Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2617

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
200.277.636_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging gezag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak : 20 augustus 2020

Zaaknummer : 200.277.636/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/01/353038 / FA RK 19-5650

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats]

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R. Vermeer,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Oost-Brabant, locatie [locatie] ,

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] .

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 31 januari 2020.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ontvangen door het hof op 29 april 2020, heeft de moeder verzocht genoemde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, zowel het primaire verzoek (tot beëindiging gezag) als het subsidiaire verzoek (tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing) van de raad (alsnog) af te wijzen dan wel het primaire verzoek af te wijzen en het subsidiaire verzoek toe te wijzen voor de duur van zes maanden.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, binnengekomen bij de griffie op 25 mei 2020, heeft de raad verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, binnenkomen bij de griffie op 26 mei 2020, heeft de GI verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 juli 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Vermeer;

- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de GI] .

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 17 januari 2020;

  • -

    het V6-formulier met bijlagen van de advocaat van de moeder d.d. 24 juli 2020.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de relatie van de moeder en [de vader] (hierna: de vader) is op [geboortedatum] 2019 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 26 september 2019 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is de laatste keer verlengd tot 4 februari 2020.

Eveneens sinds 26 september 2019 is [minderjarige] op grond van een daartoe strekkende machtiging uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg.

3.3.

In de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het ouderlijk gezag van de moeder beëindigd.

3.4.

De moeder is het niet eens met deze beslissing en zij is hiertegen in hoger beroep gegaan.

3.5.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan.

De rechtbank heeft de beslissing tot beëindiging van het gezag over [minderjarige] te vroeg genomen omdat de aanvaardbare termijn waarbinnen zij de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer zou kunnen dragen nog niet was verstreken. De rechtbank heeft ook niet gemotiveerd waarom zij niet binnen aanvaardbare termijn de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer zou kunnen dragen.

De rechtbank heeft miskend dat zij inzicht heeft in haar eigen problematiek. Uit eigen beweging heeft zij zich laten opnemen in een verslavingskliniek. Zij is nu al enkele maanden clean. Ook is zij uit eigen beweging in behandeling bij een psycholoog en een psychiater. Bij de huisarts heeft zij een aanvraag gedaan voor een ADHD-test en geïnformeerd naar de mogelijkheid te onderzoeken of zij lijdt aan PTSS. Zo’n onderzoek vindt de moeder nodig want de GGZ en Novadic-Kentron plakken die stempels wel op haar, maar zij is daar nooit op getest.

Op één afspraak na, is zij de gemaakte afspraken in het kader van de hulpverlening altijd nagekomen.

Haar verleden pleit weliswaar niet in haar voordeel, maar zij wil graag de kans krijgen om te laten zien dat zij wel in staat is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. [minderjarige] staat voor haar op de eerste plaats. Zij is bereid met de hulpverleningsinstanties mee te werken. Het uitgangspunt moet zijn dat [minderjarige] op termijn weer bij haar komt wonen en dat zij het ouderlijk gezag behoudt. Zij wil niets liever dan dat. Als een tijdelijke uithuisplaatsing noodzakelijk zou zijn, dan is haar moeder bereid de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen.

3.6.

De raad voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan.

De beslissing tot gezagsbeëindiging is niet te vroeg genomen. Het gaat erom of de moeder in staat is de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer op zich te nemen binnen de termijn waarbinnen hij maximaal kan leven met de onzekerheid omtrent zijn toekomstperspectief (de ‘aanvaardbare termijn’). Vanwege zijn nog zeer jonge leeftijd en extra kwetsbaarheid, is de voor [minderjarige] geldende aanvaardbare termijn verstreken op de leeftijd van zes maanden. Zijn belang bij continuïteit van zijn opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces is daarbij doorslaggevend. De moeder is niet in staat gebleken binnen de gestelde termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] weer te dragen. Een gezagsbeëindiging is daarom in het belang van [minderjarige] noodzakelijk. In een situatie van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing is de kans op een of meerdere wijzigingen in de verblijfplaats van [minderjarige] groter dan in geval van een onmiddellijke gezagsbeëindiging.

De moeder slaagt er ondanks haar beste intenties niet in aan te tonen dat zij een meer stabiel leven heeft of inzicht in haar eigen situatie en/of in wat [minderjarige] nodig heeft.

[minderjarige] laat in het pleeggezin een goede ontwikkeling zien. Hij is gebaat bij de rust, structuur en duidelijkheid die hij daar geboden krijgt.

3.7.

De GI voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) tijdens de mondelinge behandeling, – samengevat – het volgende aan.

De GI heeft de afgelopen maanden ingezet op stabilisatie en hechting van [minderjarige] in het pleeggezin zodat hij zich optimaal kan ontwikkelen. [minderjarige] gaat enorm vooruit in zijn ontwikkeling en heeft voordeel bij de duidelijkheid van waar hij zal opgroeien .

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

  1. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

  2. de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof, na eigen beoordeling en waardering, overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een hem aanvaardbaar te achten termijn.

Het hof voegt daar aan toe dat, nog afgezien van de vraag of de aanvaardbare termijn voor [minderjarige] reeds is verstreken (dit betwist de moeder), de moeder ook in hoger beroep onvoldoende heeft aangereikt om tot het oordeel te kunnen komen dat zij binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn wel in staat zal zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen.

De moeder heeft een zeer belast verleden. Vanaf haar vijftiende is zij bekend met verslavingsproblematiek. Zij gebruikt GHB, amfetamine en cocaïne. Zij is al jarenlang onder behandeling bij de verslavingszorg, maar dit heeft tot op heden (de moeder is thans 32 jaar) niet langdurig het gewenste effect gehad. Na periodes van afkicken is de moeder steeds weer teruggevallen in middelengebruik. Daarbij is er sprake van persoonlijkheidsproblematiek (raadsrapport d.d. 22 november 2019, p. 18).

De moeder toont zich weliswaar gedreven om aan te tonen dat zij, eventueel met ondersteuning of op termijn, de opvoeding en verzorging van [minderjarige] weer op zich kan nemen, maar dit heeft zij niet waar kunnen maken.

Gezien haar verslavingsverleden en de overwegingen van de rechtbank had het op haar weg gelegen aan te tonen dat zij (nu wel) met succes werkt aan haar verslavingsproblematiek, maar dit heeft zij nagelaten. Zij heeft slechts twee testuitslagen overgelegd (d.d. 3 april 2020 respectievelijk 26 mei 2020). Wat zij voor het missen van urinecontroles als excuses heeft aangevoerd (ziekte, coronatijd, “ik was er om vijf voor zes, maar het was toch al dicht”) overtuigt het hof niet. Hierdoor staat voor het hof niet vast dat de moeder haar verslaving onder controle heeft. Uit het verslag van de door de moeder zelf gestarte psychologische behandeling blijkt dat zij een positieve ontwikkeling doormaakt: zij is gemotiveerd voor de behandeling, staat er voor open om haar eigen gedachten, gevoelens en gedrag te onderzoeken en door het oppakken van verschillende activiteiten (werken, wandelen, fietsen, huishoudelijke taken) is haar stemming verbeterd. Gelet op de doelstellingen van de behandeling – het leren omgaan met de uithuisplaatsing van [minderjarige] en het verbeteren van stemming – acht het hof deze ontwikkeling van onvoldoende gewicht om tot de conclusie te komen dat de moeder [minderjarige] thuis binnen aanvaardbare termijn kan grootbrengen. Het hof merkt hierbij op dat de moeder nu niet de stress heeft van de zorg voor [minderjarige] . De positieve ontwikkeling die zij thans doormaakt is gunstig is om goed contact met [minderjarige] te krijgen, wat niet alleen in haar belang is, maar ook voor [minderjarige] goed is. Het is dus alleen al daarom belangrijk dat de moeder aan zich zelf blijft werken.

Haar verklaringen tijdens de mondelinge behandeling (zoals “een aantal zaken uit het verleden is opgeblazen” en “mijn behandelend psychologen zien geen verdere problematiek waar nog iets aan gedaan moet worden”) geven er blijk van dat de moeder ook nu nog onvoldoende inzicht heeft in haar eigen problematiek. Ook blijkt uit die verklaringen dat zij haar eigen behoeftes en gevoelens van gemis voorop stelt en onvoldoende oog heeft voor het belang en de behoeftes van [minderjarige] . Deze zijn: een veilige, stabiele opvoedingssituatie en ongestoord hechtingsproces.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant, van 31 januari 2020;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het centraal gezagsregister;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.D.M. Lamers en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en is op 20 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.