Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2624

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
03-11-2020
Zaaknummer
200.276.889_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beschikking waarbij verzoek van vereffenaar tot het benoemen van een rechter-commissaris als bedoeld in artikel 4:208 BW is toegewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 4 208
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2020-0268
JERF Actueel 2020/355
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 20 augustus 2020

Zaaknummer: 200.276.889/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/268762 / HA RK 19-195

in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

hierna te noemen: [verzoeker]

advocaat: mr. W.C.G.M. van Hoof te Tilburg

tegen

Mr. [de vereffenaar] , in diens hoedanigheid van vereffenaar in de nalatenschap van:

[erflaatster] (hierna te noemen: erflaatster),

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vereffenaar,

advocaat: mr. R. de Jong te Eindhoven,

belanghebbenden:

[belanghebbende 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 1] ,

advocaat: R. Teerink te Tilburg,

en

[bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2],

in hun hoedanigheid van bewindvoerder van

[belanghebbende 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 2] ,

en

[belanghebbende 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [belanghebbende 3] ,

advocaat: mr. E.J. Moll te Doetinchem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 januari 2020, waarbij - zakelijk weergegeven - het verzoek van de vereffenaar tot het benoemen van een rechter-commissaris als bedoeld in artikel 4:208 BW inzake de vereffening van de nalatenschap van erflaatster is toegewezen en mr. W.F.J. Aalderink, lid van de rechtbank Limburg, als zodanig is benoemd. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 8 april 2020, heeft [verzoeker] - kort weergegeven – het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, primair het verzoek van de vereffenaar (alsnog) af te wijzen, subsidiair zijn (zelfstandige) verzoeken, zoals door hem verwoord in het verweerschrift in eerste aanleg, om de vereffenaar aanwijzingen op te leggen, (naar het hof begrijpt:) toe te wijzen, met veroordeling van de vereffenaar in de kosten van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juni 2020 heeft de vereffenaar - kort weergegeven – het hof verzocht om het appel van [verzoeker] ongegrond te verklaren, althans zijn vorderingen (het hof leest: verzoeken) af te wijzen, de beschikking waarvan beroep in stand te laten en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van de procedures in eerste aanleg en hoger beroep.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juni 2020 heeft [belanghebbende 1] - kort weergegeven – het hof verzocht om [verzoeker] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans deze verzoeken af te wijzen, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en [verzoeker] te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met nakosten ad € 157,00 (zonder betekening) respectievelijk € 239,00 (met betekening), vermeerderd met de wettelijke rente over de proces- en nakosten als [verzoeker] deze niet binnen veertien dagen na dagtekening van de in deze te wijzen beschikking heeft betaald.

2.4.

De mondelinge behandeling in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 24 juni 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [verzoeker] , bijgestaan door mr. Van Hoof;

- de vereffenaar;

- [belanghebbende 1] , bijgestaan door mr. Teerink;

- de heren [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] , bewindvoerders van [belanghebbende 2] ;

- [belanghebbende 3] , bijgestaan door mr. Moll.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 december 2019 alsmede van de inlichtingenformulieren met bijlagen van de advocaat van [verzoeker] d.d. 16 april 2020 en 22 juni 2020 en de inhoud van de brieven van de advocaat van [belanghebbende 3] d.d. 8 juni 2020 en 16 juni (met bijlagen) .

3 De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft op verzoek van de vereffenaar haar lid mr. W.F.J. Aalderink benoemd tot rechter-commissaris als bedoeld in artikel 4:208 BW in de nalatenschap van erflaatster en daartoe als volgt overwogen:

“5.2. De rechtbank is van oordeel dat uit hetgeen uit de stukken en ter zitting naar voren is gekomen, volgt dat de vereffenaar nog steeds bezig is met de vereffening van de nalatenschap, dat de boedel gecompliceerd is en dat het gewenst is dat de vereffenaar wordt begeleid door een ter zake kundig rechter-commissaris. Een toewijzing tot benoeming van een rechter-commissaris, die toezicht zal houden op de vereffening, acht de rechtbank in het belang van alle partijen en de afwikkeling van de nalatenschap.

5.3.

De rechtbank wijst het tegenverzoek van verweerder 3 (hof: [verzoeker] ) tot het geven van aanwijzingen als bedoeld in artikel 4:210 lid 1 BW aan de rechter-commissaris af aangezien de grondslag hiervoor ontbreekt.

5.4.

Ten aanzien van het verzoek van verweerder sub 3 (hof: [verzoeker] ) tot benoeming van een bewindvoerder op grond van artikel 3:168 BW overweegt de rechtbank dat aansluiting moet worden gezocht bij artikel 4:222 BW waarin het volgende is bepaald:

“Gedurende de vereffening zijn van titel 7 van Boek 3 slechts van toepassing de artikelen 166, 167, 169, 170 lid 1 en 194 lid 2”.

Daaruit vloeit voort dat artikel 3:168 BW niet van toepassing is zodat voor dit verzoek geen grondslag bestaat.”

3.2.

[verzoeker] voert tegen bovengenoemde beschikking het volgende aan:

[verzoeker] heeft bezwaar gemaakt en heeft ten aanzien van de verdeling van de nalatenschap vragen gesteld ten aanzien van het handelen van de vereffenaar. Voor een dergelijk geval bepaalt artikel 4:215 lid 2 BW dat de vereffenaar de erfgenaam of schuldeiser die bezwaar maakt in de gelegenheid stelt de beslissing van de kantonrechter in te roepen. De vereffenaar heeft deze weg niet gevolgd en de weg van artikel 4:208 BW bewandeld, een verzoek inhoudende de benoeming van een rechter-commissaris. Dit verzoekschrift vermeldde niet waarom de vereffenaar de kantonrechter als toezichthouder op het proces niet afdoende achtte en bevatte op dit punt ook geen bewijsaanbod. Daarnaast werd in dit verzoekschrift uitsluitend opgemerkt dat [verzoeker] bezwaar maakt, niet hoe dit bezwaar onderbouwd is, wat de standpunten van [verzoeker] zijn en wat door [verzoeker] is aangedragen.

Het betreft ook geen gecompliceerde boedel, geen van de erfgenamen heeft problemen met de toewijzing van een aandeel in de goederen en schulden zijn er nagenoeg niet, zodat ook niet hoeft te worden overgegaan tot het eerst te gelde maken van al het onroerend goed zoals door de vereffenaar geëntameerd. Indien de vereffenaar mocht besluiten om vermogensbestanddelen die behoren tot de nalatenschap te gelde te maken, dan dient hij te starten met het innen van vorderingen van de nalatenschap op derden en het verkopen van vee en landbouwvoertuigen en –machines. En mochten hieruit onvoldoende financiële middelen worden verkregen zou alsdan hooguit één stuk grond of een gedeelte daarvan verkocht kunnen worden.

De vereffenaar houdt zich tot op de dag van vandaag bezig met het uitlenen van gelden (middels de verkoop van mais) uit de nalatenschap aan familieleden van [belanghebbende 1] . Hij behoort dit niet te doen, temeer niet daar hij zelf stelt dat om de vordering aan [belanghebbende 1] te kunnen voldoen het nodig zou zijn om alle vermogensbestanddelen van de nalatenschap te gelde te maken. De vereffenaar had kunnen, wellicht moeten kiezen voor de verkoop van vee, machines en gereedschappen.

Ter zitting op 18 december 2019 heeft [belanghebbende 1] voor het eerst gesteld dat hij nog een vordering op erflaatster heeft vanwege hun vooroverleden ouder. Dit is een vorm van misbruik van recht of toch tenminste in strijd met de redelijkheid en billijkheid die erfgenamen jegens elkaar in acht behoren te nemen. Het bestaan van deze vordering wil niet zeggen dat het te gelde maken van alle onroerende zaken nu wel gerechtvaardigd zou zijn. Ten eerste hebben alle erfgenamen dezelfde vordering op erflaatster. [belanghebbende 1] tracht thans de overige erfgenamen op deze wijze uit te boedelen. De vereffenaar is [belanghebbende 1] in zijn stelling met betrekking tot de “nieuwe” vordering op de nalatenschap bijgevallen ter voorkoming van een afwijzing van zijn eigen verzoek. Gelet op het vorengaande bestaat er echter geen gegronde reden om een rechter-commissaris te benoemen, de vereffenaar kan zich immers ex artikel 4:210 BW tot de kantonrechter wenden. Een benoeming van een rechter-commissaris verkort bovendien de appeltermijnen voor de erfgenamen fors en bemoeilijkt daarmee het verweer tegen een beschikking van deze. Deze appeltermijn bedraagt ingevolge 676b Rv immers slechts vijf dagen terwijl wanneer geen rechter-commissaris benoemd is de appeltermijn drie maanden bedraagt.

Daarnaast stelt [verzoeker] dat ook belanghebbenden zich tot de kantonrechter of rechter-commissaris kunnen wenden voor aanwijzingen aan de vereffenaar. Het is dan aan de kantonrechter of rechter-commissaris om te bepalen of een verzoeker voldoende belang bij een dergelijk verzoek heeft. [verzoeker] is als erfgenaam zonder meer als belanghebbende aan te merken. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de grondslag voor het verzoek van [verzoeker] zou ontbreken, de rechtbank kon en diende bij de benoeming van de rechter-commissaris het verzoek van [verzoeker] tot het mogen geven van aanwijzingen mee te geven.

3.3.

Ter zitting in hoger beroep is hieraan door en namens [verzoeker] – zakelijk weergegeven – nog het volgende toegevoegd. Er is tussen [verzoeker] en [belanghebbende 1] al zeker 17 jaar geen contact meer, er zijn recent dan ook over en weer geen pogingen geweest om alsnog tot afspraken te komen. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in eerste aanleg gaf de vereffenaar aan dat de nalatenschap een schuld had van € 67.472,00. Vraag is dan waarom al goederen in de nalatenschap te gelde moeten worden gemaakt als de nalatenschap ongeveer

€ 2.000.000,00 bedraagt. De advocaat van [belanghebbende 1] gaf toen aan dat er meerdere schulden zouden zijn, waaronder een schuld met betrekking tot het erfdeel van vader van ongeveer

€ 450.000,00. De vereffenaar wil een en ander kennelijk al uitponden en verdelen, maar dat gaat ten koste van het fiscale voordeel van € 350.000,00 op basis van de zogenoemde Bedrijfsopvolgingsregeling (BOR).

Bovendien is de vereffenaar ook buiten medeweten van de (overige) erven naar de rechter-commissaris gegaan, er was op dat moment helemaal geen overeenstemming over de inschrijving. De vereffenaar is aldus feitelijk op de stoel van de rechter gaan zitten terwijl hij gewoon het bedrag van (afgerond) € 67.000,00 had moeten uitbaten waarna de rest van de nalatenschap weer aan de erven zou toekomen. Nu beslist de vereffenaar feitelijk over de verdeling. Daarbij komt dat zeker 30 ha pachtgrond welke thans door [belanghebbende 1] gebruikt wordt op naam van [belanghebbende 2] staat. Deze pachtgronden zijn nimmer overgeschreven. Ook is het hele proces rondom de verkoop bij inschrijving niet transparant verlopen.

[verzoeker] begrijpt tot slot ook niet wat de toegevoegde waarde van een rechter-commissaris is, het betreft hier een familiezaak, inhoudelijk dus wezenlijk anders dan een faillissement.

3.4.

Bij verweerschrift heeft de vereffenaar – kort weergegeven – het navolgende aangevoerd. De stellingen die [verzoeker] in zijn beroepschrift betrekt zijn aantoonbaar onjuist. [verzoeker] stelt dat [belanghebbende 1] ten onrechte van mening is dat er sprake van een onbeheerde nalatenschap zou zijn. De rechtbank heeft reeds bij beschikking van 21 september 2017 bepaald dat het voldoende aannemelijk is dat de nalatenschap in ieder geval ten dele onbeheerd bleef, daarin was voor de rechtbank ook de reden gelegen om een vereffenaar aan te stellen. Voorts stelt [verzoeker] dat er hooguit een geschil zou zijn over het te voeren beheer. Daarmee bagatelliseert [verzoeker] de omvang van de meningsverschillen tussen de erven en de intensiteit waarmee zij hun opvattingen verdedigen. De opstelling van [verzoeker] werkte immer vertragend, kostenverhogend en bemoeilijkte het beheer van de boedel. Zo heeft [verzoeker] tot op de dag van vandaag het adviesmemo van accountantskantoor [accountantskantoor] niet met de vereffenaar en de overige erfgenamen gedeeld, een adviesmemo waarin volgens [verzoeker] uiteengezet zou zijn dat de toepassing van de BOR niet noodzakelijk was om een gewenst fiscaal voordeel te benutten. Daarnaast verwijt [verzoeker] de vereffenaar ten onrechte dat laatstgenoemde niet consequent met de termen “vereffening” en “verdeling” zou omgaan terwijl [verzoeker] zelf niet anders doet. Tot slot volhardt [verzoeker] in zijn niet onderbouwde stelling dat het de wens van de ouders zou zijn geweest dat de grondpercelen niet verkocht zouden worden maar gelijkelijk verdeeld zouden moeten worden onder de vier kinderen . Hierover verschillen de erven evenwel van mening en daarbij hebben de ouders ook geen testamant opgemaakt. Daarbij komt dat het verdelen van de grond nieuwe discussies met zich kan brengen en praktisch ook erg lastig uitvoerbaar is. Voorts merkt de vereffenaar op dat met [verzoeker] op dit moment feitelijk ook geen contact (meer) mogelijk is, [verzoeker] reageert nergens op.

De vereffenaar is tevens van mening dat veel van de stellingen van [verzoeker] niets te maken hebben met het antwoord op de voorliggende vraag, namelijk of de rechtbank al dan niet een rechter-commissaris mocht aanstellen en of zij daarbij al dan niet verplicht was om deze aanwijzingen te geven. De vereffenaar reageert hier evenwel toch kort op.

De door [verzoeker] gestelde taxatie van de hoeve, erf en bouwplaats voor een bedrag van bijna

€ 500.000,00 is nooit eerder aangedragen en de vereffenaar dan ook niet bekend. Daarbij komt dat [verzoeker] zelf bij de levering bij inschrijving een bedrag van slechts € 205.000,00 geboden heeft en zich vervolgens beklaagt over de (te) lage verkoopsom. Bovendien heeft hij zijn bezwaren te laat ingesteld, door mee te werken aan inschrijving heeft hij immers zijn rechten verwerkt. Daarnaast werpt [verzoeker] zich ten onrechte op als de hoeder van de rechten van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] . [belanghebbende 2] heeft twee bewindvoerders en [belanghebbende 3] heeft nimmer gerept over een onredelijke gang van zaken.

[verzoeker] stelt voorts ten onrechte dat de vereffenaar aan het verdelen zou zijn. Dat is niet het geval omdat de schulden nog niet voldaan zijn is de vereffening ook niet afgerond. Ook betwist de vereffenaar de stelling van [verzoeker] dat hij niet aan zijn substantiëringsplicht zou hebben voldaan. [verzoeker] stelt ook dat het vee en de machines moeten worden verkocht, maar dat is ook al gebeurd. Ook is het niet zo dat de vereffenaar zich op de zitting van 18 december 2019 achter een “gelegenheidsargument” van [belanghebbende 1] schaarde, het bestaan van de kindsdelen was al langer bekend, alleen niet bij aanvang van de vereffening.

3.5.

Ter zitting in hoger beroep is hieraan door en namens de vereffenaar – zakelijk weergegeven – nog het volgende toegevoegd. De vereffenaar geeft aan dat hij aanvankelijk, en naar inmiddels gebleken is tevergeefs, getracht heeft om de erfgenamen nader tot elkaar te brengen. Toen dat niet lukte is hij overgegaan tot verkoop bij inschrijving en heeft hij zich hiertoe tot notaris Tollema gewend. [verzoeker] heeft ook meegedaan bij de inschrijving, maar uiteindelijk heeft de vereffenaar de verkoop aan [belanghebbende 1] gegund. Daarop beschuldigde [verzoeker] de vereffenaar ervan [belanghebbende 1] te bevoordelen, wat onjuist is. Dat de vereffenaar daarmee feitelijk aan het verdelen is, zoals door [verzoeker] wordt gesteld, is nog maar de vraag, alle partijen in deze kwestie gebruiken de termen “verdelen” en “vereffenen” soms ook door elkaar.

Voorts was het streven van de vereffenaar er juist op gericht om middels de BOR een fiscaal voordeel te realiseren. Ook is het onjuist dat de schuld van de nalatenschap aan [belanghebbende 1] eerst bij de mondelinge behandeling in eerste aanleg ter sprake is gekomen. Deze schuld werd reeds gememoreerd in de Powerpoint-presentatie die de vereffenaar op zijn kantoor ten overstaan van de erfgenamen gepresenteerd heeft. De schuld aan [belanghebbende 1] is dus al langer bekend en bovendien reëel. [verzoeker] stelt dat voor het verkrijgen van een fiscaal voordeel gebruikmaking van de BOR niet noodzakelijk is, maar het adviesmemo van accountantskantoor [accountantskantoor] waarop hij deze stelling baseert heeft hij nimmer met de overige erfgenamen gedeeld.

Op enig moment heeft de vereffenaar tegen [verzoeker] gezegd dat, indien hij niet tevreden was over de vereffening, hij om de benoeming van een rechter-commissaris zou verzoeken, hetgeen ook is gebeurd. De vereffenaar gaf hieraan de voorkeur boven aanwijzingen van een kantonrechter omdat het een erg complex dossier betreft en er bovendien per aanwijzing ook steeds sprake van een andere kantonrechter kan zijn die het dossier minder goed kent dan een vaste rechter-commissaris.

Na benoeming van de rechter-commissaris is de vereffenaar, met medeweten van de erfgenamen, met deze rechter-commissaris op 10 januari 2020 inzake de verkoop bij inschrijving in overleg getreden. De vereffenaar stelt de erfgenamen hiervan bij email van 15 februari 2020 (01:00 uur) op de hoogte te hebben gesteld.

(Het hof merkt op dat -op de zitting in hoger beroep- alle aanwezige erfgenamen hierop hebben aangegeven deze bewuste email nimmer te hebben ontvangen. Hierop heeft de vereffenaar de bewuste email voorgedragen en aangegeven deze mail nogmaals aan alle geadresseerden te zullen doen toekomen.)

Voorts denkt de vereffenaar dat de BOR voor [verzoeker] en [belanghebbende 3] thans niet meer aan de orde is. Voor [belanghebbende 1] ligt dat anders, hij komt nog wel voor deze regeling in aanmerking omdat hij de agrarische onderneming voor eigen rekening heeft voortgezet, althans de gronden bij inschrijving gekocht heeft, het door hem gekochte vee hierop laat grazen en ook machines heeft aangeschaft om deze gronden te bewerken, althans te onderhouden.

3.6.

Bij verweerschrift heeft [belanghebbende 1] – kort weergegeven – het navolgende aangevoerd.

De wijze van verdeling zoals [verzoeker] die wenst en de verwijten aan het adres van [belanghebbende 1] en de vereffenaar zijn in deze procedure niet aan de orde en brengen niet met zich dat de beschikking waarvan beroep vernietigd dient te worden. De rechtbank heeft terecht een rechter-commissaris benoemd, de boedel is immers wel degelijk gecompliceerd.

Voorts betwist [belanghebbende 1] dat [verzoeker] als belanghebbende om aanwijzingen kan vragen. Het initiatief hiertoe ligt ingevolge de Handleiding erfrechtprocedures kantonrechter immer bij de kantonrechter of rechter-commissaris. De mogelijkheid van een hoger beroep zou van de mogelijkheid tot het geven van aanwijzingen zelf een tandeloze tijger maken en bovenal leiden tot een zeer ongewenste mogelijkheid de afwikkeling van de vereffening ernstig te vertragen.

3.7.

Ter zitting in hoger beroep is hieraan door en namens [belanghebbende 1] – zakelijk weergegeven – nog het volgende toegevoegd. De benoeming van een (vaste) rechter-commissaris kent een drietal significante voordelen ten opzichte van het raadplegen van een (mogelijk steeds wisselende) kantonrechter. Een rechter-commissaris is een vast aanspreekpunt, kent het dossier goed en kan daardoor dus ook sneller handelen.

Voorts meent [belanghebbende 1] dat [verzoeker] en [belanghebbende 3] de afwikkeling van de kwestie bewust getraineerd hebben en dat dit mogelijk gevolgen kan hebben voor de aanspraak op de BOR. Zo hebben zij zowel ten aanzien van de benoeming van de vereffenaar als de bewindvoering voor [belanghebbende 2] verweer gevoerd. [belanghebbende 2] geniet als inkomen uitsluitend een zorgtoeslag en alleen [belanghebbende 1] ondersteunt [belanghebbende 2] financieel. Er moeten gelden voor [belanghebbende 2] beschikbaar komen. Voorts geeft [belanghebbende 1] aan dat hij zowel zijn eigen vordering, de vordering van de Belastingdienst alsmede de vergoeding voor de vereffenaar heeft voorgefinancierd en dat hij ook als enige betaalde voor kosten welke gemoeid waren met diverse hand- en spandiensten op de boerderij, maandelijks een bedrag van circa € 1.200,00. Ook heeft [belanghebbende 1] , met het oog op de BOR, de daarvoor in het kader van de bedrijfsvoortzetting benodigde kritische massa uit eigen middelen aangekocht. [verzoeker] en [belanghebbende 3] maken naar zijn idee dan ook geen enkele aanspraak op het fiscale voordeel van de BOR, maar daar zijn zij nu evengoed wel op uit. [belanghebbende 1] heeft zich ook als enige van de erfgenamen bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als agrarisch ondernemer, hetgeen ook juist is omdat hij de gronden exploiteert.

Daarbij komt dat het door [belanghebbende 1] gekochte door de vereffenaar, vanwege het verweer van [verzoeker] , nog niet geleverd is. Indien hieruit voor [belanghebbende 1] een schade zal voortvloeien is hij voornemens deze op de vereffenaar te verhalen.

3.8.

Ter zitting in hoger beroep is door en namens [belanghebbende 3] in aanvulling op de brieven van haar advocaat van 8 en 16 juni 2020 – zakelijk weergegeven – nog het volgende aangevoerd. [belanghebbende 3] benadrukt dat de hele BOR discussie een fiscale kwestie is die in het kader van deze zaak niet relevant is. Voorts is [belanghebbende 3] van mening dat deze vereffenaar bij herhaling onzorgvuldig te werk is gegaan. De vereffenaar noemt zijn optreden “proactief”, maar feitelijk liep hij gewoon voor de erfgenamen uit. Ook geeft de vereffenaar aan dat de rechter-commissaris geen bezwaar had tegen een verkoop bij inschrijving, maar dat is wezenlijk iets anders dan een (volledige) instemming. Een rechter-commissaris is ook geen verdelingsrechter. Daarbij heeft de vereffenaar de erfgenamen ook pas op de hoogte gesteld van zijn gesprek met de rechter-commissaris nadat dit gesprek al had plaatsgevonden. Dit gesprek was vooraf niet aangekondigd en de erfgenamen waren voor dit gesprek dan ook niet uitgenodigd. Deze vereffenaar heeft duidelijk aanwijzingen van een rechter-commissaris nodig.

3.9.

Ter zitting in hoger beroep is door de heren [bewindvoerder 1] en [bewindvoerder 2] namens [belanghebbende 2] – zakelijk weergegeven – nog het volgende aangevoerd. [belanghebbende 2] wenst ook het fiscale voordeel van de BOR te genieten. Voorts is ook [belanghebbende 2] het eens met de benoeming van de rechter-commissaris zoals deze heeft plaatsgevonden.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

Met betrekking tot het primaire verzoek.

3.11.

[verzoeker] heeft het hof primair verzocht om het verzoek van de vereffenaar tot het benoemen van een rechter-commissaris in de nalatenschap van zijn moeder (alsnog) af te wijzen. Zoals uit de tekst van artikel 4:208 lid 1 BW kan worden afgeleid (“Bij de benoeming van een vereffenaar of bij een latere beschikking kan de rechtbank een harer leden tot rechter-commissaris benoemen.”) betreft het benoemen van een rechter-commissaris die de vereffening zal begeleiden een aan de rechtbank toegekende discretionaire bevoegdheid. In onderhavige zaak is het hof niet gebleken van een overschrijding van deze bevoegdheid door de rechtbank. Daarbij is het hof van oordeel dat de vereffenaar nog steeds bezig is met de vereffening van de nalatenschap, dat sprake is van een complexe nalatenschap en dat het mede daarom ook gewenst is dat de vereffenaar wordt begeleid door een ter zake kundig rechter-commissaris. Een toewijzing tot benoeming van een rechter-commissaris die toezicht zal houden op de vereffening, acht het hof derhalve in het belang van alle partijen en de afwikkeling van de nalatenschap.

Dat de wet ook mogelijkheden biedt middels inschakeling van de kantonrechter en/of dat beslissingen van een rechter-commissaris een korte appeltermijn kennen, doet aan een en ander niet af. Dit geldt eveneens voor de bezwaren dat de vereffenaar meer (of de verkeerde) vermogensbestanddelen te gelde zou maken dan nodig is voor zijn taak, nu dat juist eerder een aanwijzing vormt voor begeleiding van een rechter-commissaris.

Het primaire verzoek van [verzoeker] zal dan ook worden afgewezen.

Met betrekking tot het subsidiaire verzoek.

3.12.

Voorts heeft [verzoeker] het hof subsidiair (indien het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigt) verzocht zijn (zelfstandige) verzoeken zoals verwoord in het verweerschrift tegen verzoekschrift tevens houdende zelfstandig verzoek om de vereffenaar aanwijzingen op te leggen zoals door [verzoeker] verzocht. Het hof is, daargelaten de ontvankelijkheid van [verzoeker]

ten aanzien van dit subsidiaire verzoek, van oordeel dat [verzoeker] ter onderbouwing hiervan geen, althans onvoldoende c.q. ontoereikende rechtsgronden heeft aangevoerd. De door hem aangevoerde feiten en omstandigheden maken dit, voor zover in het kader van onderhavig (subsidiair) verzoek relevant, geenszins anders. Een en ander leidt ertoe dat het hof ook het subsidiaire verzoek van [verzoeker] afwijst.

Voorts hanteert het hof ten aanzien van de proceskosten de op de voet van artikel 237 lid 1 Rv in beginsel gebruikelijke compensatie van kosten tussen naaste familieleden in die zin dat alle partijen de eigen kosten dragen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 8 januari 2020;

compenseert de proceskosten in die zin dat beide partijen de eigen kosten dragen;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, H.K.N. Vos en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2020.