Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2616

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-08-2020
Datum publicatie
21-08-2020
Zaaknummer
200.271.146_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2020:953
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

vervangende toestemming inschrijving basisschool

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2020/1115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Team familie- en jeugdrecht

Uitspraak: 20 augustus 2020

Zaaknummer: 200.271.146/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/02/349709 FA RK 18-5011

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. G. Demir,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J. Nederlof.

Deze zaak gaat over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2016 te [geboorteplaats] .

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 12 maart 2020

Bij die beschikking heeft het hof in de hoofdzaak met zaaknummer 200.271.146/01 iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling en heeft het hof de advocaten van partijen verzocht het hof uiterlijk twee weken vóór 30 juni 2020 schriftelijk te informeren over de stand van zaken en over de verdere afhandeling van de zaak, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raad.

In het incident met zaaknummer 200.271.146/02 heeft het hof de verzoeken van de moeder tot het schorsen van de werking van de bestreden beschikking en tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen.

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. R.G.J. van Kerkhof (als waarnemer van mr. Demir);

- de vader, bijgestaan door mr. Nederlof;

- [vertegenwoordiger van de raad] namens de raad.

6.2.

Het hof heeft kennisgenomen van de inhoud van:

- het V6-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 27 juli 2020, met als bijlage de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 22 juli 2020 inzake de wijziging verdeling zorg - en opvoedingstaken;

- de brief van raad d.d. 31 juli 2020;

- het V8-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 5 augustus 2020;

- het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de vader d.d. 7 augustus 2020;

- het faxbericht van de advocaat van de moeder d.d. 10 augustus 2020.

7 De verdere beoordeling

7.1.

In de hoofdzaak met zaaknummer 200.271.146/01 ligt thans nog voor het verzoek van de moeder om de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda van 25 november 2019 gedeeltelijk te vernietigen en, zo nodig onder aanvulling of verbetering van de rechtsgronden, het verzoek van de vader tot verlening van vervangende toestemming om de minderjarige [minderjarige] te laten inschrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats] alsnog af te wijzen en opnieuw rechtdoende het verzoek van de moeder tot verlening van vervangende toestemming om [minderjarige] te laten inschrijven op de [basisschool 2] te [woonplaats moeder] alsnog toe te wijzen.

7.2.

Bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van

22 juli 2020 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat de vader en [minderjarige] gerechtigd zijn tot het hebben van contact met elkaar gedurende elke woensdag van 17:00 uur tot donderdag 18:00 uur en om het weekend van zaterdag 10:30 uur tot maandagochtend, waarbij de vader [minderjarige] op die maandagen naar school brengt.

7.3.

Uit het V8-formulier van de advocaat van de moeder van 5 augustus 2020 blijkt dat de moeder tegemoet wenst te komen aan de principiële bezwaren die de vader heeft tegen de school waar de moeder [minderjarige] wenst in te schrijven, te weten : de (protestants-christelijke) basisschool [basisschool 2] te [woonplaats moeder] . De vader geeft er de voorkeur aan dat [minderjarige] onderwijs volgt op een Rooms Katholieke (RK) basisschool. De moeder is bereid om de vader daarin tegemoet te komen, zij het dat zij wel van mening blijft dat [minderjarige] naar school moet gaan in [woonplaats moeder] . De moeder heeft de RK Basisschool [basisschool 3] bezocht. Deze school bevindt zich dichtbij de woning van de moeder en [minderjarige] en bovendien is de vader bekend met deze school omdat hij deze eerder heeft bezocht in het kader van een open avond.

Verder blijkt dat kinderen uit de buurt ook naar deze school gaan.

De moeder geeft op voorhand aan dat zij kan instemmen met de inschrijving van [minderjarige] op deze school en hoopt op deze manier tegemoet te komen aan de wens van de vader om [minderjarige] RK onderwijs te laten genieten. De moeder verzoekt het hof om een definitieve uitspraak te doen ten aanzien van de schoolkeuze.

7.4.

Namens de vader is op 7 augustus 2020 aan het hof bericht dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de voornoemde (eind)beschikking van de rechtbank van 22 juli 2020 inzake de zorgregeling en hij verzoekt het hof om, gezien de verknochtheid en/of connexiteit met het onderhavige appel, de behandeling van beide zaken samen te voegen. Ter voortgezette mondelinge behandeling van het hof heeft de vader dit primaire standpunt herhaald en aanvullend subsidiair verzocht om aanhouding van de onderhavige zaak.

7.5.

Het hof overweegt als volgt.

7.5.1.

[minderjarige] zit sinds medio februari 2020 op de basisschool [basisschool 1] te [plaats] .

Als gevolg van de corona-maatregelen kon hij in de periode van 12 maart 2020 tot 28 mei 2020 niet naar school. Partijen hebben in die periode de opvang van [minderjarige] en de begeleiding met schoolwerk samen geregeld en opgevangen. Het nieuwe schooljaar begint weer op 24 augustus 2020.

7.5.2.

Het hof stelt vast dat het partijen niet is gelukt om het eens te worden over de door [minderjarige] te bezoeken basisschool.

De moeder handhaaft haar verzoek om te bepalen dat [minderjarige] alsnog zal worden ingeschreven op de [basisschool 2] te [woonplaats moeder] dan wel op Basisschool [basisschool 3] te [woonplaats moeder] . Deze laatste school sluit volgens haar aan bij de wens van de vader om [minderjarige] naar een RK school te laten gaan.

De vader blijft erbij dat [minderjarige] naar basisschool [basisschool 1] in [plaats] moet (blijven) gaan. Dit is, aldus de vader, de school die de ouders vanaf het begin af aan voor ogen hebben gehad voor [minderjarige] en het is voor [minderjarige] een goede school. Bovendien acht de vader een wijziging van school, gelet [minderjarige] ’s gevoeligheid voor veranderingen, niet in het belang van [minderjarige] .

7.5.3.

Het hof acht zich, gelet op de huidige feitelijke situatie en recente ontwikkelingen, in staat om een belangenafweging te maken en een definitieve beslissing te nemen over de (vervangende toestemming ten behoeve van de) inschrijving van [minderjarige] op een basisschool.

Een aanhouding acht het hof niet nodig en ook niet in het belang van [minderjarige] .

7.5.4.

Ongeacht welke verdeling er zal zijn in de zorgtaken tussen de ouders ten aanzien van [minderjarige] en dus zonder vooruit te lopen op de afloop van het recente hoger beroep dat door de vader tegen de beschikking inzake de zorgverdeling is ingesteld, is het hof van oordeel dat er aan de kant van de vader sprake is van meer flexibiliteit om [minderjarige] te brengen en te halen op een school in [woonplaats moeder] dan omgekeerd aan de zijde van de moeder, wanneer [minderjarige] in [plaats] naar school zou gaan. Als zelfstandig ondernemer is de vader, zo heeft hij ter mondelinge behandeling aangegeven, hoofdzakelijk thuis werkzaam en is hij volledig vrij in het bepalen van zijn werktijden. Hij is daarom goed in staat te achten om zijn werk zodanig in te richten dat hij [minderjarige] naar een school in [woonplaats moeder] kan brengen en daar weer ophalen. Vanuit zijn woning in [plaats] , waar hij binnen afzienbare tijd zal gaan wonen, is bovendien de afstand naar de school in [woonplaats moeder] te overzien.

Gebleken is dat de moeder, die in [woonplaats moeder] woont en drie dagen per week naar [plaats] reist voor haar werk, meer tijd kwijt is en meer praktische bezwaren ontmoet met halen en brengen van [minderjarige] van en naar school in [plaats] .

Niet gebleken is dat er voor [minderjarige] , mede gelet op zijn jonge leeftijd en de relatief korte periode dat hij de school in [plaats] heeft bezocht, aanmerkelijke consequenties zullen zijn verbonden aan het wisselen van school naar [woonplaats moeder] . Voorts kan er, aldus ook de raad ter mondelinge behandeling, aan vriendschappen van [minderjarige] met andere kinderen op deze leeftijd nog geen doorslaggevende betekenis worden gegeven.

Door de vader is bovendien niet onderbouwd op welke manier de school in [plaats] beter bij [minderjarige] zou passen dan een school in [woonplaats moeder] . Hoewel het hof begrijpt dat [minderjarige] gevoelig is voor veranderingen en wisselingen, acht het hof een verandering als de onderhavige voor [minderjarige] acceptabel.

Omdat het hof begrijpt, althans zo heeft de vader desgevraagd verklaard ter mondelinge behandeling op 11 augustus 2020, dat de voorkeur van de vader uitgaat naar een rooms-katholieke school, zal het hof dit onderdeel van het verzoek van de moeder toewijzen.

7.5.5.

Het hof zal derhalve de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 november 2019 vernietigen voor zover daarbij aan de vader vervangende toestemming is verleend om [minderjarige] te laten inschrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats] en alsnog vervangende toestemming aan de moeder verlenen om [minderjarige] in te schrijven op de Rooms Katholieke Basisschool [basisschool 3] te [woonplaats moeder] .

Het hof benadrukt daarbij dat hierdoor niet wordt vooruitgelopen op enige beslissing in het hoger beroep over de zorgregeling en geeft in verband daarmee de ouders in overweging deze schoolwijziging van [minderjarige] goed met elkaar af te stemmen als het gaat om halen en brengen en ook in relatie tot een praktische en voor [minderjarige] goede zorgverdeling daarbij.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 november 2019 voor zover daarin aan de vader vervangende toestemming is verleend om [minderjarige] te laten inschrijven op basisschool [basisschool 1] te [plaats] ;

verleent aan de moeder alsnog vervangende toestemming om [minderjarige] in te schrijven op Basisschool [basisschool 3] te [woonplaats moeder] ;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, H. van Winkel en M.L.F.J. Schyns en is op 20 augustus 2020 uitgesproken in het openbaar door mr. H. van Winkel in tegenwoordigheid van de griffier.