Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2020:2612

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
19-08-2020
Datum publicatie
20-08-2020
Zaaknummer
20-003722-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Samenhang met ECLI:NL:GHSHE:2020:2613.

Erfvredebreuk. De gemeente was bevoegd tot het nemen van een besluit tot sluiting en overname van het beheer van het campingterrein. Gelet op deze bevoegdheid en de daaruitvolgende privaatrechtelijke ontzegging van de toegang tot het campingterrein, heeft de verdachte zich wederrechtelijk vertoefd op het campingterrein en zich niet op vordering door of vanwege de rechthebbende verwijderd. Een campingterrein kan als een besloten erf in de zin van artikel 138 lid 1 WvSr worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 138
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer : 20-003722-19

Uitspraak : 20 augustus 2020

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 19 november 2019 in de strafzaak met parketnummer 02-056978-18 tegen:

[Voornamen verdachte] [Verdachte] ,

geboren te [Geboorteplaats] op [Geboortedatum] ,

wonende te [Woonplaats] .

Hoger beroep

De politierechter heeft de verdachte veroordeeld ter zake van:

het wederrechtelijk in een besloten lokaal/besloten erf vertoevende, zich niet op de vordering van/vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen gepleegd.

Aan de verdachte is een geldboete ter hoogte van € 200,00, subsidiair 4 dagen hechtenis, opgelegd.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen, de verdachte partieel zal vrijspreken ten aanzien van het medeplegen en de verdachte ter zake van het feit zal veroordelen conform de door de politierechter opgelegde straf, te weten een geldboete ter hoogte van € 200,00, subsidiair 4 dagen hechtenis.

Door de verdachte is vrijspraak bepleit.

Vonnis waarvan beroep

Het hof kan zich op onderdelen niet met het beroepen vonnis verenigen. Om redenen van efficiëntie zal het hof evenwel het gehele vonnis vernietigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 3 december 2017 te [Adres camping] , gemeente Zundert, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/op het besloten lokaal en/of het erf, gelegen aan [Adres camping] ('' [naam camping] '') bij [beheerder 1] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte en/of zijn mededader(s), in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich met zijn mededader(s), althans alleen, niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat, verdachte:

op 3 december 2017 te [Adres camping] , gemeente Zundert, op het besloten erf, gelegen aan [Adres camping] ('' [naam camping] ''), bij [beheerder 1] in gebruik, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds heeft verwijderd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Omwille van de leesbaarheid zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bijlage.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Standpunten verdachte

De verdachte heeft zich in hoger beroep (wederom) op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde bestanddelen van artikel 138 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) niet bewezen kunnen worden.

(a1) Hij, de verdachte, was als –kort gezegd- middellijk eigenaar van de camping niet wederrechtelijk op het terrein.

(a2) Hij, de verdachte, was niet wederrechtelijk op het terrein omdat de voorlopige voorzieningenrechter bij beslissing van 30 november 2017 een publiekrechtelijk gebiedsverbod jegens hem had geschorst.

(a3) Bovendien heeft de verdachte de brief van 7 juli 2017 nooit ontvangen, zodat hij van de civielrechtelijke ontzegging niet op de hoogte was.

(a4) Aan het gebiedsverbod ontbreekt een motivering.

( b) De [beheerder 1] had niet de bevoegdheid om de camping (te sluiten en) het beheer over te nemen en als ‘beheerder’ hem de toegang tot het terrein van [naam camping] te ontzeggen, omdat dit terrein met onder meer individuele huisjes (en een kantine) niet een terrein is waarover de gemeente op grond van artikel 13b van de Woningwet het beheer kan overnemen.

( c) Voorts heeft de verdachte aangevoerd dat er sprake is van een onrechtmatige handeling van de gemeente door de verdachte op basis van het privaatrecht een gebiedsverbod op te leggen en dit strafrechtelijk te handhaven, terwijl de bestuursrechter als voorlopige voorziening het bestuursrechtelijk gebiedsverbod terzijde heeft gesteld. De gemeente maakt misbruik van haar bevoegdheden door een dergelijke uitspraak te passeren en misbruikt haar macht.

( d) Daarnaast betoogt de verdachte dat hij zich niet heeft bevonden in een besloten lokaal of op een besloten erf, daar hij vóór de slagbomen van [naam camping] is aangehouden.

( e) Ten slotte heeft de verdachte aangevoerd dat het terrein niet bij een ander in gebruik was, omdat beheer niet het gebruik van het terrein omvat.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft betoogd dat in deze zaak sprake is van een civielrechtelijke ontzegging die de strafrechter slechts bij evidente onrechtmatigheid terzijde kan stellen. Het eigendomsrecht kán, aldus de advocaat-generaal, worden ingeperkt en dat is in deze zaak gebeurd, met toepassing van artikel 13b van de Woningwet.

Gelet op de omheining en bordjes waarover het aanvullend proces-verbaal spreekt, bevond verdachte zich op het besloten erf.

Overwegingen van het hof

(b) Kon de gemeente ex artikel 13b Woningwet het beheer van het campingterrein overnemen?

Alvorens het hof kan toekomen aan de beoordeling van de overige verweren en de tenlastegelegde bestanddelen van de delictsomschrijving, ziet het zich voor de vraag gesteld of de [beheerder 1] (het college van burgemeester en wethouders) op basis van de Woningwet bevoegd was het beheer van de [naam camping] over te nemen. Immers, indien daartoe op 23 juni 20171 onbevoegd is besloten, ontbrak ook op 6 juli 2017 de bevoegdheid voor de gemeente om verdachte (en medeverdachte [medeverdachte 1] ) een privaatrechtelijk gebiedsverbod te geven, en kan ook geen sprake zijn van een strafbare lokaal- of erfvredebreuk op het moment dat de verdachte zich, ondanks vordering van of vanwege de gemeente, niet verwijderde.

In de brief van 6 juli 2017 wordt aan verdachte kenbaar gemaakt dat -kort gezegd- de [beheerder 1] sinds 23 juni 2017 op grond van artikel 13b van de Woningwet is aangewezen als beheerder van het terrein [naam camping] . De gemeente acht zich op grond van artikel 13b lid 1 Woningwet bevoegd tot het verrichten van alle handelingen met betrekking tot [naam camping] die volgens het burgerlijk recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren. Tot de bevoegdheden die krachtens artikel 5:1 Burgerlijk Wetboek (BW) aan de eigenaar toekomen, behoort ook de bevoegdheid om toegang tot het perceel te verlenen of te ontzeggen. De gemeente acht zich derhalve privaatrechtelijk bevoegd om te bepalen wie toegang heeft tot het terrein van [naam camping] . Op grond van deze privaatrechtelijke bevoegdheid heeft de gemeente de verdachte de toegang ontzegd tot de percelen waarop [naam camping] is gevestigd. De gemeente heeft de verdachte derhalve verboden zich vanaf 6 juli 2017 tot nader order op [naam camping] te begeven.

In voormelde brief is verwezen naar het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder 1] van 23 juni 2017 dat ziet op (onder meer) de overname van het beheer van [naam camping] per 23 juni 2017, 15.00 uur, voor de duur van één jaar.

Het hof stelt vast dat tegen dit onderdeel van het besluit rechtsmiddelen zijn ingesteld en dat daarop nog niet ten gronde is beslist.

Wel heeft de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State het verzoek om dit besluit van 23 juni 2017 te schorsen, na afweging van alle betrokken belangen, bij beslissing van 20 oktober 2017 afgewezen.2 Deze afwijzing betekende dat zowel de sluiting van de camping als de door het college getroffen beheermaatregelen in stand bleven.

Laatstelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 september 2019 geoordeeld dat de rechtbank bevoegd is kennis te nemen van de beroepen tegen de besluiten op de bezwaren, reden waarom de beroepen zijn doorgezonden aan de rechtbank.3 Volgens de verdachte is nog geen behandeling van de zaak bij de bestuursrechter van rechtbank Zeeland-West-Brabant gepland.

Naar het oordeel van het hof betekent dit evenwel niet dat daarop in de onderhavige procedure moet worden gewacht. Het hof moet zelf in zijn oordeel betrekken of sprake is van een onrechtmatige besluitvorming aan de zijde van de gemeente op 23 juni 2017 die ten grondslag lag aan de aan verdachte ontzegde toegang (het privaatrechtrechtelijk gebiedsverbod) bij brief van 6 juli 2017 en aan de vordering zich te verwijderen. Bij de beoordeling van die vraag betrekt het hof de volgende feiten en omstandigheden.

Voorafgaand aan het besluit van 23 juni 2017, werd op 9 juni 2017 vanuit de [beheerder 1] het voornemen kenbaar gemaakt om [naam camping] te sluiten vanwege -kort gezegd- de slechte woon- en leefsituatie ter plaatse.

Uit rapporten bleek dat sprake was van brandonveiligheid, gezondheids- en veiligheidsrisico’s en veel incidenten waarbij de politie betrokken was, onder meer betreffende zeden- en geweldsmisdrijven. Wat de gemeente betrof zou de sluiting op zijn vroegst op 4 augustus 2017 plaatsvinden en zouden de bewoners in een jaar tijd gefaseerd geherhuisvest worden. Nadat op 22 juni 2017 evenwel bekend werd dat de exploitatie van de camping door de verdachte al op 3 juli 2017 zou worden gestaakt, iedereen die dag na 12.00 uur het terrein verlaten diende te hebben en de water- en stroomvoorziening gestaakt zouden worden, werd gevreesd dat niet tijdig adequate opvang zou kunnen worden geregeld voor een groot aantal hulpbehoevende bewoners. Om het gemeentelijk opvangplan veilig te stellen en een aanstaande crisis te voorkomen heeft de gemeente -kort gezegd- de camping per 23 juni 2017 gesloten en het beheer ervan overgenomen.4

Het hof is van oordeel dat in deze omstandigheden de gemeente kon oordelen dat zij het beheer moest overnemen.

De enkele betwisting van de verdachte, zonder nadere en concrete onderbouwing, dat de gemeente onbevoegd was tot het nemen van het besluit tot sluiting en overname van het beheer en de daarop gevolgde privaatrechtelijke ontzegging van de toegang tot het campingterrein, acht het hof daartoe onvoldoende.

De verdachte heeft nog wel aangevoerd dat de camping niet een terrein is als bedoeld in artikel 13b Woningwet.

Naar het oordeel van het hof moet het begrip ‘terrein’ dat in de Woningwet niet nader gedefinieerd is, worden begrepen in dezelfde zin als daaraan toekomt in het Bouwbesluit 2012, omdat uit oogpunt van rechtszekerheid en een uniforme wetstoepassing wenselijk is dat dezelfde term in twee nauw verwante wettelijke regelingen dezelfde betekenis heeft.

In artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 is de term ‘terrein’ omschreven als: ‘bij een bouwwerk behorend onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, niet zijnde een erf.’ De omschrijving ‘bij een bouwwerk behorend onbebouwd perceel’ veronderstelt volgens de Raad van State5 een relatie tussen het bouwwerk en het perceel, waarbij het perceel ten dienste van het bouwwerk staat.

Naar het oordeel van het hof kan een campingterrein met daarop individuele huisjes en een kantine en/of receptie gebouw worden aangemerkt als terrein in de zin van artikel 13b Woningwet. Nu niet is gesteld of gebleken dat het terrein (kadastraal) was verdeeld in afzonderlijke gedeelten die elk uitsluitend behoorden bij een van de huisjes of de kantine/het receptiegebouw kan het geheel als terrein, behorend bij de gezamenlijkheid van bouwwerken, worden aangemerkt.

Dit betekent dat het hof bij de verdere beoordeling ervan uit gaat dat de gemeente kon besluiten tot overname van het beheer van de camping.

Rechthebbende

Reeds uit het hiervoor overwogene leidt het hof af dat het bestanddeel ‘rechthebbende’ is vervuld voor zover de steller van de tenlastelegging daarmee heeft gedoeld op de [beheerder 1] . De gemeente was op basis van het besluit tot overname van het beheer bij uitsluiting bevoegd tot het gebruik van (het terrein van) [naam camping] .

(a)Was de verdachte wederrechtelijk op het terrein?

Met de overname van het beheer verkreeg de gemeente alle rechten en plichten van de eigenaar, behalve die tot vervreemden en bezwaren.

Tegelijkertijd houdt artikel 5:1 BW in:

Het staat de eigenaar met uitsluiting van een ieder vrij van de zaak gebruik te maken, mits dit gebruik niet strijdt met rechten van anderen en de op wettelijke voorschriften en regels van ongeschreven recht gegronde beperkingen daarbij in acht worden genomen.

De eigenaar (en terzake de eigendom zakelijk gerechtigde) mocht dus de zaak niet (meer) gebruiken waar dit zou strijden met het recht van de gemeente.

De schorsing van het bestuursrechtelijk gebiedsverbod bood die vrijbrief niet:

De door de burgemeester bij besluit van 21 september 2017 verlengde bestuursrechtelijke gebiedsverboden, waarbij (onder meer) verdachte is opgedragen zich te verwijderen en verwijderd te houden voor de duur van drie maanden van [naam camping] en de daaraan grenzende (gedeeltes van) openbare wegen, zijn door de voorzieningenrechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij beslissing van 30 november 2017 geschorst met ingang van 1 december 2017 tot twee dagen na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

De voorzieningenrechter heeft daarbij echter benadrukt zich niet te hebben uitgesproken over de privaatrechtelijke ontzeggingen van de toegang tot het terrein door het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder 1] , daar deze uitspraak uitsluitend tot gevolg heeft dat het op grond van het publiekrecht door de burgemeester opgelegde gebiedsverbod ten aanzien van (onder meer) verdachte wordt geschorst.6

De verdachte betwist naar het hof begrijpt het element opzet, waar hij stelt dat hij de brief van 7 juli 2017 nooit gekregen heeft. Het hof stelt vast dat de verdachte, die zich beroept op de zojuist aangehaalde uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 november 2017 als legitimatie voor zijn betreden van het terrein op 3 december 2017, tenminste van de –zakelijke - inhoud van die brief bekend was door die uitspraak.

Bovendien is met het herhaald vorderen aan de verdachte kenbaar gemaakt dat deze zich moest verwijderen. Zodanige vordering behoeft niet gemotiveerd te worden.

(c)Mocht de gemeente niet óók een privaatrechtelijk gebiedsverbod geven?

De gemeente trad door het overnemen van beheer als bedoeld in artikel 13b van de Woningwet in de civielrechtelijke positie van de eigenaar. Het hof ziet niet in dat door het strafrechtelijk optreden ten aanzien van het overtreden van het opgelegde privaatrechtelijke gebiedsverbod door de gemeente, naast een bestuursrechtelijk gebiedsverbod onrechtmatig jegens de verdachte is gehandeld en waarom dit aan strafvervolging in de weg zou moeten staan. De verdachte heeft ook deze gestelde onrechtmatigheid jegens hem niet nader geconcretiseerd.

(d)Besloten erf

Het hof stelt vast dat uit het dossier volgt dat [naam camping] is gelegen op een perceel dat geheel omheind is met een hekwerk. Voorts staan aan het begin van de toegangsweg zowel links als rechts van deze toegang blauwe borden met het witte opschrift: ‘verboden toegang voor onbevoegden, art. 461 wetb. v. straf.’ Deze borden stonden er ook al op 3 december 2017, verdachte is aan deze borden voorbijgegaan en is ongeveer 75 meter het campingterrein opgelopen.

Van een ‘besloten erf’ in de zin van artikel 138 Wetboek van Strafrecht is sprake indien dat erf kenbaar van de omgeving is afgescheiden. Dit erf hoeft niet geheel afgesloten te zijn om als ‘besloten’ aangemerkt te kunnen worden.

Het hof leidt uit het voorgaande af dat het gehele terrein waarop [naam camping] zich bevindt, valt onder een besloten erf in de zin van artikel 138 Wetboek van Strafrecht en dat dus de verdachte op 3 december 2017 vertoefde op het besloten erf toen hem werd gevorderd dit te verlaten.

(e)Bij een ander in gebruik

Het hof stelt vast dat de [beheerder 1] bij de brief van 6 juli 2017 op grond van artikel 5:1 BW in relatie tot artikel 13b, eerste lid, van de Woningwet als beheerder van [naam camping] de verdachte de toegang heeft ontzegd tot de percelen waarop [naam camping] is gevestigd.

In de zin van artikel 138 Wetboek van Strafrecht dient voor het bestanddeel ‘bij een ander in gebruik’ sprake te zijn van het feitelijke gebruik van het besloten erf van [naam camping] door een ander. Het gebruik dient extensief te worden uitgelegd, hetgeen mede inhoudt dat het feitelijke gebruik door een handeling van een beheerder kan worden geëffectueerd. Gelet op hetgeen het hof eerder heeft geoordeeld met betrekking tot de rechtmatigheid van voornoemd besluit van 23 juni 2017 onder meer strekkende tot overname van het beheer van de camping, gaat het hof ervan uit dat de [beheerder 1] het beheer had over het terrein van [naam camping] . Dit betekent dat de eigenaar van [naam camping] niet langer feitelijk kon beschikken over het eigendom, waaronder het desbetreffende terrein met daarop [naam camping] en in het verlengde daarvan aldus evenmin de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hierover feitelijk konden beschikken. In dit beheer door de gemeente lagen daarentegen bevoegdheden besloten waarvan de [beheerder 1] gebruik mocht maken. Door de verdachte bij brief van 6 juli 2017 de toegang tot het terrein van [naam camping] te ontzeggen, heeft de [beheerder 1] gebruik gemaakt van een bevoegdheid die haar toekwam uit hoofde van het feitelijk gebruik door de overname van het beheer van (het terrein) [naam camping] .

Het hof stelt derhalve vast dat er sprake was van een besloten erf dat bij een ander in gebruik was, en wel bij de [beheerder 1] .

Wederrechtelijk vertoeven en het zich op vordering door of vanwege de rechthebbende niet verwijderen

Het hof stelt vast dat ook de bestanddelen ‘wederrechtelijk vertoeven’ en ‘zich op vordering door of vanwege de rechthebbende niet verwijderen’ zijn vervuld.

Uit het vorenstaande volgt dat de gemeente als beheerder de verdachte tot nader order privaatrechtelijk de toegang had ontzegd tot het besloten erf van [naam camping] . De verdachte was daarvan op de hoogte. Van enig eigen, aan het objectieve recht te ontlenen bevoegdheid van de verdachte om op 3 december 2017 op het terrein van de camping te mogen verblijven, is niet gebleken. Voor zover de verdachte een beroep heeft gedaan op een bestaande bevoegdheid daartoe uit hoofde van zijn rol als middellijk eigenaar van de camping, kon hij daaraan -zoals reeds hiervoor is overwogen- als gevolg van de overname van het beheer van [naam camping] door de gemeente op dat moment geen rechten ontlenen. Nadat de verdachte is aangesproken door een beveiliger en hem herhaaldelijk is gevorderd het terrein te verlaten, heeft hij daaraan geen gehoor gegeven.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

wederrechtelijk op het besloten erf vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijderen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Op te leggen sanctie

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De politierechter heeft de verdachte ter zake van het bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 200,-. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof dezelfde straf zal opleggen. De verdachte heeft tegen de strafmaat geen verweer gevoerd.

Verdachte heeft zich -kort gezegd- schuldig gemaakt aan erfvredebreuk. De verdachte heeft nadat hem door de [beheerder 1] een privaatrechtelijk gebiedsverbod was opgelegd toch het besloten erf van [naam camping] betreden. Bij het betreden van het besloten erf van [naam camping] heeft de verdachte tevens persfotografen meegenomen. Vervolgens heeft de verdachte zich welbewust niets aangetrokken van een vordering om dat besloten erf te verlaten en heeft hij dit alles laten vastleggen door de door hem uitgenodigde persfotografen. Niet alleen heeft de verdachte hiermee laten zien dat hij zich niets aantrekt van grenzen die hem rechtens worden gesteld, maar tevens dat verdachte bereid is publiekelijk een verbod te negeren om zijn gelijk te halen. De verdachte lijkt te menen dat hij zo voor eigen rechter mag spelen en dat hij zich niet aan de regels hoeft te houden. Nu dit onoorbare gedrag van de verdachte geen enkele rechtvaardiging vindt in de feiten en omstandigheden zoals die het hof zijn gebleken, rekent het hof dit de verdachte aan.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 26 mei 2020. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Het hof zal dit in het voordeel van de verdachte meenemen.

Alles overwegende ziet het hof geen aanleiding om tot een andere strafoplegging dan de politierechter te komen.

Het hof zal daarom aan de verdachte een geldboete ter hoogte van € 200,- subsidiair 4 dagen hechtenis opleggen. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c en 138 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door:

mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter,

mr. S. Riemens en mr. N.I.B.M. Buljevic, raadsheren,

in tegenwoordigheid van V.C. Minneboo, griffier,

en op 20 augustus 2020 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. N.I.B.M. Buljevic is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Bijlage

Bewijsmiddelen 7

1. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 december 2017 (p. 04-05), betreffende het relaas van verbalisant [Verbalisant] , voor zover inhoudende:

Op 3 december 2017 was ik verbalisant in uniform gekleed, aanwezig op [naam camping] aan de [Adres camping] te [Adres camping] . Ter plaatse was ik belast met de handhaving van de openbare orde.

Ik was aanwezig samen met 4 beveiligers van beveiligingsbedrijf [beveiligingsbedrijf] .

Mij verbalisant was ambtshalve bekend dat de voormalige beheerder van de camping, [Verdachte] hieronder genoemd, schriftelijk de toegang tot de [naam camping] is ontzegd door de [beheerder 1] .

Op zondag 3 december 2017 omstreeks 14.15 uur zag ik dat er een auto de parkeerplaats van de camping kwam opgereden. Deze auto had als opschrift OMROEP BRABANT.

Vervolgens ben ik naar de feitelijke ingang gelopen en zag dat over de parallelweg van de [Adres camping] te [Adres camping] de latere verdachte [Verdachte] liep, samen met 4 fotografen. Ik zag dat [Verdachte] in de richting van de hoofdingang van de camping liep

welke toegang geeft tot de weg naar de receptie van de camping.

Ik verbalisant ben teruggelopen naar de receptie en heb de beveiligers geïnformeerd over het feit dat [Verdachte] op weg was, samen met de pers, naar de camping.

Ik verbalisant zag dat [Verdachte] samen met de persfotografen de camping op kwam gelopen alwaar hij werd tegengehouden door medewerkers van beveiligingsmaatschappij [beveiligingsbedrijf] voornoemd.

Ik zag en hoorde dat [beveiliger] met [Verdachte] in gesprek ging en dat hij [Verdachte] luidt en duidelijk mededeelde dat hij niet de camping op mocht.

[Verdachte] vertelde dat hij de camping wilde inspecteren.

Hierop heeft [beveiliger] [Verdachte] gezegd dat hij niet de camping op mocht en heeft hij luid en duidelijk en in alle rust tot 3 maal toe gevorderd dat [Verdachte] de camping moest verlaten.

Ik verbalisant hoorde dat [Verdachte] luid en duidelijk antwoordde dat hij niet weg zou gaan.

Hierop heb ik verbalisant verdachte [Verdachte] aangehouden terzake huisvredebreuk en het kennelijk opzettelijk niet voldoen aan de aan hem gedane vordering.

De [beveiliger] was namens de aangestelde beheerder gemachtigd om genoemde vordering te doen.

2. Het proces-verbaal aanhouding d.d. 3 december 2017 (p. 08-09), betreffende het relaas van verbalisant [Verbalisant] , voor zover inhoudende:

Op zondag 3 december 2017 omstreeks 14:35 uur, hield ik op de locatie [Adres camping] , 4891 SJ [Adres camping] , binnen de [beheerder 1] , als verdachte aan:

Verdachte

Achternaam: [Verdachte]

Voornamen: [Voornamen verdachte]

Geboren: [Geboortedatum]

Grond aanhouding

Op heterdaad als verdachte van overtreding van artikel 184 Wetboek van Strafrecht en 138/1 Wetboek van Strafrecht.

Bevindingen

Verdachte werd door [beveiliger] van beveiligingsbedrijf [beveiligingsbedrijf] (werkzaam op [camping] aan de [Adres camping] te [Adres camping] ) 3 maal luid en duidelijk bij de slagboom op de camping voornoemd in het bijzijn van de pers gevorderd om de camping te verlaten.

Verdachte [Verdachte] zei luid en duidelijk voor een ieder verstaanbaar dat hij de camping op zou gaan om deze te inspecteren.

Hierop is de verdachte aangehouden terzake het opzettelijk niet voldoen aan bevel of vordering en huisvredebreuk.

3. Het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 3 december 2017 (p. 14-17), voor zover inhoudende:

V: Klopt het dat u samen met de pers naar [camping] bent gegaan?

A: Ja.

V: Een beveiliger van [beveiligingsbedrijf] heeft U tot drie maal gevorderd het terrein van

camping, [camping] te verlaten, en U heeft geantwoord dat u niet weg zou gaan,

klopt dat?

A: Ja dat klopt.

4. Een geschrift, zijnde een aangetekende, d.d. 6 juli 2017, ondertekend door [advocaat] , advocaat te Breda, gericht aan verdachte (p. 46), voor zover inhoudende:

AAN de heer [Verdachte]

p/a de heer mr. [medeverdachte 1]

[adres]

DATUM 6 juli 2017

ONDERWERP [beheerder 1] / [Verdachte]

Geachte heer [medeverdachte 1] ,

Namens mijn cliënten, de [beheerder 1] en het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder 1] (hierna gezamenlijk: de 'gemeente'), bericht ik u als volgt.

De gemeente is sinds 23 juni 2017 op grond van artikel 13b Woningwet aangewezen als beheerder van het terrein [naam camping] . Op grond van artikel 13b, lid 1, Woningwet is de gemeente bevoegd tot het verrichten van alle handelingen met betrekking tot [naam camping] die volgens het burgerlijk recht tot de rechten en plichten van een eigenaar behoren. Tot de bevoegdheden die krachtens artikel 5:1 BW aan de eigenaar toekomen, behoort ook de bevoegdheid om toegang tot het perceel te verlenen, of te ontzeggen. De gemeente is derhalve privaatrechtelijk bevoegd om te bepalen wie toegang heeft tot het terrein van [naam camping] .

Thans bericht ik u dat de gemeente op grond van haar privaatrechtelijke bevoegdheid als beheerder op grond van artikel 5:1 BW jo. artikel 13b, lid 1, Woningwet u de toegang ontzegt tot de percelen waarop [naam camping] is gevestigd. Het is u derhalve verboden om zich vanaf heden, tot nader orde, op [naam camping] te begeven. Begeeft u zich ondanks dit verbod wel op het terrein, dan zal de gemeente aangifte doen van huisvredebreuk op grond van artikel 138 Wetboek van Strafrecht en de Politie verzoeken u van het terrein te verwijderen.

5. Een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zaaknummer BRE 17/6926 GEMWT VV (p. 37-45), voor zover inhoudende:

Uitspraak van 30 november 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

1. [Verdachte] , te [adres] , verzoeker sub 1,

4. mr. [medeverdachte 1] , te [adres] , verzoeker sub 4,

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 23 november 2017, Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

5.1

De burgemeester betwist dat verzoekers (spoedeisend) belang hebben bij het

treffen van een voorlopige voorziening. Daartoe heeft de burgemeester aangegeven dat (het college van burgemeester en wethouders van) de [beheerder 1] , uit hoofde van zijn rol als beheerder en op grond van zijn privaatrechtelijke bevoegdheid daartoe, verzoekers de toegang tot het terrein heeft ontzegd waar de voor hen geldende gebiedsverboden van toepassing zijn. Gelet hierop kunnen verzoekers volgens de burgemeester met het onderhavige verzoek niet het beoogde doel bereiken.

Met betrekking tot de stelling van de burgemeester dat het spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening zou ontbreken gelet op het feit dat verzoekers ook privaatrechtelijk de toegang tot het terrein is ontzegd door het college als beheerder van het terrein, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers ter zitting hebben aangegeven dat zij aan deze gebiedsontzeggingen geen waarde toekennen.

De voorzieningenrechter herhaalt - wellicht ten overvloede - dat zij zich niet heeft

uitgesproken over de privaatrechtelijke ontzeggingen van de toegang tot het terrein door het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder 1] . Deze uitspraak heeft uitsluitend tot gevolg dat het op grond van het publiekrecht door de burgemeester opgelegde gebiedsverbod ten aanzien van verzoekers wordt geschorst.

6. Een afzonderlijk opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met proces-verbaalnummer PL2000-2017290922-11, d.d. 22 oktober 2019 (p. 1-3), betreffende het relaas van verbalisant [Verbalisant] , alsmede de bijbehorende bijlage (hof: luchtfoto [naam camping] ), voor zover inhoudende:

[naam camping] is gelegen op het perceel gelegen tussen de [Adres camping] , [Adres camping] en de [Adres camping] in [Adres camping] , [beheerder 1] . Rondom de gehele camping is een omheining in de vorm van een hekwerk.

Aan de zijde van de [Adres camping] is de toegang tot het campingterrein.

De ingang voor campinggasten en/of bezoekers is te bereiken via de parallelweg van de Bredaseweg waarbij men meteen het terrein van de camping betreedt.

Meteen aan het begin van de toegang staat zowel links als rechts van deze toegang blauwe borden met het witte opschrift:

Verboden toegang voor onbevoegden, art. 461 wetb. v. strafr.

De genoemde blauwe bordjes waren 3 december 2017 al aanwezig en zijn nog steeds aanwezig.

Bij deze ingang aan de zijde van de [Adres camping] is het hekwerk onderbroken en staat er links van de ingang een groot bord met opschrift: [naam camping] .

Vanaf de openbare weg legt men een afstand af van ongeveer 75 meter over het terrein van de camping eer men bij de slagboom komt die bestemd is/was om het gemotoriseerde verkeer tegen te houden c.q. te controleren.

Ik, verbalisant, heb gezien dat de op 3 december 2017 aangehouden verdachten [Verdachte] en [medeverdachte 1] , beiden te voet vanaf de openbare weg, ongeveer 75 meter het campingterrein op zijn gelopen.

Bij dit proces-verbaal heb ik een print van Google maps met daarop (…)aangegeven het traject dat de verdachte [Verdachte] en [medeverdachte 1] op het terrein van de camping hebben afgelegd/gelopen.

7. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 26 juni 2018, voor zover inhoudende:

Politierechter:

[Verdachte] heeft ook gezegd dat hij daar was, is u ook gevorderd het terrein te verlaten?

[Verdachte] :

Dat klopt, ik was daar ook op 3 december 2017, ik denk wel dat ik toen ook gevorderd ben het terrein van [naam camping] te verlaten.

8. De verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 06 augustus 2020, voor zover inhoudende:

“Ik heb zelf de blauwe bordjes ‘Verboden toegang voor onbevoegden, art. 461 wetb. v. strafr.’ bij de toegang via de ventweg opgehangen.

Ik bevond mij op de weg voor de slagboom, ter hoogte van de deur van de receptie. Dit is het gebouw net naast de letter D, gelet op de bijlage van het aanvullend opgemaakte proces-verbaal. Het klopt dat de beveiliger mij heeft gezegd dat ik [naam camping] moest verlaten.”

9. Een uitspraak van de Voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2017:2846) houdt onder meer in:

In een brief van de Brandweer Midden en West-Brabant van 2 februari 2017 is het resultaat van een integrale handhavingsactie beschreven waarbij is geconstateerd dat er geen sprake is van voldoende brandveilig gebruik van [naam camping] , onder meer omdat doorgaanswegen op diverse plaatsen zijn geblokkeerd, binnen vrij te houden zones bouwwerken zijn gerealiseerd en de aangetroffen brandkranen gedurende lange tijd niet zijn onderhouden. (…)
Ten aanzien van de volksgezondheid heeft het college diverse rapporten overgelegd van de GGD West-Brabant, waaronder een rapport van maart 2017. In dat rapport zijn de bevindingen van op 17 januari en 14 februari 2017 uitgevoerde controles beschreven. Tijdens deze controles zijn de bewoners van de camping in beeld gebracht en is onderzoek gedaan naar de binnenmilieus van de caravans, de leefomgeving van de publieke ruimten en de hygiënezorg.

In het rapport wordt geconcludeerd dat het vanwege de vaak slechte gezondheids- en sociaalmaatschappelijke situatie van bewoners en veiligheidsrisico's ongezond is om te wonen op [naam camping] en dat de leefsituatie en leefomgeving van een deel van de bewoners niet in overeenstemming is met artikel 25 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens.

Ten aanzien van de openbare orde is bij het besluit van 23 juni 2017 een overzicht gevoegd van het aantal incidenten op of rondom [naam camping] dat is vastgelegd in het politiesysteem BVH in de periode januari 2014 tot en met 20 maart 2017.

Dit overzicht bevat ruim 1700 mutaties waaronder meldingen van mensenhandel, illegale prostitutie, (kinder)misbruik, mishandeling, overlast, brandstichting en drugshandel.

10. Een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, voorzieningenrechter afdeling bestuursrecht van 30 november 2017 ( ECLI:NL:RBZWB:2017:7804), houdt onder meer in:

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder 1] (het college) hebben op 9 juni 2017 vanwege de woon- en leefsituatie op [naam camping] aan de exploitante, [camping] het voornemen kenbaar gemaakt om de camping te sluiten. Daarbij is aangegeven dat de sluiting op zijn vroegst op 4 augustus 2017 zal plaatsvinden en dat de bewoners, op dat moment in ieder geval de 535 in de gemeentelijke basisregistratie geregistreerde personen, in een jaar tijd gefaseerd herhuisvest zullen worden.

Op 22 juni 2017 heeft de exploitante bekend gemaakt dat de exploitatie van [naam camping] al op 3 juli 2017 gestaakt zal worden en dat iedereen op die dag na 12:00 uur het terrein verlaten dient te hebben en dat de water- en stroomvoorziening gestaakt zal worden.

Dit voornemen van de exploitante doorkruiste de herhuisvestingsplannen van de [beheerder 1] . Gevreesd werd dat niet tijdig adequate opvang geregeld zou kunnen worden voor een groot aantal hulpbehoevende bewoners. Dit vooruitzicht heeft geleid tot een bijeenkomst van het Regionaal Beleidsteam van de Veiligheidsregio Midden- en West- Brabant. Tijdens deze bijeenkomst heeft de voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant vastgesteld dat sprake was van ernstige vrees voor het ontstaan van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis. De voorzitter van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant heeft daarop het besluit genomen om op te schalen naar fase 4 van de

Gecoördineerde Regionale Incidentbestrijdings Procedure (GRIP).

Om het gemeentelijke opvangplan veilig te stellen en een aanstaande crisis te voorkomen hebben de burgemeester en het college de camping per 23 juni 2017 gesloten en het beheer ervan overgenomen.

(…)

Met betrekking tot de stelling van de burgemeester dat het spoedeisend belang tot het treffen van een voorlopige voorziening zou ontbreken gelet op het feit dat verzoekers ook privaatrechtelijk de toegang tot het terrein is ontzegd door het college als beheerder van het terrein, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekers ter zitting hebben aangegeven dat zij aan deze gebiedsontzeggingen geen waarde toekennen. Zij betwisten dat het college de bevoegdheid heeft om een eigenaar de toegang tot zijn eigendommen te ontzeggen. In de visie van verzoekers betekent schorsing van het bestreden besluit dan ook dat zij het terrein kunnen betreden. Het is dan eventueel aan de strafrechter om te beoordelen of sprake is van

huisvredebreuk, zoals door burgemeester is gesteld. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de onderhavige procedure zich niet leent voor beantwoording van deze vraag. Het is niet aan de bestuursrechter, en al helemaal niet in haar hoedanigheid als voorzieningenrechter, om zich uit te spreken over de rechtmatigheid van een privaatrechtelijke ontzegging van de toegang.

(…)

De voorzieningenrechter herhaalt - wellicht ten overvloede - dat zij zich niet heeft

uitgesproken over de privaatrechtelijke ontzeggingen van de toegang tot het terrein door het college van burgemeester en wethouders van de [beheerder 1] . Deze uitspraak heeft uitsluitend tot gevolg dat het op grond van het publiekrecht door de burgemeester opgelegde gebiedsverbod ten aanzien van verzoekers wordt geschorst.

1 Volgens de verdachte is het besluit genomen op 22 juni 2017; voor de beoordeling is deze datum niet van belang en het hof zal in het navolgende uitgaan van 23 juni 2017 als datum van het besluit

2 ECLI:NL:RVS:2017:2846.

3 ECLI:NL:RVS:2019:3207.

4 ECLI:NL:RVS:2017:2846 en ECLI:NL:RBZWB:2017:780.

5 ECLI:NL:RVS:2019:622.

6 ECLI:NL:RBZWB:2017:7804.

7 Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt – tenzij anders vermeld – gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant, district de Baronie, DAP de Baronie, met kenmerk PL2000-2018066242, afgesloten d.d. 23 maart 2018, zoals opgenomen in het digitale dossier met parketnummer 20-003722-19 en doorgenummerd van pagina 1 tot en met 47.