Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
200.278.923_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging machtiging uhp bij pleegmoeder (oma moederszijde); afwijzing verzoek 810a lid 2 Rv.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 810a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 20 augustus 2020

Zaaknummer : 200.278.923/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/354616 / JE RK 20-76

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. K.C.A. Ariëns,

tegen

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de GI.

Deze zaak gaat over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder)

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 30 maart 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 26 mei 2020, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende:

  • -

    primair: het verzoek van de GI met betrekking tot de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van een jaar af te wijzen;

  • -

    subsidiair: een deskundigenonderzoek te gelasten op grond van artikel 810a lid 2 en lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

2.2.

Bij verweerschrift met één productie, ingekomen ter griffie op 15 juli 2020, heeft de GI verzocht de moeder in het door haar ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. K. Megens (waarnemend voor mr. Ariëns);

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de pleegmoeder.

2.3.1.

De raad heeft het hof voorafgaand aan de mondelinge behandeling bericht niet tijdens de mondelinge behandeling te zullen verschijnen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de processen-verbaal van de mondelinge behandelingen in eerste aanleg op 20 februari 2020 en 23 maart 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de inmiddels verbroken relatie van de moeder en de heer [de vader] (hierna: de vader) is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] [minderjarige] geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 29 februari 2016 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 1 maart 2020.

3.3.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 7 juni 2019 uit huis geplaatst (aanvankelijk in een neutraal pleeggezin).

[minderjarige] verblijft sinds juli 2019 in een netwerkpleeggezin: oma moederszijde.

3.4.

Bij inleidend verzoek van 14 januari 2020 heeft de GI verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing voor de duur van één jaar.

3.5.

Bij beschikking van 20 februari 2020 heeft de rechtbank Oost-Brabant, kort en zakelijk weergegeven:

  • -

    uitvoerbaar bij voorraad, de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing verlengd met ingang van 1 maart 2020 tot 10 april 2020;

  • -

    de zaak in de stand waarin deze zich bevond naar de meervoudige kamer van de rechtbank verwezen en iedere verdere beslissing aangehouden;

  • -

    de GI en de advocaat van de moeder verzocht de meervoudige kamer aanvullend te berichten zoals in de beschikking is overwogen.

3.6.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd met ingang van 10 april 2020 tot 1 maart 2021, alsmede de aan de GI verleende machtiging verlengd om [minderjarige] met ingang van 10 april 2020 tot uiterlijk 1 maart 2021 uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg, te weten het netwerkpleeggezin van oma moederszijde.

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

De moeder heeft de beantwoording van de door de rechtbank aan de GI gestelde vragen niet ontvangen. Tijdens de telefonische zitting herhaalde de GI het standpunt dat het perspectief van [minderjarige] bij de oma lag: om een uithuisplaatsing destijds te voorkomen waren voorwaarden aan de moeder gesteld waaraan zij niet heeft kunnen voldoen. Het is echter niet duidelijk geworden wat de bepalende overwegingen waren van de GI om te stellen dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt. De GI heeft enkel verwezen naar gebeurtenissen in het verleden. Hier is niet met de moeder over gesproken en er heeft geen onderzoek plaatsgevonden naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder en van haar leerbaarheid. Ook is niet naar alternatieven gezocht.

In het veiligheidsplan van 3 november 2016, bijgesteld op 8 maart 2017 en 27 maart 2019 zijn voorwaarden gesteld waaraan de moeder moest voldoen om een uithuisplaatsing te voorkomen. In januari 2020 is de moeder opgenomen ter behandeling van haar (verslavings)problematiek). Zij heeft de kliniek echter op de dag van de bestreden beschikking verlaten, omdat zij niet meer gemotiveerd was voor de behandeling – [minderjarige] zou volgens de rechtbank immers niet naar huis komen – en vanwege de coronamaatregelen. De moeder krijgt nu ambulante begeleiding van Novadic Kentron. Er wordt gezocht naar de juiste therapieën en dagbesteding voor de moeder. De moeder is clean. Er waren (mede gezien de coronamaatregelen), geen mogelijkheden om urinecontroles te laten uitvoeren. De moeder heeft wel weer contact met [(ex)partner] (haar ex-partner), maar zij hebben onderling de afspraak gemaakt dat wanneer hij drugs wil gebruiken, hij dat in zijn eigen woning doet. De moeder is terug in de situatie waarvan de GI de afgelopen jaren vond dat [minderjarige] thuis kon wonen. De moeder voldoet weer aan de gestelde voorwaarden.

De moeder is opgelucht dat er nu iets wordt gedaan met de zorgen die zij jaren geleden al had omtrent het seksueel overschrijdende gedrag van [minderjarige] .

De moeder is het niet eens met het oordeel dat [minderjarige] niet op korte termijn bij de moeder teruggeplaatst kan worden. Dit oordeel is ook onvoldoende gemotiveerd. Deze conclusie kon niet worden getrokken zonder voorafgaand zorgvuldig onderzoek. De opvoedingsvaardigheden van de moeder zijn nog nooit onderzocht; niet is onderzocht in hoeverre zij kan aansluiten op het ontwikkelingsniveau van [minderjarige] . De moeder heeft verzocht een onderzoek ex artikel 810a lid 2 Rv te doen naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing. Omdat [minderjarige] nog jong is en een dergelijk onderzoek nog niet is gedaan, zal het hem niet te veel belasten.

3.9.

De GI voert in het verweerschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling – kort samengevat – het volgende aan.

Aan de uithuisplaatsing van [minderjarige] ging een langdurig hulpverleningstraject vooraf, waarbij aan de moeder voorwaarden waren gesteld om een uithuisplaatsing te voorkomen. De GI verwijst ook naar het veiligheidsplan en de schriftelijke aanwijzing. Volgens de voorwaarden mochtde moeder geen (hard)drugs gebruiken, diende zij urinecontroles toe te staan, mocht zij geen contact hebben met haar (ex)partner [(ex)partner] (in welke relatie sprake was van huiselijk geweld), moest zij voldoende eten in huis hebben voor [minderjarige] , meewerken aan hulpverlening gericht op clean blijven en persoonlijke stabiliteit hebben en behouden, enzovoorts. Ook voor [minderjarige] was er voor de uithuisplaatsing al veel hulpverlening ingezet. De moeder heeft ondanks vele waarschuwingen, niet aan de voorwaarden kunnen voldoen. De huidige situatie van de moeder kan niet los worden gezien van het uitgebreide voortraject als hiervoor beschreven. De geschiedenis van de moeder herhaalt zich steeds – thans weer – en daarmee ook voor [minderjarige] . De moeder krijgt haar persoonlijke problemen niet of slechts voor korte duur onder controle. Hierdoor is de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] steeds in het geding en raakt hij steeds meer beschadigd.

Na de uithuisplaatsing van [minderjarige] was de moeder lange tijd zorg mijdend, gebruikte de moeder drugs en had zij weer contact met haar (ex)partner [(ex)partner] . In oktober 2019 heeft de moeder medegedeeld dat zij in behandeling wilde gaan bij Novadic Kentron. Op 28 november 2019 heeft de GI in een teamoverleg besloten dat thuisplaatsing bij de moeder niet meer in het belang van [minderjarige] is. De moeder wilde hierover niet in gesprek met de GI omdat zij dan niet gemotiveerd zou zijn voor het behandeltraject. Pas tijdens de behandeling bij Novadic Kentron zijn het Plan van Aanpak en de visie van de GI met de moeder besproken.

Dat de moeder het traject voortijdig heeft gestopt en thans weer contact heeft met [(ex)partner] baart de GI zorgen. Er is nu (mede door de coronacrisis) weinig zicht op de moeder, haar functioneren en drugsgebruik/abstinentie daarvan. Zij heeft ook in hoger beroep hiervan niets laten zien.

[minderjarige] heeft op meerdere gebieden een ontwikkelingsachterstand opgelopen. Hij ontwikkelt zich bij de pleegmoeder echter goed. Binnen enkele maanden is hij zindelijk geworden. Hij legt meer en beter contact met leeftijdsgenootjes. Op school en bij de BSO worden veranderingen bij [minderjarige] gezien die erop wijzen dat hij beter in zijn vel zit. Zijn motoriek is ook verbeterd. [minderjarige] en de pleegmoeder hebben een goede band. De pleegmoeder is er voor [minderjarige] en biedt hem veel ondersteuning, ritme en orde.

Er zijn nog veel zorgen over [minderjarige] . Na een periode van rust is hij zich meer gaan uiten en is duidelijk geworden dat gewerkt moet worden aan de trauma’s die hij heeft opgelopen. Binnenkort start de therapie bij een seksuoloog in verband met het seksueel grensoverschrijdende gedrag dat hij laat zien.

De begeleide bezoeken tussen de moeder en [minderjarige] verlopen naar wens. Wel dient de begeleiding ervoor te waken dat de moeder geen dingen doet of zegt die [minderjarige] belasten.

Een NIFP onderzoek is een gepasseerd station: er zijn al meerdere onderzoeken geweest en [minderjarige] is nu al voor de tweede keer uit huis geplaatst. [minderjarige] heeft duidelijkheid nodig en ondersteuning bij het werken aan zijn problematiek om straks als volwassene zelfstandig door het leven te kunnen gaan. Een dergelijk onderzoek zal bovendien lang duren, waardoor [minderjarige] langer in onzekerheid zal verkeren. Het onderzoek zou bovendien te belastend voor hem zijn. De GI zal de raad verzoeken onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel.

3.10.

De pleegmoeder heeft ter mondelinge behandeling van het hof, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

Het gaat goed met [minderjarige] . Hij zet grote stappen in zijn ontwikkeling en groeit hard. Hij is zindelijk geworden.
Het contact tussen de pleegmoeder en de moeder is slecht. De pleegmoeder vindt dat jammer en zij begrijpt ook niet goed waarom de moeder boos op haar is. Op verzoek van de moeder zelf heeft zij [minderjarige] immers in huis genomen. De pleegmoeder zou graag zien dat het tussen haar en de moeder beter ging.

De beste optie voor [minderjarige] is op dit moment dat hij bij de pleegmoeder blijft wonen, zeker gezien het feit dat [(ex)partner] weer in beeld is. De moeder is daar nooit open over geweest: de pleegmoeder heeft [(ex)partner] vaker bij de moeder gezien toen [minderjarige] er ook bij was. De pleegmoeder heeft daar zorgen over.

[minderjarige] praat positief over de bezoekmomenten met de moeder. De pleegmoeder heeft zelf wel meegemaakt dat de moeder uitspraken doet die [minderjarige] belasten en hem in verwarring brengen.

[minderjarige] maakt zich ook zorgen over de moeder, bijvoorbeeld als gezegd wordt dat hij niet bij de moeder kan wonen omdat zij ‘ziek’ is. Hij is dan bang dat de moeder doodgaat. De pleegmoeder heeft hem daarom wat duidelijker uitgelegd wat er met de moeder aan de hand is.

3.11.

Het hof overweegt het volgende.

3.11.1.

Het hoger beroep van de moeder is enkel gericht tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing.

3.11.2.

Ingevolge artikel 1:265b lid 1 BW kan de rechter de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen een minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

3.11.3.

Op grond van artikel 1:265c lid 2 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.11.4.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b lid 1 BW.

3.11.5.

Het hof stelt evenals de rechtbank vast dat vóór de uithuisplaatsing van [minderjarige] door de GI voldoende duidelijk was gemaakt aan welke voorwaarden de moeder diende te voldoen om de uithuisplaatsing van [minderjarige] te voorkomen. Het hof verwijst naar het veiligheidsplan van 3 november 2016, bijgesteld op 8 maart 2017 en 27 maart 2019 en de schriftelijke aanwijzing van 22 mei 2019. De uithuisplaatsing van [minderjarige] was noodzakelijk omdat de moeder niet aan de voorwaarden voldeed en [minderjarige] daardoor opgroeide in een onveilige situatie, waarin sprake was van huiselijk geweld, drugsgebruik en verwaarlozing. Er waren ook veel zorgen over [minderjarige] , omdat hij op meerdere gebieden een achterstand had in zijn ontwikkeling.

3.11.6.

In de periode na de uithuisplaatsing van [minderjarige] duurde het lang voordat de moeder accepteerde dat zij hulpverlening nodig had bij het clean en stabiel blijven. Pas in oktober 2019 stemde zij in met een opname bij Novadic, welke behandeling in januari 2020 is gestart. Op de dag dat de moeder kennisnam van de bestreden beschikking en besefte dat [minderjarige] (voorlopig) niet naar huis zou komen, heeft zij de behandeling/het traject bij Novadic per direct gestaakt en is zij naar huis gegaan. De begeleiders van Novadic hebben de moeder niet kunnen overtuigen te blijven. Dit laat volgens het hof zien dat de intrinsieke motivatie van de moeder om (voor [minderjarige] en voor haarzelf) haar leven weer op de rit te krijgen niet voldoende althans niet overtuigend lijkt.

3.11.7.

Daarbij komt dat er sinds het vertrek bij Novadic weinig zicht bestaat op de vraag hoe het met de moeder gaat en of zij drugs gebruikt. Een verklaring van mevrouw [ambulant begeleidster] (ambulant begeleidster van de moeder, Novadic) had daar bijvoorbeeld meer zicht op kunnen geven, maar een dergelijke verklaring is er niet. Ook de GI heeft daarover geen enkele informatie van de moeder ontvangen. Het is evenmin gelukt ambulante therapie en dagbesteding te regelen voor de moeder en onbekend is op welke termijn dit wel gaat lukken. Er ligt ook geen verklaring van de huisarts van de moeder, waaruit kan blijken dat deze wel zicht op het drugsgebruik van de moeder heeft of iets had kunnen verklaren over de mogelijkheden om urinecontroles af te leggen (mede gezien de coronacrisis). Iedere nadere concrete onderbouwing met gegevens van de stellingen van de moeder over haar huidige toestand ontbreekt.

Tijdens de mondelinge behandeling van het hof heeft de moeder voorts verklaard dat zij weer contact heeft met haar (ex)partner [(ex)partner] , die drugsverslaafd is en ook nog drugs gebruikt. Dit baart het hof (net als de GI) grote zorgen, ook al hebben de moeder en [(ex)partner] de afspraak gemaakt dat hij niet in het bijzijn van de moeder gebruikt.

3.11.8.

Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de moeder sinds de bestreden beschikking meerdere (impulsieve) keuzes heeft gemaakt, die niet in haar eigen belang en zeker niet in het belang van [minderjarige] zijn.

3.11.9.

Het hof vindt het ook zorgelijk dat de moeder uitspraken doet richting [minderjarige] die belastend voor hem zijn en dat zij [minderjarige] heeft belast met een ‘geheim’ door hem stiekem haar telefoonnummer te geven. Het is verder belastend voor [minderjarige] dat de moeder hem laat merken dat zij niet achter zijn (tijdelijke) verblijf bij de pleegmoeder staat.

De moeder zegt dat zij (achteraf) wel inziet wat haar uitspraken en acties met [minderjarige] doen, maar dat neemt niet weg dat zij laat zien nog steeds te handelen op een manier die niet in het belang van [minderjarige] is.

3.11.10.

Alles wat hiervoor is overwogen maakt dat het hof niet het vertrouwen heeft dat de moeder [minderjarige] op dit moment of op korte termijn een stabiel en veilig thuis kan bieden.

Daarbij weegt zwaar dat [minderjarige] al veel heeft meegemaakt. Hij heeft een ontwikkelingsachterstand opgelopen en er zijn onverwerkte trauma’s. Dat maakt dat hij veel van zijn opvoeders vraagt: rust, stabiliteit, voorspelbaarheid en duidelijkheid. Dit is in de thuissituatie bij de moeder allemaal niet aanwezig. Het hof heeft de moeder tijdens de mondelinge behandeling nog gevraagd hoe zij het werken aan haar eigen doelen gaat combineren met de zorg voor een kwetsbaar kind als [minderjarige] . Daarop kon de moeder geen concreet antwoord geven.

3.11.11.

Bij de pleegmoeder thuis wordt wel aan de voorwaarden voldaan die [minderjarige] stelt aan zijn opvoedomgeving. In de periode sinds de uithuisplaatsing heeft [minderjarige] dan ook een flinke inhaalslag gemaakt. Hij is op zesjarige leeftijd binnen twee maanden zindelijk geworden en op alle andere gebieden is hij enorm gegroeid in zijn ontwikkeling. De rust heeft [minderjarige] goed gedaan. Nu begint hij meer los te laten over wat hij heeft meegemaakt. Ook laat hij seksueel overschrijdend gedrag zien. Volgens de GI is er nu ruimte ontstaan om met therapie te gaan werken aan het verwerken van de trauma’s die [minderjarige] heeft opgelopen.

Het is volgens het hof in het belang van [minderjarige] dat de situatie blijft zoals deze nu is zodat hij zich positief kan blijven ontwikkelen en het verleden een plekje kan gaan geven. Dat proces zou ernstig worden verstoord als hij thuisgeplaatst zou worden. Dat betekent dat het voor [minderjarige] noodzakelijk is dat de machtiging uithuisplaatsing in stand blijft.

3.11.12.

De moeder wil graag dat het hof een onderzoek gelast naar de mogelijkheden van een thuisplaatsing. Specifiek wil de moeder dat onderzoek wordt gedaan naar haar opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid daarin: in hoeverre kan de moeder aansluiten op het ontwikkelingsniveau van [minderjarige] . Dit betreft een verzoek als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv. Dit onderzoek kan worden gelast als dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.

Het hof is van oordeel dat het op dit moment geen zin heeft om onderzoek te doen naar de opvoedingsvaardigheden van de moeder. De moeder heeft haar handen vol aan haar eigen problemen en zij heeft niet laten zien dat zij langere tijd stabiel kan blijven. Daarmee is duidelijk dat de moeder op dit moment [minderjarige] niet een veilige en pedagogisch verantwoorde opvoeding kan geven. Zij kan aan de basisvoorwaarden die daaraan gesteld moeten worden al niet voldoen. Het gewenste onderzoek zou [minderjarige] dus onnodig belasten en hem alleen maar langer in onzekerheid laten over waar hij de komende periode mag wonen. Bovendien staat hij op het punt te starten met een onderzoek bij de seksuoloog, dat naar het oordeel van het hof niet mag worden verstoord door het door de moeder verzochte onderzoek. Het belang van [minderjarige] verzet zich dan ook ertegen een onderzoek te gelasten als bedoeld in artikel 810a lid 2 Rv.

3.11.13.

Het hof kan nu nog niet vaststellen dat [minderjarige] nooit meer bij de moeder kan wonen. Daarover dient meer duidelijkheid te komen in het kader van het raadsonderzoek dat op verzoek van de GI wellicht op korte termijn zal starten.

De moeder én [minderjarige] zouden er veel aan kunnen hebben als de moeder een positieve houding kan aannemen over het (tijdelijke) verblijf van [minderjarige] bij de pleegmoeder en als de moeder laat zien dat zij hard aan haar eigen problemen werkt. Het zou van invloed kunnen zijn op de beoordeling van het perspectief van [minderjarige] . Maar ook als [minderjarige] uiteindelijk niet meer thuisgeplaatst kan worden, kan de band tussen [minderjarige] en de moeder sterker worden als de moeder zelf clean en stabiel is.

3.12.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 maart 2020, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, E.M.C. Dumoulin en M.I. Peereboom-van Drunick en bijgestaan door de griffier en is op 20 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel in tegenwoordigheid van de griffier.