan de makelaar en de onderhandse akte tot

verkoop van het perceel, alsmede van de notariële akte tot levering van het perceel (rov. 5.3).

De rechtbank heeft in het vonnis van 6 december 2017 voorts aan [geïntimeerden] verzocht nadere informatie te verstrekken omtrent een drietal beleggingsrekeningen die ten tijde van het overlijden van erflater tot de nalatenschap behoorden. Daarnaast dienden [geïntimeerden] nadere informatie aan de rechtbank te verstrekken omtrent de ten laste van de nalatenschap gebrachte notaris- en advocaatkosten (rov. 5.5). De rechtbank heeft in het vonnis van 6 december 2017 iedere verdere beslissing aangehouden (rov. 5.6).

In het eindvonnis van 25 juli 2018 heeft de rechtbank overwogen dat de executeurskosten ten laste van de nalatenschap mogen worden gebracht tot een bedrag van € 7.712,82 inclusief btw en dat de advocaatkosten niet bij de berekening van de te verdelen massa worden betrokken.

De rechtbank heeft in het eindvonnis in het dictum:

- het legaat onder punt 4 in het testament van erflater vervallen verklaard (rov. 3.1);

- de verdeling gelast van de nalatenschap van erflater conform het overzicht in productie 6

bij inleidende dagvaarding, onder de bepaling dat voor notaris/executeurkosten een bedrag

van € 7.712,82 inclusief btw in aanmerking wordt genomen in plaats van het bedrag van

€ 24.554,08 inclusief btw dat in dat overzicht is vermeld, en geen advocaatkosten in

aanmerking kunnen worden genomen bij de te verdelen massa (rov. 3.2).

De vorderingen van [geïntimeerden] zijn voor het overige afgewezen (rov. 3.5). De rechtbank heeft de proceskosten gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten moet dragen (rov. 3.4).

6.4.1.

[appellante] is in hoger beroep gekomen tegen de drie voormelde vonnissen van de rechtbank. In haar memorie van grieven heeft zij vijf grieven aangevoerd, die deels zijn gericht tegen het vonnis van 6 december 2017 en deels tegen het vonnis van 25 juli 2018.

[appellante] heeft in haar memorie van grieven geconcludeerd tot vernietiging van de drie vonnissen waarvan beroep en tot het alsnog (volledig) afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerden] , met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

6.4.2.

Hoewel [geïntimeerden] in hun memorie van antwoord concluderen tot (onder meer) veroordeling van [appellante] in de proceskosten van de beide instanties, herkent het hof geen (incidenteel) hoger beroep van de zijde van [geïntimeerden] tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing om de proceskosten te compenseren. [geïntimeerden] maken ook niet duidelijk dat zij daartegen incidenteel willen appelleren en welke bezwaren zij daartegen dan op welke gronden willen aanvoeren.

6.5.

[appellante] en geïntimeerden sub 8 en 9 wonen in België. De zaak heeft daarom internationale aspecten. De rechtbank is terecht en onbestreden uitgegaan van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter (art. 3 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk België betreffende de territoriale rechterlijke bevoegdheid, betreffende het faillissement en betreffende het gezag en de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, van scheidsrechterlijke uitspraken en van authentieke akten) en de toepasselijkheid van het Nederlands recht (art. 10:145 BW en art. 3 lid 1 Haags erfrechtverdrag 1989).

6.6.1.

Tegen het tussenvonnis van 8 maart 2017 zijn geen grieven aangevoerd zodat [appellante] in haar hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

6.6.2.

[geïntimeerden] hebben in hun memorie van antwoord aangevoerd dat [appellante] ook niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep, voor zover dat gericht is tegen beslissingen die zijn vervat in het vonnis van 6 december 2017, aangezien dat vonnis een deelvonnis is, waartegen binnen drie maanden na de uitspraakdatum hoger beroep had moeten worden ingesteld, welke termijn [appellante] voorbij heeft laten gaan.

6.6.3.

Het hof overweegt hieromtrent dat volgens vaste rechtspraak van een deelvonnis sprake is indien in een vonnis door een uitdrukkelijk dictum aan het geding omtrent enig deel van het gevorderde een einde is gemaakt.

In het vonnis van 6 december 2017 heeft de rechtbank in het dictum beslist op de vordering van [geïntimeerden] om [appellante] te gelasten haar medewerking te verlenen aan de verkoop van het bosperceel. Deze vordering is door de rechtbank toegewezen. Daarmee is door een uitdrukkelijk dictum aan enig deel van het gevorderde een einde gemaakt. Het hoger beroep van [appellante] tegen deze beslissing, vervat in de derde grief van haar memorie van grieven, is te laat ingesteld. Om die reden dient zij in zoverre in haar hoger beroep tegen het vonnis van 6 december 2017 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor het overige is [appellante] ontvankelijk in haar hoger beroep.

6.7.1.

De eerste grief van [appellante] is gericht tegen de overweging van de rechtbank in het vonnis van 6 december 2017 onder rov. 4.1, inhoudende: “De rechtbank houdt geen rekening met hetgeen [appellante] tot haar verweer wenst aan te voeren voor zover dat is opgenomen in de aan de conclusie van antwoord gehechte bijlage, omdat het verweer in de conclusie van antwoord moet worden opgenomen en niet in een bij die conclusie gevoegde bijlage.”

De desbetreffende bijlage bij de conclusie van antwoord is geschreven door de echtgenoot van [appellante] en bevat 21 pagina’s met een reactie van zijn hand op de stellingen van [geïntimeerden] in de inleidende dagvaarding.

[appellante] stelt zich op het standpunt dat de rechtbank wel degelijk rekening had moeten houden met hetgeen in de voormelde bijlage is vermeld, aangezien in de conclusie van antwoord is verwezen naar die bijlage, met het verzoek deze als herhaald en ingevoegd te lezen.

6.7.2.

Naar het oordeel van het hof faalt deze grief van [appellante] . Op de eerste plaats heeft de rechtbank terecht tot uitgangspunt genomen dat verweren van een gedaagde tegen vorderingen van een eisende partij moeten worden opgenomen in de conclusie van antwoord en niet in een bij die conclusie gevoegde bijlage. Bovendien was die ingeroepen bijlage van 21 pagina’s zo omvangrijk dat [appellante] in haar conclusie van antwoord duidelijk had moeten aangeven welke van de vele in de bijlage genoemde persoonlijke reacties of stellingen zij precies wilde inroepen. Dit kan verder echter onbesproken blijven omdat [appellante] bij haar grief geen belang heeft; het hoger beroep dient er immers (mede) toe om eventuele onvolkomenheden van de eerste aanleg te herstellen. Zij heeft dan ook alle weren die zij tegen de vorderingen van [geïntimeerden] wenst aan te voeren kunnen opnemen in haar memorie van grieven.

6.8.1.

De tweede grief van [appellante] is gericht tegen de beslissing van de rechtbank om het legaat met betrekking tot het bosperceel vervallen te verklaren. Deze vervallenverklaring was door [geïntimeerden] bij wijze van vermeerdering van eis (voorwaardelijk) gevorderd in hun conclusie d.d. 16 augustus 2017 na de comparitie van partijen in eerste aanleg.

De rechtbank heeft de voorwaarde waaronder de vordering was ingesteld vervuld geacht en de vordering tot vervallenverklaring van het legaat toegewezen in het dictum van het eindvonnis van 25 juli 2018.

6.8.2.

Het hof overweegt met betrekking tot deze tweede grief van [appellante] het volgende.

De rechtbank heeft de verplichting om de waarde van het gelegateerde bosperceel in de nalatenschap in te brengen, welke verplichting door erflater aan de desbetreffende legatarissen was opgelegd, aangemerkt als een last in de zin van artikel 4:130 lid 1 BW. De rechtbank heeft – in aansluiting hierop – toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 4:131 lid 2 BW.

Aan de vraag of deze beslissingen van de rechtbank juist zijn komt het hof niet toe, gelet op het volgende.

6.8.3.

De rechtbank heeft in het (deel)vonnis van 6 december 2017 de verkoop van het bosperceel gelast en [appellante] veroordeeld om aan die verkoop haar medewerking te verlenen. Deze beslissingen zijn onherroepelijk geworden omdat daartegen niet (tijdig) is geappelleerd. Reeds hierom treft de tegen laatstgenoemde beslissing gerichte derde grief geen doel. Voorafgaand aan deze beslissingen heeft de rechtbank in rov. 4.3 van voornoemd (deel)vonnis verder geoordeeld dat de vordering tot vervallenverklaring van het legaat zal worden toegewezen en in rov. 4.5 van datzelfde (deel)vonnis dat (thans) geïntimeerden 5 tot en met 9 kennelijk afstand doen van hun bij legaat toegekend vorderingsrecht. Deze beslissingen dienden logischerwijs vooraf te gaan aan het bevel tot verkoop van het bosperceel en de veroordeling van [appellante] om daaraan haar medewerking te verlenen, aangezien immers gedwongen verkoop aan een derde niet mogelijk was zolang sprake was van een rechtsgeldig legaat. De rechtbank heeft in het eindvonnis van 25 juli 2018 op dit punt alleen nog overwogen dat zij ingevolge haar overweging onder 4.3 in haar eerdergenoemde vonnis van 6 december 2017 de vordering van [geïntimeerden] tot vervallenverklaring van het legaat zal toewijzen. Aldus vormen de beslissing van de rechtbank tot vervallenverklaring van het legaat en tot verkoop van het bosperceel één geheel en moet het feit dat de vervallenverklaring van het legaat niet is opgenomen in het dictum van het deelvonnis van 6 december 2017 als een vergissing worden aangemerkt.

In het licht van het voorgaande moet geoordeeld worden dat [appellante] geen belang heeft bij haar tweede grief, zodat die grief geen doel kan treffen.

6.9.1.

De vierde grief van [appellante] betreft de beslissing van de rechtbank in het eindvonnis van 25 juli 2018 tot vaststelling van de vergoeding voor de notaris/executeur. De rechtbank overwoog dat een vergoeding van 3% van het zuiver saldo van de nalatenschap, zoals opgenomen in de successieaangifte, redelijk is. De rechtbank heeft – hiervan uitgaande – de vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 7.712,82 inclusief btw.

[appellante] is het hiermee oneens. Zij vindt dat de vergoeding beperkt moet blijven tot 1% van de waarde van de nalatenschap, dit conform artikel 4:144 lid 2 BW.

6.9.2.

Het hof overweegt met betrekking tot deze vierde grief van [appellante] het volgende.

Ingevolge artikel 4:144 lid 2 BW, welke bepaling in deze zaak onmiddellijke werking heeft (artikel 133 OW NBW) heeft de notaris/executeur (nu in het testament niet anders is geregeld) in beginsel aanspraak op een vergoeding ter grootte van 1% van het vermogen van erflater op diens sterfdag. Ingevolge artikel 4:144 lid 3 jo 4:159 lid 3 BW is een hogere vergoeding mogelijk op grond van onvoorziene omstandigheden. De rechtbank heeft aanleiding gezien om een hogere vergoeding vast te stellen op grond van onvoorziene omstandigheden, waarbij de rechtbank in het bijzonder heeft verwezen naar het feit dat met de afwikkeling van de nalatenschap een lange tijd, ruim 18 jaar, was gemoeid.

6.9.3.

Naar het oordeel van het hof is de beslissing van de rechtbank juist. Gelet op het feit dat de samenstelling van het vermogen van erflater op diens sterfdag (voornamelijk bestaande uit bankrekeningen, beleggingsrekeningen en een bosperceel) redelijk overzichtelijk genoemd kan worden, was bij het openvallen van de nalatenschap niet te voorzien dat de afwikkeling (tot aan het eindvonnis van de rechtbank) meer dan 18 jaar zou voorduren. Uit de correspondentie die in eerste aanleg door partijen in het geding is gebracht leidt het hof af dat de notaris/executeur door de jaren heen activiteiten heeft ontplooid om tot een afwikkeling van de nalatenschap te komen.

Nu niet duidelijk wordt dat de notaris/executeur onbehoorlijk beheer heeft gevoerd, heeft de rechtbank in het licht van het voorgaande terecht geoordeeld dat sprake is geweest van onvoorziene omstandigheden en dat een vergoeding van € 7.712,82 inclusief btw redelijk is.

Dit betekent dat de vierde grief van [appellante] faalt.

6.10.1.

De vijfde grief van [appellante] is gericht – zo begrijpt het hof – tegen het oordeel van de rechtbank dat de verantwoording van het resultaat van de beleggingsrekeningen die onderdeel uitmaken van de te verdelen nalatenschap, toereikend is. [appellante] acht die verantwoording niet toereikend.

6.10.2.

Het hof overweegt met betrekking tot deze vijfde grief van [appellante] het volgende.

In productie 6 bij inleidende dagvaarding, aangevuld met productie 13 bij de akte van [geïntimeerden] in eerste aanleg d.d. 31 januari 2018 is door de notaris/executeur verantwoording afgelegd van het verloop van de bankrekeningen en beleggingsrekeningen die tot het te verdelen vermogen horen.

Uit productie 6 bij inleidende dagvaarding blijkt dat ten tijde van het overlijden van erflater sprake was van een betaal- en een spaarrekening bij Rabobank, Girorekeningen (een betaalrekening en meerdere spaarrekeningen) bij (thans) ING en een spaar- en een betaalrekening bij Fortis Bank (thans ABN/Amro). De saldi van de spaarrekeningen zijn gestort op de betaalrekeningen bij de diverse banken en de saldi van die betaalrekeningen zijn in 2016 (ter verdeling onder de erfgenamen) gestort op de “kaskaart [notaris 1] ”.

Uit productie 6 bij inleidende dagvaarding, in samenhang met productie 13 bij akte d.d. 31 januari 2018 blijkt voorts van het verloop van een drietal beleggingsrekeningen die tot het te verdelen vermogen horen. Het gaat om de volgende beleggingen:

- het Postbank beleggingsfonds.

Op de sterfdag van erflater bedroeg de waarde f. 13.617,23, omgerekend volgens [geïntimeerden] € 6.179,23.

Uit productie 6 blijkt dat in het jaar 2016 de opbrengst van dit beleggingsfonds, ter grootte van € 8.862,45 is gestort op de girobetaalrekening (inmiddels ING betaalrekening) met nummer [nummer girobetaalrekening] Zoals vermeld blijkt uit productie 6 dat het saldo van die rekening is gestort op de rekening van het notariskantoor (zie ook de “kaskaart [notaris 1] ”);

- de beleggingsportefeuille bij de Rabobank met nummer [nummer belleggingsportefeuille] .

Op de sterfdag van erflater bedroeg de waarde van deze portefeuille f. 12.040,38, omgerekend volgens [geïntimeerden] € 5.463,69.

Uit de genoemde producties 6 en 13 blijkt dat in het jaar 2000 het grootste deel van de beleggingsportefeuille is verkocht. De opbrengsten van die verkoop, respectievelijk groot

f. 4.983,32 en f. 3.987,53, zijn in het jaar 2000 gestort op de betaalrekening bij Rabobank met nr. [nummer betaalrekening] . Het restant van de portefeuille is verkocht in 2016. De opbrengsten daarvan, respectievelijk groot € 192,-, € 77,94 en € 129,54, zijn eveneens gestort op voormelde betaalrekening bij Rabobank. Zoals vermeld blijkt uit de genoemde productie 6 dat het saldo van de betaalrekening bij Rabobank is gestort op de rekening van het notariskantoor (zie ook de “kaskaart [notaris 1] ”);

- de beleggingsrekening bij Robeco met nummer [nummer beleggingsrekening] .

Op de sterfdag van erflater bedroeg de waarde van deze belegging f. 21.461,89, omgerekend volgens [geïntimeerden] € 9.738,98. In 2016 is de opbrengst van deze belegging, groot € 13.721,87, gestort op de “kaskaart [notaris 1] ”.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat met de voormelde gegevens voldoende verantwoording is afgelegd van de omvang van de beleggingsrekeningen die tot de te verdelen nalatenschap behoren, temeer nu van de zijde van [appellante] in het geheel niet is toegelicht op welke punten de verantwoording onjuist zou (kunnen) zijn.

De conclusie is dat ook de vijfde grief van [appellante] faalt.

6.11.

Nu geen van de grieven van [appellante] slaagt, dienen de vonnissen waarvan beroep te worden bekrachtigd voor zover die ter beoordeling aan het hof voorliggen.

Gelet op de familierelatie van partijen zal het hof de kosten van het hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

7 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen het vonnis van 8 maart 2017 en tegen het vonnis van 6 december 2017 voor zover dat hoger beroep is gericht tegen de beslissing van de rechtbank in het dictum van laatstgenoemd vonnis op de vordering van [geïntimeerden] om [appellante] te gelasten haar volledige en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan de verkoop van het bosperceel;

verklaart het hoger beroep van [appellante] voor het overige ongegrond;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor zover die ter beoordeling aan het hof voorliggen;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M.E. Smorenburg en T.J. Mellema-Kranenburg en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 25 augustus 2020.

griffier rolraadsheer